Het eiland Seran en zijne bewoners
Part 1
HET EILAND SERAN EN ZIJNE BEWONERS
DOOR F. J. P. SACHSE, Kapt. der Infie O.I.L.
MET EEN VOORWOORD VAN Prof. Dr. K. MARTIN, PLATEN, 1 KAART EN PROFIELEN.
BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ voorheen E. J. BRILL.--LEIDEN 1907.
VOORREDE.
Ofschoon de over verschillende tijdschriften en boekwerken verspreidde litteratuur over het eiland Seran (Ceram) oogenschijnlijk vrij groot is, blijkt bij nader onderzoek, dat nog geen samenhangende beschrijving van land en volk werd gegeven, terwijl de gedane mededeelingen dikwijls zeer vluchtig of zelfs geheel onjuist zijn.
Civiel gezaghebber zijnde op een tijdstip dat de Regeering besloot zich rechtstreeksch met de binnenlanders te gaan bemoeien, had ik de gelegenheid gedurende een vierjarig verblijf op Seran het eiland, waarvan het binnenland bijna geheel onbekend was en zijne bewoners, uit eigen aanschouwing te bestudeeren en werden de verzamelde gegevens tot achterstaande ethnographische schets uitgewerkt.
Maar daarom maakt ook dit werkje nog volstrekt geen aanspraak op volledigheid. Voor den wetenschappelijken natuuronderzoeker blijft natuurlijk nog zeer veel te vorschen over.
Indien het echter mag bijdragen tot het verspreiden van meer kennis omtrent dit belangrijkste eiland der Molukken en tot het opwekken van belangstelling daarvoor, dan heeft het aan zijne bestemming voldaan.
Daar eene kaart op niet te kleine schaal, te omvangrijk zou worden voor het formaat van het boek, zoo werd slechts een overzichtskaart gegeven waarop om de duidelijkheid, slechts de voornaamste negorijen, alsmede die in achterstaande beschrijving genoemd, werden aangegeven.
Hem, die eene meer volledige kaart wenscht te beschouwen verwijzen wij naar de door ons vervaardigde schetskaart van de Afdeelingen Wahaï en West-Seran (zie literatuuropgave) en naar de door het Topographisch Bureau te Batavia uitgegeven schetskaart van het geheele eiland.
De spelling van Alfoersche woorden geschiedde klanknabootsend terwijl wordt opgemerkt, dat de klemtoon (op een zeer enkele uitzondering na) op de voorlaatste lettergreep valt.
De e wordt ietwat kort, é geheel helder uitgesproken, terwijl e toonloos is.
Mijn oprechten en hartelijken dank breng ik hier aan den Hoogleeraar K. Martin, die mijn werkje wel met een voorwoord heeft willen verrijken, hetgeen als komende van een oud Seran-reiziger vooral, die zelf een fraai werk over zijne reizen op dat eiland schreef, door mij op hoogen prijs gesteld wordt.
Ook betuig ik wel mijne erkentelijkheid aan den heer W. C. Muller, die zijn bekwame hand leende tot het samenstellen van het register en aan mijn kameraad van het Hollandsche Leger J. W. van Oorschot, die de natuurgetrouwe omslagfiguur teekende.
F. J. P. SACHSE.
Den Haag, 1906-1907.
Nog altijd behoort Seran tot de weinig bekende streken van den Indischen Archipel. Het gebrek aan behoorlijke wegen en in het westen vooral, een moeilijk beklimbaar bergland, bedekt met dichte bosschen, eindelijk een onhandelbare, veelal woeste en den Europeaan vijandelijk gezinde bevolking zijn hiervan de oorzaak.
Weinig blanken waren dan ook in de gelegenheid om door persoonlijke aanschouwing het binnenland te leeren kennen; nog geringer is het aantal van hen, die Seran in verschillende richtingen doorkruisten en zoodoende in staat werden gesteld om een eenigszins bruikbaar overzicht over het schoone land en zijne bergbewonende stammen te verkrijgen. Wat men hiervan heeft verteld, is in vele gevallen enkel geput uit de mededeelingen der kustbewoners, mededeelingen, die soms onbetrouwbaar, ook wel verkeerd begrepen waren en die nu op meer of minder gelukkige wijze werden weergegeven. Soms zijn de schrijvers naïef genoeg geweest om ook de intiemste gewoonten der inboorlingen te willen berichten, alsof ze die werkelijk hadden waargenomen, terwijl toch ieder met het land en de zeden eenigszins vertrouwde onderzoeker begrijpt, dat het onmogelijk zoo kan wezen.
Het is daarom bijzonder gelukkig te achten, dat de schrijver van dit boek, die de meest verschillende streken van Seran leerde kennen, de moeite genomen heeft, om hetgeen hij waarnam zorgvuldig op te teekenen, voor zooverre zulks onder zijn bereik lag. Hij vermeed over dingen te berichten, die toch enkel door den geschoolden natuuronderzoeker op betrouwbare wijze kunnen worden nagegaan en weergegeven, terwijl het voor den officier voor de hand lag, zijne aandacht in de eerste plaats aan land en lieden te wijden.
Zoo ligt dan ook het zwaartepunt van dit boek in de geographische en etnographische gegevens, die heel wat nieuws bevatten én bij de bevolking waarover het zacht, bezadigd oordeel al dadelijk in het oog valt. De in verschillende streken gemaakte waarnemingen worden ook duidelijk uit elkaar gehouden en niet dadelijk veralgemeend. Maar ook daar, waar bekende zaken worden medegedeeld, zal men die gaarne nog eens vernemen uit den mond van hem, die zelf heeft gezien en goed heeft gezien, teneinde oudere berichten op hunne vertrouwbaarheid te kunnen onderzoeken.
Blijkbaar heeft de schrijver den woesten Alfoer van nabij leeren kennen, want tal van bijzonderheden wijzen op een eenigszins intiem samenleven. Daarbij kwam dan ook nog wel iets anders dan woestheid voor den dag: de ziel van den mensch, die ook onder het donkere vel van den Seranschen inboorling nog veel van hare bleekheid deed bekennen. De beruchte koppensneller staat in menig opzicht bij zijnen overbeschaafden Europeeschen broeder geenszins ten achter; misschien is hij wel evengoed en zal hij bij eenigszins verstandige leiding weldra een bruikbaar Nederlandsch onderdaan worden.
Dat toch dit boek niet enkel voor de wetenschap, maar ook voor het bestuur van nut moge wezen! Dat het zijnen weg vinden, die er voor is aangewezen, in de kamer van den geleerde en van den ambtenaar der Regeering, die het in de Molukken als een bron van informatie zal begroeten en niet ongestraft zal mogen verwaarloozen. Volgaarne onderschrijf ik ook de aansporing van den schrijver om het kostbare eiland te kultiveeren, zoodat het een bron van welvaart voor Nederland zoude worden.
K. MARTIN.
Leiden, 1 October 1907.
INHOUDSOPGAVE.
Geschiedenis blz. 1 Aardrijkskundige beschrijving 37 Het Volk 59 Sterkte der bevolking 63 Huizen 64 Kleeding 71 Bestuur 78 Algemeene karaktertrekken 83 Zeden en Gewoonten 89 Godsdienst 89 Baileo 95 Scholen 97 Kerken 98 Bijgeloof 100 Huwelijk 103 Geboorte 110 Puberteit 111 Rechtspleging 111 Eigendomsrecht 115 Péla 116 Pamali 117 Eedsaflegging 118 Nijverheid 121 Landbouw 124 Jacht 127 Scheepvaart 129 Visscherij 132 Voeding 135 Genotmiddelen 137 Wapens 137 Koppensnellen en oorlogvoeren 139 Medicijnen en ziekten 147 Begrafenis 149 Muziekinstrumenten 150 Liederen 150 Dansen en spelen 160 Groeten 165 Besluit 167 Litteratuuropgave 173
HOOFDSTUK I.
GESCHIEDENIS.
De oude geschiedenis van het eiland Seran verliest zich in den nacht der tijden. Het aldaar wonende volk heeft nimmer een eigen schrift bezeten en ook de mondelinge overleveringen zijn weinige, en daarbij zoo verward, dat het onmogelijk is daaruit eene aaneengeschakelde historie van het verre verleden samen te stellen. Veel zal daarbij ook niet verbeurd zijn, want tot op den huidigen dag is het volk van Seran nog niet veel meer dan een eenvoudig jagers- en visschersvolk, dat in talrijke stammen over het groote eiland verstrooid, weinig meer doet dan elkander voortdurend beoorlogen en bemoeilijken in den levensstrijd. De oudste sage die bekend is in geheel West- en Midden-Seran zegt, dat alle stammen behalve die van Honitétoe, hunnen oorsprong hebben uit den grooten waringinboom Noenoesakoe, die zich ergens tusschen Roemah Soal en Manoesa Manoewé moet bevinden, eene tot dusverre geheim gehouden plek. Deze boom heeft drie zware stammen die naar het Noorden, Westen en Zuid-Westen wijzen, aldus de stroomgebieden der Sapoléwa, Eti en Tala rivieren aanwijzende [1]. De stam Honitétoe is van over de zee komen "aandrijven", terwijl de kleinere eilanden vanuit het moedereiland zijn bevolkt. Die legende kan veel waarheid bevatten. De oudste geschiedschrijver van Amboina, de Mohammedaansche priester Redjali vermeldt dat de eerste menschen die zich op het eiland Amboina nederzetten, kwamen uit de Tanoeroe (Tanoenoe)bocht, onder een Alfoersch hoofd Patih Selan Binaur genaamd, terwijl het ook logisch is dat de kleinere eilanden eerst later bevolkt werden dan het groote, dat vrijwel algemeen Noesa Ina of Moedereiland wordt geheeten. De Honitétoe Alifoeroe verschillen ook werkelijk in vorm en geaardheid van het algemeene type Alifoeroe. Hun gelaatsvorm is meer ovaal en de huidskleur iets lichter. Verder weten wij, dat het eiland Seran en ook de Oeliassers reeds in 1400 onder het gezag der sulthans van Ternate, Tidore, Djailolo en Batjan stonden. De geschiedenis sedert onze vestiging is opgeteekend door den welbekenden historieschrijver van Oud-Indië, Valentijn, in het hoofdstuk "Ambonsche Zaaken" en zien wij hieruit, dat de beschrijving der vestiging en van het verblijf der Nederlanders op Seran, het verhaal is van altijd wederkeerende grootere en kleinere gevechten. Daar deze geschiedenis nauw verband houdt met die van Amboina en daar als doorheen geweven is, zoo zullen wij op beknopte wijze het belangrijkste daaruit trekken, dikwijls den heer Valentijn om zijn schilderachtig Hollandsch het woord latende.
Op den 3en Maart 1599 kwam de onder-zeevoogd Wybrand van Warwijk voor Hitoe Lama ten anker. De Amboineezen waren toen ter tijde in strijd gewikkeld met de eerste bezoekers van den St. Lazaro Archipel (zooals zij de Molukken gedoopt hadden), de Portugeezen. Behalve dat wij in die dagen reeds oorlog voerden met het Spaansche Rijk, zag Van Warwijk natuurlijk ook het voordeel in de zijde der Amboineezen te kiezen, om den Portugees te verdrijven en zichzelf de handelsvoordeelen van de toenmaals zoo buitengewoon gezochte Oost-Indische waren te verzekeren. De eilanders waren hierover zoo verheugd, dat zij na gesloten verbond, "zoo vurig aan een vesting, die men op Hatoe Noekoe, een hooge klip omtrent Kaytetto begreep, werkten, dat dezelve in korten tyd klaar raakte." En sinds dien tijd bleven wij te Amboina gevestigd, onzen handel langzamerhand steeds uitbreidende. Vooral was het ons te doen om de notemuscaat en kruidnagelen, die in Europa zelfs tegen goud werden opgewogen. Al spoedig trachtte de E. compagnie zich het monopolie van dien handel te verzekeren, daarbij niet schromende om negorijen, die het waagden aan andere vreemdelingen die specerijen af te staan, streng te straffen, desnoods te verwoesten, en op terreinen, waar zij niet goed het oog op kon houden, de nagelboomen om te kappen en uit te roeien. Ten slotte voeren de dienaren der Compagnie ééns of tweemaal per jaar met eene groote vloot van inlandsche prauwen corra2 geheeten, al de eilanden der Serangroep langs, om sluikhandel tegen te gaan, negorijen te bestraffen, boomen te vernielen en de verschillende zaken en geschillen der bevolking te berechten. Deze zeetochten, die eene treurige vermaardheid hebben verkregen, noemde men de "hongi" en werden eerst in 1824 voorgoed afgeschaft.
In 1609 werd voor het eerst een schriftelijk contract met de hoofden op het eiland Ambon, alsmede met die van de negorij Roemah-Kai op Seran gesloten, waarin deze gehoorzaamheid aan den gouverneur der Molukken beloofden en zich verplichtten, kruidnagelen en sagoe, alléén aan de Hollanders te verkoopen. Later werden ook den negorijen Lessidi en Kambélo, plaatsen die vooral rijk aan nagelboomen waren, dezelfde verplichtingen opgelegd. Doch al spoedig liepen de zaken spaak, daar de Engelschen aldaar eveneens belandden en met de Hollanders trachtten te concurreeren. Daar de hoofden niet wilden luisteren naar de vertoogen van den Gouverneur Jasper Janszoon, om zich aan het contract van 1609 te houden, zoo werd ten slotte eene demonstratie met een vloot van 11 schepen, onder den tweeden opperlandvoogd van Ned. Indië den Heer Gerard Reynst, in 1615 noodzakelijk.
Doch de indruk daardoor verkregen, was geen blijvende, zoodat in 1618 de Heer van Speult "die geen man was om zich te laten tergen", na eerst de Hitoeezen te hebben getuchtigd, een hongi ondernam met 35 corra2, [2] bemand met tusschen de 3000 à 4000 koppen, om vooral de inboorlingen van Bonoa-Kélang en Asaoedi, die voornamelijk menschenroof pleegden, tot rede te brengen. Hij onderwierp genoemde oproerige stammen, dwong hen de geroofde menschen terug te geven en veroordeelde hen tot eene boete van 1800 petolen (kain patola, een eertijds zijden, thans gewoon katoenen kleed, waarmede tot op den huidigen dag nog boeten voldaan worden op Seran), terwijl zij bovendien een corra2 van 4 gnadjo's [3] moesten opleveren. Men stelde bij deze gelegenheid een contract op, dat wij om der curiositeit wille en om een blik te doen slaan in de gewoonten der E. Compagnie hieronder doen volgen:
Op huiden den 19 November 1618 zyn op strand Boano vergadert, Herman van Speult, Lieutenant Gouverneur en Directeur over de Eilanden, Fortressen ende commercien van Amboina, met meest alle de Koningen en Oversten van de landen en steden, onder het bovengemelde Gouvernement resorteerende, nevens onze geassocieerden, als Capitein Hitoe, den Koning van Hitoe, en de Orang Kaja's van Ihamahoe en Nollot midsgaders Lato-Coli, ende Kipati Naro, als middelaars ter eenre, ende den Sengadji van Boano ter andere zyde, de welke naar verscheide sessien in genade is aangenomen op naarvolgende conditien.
Eerstelyk is by den Luitenant Gouverneur voorsz.: met hulpe van de bovengemelde Heeren ter neder gelegt, doot en te niete gedaan, met desistentie van alle vorige pretensien, zoo 't geene zedert de tyden van de Portugeesen op die van Boano hadden te pretenderen over zodanige rooveryen, van luiden ende goederen, als by die van Boano voorsz. zyn gecommitteerd, wel verstaande, dat die van Boano eerst ende vooral zullen restitueeren, alle zoodanige gevangenen, als zy 't zeedert de tyden van de Portugeesen genomen hebben, welke verklaringe zij luiden zullen gehouden wezen te doen op haren Moshâf, ende zal de restitutie geschieden in volgende manieren, te weten, dat zy de geene, die nog in leven, ende in hare handen zyn, persoonlyk wederom zullen geven ende de geene, die overleden, ofte buitens lands verkogt zyn, zullen zy vergoeden, voor een Orang Kaja 100 petolen, ende voor een slave 60 petolen, ende tot een amende van hare begane faute beloven zy te betalen aan den Luitenant Gouverneur voorsz. 1800 petolen, ende daar en boven eene Corcor van vier Gnadjos.
Mede beloofden die van Boano voorsz. van nu voortaan nog tot geenigen dage meer te rooven op eenige der voorsz. Heeren landen, luiden ofte goederen, ende haar voorder te dragen, als goede en getrouwe geassocieerden toestaat.
Doch gemerkt by de voorsz. Heeren voor zeker gehouden werd, dat (naar 't gemein spreekwoord) de exter haar huppelen niet en zal agterwegen blyven (als wezende zy luiden van over ettelyke 100 jaaren gewoon, hun met rooven te erneren) waar over te bedugten staat zy haar eerlang wederom zullen te buiten gaan, in welken gevalle de bovengemelde Heeren, onze onderdanen, ende geassocieerden, gezamenderhand beloven, ende zweeren, aan den Luitenant Gouverneur voorsz. op de eerste aanklagte hem te assisteeren met alle hare magt, omme die van Boano, ofte de Contraventeurs van dezen, geheel te destrueeren, ende uit te roejen. Aldus gedaan, en besloten op de strand van Boano. Datum ut supra.
Tevens gelastte de heer Van Speult, die inderdaad blijkbaar geen vriend van halve maatregelen was, dat jaarlijks gedurende de kentering van den moesson de hongi uit zou trekken om toezicht te houden op het nakomen der bepalingen. Doch de opperlandvoogd Jan Pietersz Coen, die den 4en Februari 1619 te Amboina verscheen, bracht bericht van de groote moeilijkheden waarvoor hij op Java stond, daar de Bantammers, geholpen door de Engelschen, hem genoodzaakt hadden de factorij te verplaatsen naar Jacatra. Hij wenschte thans zooveel mogelijk schepen en troepen in de Moluccos te verzamelen, om op Java krachtig te kunnen optreden. Vreemde handelaren hadden daarbij gezorgd voor het rondstrooien van het gerucht, dat de macht der Nederlanders aan het zieltogen was, zoodat de negorijen Kambélo en Lessidi, stout genoeg werden om wederom en vrij openlijk hun nagelen te verkoopen aan vreemdelingen, die er van 80 tot 100 rijksdaalders de bahaar [4] voor gaven. Op bedreigingen onzerzijds met vernieling van hunne gewassen, verzochten de inlanders ook meer geld voor de kruidnagels te mogen ontvangen, waarna de prijs van een bahaar vastgesteld werd op 67 rijksdaalders, een prijs die later weer verminderd werd.
Toen in 1620 Frederik Houtman te Amboina kwam met berichten van de overwinningen van Coen op de Engelschen, kon Van der Speult weer met kracht optreden om de woelige inlanders te beteugelen. Nieuwe contracten werden opgemaakt, waarbij vooral klem werd gelegd op de bepaling, dat aan niemand anders dan aan de Hollanders nagelen verkocht zouden worden.
Maar toen evenmin als tegenwoordig was de inlander met contracten te regeeren, als men tot opvolging daarvan niet kan verplichten door bedreiging met de bajonet, en zoo bleef de clandestine verkoop van kruidnagelen het onderwerp van voortdurend gekibbel tusschen den gouverneur der Molukken en de hoofden op Seran en Ambon. "De patih van Kambélo (werd) zoo stout van de onzen te doen weten dat hy nog met den landvoogd nog met den Kimelaha, te doen had, en dat hy aan ons geen nagelen meer wilde leveren, vermits de heer van Speult zyn meeste nagelboomen omgekapt had, dreigende verder ook de rest liever zelf om te kappen, dan daarover gedurig zooveel snorren aan zyn ooren te hebben; dog dat dit maar zeggen was, bleek klaar, daar hem de Heer Landvoogd al 't jaar te voren parangs, en volk daartoe aangeboden had"
Ook was voortdurend eene strijdvraag tusschen de E. Compagnie en den sulthan van Ternate, op welke negorijen van het eiland Seran of zij ieder recht hadden. De Compagnie legde hare meening neer in een geschrift, gedateerd Augustus 1628, waarmede de sulthan van Ternate, die vrijwel geheel Seran opeischte als zijn onderhoorigheid, het niet eens was, zoodat deze geschillen steeds dreigende bleven en den onzen veel last veroorzaakten. Koning Hamza van Ternate zond eerst een zijner prinsen als kapitein Laoet naar Amboina, met een brief, luidende: "Ik den koning van Ternate, hebbe dezen brief geschreven in 't Fort Maleyo tot een getuigenis de maand Ramalaan nemende, want ik hebbe my by den Gouverneur alhier met zyn raad, den ouden Fiscaal, zyn Kooplieden, en zyn verdere raadspersoonen, nevens de mynen, de Soasives, met alle de Sengadji's van 't Eiland, binnen 't Fort Maleyo vervoegd, gesproken, gepitsjaard, u lieder brieven, de missiven des Gouverneurs in Amboina gelezen, en overzien, ende daar uit bespeurt, dat, in gevalle het alzo wezende daar niet in voorzien wert, t'avond of morgen de Amboineesen en Hollanders over hoop zullen leggen, derhalve met de Hollanders overleit heb, om een einde van de zaak te maken, en heb goedgevonden den kapitein Laut derwaarts te zenden om alles te doorgronden enz. enz." Deze zendeling richtte niet veel uit; integendeel, door allerlei kuiperijen van den Ternataanschen vertegenwoordiger, Kimelaha Leliato, die jaloersch op hem was, werden de verwikkelingen nog heviger en verder beviel het den Prins Ali, die overal zeer goed onthaald werd, best op Ambon en Hoeamoal en trachtte hij overal zijn beurs te spekken.
Zoo werd koning Hamza vertoornd en zond een tweeden gezant, Kalimbata, om Ali van zijn ongenoegen te verwittigen. Daarop begaf Prins Ali zich naar Manipa en en zond, "dewyl hy nu by zyn eigen koning, zoo wel als by ons, zich stinkende gemaakt had," dezen Calimbata naar Macassar, als gezant, om van den vorst van Macassar uit naam van koning Hamza de landen terug te vorderen die deze hem ontnomen had. Koning Hamza echter had de voorzorg genomen om een derden gezant rechtstreeks aan den gouverneur van Amboina te zenden, de sengadji Cajo, om den landvoogd van 's konings misnoegen over Prins Ali kond te doen, terwijl de Kimelaha Leliato door den Kimelaha van Loehoe vervangen werd. Prins Ali nam daarop de wijk naar Boeroe, doch "hy zocht alleen den Amboinees zoo lang hy kon uit te mergelen; zoodat men geen gissing op zyn vertrek maakte, voordat de nageloogst voorby zou zyn, om de Ambonsche gans nog dezen schoonen veder uit den steert te plukken." De veranderingen echter gaven evenmin verbeteringen. De Kimelaha van Loehoe stak hoe langer hoe meer het hoofd op. Hij haalde lieden van Ihamahoe over, het Mohammedanisme te omhelzen, bedreigde de Oeliassers met oorlog, gaf de negorij Lisiëla verlof te rooven en te plunderen, zoodat toen de landvoogd in 1632 eene versterking van 336 man uit Batavia ontving, hij er op lostrok om Ihamahoe te tuchtigen. Hierbij werden de troepen gesteund door het alfoerschen hoofd Patinaja met 300 man, die men na vermeestering van Ihamahoe aldaar liet blijven "tot schrik van de vijand, gelyk zy hen meer schade, dan duizend van onze soldaaten, gedaan en 't gansch Land t' eenemaal verwoest hebben."
De Loehoeneezen echter, die de euveldaden van hun eigen heer moede werden, hielpen de onzen met het maken van eene nieuwe steenen versterking. Dit zal wel de vesting zijn waarop in het oude Séri Kambélo-lied gedoeld wordt, Lima teá lima, leé hatoe Laoe séri Kambélo, djadi kota Loehoe wélé, zeggende dat de mannen de steenen hand over hand doorgaven, van de kust van Kambélo, tot die van Loehoe, alwaar de vesting tot stand kwam. Door de Loehoeneezen kwamen wij ook in het bezit van eenen brief, door radja Hamza aan den Kimelaha geschreven, waaruit ten duidelijkste bleek, dat hij den spot met ons dreef en dat hij niet het minste plan had om den sluikhandel in nagelen te beletten, zooals hij tegenover ons behoorde te doen.