Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848
Part 9
Men heeft groote ontginningen, waarvan sommige met gebrek aan kunde en doorzigt ondernomen, die zelf bij vrijdom van grond-lasten geene rekening geven; wel spreken de afgevaardigden uit de provinciën waar die ontginningen werden ondernomen, luide voor schaalregten om hunne speculatiën te schragen, terwijl den vrijen graanhandel en den handelaren, door hen overstemd, geene vergoeding wordt gegeven voor het groote nadeel, dat hun, met die duizenden, die door den graanhandel leven, berokkend wordt. Daarbij begint het gezond verstand overal de bovenhand te verkrijgen, dat, ofschoon belasting op het gemaal moge geheven worden, het algemeen niet meer cijnsbaar mag worden gemaakt, aan een reeds te lang bevoorregte klasse. Zochten grondbezitters rondom het Haarlemmer-meer, de droogmaking daarvan te keeren, uit vrees dat hunne eigendommen daardoor in waarde zoude verminderen, wij vreezen dan ook, dat dezen door hunnen baatzucht, ten koste van de welvaart der geheele natie, wel weder de grootste tegenstanders van ons ontwerp zullen zijn.
Wij staan den vrijen handel voor, omdat wij meenen, dat juist de fabrijken, welke hoog beschermende regten genieten, daardoor wel oogenschijnlijk bevoordeeld, echter wezentlijk benadeeld worden. Vóór het verbod van uitvoer van lompen, en vóór dat er hooge regten op het papier werden gelegd, bloeiden onze papier-fabrijken, en overal wilde men hollandsch papier. De fabrikant, steeds begeerig, verlangde verbod van uitvoer van lompen, en geen invoer van papier; maar welk gevolg heeft dit gehad? Hij gaf zich geene moeite meer, sluimerde in, tot dat hij zijn debiet geheel verloren had, en nu blijkt het, bij onderzoek, dat hem andere natiën op het gebied van schei- en werktuigkunde verre zijn vooruitgestreefd. Ware de concurrentie blijven bestaan, dan zou de vrees voor eigen behoud hem op de hoogte gehouden hebben dier wetenschappen, welke onafscheidbaar aan zijne fabrijk verbonden zijn. Nu derven onze papier-fabrijken hun debiet, en wij worden overstroomd met vreemd fabrikaat; eene reeks van jaren heeft men hier eenen hoogst aanzienlijken handel in lompen geweerd, terwijl niet meer werd ingevoerd, dan voor eigen behoefte benoodigd was.
In Engeland is, sedert den vrijen invoer van wol, de schapenteelt niet achteruit gegaan; sedert het opheffen van het verbod van uitvoer der wol, zijn ook dáár de laken-fabrijken niet verachterd en door den vrijen aanvoer van wol uit alle landen, is de fabrikant niet meer zoo beperkt, in de keuze van zijne grondstoffen. En wat is er van onze laken-fabrijken geworden? COCQUERIL DE OUDE, boodt zijne nieuwe wijze van fabriceren te Leiden aan; die stad was beroemd om hare laken-fabrijken, en waande zich dus verheven boven de anderen; COCQUERIL dáár afgewezen, wendde zijne schreden naar Verviers, waar men, schranderder dan te Leiden, den inventeur van iets nieuws met open armen ontving. Verviers voorziet thans alle werelddeelen van laken, en Leiden bezit geene fabrijk meer.
De handel biedt aan de wetenschappen de hand, en van daar voorspoed; terwijl kleingeestige begrippen verdwijnen, en de ondernemingsgeest aangewakkerd wordt.
Gouda klaagt over verval harer pijpen-fabrijken; maar geen inboorling van Gouda, die weet, dat er in Amerika en in Engeland vele pijpen van slechter allooi en fatsoen gebruikt worden, zal er heen gaan, om zelf onderzoek te doen, en een beter fabrikaat aan te bieden;--dit ligt niet in zijnen aard. De Commissiën op de pijpen moeten hem, als weleer, op geregelde tijden geworden;--dit nu niet geschiedende, wordt er over verval geklaagd; op wie rust de blaam?
Vele rekwesten van wolkammers zijn er ingediend, om beschermende regten op de garens. Zij hebben het verbeterde engelsche fabrikaat voor oogen, en evenwel blijft men kammen zoo als voor eeuwen. Menig bemiddelde onder hen, die kinderen heeft, is te beangst, om hen uit het vaderlijke oog te laten gaan, of het komt in zijne gedachte niet op, hen naar Engeland te zenden, om onderzoek te doen naar de wijze, waarop de Engelschen werken, en betere artikelen kunnen leveren. Wij zouden nog eene reeks van voorbeelden van gelijken aard kunnen bijbrengen, om te bewijzen, dat het niet raadzaam is, om door verhoogde regten fabrijken te bevoorregten; maar wel dat de wetenschappen aangekweekt en onder het volk verspreid moeten worden, waardoor wij zullen worden in staat gesteld, om met andere natiën te kunnen concurreren.
Men wordt hier met den vinger nagewezen, als men iets, zoogenaamd nieuws, onderneemt, dat veelal jaren achtereen in andere landen bij ondervinding is gebleken goed te zijn.
Waarom lijden sommige dier ondernemingen bij ons schipbreuk? Deels door de traagheid der natie, welke eene afkeer schijnt te hebben van al wat nieuw is; deels door eigenbelang; deels door gebrek aan behoorlijk onderzoek en aan de noodige kunde van den ondernemer, om zelf te oordeelen, zelf een wakend oog te houden op de werkzaamheden: deels door te goed vertrouwen op de vreemden, waarvan sommige wel de noodige bekwaamheden bezitten, doch ook vaak met ondeugden behebt zijn, om welke zij hun eigen land, met betere inkomsten, hebben moeten verlaten; deels, omdat bij ons werkvolk de ondersteuning, de bekwaamheid en de lust ontbreekt, om de behulpzame hand te bieden.
Nog zeer kort geleden hoorden wij eenen thans overleden, met ondernemingsgeest bezielden baron, die groote bekwaamheden had, laken, om de (zoogenaamde zotte) nieuwigheden, die hij bij zijnen landbouw had willen invoeren, zoo als verbeterde wijze van ploegen, zaaijen, enz. De verdienstelijke overledene had zich vele verbeterde werktuigen aangeschaft; maar alles bleef meest ongebruikt, omdat zijn volk dezelve deels met vooroordeel, deels met tegenzin hanteerde.
Een onzer huishoudkundigen bezocht onlangs Engeland, en doorreisde vooral zulke streken, waar de grond met de zijne niet verschilde. Hij moest erkennen, dat men er ons verre vooruit was; maar had geene der dáár met voordeel gebruikt wordende werktuigen mede gebragt, omdat zijn volk er niet mede wist om te gaan, en hij, zoo doende, vergeefsche kosten zoude hebben gemaakt.
Wilde men met voordeel op engelsche wijze, en met engelsche werktuigen werken, dan zoude men eerst eenige jongelieden uit den boerenstand, daar henen moeten zenden, om, onder eene verstandige leiding, in het werken, en door te werken, onderrigt te genieten, waarvan dan hier voordeel zoude kunnen worden getrokken. Dit zoude meer afdoen, dan het beschouwen van de werktuigen, welke in onze landhuishoudkundige kabinetten voor staatsie staan, en alle jaren eens voor de tentoonstelling worden opgepoetst. Het naar Engeland zenden van jonge lieden, uit den boerenstand, zoude thans aan niet veel zwarigheid onderhevig zijn, sedert de engelsche nieuwsbladen ons berigten, dat, ten gevolge van het aanleggen van zoovele spoorwegen, daar gebrek aan handen voor den landbouw ontstaat. Het ware dus maar hoofdzakelijk de reiskosten; het engelsch spreken leert men spoedig genoeg, voor zooverre het noodig is.
Bleef de natie in alles zich, als in hare zucht voor het oude, gelijk, wij zouden dan vrij wat minder schatting aan de parijsche industrie betalen, en de kosten der huishoudelijke ameubelementen en kleeding zouden vrij wat geringer zijn; doch hierin is de zucht voor het oude geenszins blijkbaar. Het zal eenmaal zoo ver komen, dat er geene nationale kleederdragten in onze beschaafde wereld zullen bestaan; zoo als men zich te Parijs kleedt, zal men zich op elk dorp ook moeten kleeden. Wij zien het bewijs daarvan in de parijsche modeplaatjes, die tot op de geringste dorpen toe voor de glazen prijken, waar maar een kleêrmaker of artiste voor de dames woont. Dat men nu een winkelier, madame, _tel et telle_ eert en acht, welke die modeartikelen, in groote magazijnen, uit den vreemde ten toon spreiden, laten wij daar, maar dat men den Hollander veracht, die door eigen vlijt onderneemt, om ook iets nieuws daar te stellen, waardoor in die behoefte kan worden voorzien, dit is onvergeeflijk.
Waren onze voorouders ook zoo aan het oude gehecht? Schuwden ook zij de nationale uitvindingen, zoodat een uitvinder zich kwalijk, om niet (impertinent) lastig te zijn, bij een groot heer durft te laten aandienen? Haalde men bij hen ook voor een groot genie de schouders op, die het een of ander durfde ondernemen? Van wáár dan die vele ontdekkingen op het gebied van kunsten en wetenschappen, zoodat zij de beste papierfabrikanten waren, de beste uurwerken en klokken vervaardigden; hunne lakens boven andere de voorkeur hadden; niets hunne bleeken evenaarde; dat zij de houtzaagmolens uitvonden, olieslagerijen, lijnbanen, in de toenmalige hoogste volmaaktheid, bezaten, en het aan ontdekkings-ondernemingen naar het Noorden en Zuiden niet ontbrak?
Van wáár, dat de trotsche, zich onoverwinnelijk wanende Spanjaard, als hij den Hollander op zee ontmoette met de lont in de hand, liever in de lucht willende springen, dan zich aan hem overgeven, om genade riep, en zich, ofschoon eene groote overmagt hebbende, aan denzelven overgaf? Van wáár, dat een CZAAR PETER DE GROOTE, naar ons land reisde, en er zijn verblijf hield, om de scheepsbouwkunde te leeren?
Is het de regering, die de volksgeest niet weet te verheffen? of is het, omdat het volk hoe langer hoe onverschilliger wordt, en denkt: het is toch alles maar te vergeefs? Aan beide is het te wijten. De regering acht zich veelal boven de voorstellen van den onderdaan verheven, en de onderdanen handelen niet gemeenschappelijk, om hetgeen, wat nuttig is en noodzakelijk wordt, voor te dragen en klem aan hare vertoogen te geven, en die met vastberadenheid door te zetten. De regering stelt de populariteit niet genoeg op prijs, verliest dezelve uit het oog, het volk zwijgt, hetwelk verkeerdelijk als een blijk van goedkeuring wordt voorgedragen; wat wonder, dat dus alles verachtert en het algemeen er door lijdt?
Wordt er een of ander voorwerp of uitvinding aan het bestuur, tot onderzoek, voorgedragen, en bereikt de daarbij belanghebbende zijn doel, dat het door den Minister wordt aangenomen, zoo waant hij zich gered. Hij dwaalt! De ambtenaar, aan wien nu de taak van het onderzoek wordt opgedragen, is of traag, of bevreesd, dat hij, door het uitbrengen van een op waarheid gegrond rapport, zich op de eene of andere wijze compromiteeren zal, en stelt het in dier voege, dat er geen eigentlijk besluit op genomen kan worden,--en de belanghebbenden ziet zijne poging verijdeld! Vaak ook druischt eene uitvinding tegen wezentlijke of vermeende belangen, van bij het bestuur aangestelden of magten in den Staat en commissiën, aan; en dan, tenzij de uitvinder een man van gewigt is, leiden de beste pogingen schipbreuk. Dat heeft men hier niet alleen bij ondervinding, het schijnt overal het geval te zijn; vandaar dan ook, dat vele uitvinders de vruchten van hun genie niet plukken.
Vervolgen wij nu den loop onzer gedachten, hoe de handel, door de instandbrenging van ons plan, gediend zal zijn.
Men vergunne ons, den lezer nog eens nader toe te lichten, welk nut uit de indijking van een gedeelte van het IJ getrokken zal worden.
Het voordeel, door de indijking van 8000 bunders beste kleigrond in het IJ te verkrijgen, in stede van een, kosten zonder voordeel aanbrengend, water te behouden, valt van zelf in het oog.
Amsterdam wilde vroeger nimmer gedoogen, dat de Slaperdijk verhoogd werd. Het regt van zelfbehoud waande, dat, wanneer de Slaperdijk overliep, de stad alsdan gered ware, even alsof bij eenen, door de Voorzienigheid gelukkig altoos afgewenden, aanhoudenden storm en hoogen vloed, er niet meer water uit de Noordzee in de Zuiderzee had kunnen dringen, dan Rijn- en Delfsland kunnen verzwelgen, en dat dan Amsterdam, bij de indringing van dat water, ook niet zou hebben kunnen of moeten onderloopen. Er zijn nu nog menschen in leven, die zich het overloopen van den nu verhoogden Slaperdijk herinneren, en die de schrik en ellende kunnen beschrijven, door dit overloopen veroorzaakt. Het is ook nog in veler geheugen, welke schade en ongelukken, door den hoogen vloed van 1825 in Noord-Holland en alom in ons Rijk veroorzaakt zijn; alsmede in welken angst men later nog te Spaarndam en te Amsterdam heeft verkeerd. Er kunnen weder stormen en hooge vloeden komen, en is dan ons plan voltooid, dan kunnen wij die zonder bezorgdheid te gemoet zien, daar, bij den overvloed van specie uit de diep te graven kanalen, breedere en hoogere dijken, dan nu bestaan, zullen kunnen gelegd worden.
Men verbeelde zich eens, het IJ ingedijkt, zoo als wij zulks voorstellen.
Er zouden alsdan drie wegen van gemeenschap met Noord-Holland komen, waar er nu geen enkele is: men kwam van het Wester-dok naar het Tolhek, van Zaandam op Halfweg, en van Nauerna op Spaarndam, zoodat men bij ijsgang geene overtogten, van 4 uren van de Nieuwe Stads-herberg naar het Tolhek, te vreezen had. Behalve langs de geregelde vaarten van uit de Zaan, zouden 's winters langs die wegen de toevoeren van de Zaanlandsche fabrijken, van vee uit Noord-Holland, en van de behoeften naar de Zaan en Noord-Holland, met geringe kosten kunnen geschieden, hetwelk nu dikwerf voor weken en maanden niet geschieden kan; en wanneer het al plaats kan hebben, dan nog slechts met groote bezwaren, vele kosten en oponthoud. Gelijk deze gemeenschap met Amsterdam zoude verbeteren, vond zulks ook met Haarlem plaats; en is eenmaal de droogmaking van het Haarlemmer-meer voltooid, dan worden daardoor wederkeerige behoeften geboren, welke den weg en de vaart, van de Zaan op Halfweg, van het grootste gewigt zoude doen worden, en Halfweg tot eene plaats van levendig vertier maken, iets, dat voorheen niemand in de gedachten kwam.
Ook het oponthoud, hetwelk onze binnenlandsche handel en scheepvaart zoo vaak ondervinden, dat men, om oosten-wind en gebrek aan water, niet van Spaarndam, noch van de Zaan weg kan komen, of dat men dikwijls dagen achtereen moet blijven liggen, wanneer door hoogen waterstand niet geschut kan worden, zou niet meer plaats hebben. Door al zulke nu zoo veelvuldig in het najaar en in den winter plaats hebbende stoornissen in de vaart, wordt zeer veel verlies geleden, dat, alhoewel niet algemeen bekend, door de belanghebbenden, die het ondervinden, maar al te goed kan beoordeeld worden, zoodat men met vreugde middelen zal zien aanwenden, om zulk ongerief, waaraan groote verliezen verbonden zijn, uit den weg te ruimen.
Men veronderstelle eens, alles bestond reeds, gelijk wij het hier voorgesteld hebben. Nu kwam men op het denkbeeld, om, voor Amsterdam eene waterberging behoevende (even als Rijnland het jaren lang heeft doen voorkomen, daartoe het Haarlemmer-meer te behoeven, 1/3 van Rijnlands geheele oppervlakte), die 8000 bunders schoone, vruchtbare velden in water te veranderen, en dat men om dien boezem dijken moest aanleggen met kostbare sluizen;--zoude men dan niet eene algemeene kreet hooren opgaan? 8000 bunders best land aan de zee ter prooi te geven! Dijken te moeten bekostigen, in aanleg en onderhoud bezwarende! De zoo noodige land- en veilige watergemeenschap op te breken! De geregelde drooghouding der landerijen binnen die dijken te beletten. Daardoor duizende bunders land in moerassen te veranderen, dat toch het gevolg moet worden, aangezien de boezem, na verloop van tijd, onvermijdelijk zou moeten verslibben! Amstelland ook van geregelde spuijing te berooven, en de stads-grachten, steeds van versch en goed drinkwater voorzien, in zoo vele stinkpoelen te veranderen, waardoor men schuiten water van elders zou moeten laten komen, en er sprake zou moeten zijn, om kostbare waterleidingen te maken, die toch op de gewone wijze, met veel overleggingen en veel praten, niet tot stand zouden komen!
Verbeeld u al deze niet overdrevene nadeelen,--welke te verhelpen zijn, als men slechts wil,--die thans bestaan en van jaar tot jaar toenemen.
In het tot dus verre afgehandelde is er van zelf reeds veel sprake geweest van de verbeteringen voor den landbouw, welke uit de exploitatie van ons ontwerp zullen ontstaan; doch die landbouw is te gewigtig, en te velen hebben er belang bij, om niet nog eenige bijzonderheden daarover op te teekenen, waarbij de verbeterde waterloozing, door hare wenschelijke gevolgen, den eersten rang bekleedt.
Wat men nimmer bevroedde, en waarvan men alzoo nimmer de gewenschte gevolgen berekend heeft, is, dat door den krachtigen stroom, met grooten diepgang en waterboezem voor de stad Amsterdam, geheel Noord-Holland en Amstelland op Rijnlands-peil zullen worden gebragt. Wat weldaad zulks voor Noord-Holland zoude zijn, zullen, onder meer anderen, de Heer-hugowaard, de Schagerwaard en het district van Ierswoerde weten te waarderen, welke alle afgesloten liggen van het Noord-Hollandsche Amstel-peil, waardoor de Heer-hugowaard en de Schermer zooveel boezems en strijkgemaal behoeven, die dikwerf niets baten.
Er moeten duizendtallen bunders op boezems uitmalen, welke ½ el lager liggen dan het Noord-Hollandsche Kanaal. De nadeelen, welke daaruit ontstaan, zijn niet te berekenen.
Hoe schrikkelijk werd men in de Heer-hugowaard, in het natte jaar 1841, geteisterd door gebrek aan uitwatering. Eens moest men tien achtereenvolgende dagen den stevigen wind door de hekken laten waaijen, daar de boezem boven peil stond, en men dus door de lagere ligging niets kon ontlasten. De ellende in die polder steeg ten top; het water stond er op eene el hoogte, zoodat die waard naar eene zee geleek. Soortgelijke rampen waren voor immer geweerd en voorgekomen. De noodzakelijkheid, om het Noord-Hollandsche Kanaal altijd op deszelfs tegenwoordig peil te houden, verviel, daaraan was geene behoefte meer, dewijl de groote en diepgaande schepen het Kanaal niet meer zouden passeren, enkele gevallen uitgezonderd. Door het ontstane lagere peil werd eene geheele streek van Noord-Holland, van Zandpoort af tot aan het Buitenveld toe, van bemaling ontslagen.
Het is bekend, dat de sluizen van het Noord-Hollandsche Kanaal, aan het Nieuwe Diep, vermogender zijn, dan al de andere sluizen in Noord-Holland te zamen genomen. Hieruit nu mag men afleiden, dat de uitwatering door het Zeekanaal in de Noordzee, die 14 à 15 uren nader aan den hoek van Holland ligt, veel krachtiger zal worden, dan die aan het Nieuwe Diep, terwijl ook nog dit nieuwe kanaal breeder en dieper wordt, en zich in een magtiger buitenverhang verliest.
Bij den bloei van den groothandel, van de zeevaart en van de tallooze fabrijken van vroegere dagen, lette men niet op den rijkdom van grond aan de Zaan, even min als in vele andere provinciën van ons Rijk. Thans, daar vele bronnen van welvaart aldaar verdwenen zijn, en daardoor de armoede schrikwekkend toeneemt, zal men, bij eene verbeterde afwatering, veel van die armoede kunnen keeren, en den last en druk daarvan kunnen lenigen.
Genoegzaam kosteloos en onopgemerkt, zullen de nu moerassige landen alsdan daar droog blijven. Die gronden zijn bij uitstek geschikt voor de teelt van groenten en vruchten. Het is eene uitgestrektheid van duizende bunders, en die uitgestrektheid wordt van zelf grooter, doordien men het groote aantal van slooten en slootjes zal kunnen ontberen, hetwelk men daar thans heeft.
Bij de daar te stellen scheepsgelegenheden naar buiten'slands, kan men op eenen geregelden aftrek van allerlei vruchten, groenten, gevogelte, eijeren, enz. rekenen. Met weinig moeite en kosten ware alsdan veel te verbeteren. De polders van den Oost- en West-zaner-ban zouden gevoegelijk, door de stoombemaling van den nieuw te scheppen Midden-IJ-polder, kunnen worden geholpen, wanneer er soms nog behoefte aan bemaling mogt bestaan, na alvorens alle fabrijken aan de overzijde van den Zaanstroom, alsmede die van Westzanen, behoorlijk met kaden buiten gedijkt te hebben, en wel zoodanig, dat de hoofd- en dwarsvaarten tot gemeenschap in wezen bleven; van de elf binnensluizen, zouden er ook verscheidene kunnen vervallen; thans kan de Westzaner-sluis alleen bij een dood getij spuijen, en zij zal, met een veel grooter verhang, op de binnenvaarten van den nieuw te scheppen IJpolder kunnen werken. Het is onnoodig, de alsdan aldaar te verkrijgen voordeelen verder toe te lichten.
Het uitgestrekte gebied der Ilpen is, bij den aanleg van het Noord-Hollandsche Kanaal, door onkunde en vooringenomenheid van deszelfs toenmalige bestuurders, tegen betere inzigten van den Waterstaat, in slechter toestand geraakt, dan immer te voren. Door aanhoudenden toevoer van honderde kubieke ellen ziltig water, bij elke schutting van de sluizen, op zijne reeds drassige landen, verviel zijn toestand van erger tot erger. Uithoofde der tegenkanting van dit bestuur, moest er te Purmerend eene kostbare sluis gelegd worden, met dat ongelukkig gevolg, dat de Willemssluis niet in het IJ kan spuijen, en al haar water nu over hooger liggende gronden, zoo als die van het Zand of Koegras, naar het Nieuwe Diep moet geloosd worden.
Het ware voor Noord-Holland voordeeliger geweest, wanneer het geheele kanaal op Amstel-peil ware gelegd. Nu die Ilpen door dure ondervinding van het bederf hunner landerijen ingelicht zijn, mogen zij aanzoek doen bij het Hooge Bestuur, om hunnen misslag hersteld te krijgen, en de vroegere plannen van den Waterstaat in wezen te roepen, maar zeer waarschijnlijk lijdt hun wensch schipbreuk om de daarmede gepaard gaande groote kosten. Met ons plan zouden de Ilpen ook gered zijn.
Door de steeds aangroeijende verslibbing van het IJ, wordt de uitwatering van Amstelland meer en meer belemmerd, zoodat Amsterdam er ook den last van ondervindt; door het Noordzee-Kanaal zal de uitwatering hersteld en een voldoend spuijingsvermogen verkregen worden.
Het is bekend, dat Rijnland een groot half el meer verval door de Katwijkersluizen in de Noordzee heeft, dan door hare sluizen in het IJ, en die sluizen van het Haarlemmer-meer aan Halfweg en Spaarndam liggen reeds 3 palmen lager, dan die van Amstelland, zoo dat Amstelland vermoedelijk een el meer verval zal krijgen, dan het nu bezit.
Het is ligt na te gaan, welk voordeel dit meerdere verval van water der stad Amsterdam zal aanbrengen, daar de stads-grachten en hare singels schoon gehouden en van versch en drinkbaar Vechtwater zullen voorzien worden, alsmede de Overtoom, de Weteringen en de buiten- en binnen-Amstel. Bijzonder zal zulks voor de gezondheid der ingezetenen zeer bevorderlijk zijn. De verlegenheid, waarin men zich dikwerf bevindt, om drinkbaar water te krijgen; het genoegelijker verblijf voor ingezetenen en vreemdelingen, welke zich niet aan de onaangename lucht aldaar gewennen kunnen; de voorziening van vele fabrijken, welke met bezwaarde kosten schuiten voor water moeten aanhouden,--dit alles zijn voordeelen, die buiten het handelsbelang wel in aanmerking dienen te komen, en waarbij nog bovendien de in Amstelland gelegene gronden aanmerkelijk zullen verbeteren.
Het polderwater, hetwelk nu eene wezentlijke last is voor de stad, zal haar alsdan tot eenen zegen verstrekken; want hoe sterker, de aandrang daarvan naar de stad zal zijn, hoe zuiverder de grachten zullen kunnen worden gehouden. Wij gelooven, dat het spuijingsvermogen zoo aanzienlijk zal worden, dat men het wenschelijk zal oordeelen, dat de Vecht en Rijnland met het waterschap van Woerden zich van de stad zullen willen bedienen, voor welke laatste het eene groote weldaad zal zijn.
Heeft men het geopperd ontwerp nog niet geheel ter zijde gesteld, om water uit het IJ in de grachten te laten loopen, en hetzelve daarvan door water-opvoerings-werktuigen, door stoom bewogen, weder te ontlasten, om zoodoende de grachten eenigermate te zuiveren,--bij ons plan zoude dit ontwerp vervallen.