Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848
Part 10
Onopgemerkt zal het voor de onkundigen gebleven zijn, dat de sluizen der stad aan het IJ, en die van Rijnland aan Halfweg en te Spaarndam, maar ten halve werken, daar de laag slib, die voor de sluizen ligt, hooger is dan de drempel dier sluizen, waardoor de afloop van water belemmerd en vertraagd wordt. Door het daarstellen der twee zoogenaamde dokken heeft men wel eene aanzienlijke schuring in den stroom verkregen, zoodat daardoor voor de stad eene meer dan benoodigde diepte is ontstaan; maar ook door het laten bestaan van die ruimte, tusschen de dijken der twee dokken, waardoor eene inham is gevormd, heeft het door den stroom opgestuwd wordende troebele water tijd om te bezakken. De ondiepte neemt aldaar dus bestendig toe, en de moddermolens, moeten gestadig werkzaam blijven, zonder dat dit een gewenscht gevolg oplevert. Hadde men in eene bedijking, van het eene dok naar het andere gelegd, en dan de uitwatering der sluizen, tot aan den stroom, die met eb en vloed, uit en in het IJ vloeit, gelegd, dan ware er beter spuijings-vermogen aan de sluizen gebragt.
Voor Amsterdam is dezelfde fout begaan, als voor het Nieuwe Diep, alwaar men de groote sluis voor de marine, binnen in den bogt heeft gelegd, die, ondanks al het baggeren, onbruikbaar blijft.
Door den voor de stad te vormen boezem of de haven, of dit gedeelte van het IJ, hetwelk daartoe bestemd blijft, en dat omstreeks 1200 bunders of 12,000,000 kwadraat ellen zal beslaan, zal er met het meerdere verhang tot in de Noordzee, en wel van bijna 2 el bij hoog tij, tweemaal 's daags een aan- en afvoer van 24,000,000 kubiek ellen water ontstaan; de werking, die daardoor op de sluizen voor de stad zal worden verwekt, die alsdan op halve diepte van het kanaal zullen liggen, zal daaraan geëvenredigd groot zijn, en nimmer zal er zulk een groot vermogen bestaan hebben.
De vraag zal dan niet meer behoeven geopperd te worden, daar die van zelve opgelost zal zijn: of het IJ, in zijn geheel voor waterberging, tot na geëindigde droogmaking van het Haarlemmer-meer, in wezen zal moeten blijven?
Het Zeekanaal, de boezem voor de stad Amsterdam, de ringvaarten tot Enkhuizen, en die langs Muiden tot Stavoren, allen begrepen in de indijking van Enkhuizen op Stavoren aan, leveren eene oppervlakte van omstreeks 30,000,000 [white square] el voor waterberging op.
Bij het tijdig afsluiten van de sluizen te Zandpoort en te Enkhuizen en Stavoren, zal men in een regenachtig seizoen, bij eenen opstoppenden wind, een dubbel getal, en dus 60,000,000 kub. el water in dat kanaal, dien boezem en die ringvaarten kunnen bergen, zoodat deze gezamentlijk een zeer aanzienlijke boezem uitmaken. Dusdanige gelegenheid van buiten-waterberging bestaat er thans niet; want bij eenen opstoppenden wind belet de hooge waterstand in de Zuiderzee, den afloop van het water uit onze sluizen en afwateringen; hij doet nog meer: het water der Zuiderzee dringt door de rivieren, door opene, niet bedijkte, en niet afgeslotene afwateringen, tot ver het land in, en zoolang het binnengestuwde water niet weder afgeloopen is, kan het overtollige polder- en binnenwater ook niet ontlast worden. Dit schadelijke binnendringen van zeewater wordt vooreerst belet, en daarenboven is er dan nog gelegenheid gemaakt, dat het overtollige binnenwater ook tijdig weg kan.
Dat dit van het grootste belang voor vijf provinciën is, welke allen behoefte aan deze verbetering hebben, is klaarblijkelijk, en zal door den landman naar waarde geschat worden. De gelegenheid, dit water te kunnen bergen, wanneer het gevorderd wordt, is ook van gewigt, tijdens het droogmaken van de Zuiderzee en van het Haarlemmer-meer, omdat men daardoor in staat gesteld is, onafgebroken te kunnen blijven doorwerken.
Het hier ter nedergestelde is een afdoend bewijs, dat het daarstellen van het kanaal zeer bevordelijk zal zijn aan de droogmaking van het Haarlemmer-meer, en van het wenschelijke, dat het zeekanaal bestond, alvorens men met de uitmaling van het Haarlemmer-meer eenen aanvang maakte.
Men weet, hoe gering het aantal sluisgangen te Halfweg en te Spaarndam in vergelijking met de sluisgangen te Katwijk is; ware het kanaal gereed, dan zouden die sluizen niet zoo werkeloos zijn, en alsdan door hun aantal, en door de meerdere diepte van het kanaal, meer effect doen, dan de Katwijker sluizen; het kostbare strijkgemaal te Spaarndam werd overbodig, dat buitendien niet werken kan, wanneer het boezemwater in het IJ hoog is.
Men heeft veelvuldige meren en plassen, welke aan het Haarlemmer-meer belenden, van welke men sommige van het Meer zelf afgedamd heeft, die men ook al, om aan de bestaande vooroordeelen van waterberging te gemoet te komen, in wezen heeft gelaten; maar welke dreigen, na verloop van jaren, wederom eene oppervlakte zoo als thans het Meer heeft, te zullen beslaan, met hunne kosten ter beteugeling, voor verwoestingen enz. Het zoude wel de moeite beloonen, om te onderzoeken, in hoeverre het doenlijk en raadzaam ware, deze meren en plassen in eens met het Haarlemmer-meer droog te maken; terwijl het spuijingsvermogen door sterk werkenden afloop door middel van het kanaal, zoo veel aanzienlijker werd. Leveren nu het spuijingsvermogen en de water-opvoeringswerktuigen betere resultaten dan vroeger op, zoo moeten natuurlijk de kosten tot bestrijding van het droogmaken aanmerkelijk minder worden, waardoor voor onuitvoerbaar gehoudene, maar gewenschte, plannen verwezenlijkt kunnen worden, dat zeer veel tot de materiële welvaart van ons land zouden bijdragen.
Wij achten die meren en plassen, met het kostbare onderhoud, daaraan verbonden, onnoodig voor waterberging. LEEGHWATER hield in de Beemster geene bunders land voor boezems achter; wij zullen die evenmin, in het droog te maken IJ en in de Zuiderzee behoeven,--de Noordzee is er voor.
Men ziet toch nu wel in, dat, wanneer er behoorlijk voor de afwateringen van stroomen en rivieren gezorgd wordt, en de afwateringen voor polders enz. onafgebroken in werking zijn, er geene duizenden bunders voor waterberging, en waarvoor de zee dienstbaar is, noodig zijn. Mogt Rijnland voor dezen zoo angstig gestreden hebben voor het behoud van zijnen, steeds aangegroeid zijnde, boezem, die het een derde gedeelte van zijne oppervlakte ontnam, millioenen guldens, aan onderhoud kostte, duizende ingelanden ongelukkig maakte, die dorpen met inwoners, have en vee verslond, het zoude door twee gestadig werkende uitwateringen in de Noordzee een der meest begunstigde polders in ons Rijk kunnen worden[8].
[Footnote 8: Hoe kleingeestig Rijnlands collegie nog over de waterberging denkt, leert ons het volgende: Men heeft aanvraag gedaan, om een klein meertje van 300 bunders, van het Haarlemmer-meer te mogen afdammen en droog maken; de Ministers stemden toe, maar Rijnland niet, om behoefte aan waterberging. Het ziet er waarlijk erg bij ons uit, wanneer aan zulke collegie's de magt en het regt toegekend wordt, om nuttige ondernemingen op fautive gronden te keeren.]
Voor de aan en om de Vecht gelegene landen, voor de provinciën Overijssel en Drenthe, zal de eerst te ondernemene indijking van een gedeelte der Zuiderzee niet minder voordeelig zijn, dan voor Noord-Holland. Voor immer ware men daar mede gewaarborgd voor die schadelijke inundatiën, door het in de Zuiderzee zoo vaak opgestuwd wordende water veroorzaakt, waarvan de nadeelige gevolgen onberekenbaar zijn.
Door eenen gewaarborgden geregelden afloop van het IJsselwater zullen de wateropstoppingen in het hart der provincie Overijssel en Gelderland gekeerd kunnen worden, en zal men in de provinciën zelve alsdan met vrucht veel tot verbetering kunnen bijdragen.
Er ligt daar veel grond, welke, bij tijdigen afloop van het water, in het vroege voorjaar, veel in vruchtbaarheid zal winnen, en waardoor dan de waarde der landerijen met de meerdere welvaart der bevolking zal toenemen. Genoegzaam dezelfde voordeelen, zullen de provinciën Vriesland en Groningen verkrijgen, wanneer de indijking van de geheele Zuiderzee wordt ten uitvoer gebragt, en men ook om de kust van Groningen een bolwerk zal gelegd hebben, waardoor de nu nog bestaande bezorgdheid voor hare veiligheid zal verdwijnen. Ook ware het doenlijk, wanneer er fonds genoeg ingeschreven werd, de omdijking van de Groninger-kust, te gelijk met die van het eerste gedeelte te beginnen, terwijl daardoor de instandhouding der gemeenschap niet belemmerd wordt, en de werkzaamheden aan de beide vakken ver genoeg van elkander zijn afgelegen, om geene stoornis in dezelve, van de eene door de andere, te duchten te hebben.
Komt men tot eene opsomming van al de te verkrijgen voordeelen, welke deze onderneming, tot stand komende, zal kunnen opleveren, zoo zullen die wel opwegen tegen eene ingebeelde vermindering van landswaarde, door de aanwinst van 600,000 bunders land, waarop een daaraan behoefte hebbende boerenstand wacht.
Bovendien zoude het wel begrepen belang niet mede brengen, dat de onderneming hare bezittingen spoedig ging verkoopen, daar de verpachting eene voordeelige geldbelegging aanbiedt, en bij den overvloed van geld, dat men gaarne in vaste goederen wil beleggen, het evenwigt zich zeer spoedig herstellen zou. Den angstigen moge vrees aangejaagd worden, die hen tot den verkoop van land beweegt, spoedig zullen zij echter inzien, dat hunne renten blijven bestaan en de grond niet verzinkt, maar in waarde toeneemt.
Voor de landbouw en de ontginning van heidegronden, zoude de onderneming zeer heilzame gevolgen hebben. De vruchtbaarheid van het grootste gedeelte der gronden in de Zuiderzee is boven allen twijfel verheven: hier vaste blaauwe klei, daar slib met een zeer fijn zand vermengd, en alzoo gronden, welke voor de meest winstgevende kultuur vatbaar zijn. Tarwe, koolzaad en vlas zullen daar even goed kunnen worden geteeld, als in de vruchtbaarste streken van Zeeland, daarvoor waarborgen ons het ingedijkte Eijerland, het Koegras, de Wieringerwaard. Wordt de landbouw in den polder zelven, door zijne vruchtbaarheid bevorderd en begunstigd, dan zal het niet minder voordeelen voor Noord-Holland en al de andere provinciën opleveren. De veestapel zal aanzienlijk kunnen worden vermeerderd, doordien men overvloed van hooi zal kunnen winnen, terwijl men nu in Noord-Holland, in het najaar, gedwongen is, het vee bij duizenden tot geringen prijs, uit gebrek aan voeder, te verkoopen, en er bij late voorjaren, als het hooi op en er nog geen gras op de velden is, nog grooter schade aangerigt wordt, waardoor niet alleen de boer verliest, maar ook de handel in boter en kaas veel lijdt.
Is de meerdere productie van hooi wenschelijk voor Noord-Holland enz., het is mede eene dringende behoefte voor ontginningen van heidegronden, waar men zich niet bepaalt bij het aanplanten van hout. Waar men de gronden wil bebouwen, moet men mest aanwenden, en daartoe is vee benoodigd; voor vee moet men voeder hebben, welk voeder de zandgronden niet in genoegzame hoeveelheid opleveren. Dikwerf is er reeds gebrek aan hooi, of stijgt de prijs daarvan door buitenlandsche vraag zoo hoog, dat de boer dien hoogen prijs niet kan besteden. Men zal met kunstmesten, met guano, enz. veel kunnen verhelpen; desniettemin houden wij het er voor, dat een veestapel den landbouwer bij den graanbouw voordeel zal aanbrengen. Zij, die varkens goed willen mesten, moeten melk hebben en om melk te verkrijgen is vee onontbeerlijk, en daarvoor is hooi eene eerste behoefte; alles hangt dus als een schakel aan elkander.
Wordt de Zuiderzee bebouwd, dan verrijzen daar steden en dorpen; daar moet turf gebruikt worden, alzoo ook voordeel voor de veenen; er moet brandhout zijn, dus weder voordeel voor degenen, die akkermaals-hout aanplanten.
Door eenen vergrooten veestapel zal de uitvoer van vee naar Engeland aanmerkelijk kunnen worden uitgebreid. Dit rijk, dat ons zooveel door haren handelsnaijver heeft benadeeld, en par force majeure, nog in Oost-Indië ons weinigje, in vergelijk van hare bijna onmetelijke bezittingen in Azië, ontneemt, wordt dan op eene andere wijze aan ons cijnsbaar. Door die aanwinst van grond in de Zuiderzee, zal ons land het Rijk worden, waarop de ons omringende Natiën het oog moeten gevestigd houden, om door ons, op de voordeeligste wijze, van eene der voornaamste levensbehoeften, het vleesch, te worden voorzien.
Ons land, zoo bijzonder voor de veeteelt geschikt, mag maar niet langer onverschillig omtrent de verbetering der landerijen, door verbeterde afwateringen, blijven. Mogen de polder-reglementen herzien, de voorstellen tot verbetering niet door karigheid en baatzucht jaren lang in overweging worden gehouden, dan zullen er duizende bunders land tot kultuur, vetweiderij en hooiland ontstaan, welke nu grootendeels geen, of maar weinig en slecht hooi opleveren.
Ons land is een waterrijk land, en onze grondbezitters en bouwlieden moesten allen met de water-bouwkunde min of meer bekend zijn, en middelen aangrijpen om hunne gronden te verbeteren; doch duizende hunner hebben er nog geene inzigten van en zijn traag, om geld tot verbetering van den grond uit te geven. Onkunde, vadzigheid, werkeloosheid, moedeloosheid, wangunst, zucht om zwarigheden te opperen,--het eene paart zich aan het andere om werkeloos te blijven en alles te laten verachteren, waar veel te verbeteren is. Daar ligt voor ons het Bunschoterveld, omstreeks 4000 bunders groot. Elk stemt toe, bij behoorlijk drooghouden, werd elke bunder honderde guldens meer waard. Wij willen slechts f 100 per bunder schatten, zoodat het geheele veld binnen kort f 400,000 meerder waarde zoude bezitten, behalve de jaarlijksche meerdere inkomsten, daar de pacht meer dan verdubbelen zoude. Met hoogstens tien molens, gezamentlijk f 60,000 kostende, ware men gered.--Elk wenscht het, maar daar blijft het bij.--In Mastenbroek is men reeds jaren achtereen aan het plannen maken, het eene voorstel volgt het andere op, en--het blijft, zooals het was. In de omstreken van Breukelen zijn landerijen, nu ter waarde van hoogstens f 300, die f 800 hebben gegolden. Toen waren het winstgevende vetweiderijen, doch door zorgeloosheid en verkeerde bezuiniging van de polderbesturen, is het daar zoo verre gekomen.--Wij zouden een boekdeel van soortgelijke gevallen kunnen vol schrijven.
Is het niet bedroevend, dat er in ons klein landje met deszelfs overbevolking gronden zijn, die aan het rijk vervallen, omdat zij de polder- en grond-lasten niet kunnen goed maken; en, domein geworden, het rijk met administratie kosten bezwaren, grooter dan de inkomsten der geadministreerde gronden? waar, somwijlen door achteloosheid in het bestuur, het land en daarmede de ingeland verarmt, terwijl dijk- en heemraden en de polder-besturen hooge salarissen blijven genieten, en de fabrijk de lasten zonder afdoende verbeteringen in wezen laat? waar de renten perpetueel worden, op ter leen verstrekte kapitalen, die bij een behoorlijk beheer konden worden afgelost?
Bij een bestuur, waarin de meeste leden stadbewoners waren, regters enz., die nimmer in den polder kwamen, onkundig van de molens, werd een ingeland ingekozen, die verklaarde, dat alles schandelijk verachterd was, en die geen zitting wilde nemen, ten zij er aanzienlijke sommen tot herstel besteed werden,--men zocht de eene bezuiniging bij zijne begrooting voor en de andere na op. "Valt er dan niets meer te bezuinigen?" vroeg een hunner.--"Ja, heeren," antwoordde de nieuw ingekozene, "mij dunkt, wij konden onze traktementen wel eens een paar jaren missen!"--Elk zweeg, er werd van geen bezuinigen meer gerept (de salarissen, waar voor niets gedaan werd, bedroegen omstreeks f 600 's jaars).
Dat de landbouw de hem ter dienste staande hulpmiddelen met onwrikbaren wil te baat neme en behartige, om uit eenen kwijnenden toestand te geraken, in stede van protectie te willen hebben, die hem niet baten kan, en tot algemeenen ondergang leidt. Ook de landbouw heeft meer wetenschappelijk onderrigt en kennis noodig. Het is laaghartig te zeggen: de boer moet niet wijzer zijn, dan hij is. Wij zijn van oordeel: hoe beschaafder de boer is, hoe beter onderrigt hij zal genoten hebben, zoo veel meer zal hij tot de materiële welvaart des lands bijdragen. Hij moet ook kennis genoeg hebben, om zelf, met gezond verstand, over den aanleg van dijken, kaden en water-afleidingen en molens te oordeelen. Wij zouden verscheidene voorbeelden kunnen aantoonen, waar zoowel particulieren als polder-besturen, door gebrek aan oordeel en kunde omtrent de water-opvoerings-werktuigen en de toepassing van de stoomkracht daarop, door de doelloos gemaakte kosten, groote verliezen hebben ondergaan. Hoe beter de landman in zijn vak onderrigt is, hoe meer voordeel hij ook van zijn beroep zal trekken.
Sedert ons hooi ook reeds buiten 's lands begeerd wordt, zoodat er vele verzendingen, tot zelfs naar Algiers toe, plaats hebben, heeft men niet te vreezen, dat wij daar te veel van kunnen aanwinnen. Het is in 't geheel een verblijdend en bemoedigend vooruitzigt voor den landbouw en voor de teelt van alle boom- en tuinvruchten, dat de vraag daarnaar voor het buitenland zoo toeneemt. De teelt van boom- en tuinvruchten zal aan menigen nijveren huisvader met zijn gezin, die geene middelen bezit, om pachter van eene groote boerenhofstede te worden, en te veel kunde, om slechts boerenknecht te blijven, een in zijnen kring redelijk bestaan kunnen verschaffen. Dat er dan ook maar voor goede watergemeenschap gezorgd worde, opdat hij zijne vruchten spoedig aan eene markt kunne brengen, vanwaar dezelve naar buiten worden verzonden.
Door de ruime waterberging, waarvan voortdurend, en niet slechts tijdelijk, gebruik zal kunnen gemaakt worden, moeten de uit- en afwateringen van zelve verbeteren. Het gevolg daarvan zal zijn, dat de lasten, die op eenen polder drukken, door de verbeteringen minder zwaar zullen vallen, ja zelfs ook verminderd zullen kunnen worden. Het zijn de grondlasten niet alleen, het zijn de polderlasten, met dijk-, kaai- en molengelden, die het meeste drukken.
Zijn eenmaal vele der thans bestaande dijken overbodig geworden,--als de afwateringen op eenen verbeterden voet zullen gebragt, en in het gebrek van hooi voorzien zal zijn, dan zullen, naar ons inzien, nog minder redenen bestaan, voor graan-protectie-wetten.
Naar onze wijze van zien, is het verkeerd gehandeld van grondeigenaren en landbouwers, den invoer van vreemd graan te beletten; daardoor wordt de uitvoer van vele onzer eigene voortbrengselen belemmerd; te meer, daar er verschillende soorten van graan zijn, welke ongeschikt zijn, om zonder vermenging met andere gebruikt te worden.
Vroeger voerde men Oost-Zeesche tarwe met Groninger koffen aan; het Groninger product vond mede zijnen aftrek te Amsterdam; daar verstond men de kunst, om geschikte meleringen voor de verschillende markten te maken, en door dezelfde Koffen welke het vreemde graan aangevoerd hadden, werd dit, met het inlandsche vermengd, weder uitgevoerd en de schepen vonden retourladingen met wijn, olie, enz. Toen ten tijd bragt de tarwe prijzen op, waarover de landbouwer zich niet beklaagde en niet beweerde, dat hij ondersteuning behoefde.
Daarbij leert de ondervinding, dat de slechts producerende en niet handeldrijvende landen in geenen deele bevoordeeld zijn. Zij staan doorgaans te veel bloot aan den wisselvalligen aftrek hunner produkten, en moeten dezelve somwijlen jaren achtereen op elkander gestapeld houden liggen, wanneer de oogsten overal overvloedig zijn, en dan heerscht in die slechts producerende landen armoede en nood. Polen en Oost-Pruissen leveren geenszins de bewijzen op van grootere welvaart, ofschoon zij de voorraadschuren van Europa waren.
Daarenboven mag men de geheele bevolking van een land, ter gunste van weinigen niet dwingen, om een onsmakelijk voedsel te gebruiken, dat de bestanddeelen van goed voedzaam brood (de eerste levensbehoefte) mist, door dwang duur betaald moet worden, en waarop bovendien zware, zoo Rijks- als stedelijke-accijnsen drukken, zoodat de reeds karige genietingen van een groot gezin al meer en meer moeten verminderen.
De scheepsbouw en scheepvaart geven brood in het Groningerland aan eene aanzienlijke menigte ambachtslieden en varensgezellen, en deze hebben ook regten, die geëerbiedigd moeten worden, zoowel als de graanhandel, waarmede het bestaan van duizenden gemoeid is. Handel en scheepvaart moeten vooral in ons beperkt land, dat met zulken enorm grooten schuldenlast bezwaard is, den landbouw schragen, terwijl door dezen den aftrek der produkten bevorderd moet worden, en de stadbewoner, die het grootste gedeelte der opbrengsten betaalt, heeft van regtswege aanspraak, dat men hem dus ook de middelen niet ontneme, waardoor hij de lasten kan betalen.
Treurig genoeg ziet men bij onze verminderde scheepvaart een verschijnsel, dat het ontegensprekelijk bewijs is, hoe alles ten onzen nadeele omgekeerd is. Bij de aanzienlijke hoeveelheden spek, die ons Groningen, Overijssel, Drenthe en Gelderland leverden, hadden wij nog behoefte aan toevoer uit Westphalen en Pruissen, doch thans leveren ons die gewesten dit niet meer. Bij den meer levendigen handel van Hamburg en Bremen, en de aldaar steeds toenemende scheepvaart, gaan de verzendingen van spek enz. daar heen. Rijn-Pruissen, dat ons vroeger gaarne voor zag, trekt nu, bij meerdere welvaart aldaar, het spek uit onze provinciën, hetwelk wij vroeger voor onze eigene scheepvaart niet konden ontberen. Het moge den landbouwer onverschillig zijn, waar zijne producten blijven, wanneer hij maar gelegenheid heeft, dezelve te kunnen verkoopen; doch zoodanige verschijnselen, welke ten duidelijkste eene geheele ommekeer van zaken doen blijken, behoort de hooge regering met geen onverschillig oog te blijven aanzien. Het levert de onbetwistbare bewijzen op, hoe ten onzen nadeele de zaken veranderd zijn, en welke treurige gevolgen dit moet hebben; zoodat alle middelen dienen te worden aangewend, om het kwaad zooveel mogelijk te keeren.
Een punt, dat betrekking heeft op al de bij de uitwateringen te Zandpoort belang hebbende districten, is, dat de sluizen aldaar niet alleen zouden gelegd worden, om het buitenwater bij hoogen vloed te keeren, maar te gelijker tijd, om ook het rivierwater op te kunnen houden, opdat er niet te veel van afloope. Zoo kan het ook dienstig zijn, in drooge zomers, wanneer er gebrek aan water in Noord-Holland is, om het van boven afloopende zoete water, in de sluizen te leiden, alwaar men anders wel genoodzaakt is, zich met zout water te behelpen, dat allernadeeligst is voor de kaasmakerij.
De ringvaarten zullen van onberekenbare dienst worden, voor onze kleine steden met hare onbruikbaar gewordene havens; het zijn niet alleen de West-Vriesche steden, die door het verslibben harer havens haren handel en hare welvaart zagen verdwijnen, maar ook de ingang van de Eem zal verbeterd worden, als ook de havens van Harderwijk, Elburg, Vollenhoven, en eenige meer, waar lokale omstandigheden en gebrek aan middelen beletselen zijn.
Zeer dikwijls liggen zoovele landen om den Eem, op het Kamper eiland, om de geheele kust en binnen de provincie Overijssel, bij hooge vloeden, tot laat in het voorjaar onder water; dan dringt de zee langs den kronkelenden IJssel en het Zwolsche Diep, tot ver landwaarts in, benadeelt den hooibouw, en rigt wijd en zijd ontzettende verwoestingen aan, hetwelk door onze voorgestelde bedijkingen voor immer gekeerd wordt. Die vloeden, door opstoppende winden veroorzaakt, zullen geene schade meer kunnen toebrengen en de verwachtingen van den landman op eenen goeden oogst niet meer bedreigen.