Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848
Part 11
Door de ringvaarten, die voorbij Amsterdam op het Zeekanaal uitloopen, zal de IJssel zelf, tot bij Kampen, een beter verhang tot in de Noordzee verkrijgen en wel van vijf duim op elk uur gaans, welk verhang gelijk is aan dat bij de brug voor Kampen; en bovendien zullen de sluizen in de ringvaart, bij Stavoren en Enkhuizen van groot nut zijn, voor den IJssel. Het Zwolsche-Diep en het waterrijk Drenthe, tot aan de Vriesche kust toe, zoo ver de eerste indijking zoude strekken, wordt ook daardoor voor overstrooming beveiligd.
Eene ramp, zoo als men die in het jaar 1825 beleefd heeft, toen het water omtrent 2 ellen hoog binnen de stad Meppel, en in hare omstreken stond en deze alsmede genoegzaam geheel Overijssel eene verwoesting ondergingen, waarvoor jaren benoodigd waren, om de geledene schade te kunnen herstellen, had men niet meer te duchten.
Ware eenmaal de indijking van Enkhuizen op Stavoren volbragt (het daarbij te laten berusten, ware maar half werk), dan konde men aan de niet minder gewigtige indijking van het overige gedeelte van de Zuiderzee en de Wadden beginnen, dat met minder kostbaren aanleg even goede uitkomsten zouden opleveren, Vriesland werd daardoor tot op eenen aanmerkelijken afstand van de Zee verwijderd, en hare op vele plaatsen thans zorgwekkende dijken, werden dan geheel overbodig. Het onderhoud daarvan verviel, hare beemden voor veeteelt, koolzaad en vlas werden aanzienlijk uitgestrekt, en zij genoot, even als alle andere districten, al de weldaden, welke door verbeterde afwateringen en watergemeenschappen te verkrijgen zijn. Vele harer uitgestrekte veenen, waren met beter gevolg dan nu te bewerken, en vele van derzelve meren, en plassen, zouden alsdan met voordeel droog gemaakt kunnen worden, waardoor hare toenemende bevolking mede gelegenheid vond, om een ruim bestaan te verwerven.
Wij zouden vreezen, door eene herhaalde opsomming van aldaar te verkrijgen voordeelen, den geachten lezer te vermoeijen; maar wij moeten er thans op wijzen en dringen er op aan, dat men de zaak ook in Vriesland en op de Eilanden in rijpe overweging neme. Wij twijfelen geenszins, van ook daar vele warme voorstanders te zullen vinden, welke het niet bij overlegging zullen laten, maar mede helpen bijdragen tot derzelver verwezentlijking.
Ook de daar te graven ringvaarten en kanalen zullen volledige waterberging geven, die 13,000,000 kwadraat-ellen beloopen; wij kregen alsdan daarvoor een geheel van 3600 bunders oppervlakte, dat den meest bezorgden daarover reden tot tevredenheid kan geven, ofschoon wij gelooven, dat, na volbragte droogmaking, de ringvaarten en kanalen, als eigentlijke boezems overbodig zullen zijn; terwijl de verhangen, naar gelang der winden, zoo krachtdadig om het noorden, het westen en zuidwesten zullen kunnen werken, dat er altijd van de eene of andere zijde, zoo niet overal te gelijker tijd, genoegzame afloop van water zal plaats hebben, waarvan al de belendende provinciën partij zullen trekken.
De IJssel was altoos, en blijft bij gewonen waterstand op de rivieren de Waal en Rijn, de oorzaak van groot verlies van water op dezelve.
Alle waterbouwkundigen begeerden veel water op den Rijn en op de Waal, om daardoor meerdere schuring en mindere aanslibbing te bekomen. Overijssel verlangde zulks mede voor den IJssel en heeft dat dan ook ten koste der hoofdrivieren verkregen of genomen, en wel door middel van eenen scheppenden arm of kribwerk boven aan den monding van den IJssel te leggen. Door die bekribbing echter werd de laatste doodsteek aan Rijn en Waal gegeven, en Gelderland en Overijssel veel schade, door te veel toevoer van water, toegebragt.
Er zullen weinige jaren meer verloopen, of Rotterdam en Dordrecht zullen bij gewonen waterstand, in den zomer en in het najaar, geene beladene schepen meer stroomopwaarts kunnen zenden. Door de steeds toenemende aanslibbing van Waal en Rijn ondervinden de stoombootdiensten reeds meerder oponthoud dan vroeger. Men begint dan nu ook in te zien en te erkennen, dat de te weeg gebragte waterafleiding langs den IJssel een verlies van water aan de beide hoofdrivieren ten gevolge heeft; dat zij onbruikbaar zullen worden, en om zulks eenigermate te verhelpen, wil men hebben, dat de Kille bij Werkendam zal gedigt worden, iets, waarvan voor eene eeuwe C. VAN VELZEN de noodzakelijkheid reeds heeft betoogd. Dan dat digten van de Kille bij Werkendam zal Rijn en boven-Waal niets baten, zoo lang als den IJssel wordt toegestaan, deze rivieren dood te tappen, zoo als nu plaats heeft. Men moet echter de hulp, die de IJssel verleenen kan, om, wanneer er te veel water van boven komt, om door Waal en Rijn te kunnen afloopen, niet uit het oog verliezen; daarom ware het eene behoefte den IJssel van drie sluizen, op afstanden van elkander gelegd, te voorzien, die het water tot op een bepaald peil zouden kunnen keeren, en dat hoog genoeg ware, om de rivier bevaarbaar te houden en de IJssel, bij hoogen boven-waterstand, zijne uiterwaarde bleef inunderen.
Het voorgestelde kanaal van af beneden Westervoort, door de hooge gronden en de Veluwe heen, tot naar de Steenen-kamer te graven, om den IJssel te vervangen, zoude in eene regte lijn afloopen; het moest van drie sluizen worden voorzien, om in gewonen tijd een verval van acht ellen te keeren, van den IJssel af tot aan de Zuiderzee, aan weêrszij de der sluizen en het kanaal eenen breeden overlaat makende, om, in tijden van nood, bij ijsopstoppingen en hoogen waterstand tot ontlasting van het water te dienen, en daardoor de verwoesting, uit doorbraken ontstaande, en de vernieling van menschenlevens en vee te voorkomen. Dit kanaal zou een afdoend redmiddel voor al de om Rijn en Waal gelegene waarden en landen worden en langs dien regtlijnigen stroom zoude, met een verval van 1 el op een uur, of 5 strepen op eene el lengte, eene verbazende hoeveelheid water afstroomen waar anders een regtlijnige stroom voor eene rivier, in gewonen tijd, nadeel aan dezelve, door te veel spoed, toebrengt, zou het in dit geval een vereischte worden. Men heeft niet te vreezen, dat bij eenen regtlijnigen stroom van 300 ellen breedte, met het verhang van eene el op een uur, geene genoegzame hoeveelheid water zou kunnen afloopen; men moet de regelen der snelheid niet naar de snelheid van eenen overlaat berekenen, waar het water uit rust in beweging moet komen, en bijgevolg tijdverlies plaats heeft; men zoude zich alsdan vergissen kunnen, even als zulks bij het leggen van de afwateringssluis te Katwijk plaats had. Na genomene waarnemingen omtrent overlaten, hebben de ontwerpers op veel minder snellen afloop van water door de sluizen gerekend, dan daadwerkelijk, na de opening derzelve, heeft plaats gevonden, en gelukkig, dat de misrekening voordeelig uitviel.
Wij mogen niet nalaten, hierbij nog eens vlugtig het oog op de helling van ons land te slaan.
Nagenoeg van de Noordzee bij den Dollart af tot aan Emmerik toe, is ons land, als een kustland, door hoogere landen omgeven, dat door persing, geëvenredigd aan die hoogere ligging, eenen aandrang van water op ons lager liggend grondgebied doet ontstaan. Door den aandrang van het hooger afkomende water wordt de last, welken wij van het water op ons grondgebied hebben, natuurlijk grooter; terwijl het water door de verslibbing der Zuiderzee en van de mondingen der rivieren, alsmede door de verhooging van derzelver beddingen, althans omlaag, in zijnen vrijen afloop verhinderd wordt. Hiertoe dragen de steeds verhoogd wordende dijken (welk verhoogen toch eenmaal een einde zal moeten hebben) mede niet weinig bij. Door al deze oorzaken nemen de ophoopingen van water binnen in ons Land toe, en daardoor de overstroomingen; waarbij nog de door noordweste stormen veroorzaakte vloeden komen, zoodat de vruchtbaarste streken in ons Rijk hoe langer hoe meer, en het meest geteisterd worden.
Overijssel en Drenthe zijn thans in strijd, wegens het brengen van kanalen tot op de grenzen (het ware veel verstandiger, om gemeenschappelijk te werk te gaan), welke kanalen, zonder iemand te schaden, tot aan de grenzen konden gebragt worden, om daardoor van die zijde onzen handel met Hannover te verlevendigen.
Wij meenen behoorlijk en duidelijk genoeg betoogd te hebben, dat wij voornamelijk de ringvaarten willen daargesteld hebben, om de watergemeenschap, zoo doelmatig als doenlijk, in te rigten, ten einde daardoor in het onderling verkeer van handel en scheepvaart te voorzien, terwijl zij te gelijker tijd voor de af- en uitwateringen worden dienstbaar gemaakt. Als waterberging vermeenen wij dezelve te kunnen ontberen. In de drooggemaakte Zuiderzee zullen verscheidene vaarten gegraven worden, welke dien grond, tot aller gemak, in verschillende rigtingen zullen doorkruisen, en langs welke breede rijwegen kunnen aangelegd worden, met boomen en plantsoen bezet, zoodat de drooggemaakte Zuiderzee een niet minder aangenaam oord zal worden dan de Beemster, doch desniettemin vrij wat uitgestrekter, waarin, na verloop van tijd, menige stad en menig dorp zal kunnen gesticht worden. De straks genoemde vaarten, welke bevaarbaar zullen worden voor ruime, welingerigte trekschuiten en barges, met paviljoen, achter- en voorkajuit, naarmate van den stand der reizigers, zullen overvloed van waterberging opleveren.
Heeft men vroeger al verschillende indijkingen in de Zuiderzee ondernomen, en is men nu nog daarmede bezig, de weinig voldoende uitkomsten van velen derzelven zijn niet zeer geschikt, om den lust tot soortgelijke ondernemingen aan te wakkeren.
Van zeer verschillenden aard evenwel zijn de redenen, waardoor verlies in stede van winst geleden wordt. Vele dier indijkingen en droogmakingen werden op te kleine schaal ondernomen, zoodat het getal ingedijkte bunders de kosten van een soliede bedijking niet konden goedmaken; vooral, wanneer daarbij tegenspoeden kwamen, welke men niet verwachtte, die echter uit den aard der zaak te duchten waren, omdat men, om kosten te sparen, de grondslagen der dijken te ligt maakte; aan die kwalijk voltooide, versch gelegde dijken werd, bij hooge vloeden en stroom door den afslag veel schade aangebragt, en, om dien weder te herstellen, moest op nieuw geld worden genegociëerd, waardoor de eerste ondernemer aan den tweeden geldschieter zijn regt op den gewonnen grond voorloopig moest afstaan. Het is echter de bedijking niet alleen, maar het zijn ook de uitwateringen, molenvlieten, molens en sluizen, die in verhouding tot weinige honderde bunders de kosten zwaarder doen wegen, dan in verhouding tot zooveel maal duizenden; en wanneer alles zonder tegenspoed afloopt, dan heeft de geldschieter bij eene kleine indijking nog maar eenen karigen interest. De voorwaarden, welke dikwerf den nieuwen ondernemer voorgeschreven worden door de achter de nieuwe bedijking liggenden en bevoordeeld wordenden polder, berokkenen ook nadeelen.
Zoo is het geschied, dat het bestuur van eenen achter eene voorgenomene indijking liggenden polder, tot bewilliging der nieuwe indijking, de voorwaarde stelde, dat langs de uitgestrektheid van den ouden dijk, welke door de nieuwe indijking genoegzaam geheel overbodig werd, tot onderhoud van dien dijk eene strook gronds van den nieuwen polder, langs den ouden dijk, tot zoogenaamd onderhoud daarvan, daaraan moest afgestaan worden,--gronden, die nog eerst moeten aangewonnen worden! Het bestuur van de nieuwe onderneming, dat eerder eenige toelage of uitkeering van den ouden polder had kunnen vragen, daar het onderhoud aan den ouden dijk genoegzaam overbodig werd, willigde welligt uit de niet ongegronde vrees voor langrekkende tegenwerkingen, den meer dan onbillijken eisch in. De geheele aanwinst van grond bedroeg geene 1500 bunders, daar moest een zeedijk van bijna 7000 ellen om heen gelegd worden, en daarenboven moest men zich aan zulke schadelijke en onbillijke conditiën onderwerpen.
Er komen bovendien nog andere nieuwe bezwaren bij: het gouvernement loofde premiën uit aan hen, die indijken wilden. Bij de wet of het besluit van den 6 Junij 1840 werd men daartoe aangemoedigd; doch thans worden harde bepalingen opgelegd, wanneer men concessiën tot indijkingen wil verkrijgen, door vooraf den grond met goud te moeten koopen. Waren onze regering en hare agenten niet boven allen twijfel van venaliteit verheven, voorwaar! er ware geene geschiktere gelegenheid voor uit te denken.
Deze schatting te moeten betalen, houden wij voor onbillijk, en voor geene regtvaardiging vatbaar. Heeft het rijk daarop wettige aanspraak? Is de zee haar domein? Op welk archief beroept men zich, om dit te bewijzen? Dan moest deze bezitting, even als alle domeinen, publiek ten verkoop aangeboden worden of zijn.
Van eene andere zijde beschouwd, is het voordeelen trekken op eene onbehoorlijke wijze. Het rijk wordt van de zorg en kosten tot onderhoud der zeedijken ontheven, voor directe en indirecte schaden, door het opgeruimde water, beveiligd en komt bovendien in het genot van inkomsten van allerlei aard, door den, tot kultuur geschikt geworden, nieuw aangewonnen grond, en nu wil men daarenboven nog, niet bij de wet geregelde, onderhandsche schattingen heffen. Behalve de zwarigheden, door ons opgeteekend, bij bedijkingen van kleinen omvang, komen nog de kosten van een bestuur, dat met de molen- en andere polder-lasten, een voortdurend drukkend bezwaar blijft, hetwelk naar gelang der hoegrootheid van derzelver bedrag, de waarde van eenen, anders vruchtbaren grond, niet onaanzienlijk vermindert.
Bij de door ons voorgestelde ondernemingen lossen zich alle gemaakte bedenkingen van zelve op. Er is eene aanzienlijke hoeveelheid ingedijkte grond tegenover weinige dijken. In alles omstreeks 4 uren gaans bedijking, tegenover een getal van 260,000 bunders vruchtbaar land.
De te leggen dijken worden door de ruime middelen, door voorraad van specie, voor péremptoire schade beveiligd, en hebben weinig onderhoud, als ze eens goed gelegd zijn. Er is slechts een gering getal sluizen, uitwateringen, beslag van molens, in verhouding tot het groote geheel, noodig, en daarenboven zal het bedrag der te betalen polderlasten gering zijn.
Deze beschouwingen zijn niet geschikt, om hier de door ons gemaakte berekening van kosten na te gaan, het zijn slechts voorloopige beramingen, welke door eene speciaal daartoe te benoemen commissie, in overleg met ons, kunnen worden beoordeeld, om tot grondslag dier eventueele kostenberekening te dienen.
In onze berekeningen zijn de kosten voor sluiswerken, bruggen enz. opgenomen, tot prijzen, waarvoor de reeds bestaande sluizen enz. zijn gelegd, zoodat daarin geen groot verschil zal zijn. Men zoude het somwijlen noodzakelijk kunnen achten, meerdere sluizen aan te leggen, doch dit zal de verwezentlijking van het werk niet kunnen verhinderen.
De kosten aan de duizenden ellen lange ringvaarten, die in de millioenen loopen, te besteden, zullen zeer zeker beneden de raming blijven. Al de millioenen kubiek ellen graafwerk zijn tot 30 Ct. per kub. el berekend, waarop de ramingen bij het rijk of eigentlijk bij het Haarlemmer-meer ook gemaakt zijn; intusschen zijn dezelve 50 pCt. daar beneden gebleven. De dijk tusschen Enkhuizen en Stavoren is op f 1,50 per kub. el berekend, gelijk ook het uitgraven der specie in het Zeekanaal, dat meer dan gewone diepte heeft, ook hooger aangeslagen werd.
Het bedrag der kosten voor steenkolen voor de stoom-water-werktuigen is stellig te hoog aangenomen; de consumptie van brandstoffen van het eene werktuig verschilt aanzienlijk met die van het andere. Er zijn in de laatste tijden groote verbeteringen in het vuren aangebragt, en daardoor blijft het cijfer zeer moeijelijk te bepalen. Wij hebben daarom liever eene ruimere berekening tot grondslag genomen, dewijl eene voordeelige uitkomst altijd aangenamer is dan te korten.
Het spreekt van zelf, dat wij nog geene lokale opmetingen, peilingen en boringen hebben gedaan, de juiste lengten hebben om die redenen nog niet kunnen worden bepaald; doch valt ons aangenomen getal op den eenen afstand tegen, het kan op eenen anderen medevallen.
De diepten der zee zijn niet gepeild; doch eigene waarnemingen, de rapporten van loodsen, schippers en visschers kunnen tot, althans vermoedelijk, zekere gidsen verstrekken.
De kosten van bekavelen, slechten en slooten hebben wij op omstreeks f 84 per bunder aangeslagen; dit zal almede bevonden worden te veel te zijn, en dit verschil maakt over de aanzienlijke oppervlakte eene groote som uit.
Bij den grooten omvang van de in te dijken zee en het geringe aantal dijken, dat gelegd zal moeten worden; bij de omstandigheid, dat er bij het droogmaken voor het drooghouden meer dan voldoend beslag van waterwerktuigen is voorgesteld, zullen de te heffen polderlasten al zeer gering zijn.
Wordt er een goed polder-reglement gemaakt, en daaraan de hand gehouden, zoodat de slooten en weteringen behoorlijk worden schoon gehouden, waardoor de toeschieting tot de waterwerken niet belemmerd wordt, dan zal de drooghouding, bij de diep te graven slooten, even als in de Beemster, niets te wenschen overlaten.
Is deze onderneming niet de meest kolossale, die ooit in ons Rijk is ondernomen of voorgesteld geworden? Is zij dus niet eenig in hare soort, zij is ook eenig door de voordeelen, die zij aanbiedt.
In eenen onlangs ingedijkten polder, die met hooge lasten bezwaard is, werd de bunder beste kleigrond tegen f 70 verpacht; men veronderstelle zich de 260,000 bunders ook droog, en die allen tegen slechts f 40 verhuurd, dan zoude dit f 10,400,000 aan jaarlijksche inkomsten opbrengen.
Men moge aannemen, dat er ook zandbanken in de Zuiderzee zullen liggen. Wij voor ons gelooven, dat de meeste daarvan met slib zullen doormengd zijn, die eeuwen lang vruchtbaar kunnen blijven. Mogen er dan ook streken zijn van een' onvruchtbaarder aard, daarentegen zullen er ook vele zijn, welke, vooral in de nabijheid van volkrijke plaatsen, twee- en driemaal meer zullen opbrengen dan gewone gronden.
De administratie-kosten zullen wel kunnen bestreden worden, uit de opbrengsten der hooiverpachtingen op de uitgestrekte dijken der ringvaarten en buitenwaarden, terwijl er matige sluis- en kanaalgelden zullen kunnen berekend worden; doch daarenboven zal het zand uit de duingronden eene aanzienlijke som opbrengen als ballast voor de schepen.
Wij willen geene hooge waarde der gronden tot berekening voor de winsten der onderneming stellen, maar kunnen toch de daadzaak aanvoeren, dat vele gronden, tot vlas, koolzaad, mostaard- en tarwebouw geschikt, eene viervoudige en meerdere waarde dan f 40 per bunder in huur zullen hebben. In de Wieringerwaard geldt een bunder lands, dat voor de vlasteelt bereid is, f 200 in huur.
De IJpolder zoude al zeer spoedig gereed zijn, en bij het wezentlijk gebrek aan goed land, in het midden eener groote bevolking, zal de grond daarin zeer zeker hooge prijzen opbrengen; indien de onderneming het al niet doelmatig mogt achten, om in de eerste jaren den grond voor eigen rekening te bebouwen, en de oogst te velde te verkoopen, even zoo als men in de Beemster deed, welke in 10 jaren, niettegenstaande de tegenspoeden en grootere kosten, geheel vrij is geworden. De regering laat ook in verschillende droog gemaakte plassen de gronden voor hare rekening bebouwen, en de te veld staande gewassen verkoopen.
De geheele in te dijken oppervlakte zal ook niet in eens voor bebouwing gereed zijn; echter om de kusten heen zal er al spoedig grond droog liggen, waarmede gaande weg aan de eerste behoefte aan land kan worden voldaan. Wij herhalen het, wij willen ter aanmoediging, om deelnemers te vinden, geene berekening van hooge pachten maken, desniettemin is de concurrentie om land te krijgen zoo groot, dat het voor korten tijd in de Betuwe gebeurd is, dat de verhuurder verklaarde, geene verhooging op den inzet te willen nemen, welligt uit overtuiging, dat de inzet zoo hoog was, dat hij vreesde, dat de huurder bezwaarlijk de pacht zoude kunnen opbrengen. Het land, in kleine perceelen verhuurd, brengt daar, voor den aardappelenbouw gebezigd, van 25 tot 40 cts. de kleine roede op. Niet slechts, zooals men zoude kunnen beweren, in de onmiddellijke nabijheid der steden, maar ook overal zal de grond in de zee eene aanzienlijke waarde verkrijgen, daar de onderneming zoo geheel in den geest valt van de wet (of het besluit) van den 6en Junij 1840, vooral met betrekking tot Art. 16, waarbij de uitgestrekste vrijstellingen van grondlasten en registratie-kosten, van de regten op den overgang der daar te stellen gebouwen, voor meer dan eene halve eeuw gewaarborgd worden; en er zijn in die wet termen, welke aanleiding geven om genoegzaam een gelijk aantal jaren, dezelfde voorregten te blijven genieten. Daarbij komt nog, dat men veel van de, tijd verspillende, regtsgedingen zal kunnen vermijden, die bij de onteigening zoo vele bezwaren opleveren, terwijl de wetten bij dijk-collegiën en polder-besturen den afstand van grond, daar waar het tot verbetering van den polder noodzakelijk geacht wordt, naar eene vast gestelde waarde gebieden.
Het lijdt geene tegenspraak, dat hier, even zoo wel als bij andere ondernemingen, zekere belangen zullen gekwetst worden. Hoe vele honderde huisgezinnen lijden niet in hun bestaan door de spoorwegen, waartegen weder anderen bevoordeeld zijn, en die spoorwegen zijn toch voor het algemeen van overwegend belang. Even als bij de spoorweg-maatschappijen, zoude men het zich hier ook tot eenen pligt kunnen maken, om de benadeelden, die werkzaam willen zijn, aan een bestaan te helpen.
De visscherij op de Zuiderzee moge benadeeld worden; doch gaat men de jaarlijksche verslagen na, dan is de toestand derzelve niet benijdenswaardig. Hoe dikwijls werd niet de liefdadigheid voor de bewoners van Schokland en Urk ingeroepen.
Het grootste gedeelte dier eilanders zal zich, door ondervinding geleerd, gelukkig achten, het vischtuig met de spade te kunnen verwisselen, waarmede de visscher voor zijn huisgezin, onder minder afwisseling van voor- en tegenspoed, een aanzienlijker stuk brood zal kunnen verdienen. Vele dier visschers, die hoofdzakelijk maar jagers zijn, welke naar de zeegaten zeilen, om aldaar den visch te koopen, zullen langs de ringvaarten hun bedrijf kunnen blijven doorzetten, en geregelder de vangst kunnen aanvoeren, waarin zij nu dikwerf door storm of door stilte belet worden.
De groot-visscherij zal daarentegen ruimschoots bevoordeeld worden. De visschers zullen in een paar uren uit de Noordzee te Amsterdam kunnen zijn, van waar, langs de ringvaarten en spoorwegen, hunne vangst onverwijld naar het binnenland kan worden vervoerd. Eenmaal het Zeekanaal gereed zijnde, zullen zij zich van beter zee bouwende, en sneller zeilende, schepen voor de vischvangst kunnen voorzien, dan de bommen zijn, welke voor het naderen van een vlak strand, en het daarop vast zitten, zoo moesten gebouwd worden.
Wij zijn geenszins bevreesd voor gebrek aan handen ten behoeve der vele daar te stellen werken. Er openen zich vooruitzigten voor den poldergast of arbeider, om eene woning en een stuk gronds daarbij ter bebouwing te kunnen krijgen.
Men zou eene voorwaarde kunnen maken, waarbij bepaald werd, dat 1/10 gedeelte der dagloonen ingehouden zoude worden. Dit moest dienen, om den arbeider eene woning en een stuk gronds te bezorgen, welk een en ander hij in huur had, of na verloop van tijd tot zijn eigendom zal kunnen verkrijgen, het zij dat de arbeider in het reserve fonds eene toereikende som overgespaard hebbe, of dat hij uit andere, hem ter beschikking staande, middelen, zich woning en grond, voor eene, matig te schatten, som aanschaffe.
Op perceelen, te ver van steden of dorpen verwijderd, waren, voor tijdelijke huisvesting der arbeiders, loodsen op te slaan, waar zij eene gezonde drooge ligging hadden, met eene zieken-zaal, waartoe wekelijks eene geringe bijdrage konde afgezonderd worden.