Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848

Part 8

Chapter 83,535 wordsPublic domain

De nationale rijkdom zal aanzienlijk vermeerderen: men schatte de 600,000 bunders eventueel in te dijken grond gemiddeld maar op f 500 per bunder, hetwelk eene vermeerdering geeft van f 300,000,000 aan eigendom; dan zal men het niet voor overdrijving houden, dat de in de zee aanwezige slibgronden, die de beste in ons rijk zullen evenaren, na verloop van tijd eene waarde van meer dan f 1000 per bunder zullen verkrijgen, daargelaten nog, dat de gering te heffen polderlasten, en het niet wisselvallige van het drooghouden, eene betrekkelijk meerdere waarde aan dezen grond zullen verzekeren, en éénmaal die 600,000 bunders, bebouwd wordende, op eene ruwe gemiddelde huurwaarde aangeslagen van f 60 à f 70 per bunder, zal dit jaarlijks eene circulatie van plus minus veertig millioenen guldens te weeg brengen, behalve hetgeen de gebruiker voor zich en de arbeiders verdient.

De aanslag voor de belastingen zoude verminderd kunnen worden, door vermeerdering van belastbare personen en voorwerpen. Dus invloedrijke vermeerdering van inkomsten van 's Rijks directe en indirecte belastingen en accijnsen. De ondervinding leert het, en de statistieke opgaven van Engeland leveren er de bewijzen van, hoe voordeelig handenarbeid op 's Rijks inkomsten terugwerkt.

Eene hoogst belangrijke besparing zoude plaats hebben aan omstreeks honderd uren lange zeeweringen, dijk-, paal- en sluiswerken, waarmede de Zuiderzee, om verdere inbraak en verwoesting van gronden te beletten, moet beteugeld worden, en welke schier allen zullen vervallen, alsmede het onderhoud aan al de in en om de Zuiderzee liggende eilanden.

De physieke toestand van het Rijk zoude verbeteren, en door verbeterde afwateringen aanzienlijk bevoordeeld worden, waardoor het Rijk en verscheidene provinciën van geldelijke en andere moeijelijkheden zouden worden ontheven.

In de behoefte aan goed bouw-, hooi- en weiland werd voorzien; bij gebrek aan land, naar evenredigheid van pachters, wordt thans de huurwaarde onmatig opgedreven, waardoor de ondergang van de pachters wordt berokkend, en waardoor de eigendommen later in waarde moeten dalen. Door het daar te stellen lagere peil of meerdere verval in de Noordzee, verkrijgt een groot gedeelte van Rijnland, geheel Amstelland, het Noorder kwartier van Holland en de Vecht en Eemlanden eene betere waterloozing dan immer; de verveeningen zullen daardoor gemakkelijker worden gemaakt, de waarde der landerijen, welke nu bij het kadaster als moerassig en drassig op de laagste tauxatie staan, zal aanzienlijk vermeerderen, doordien het land droog worden zal en blijven, en tot kultuur geschikt worden; zoo zullen vele duizende bunders verachterd, en steeds verslimmerend land, in waarde aanzienlijk moeten rijzen, gezwegen nog van de meerdere welvaart, die de landman zal verkrijgen, hetwelk wederom van grooten invloed op het vertier in de steden moet zijn.

Het is niet alleen in de hiervoren genoemde districten, maar over alle gewesten, zoowel noordelijk als oostelijk, waar verbeterde afwatering, zoo reikhalzend wordt verlangd hetwelk maar al te duidelijk uit de provinciale verslagen blijkt, zoodat verbeterde afloop des waters bijdragen zal, tot vermeerdering van 's Rijks welvaart en inkomsten.

Het is ook een gewigtige omstandigheid, dat de Rijks maritieme werf te Amsterdam weder als vroeger zal kunnen worden gebruikt;--dat van dáár volledig uitgeruste schepen van het zwaarste kaliber, binnen weinige uren in de Noordzee zullen kunnen komen; maar dat ook de maritieme haven van Amsterdam vatbaar voor een groote vloot wordt, welke veilig voor elken vijandelijken aanval zal zijn, en behalve dit, daar wij thans maar eene betrekkelijk gebrekkige haven, die aan het Nieuwe Diep, bezitten, dat wij er alsdan 5 nieuwe bij zullen bekomen, welke allen van uit het hart van het Rijk, van alles zullen kunnen worden voorzien. Niet alleen zal dan het binnenloopen der schepen in tijden van oorlog gemakkelijk worden gemaakt, maar ook door middel der ringvaarten zullen met den meesten spoed van Amsterdam en elders, stoombooten naar alle zeehavens kunnen worden afgezonden, om den vijand, die alsdan zes in stede van één punt zoude te observeren hebben, te bestoken.

Uit een handels-politiek oogpunt beschouwd, is het voor de stad Amsterdam van het grootste gewicht, dat dezelve door het zeekanaal, dan eene zeehaven geworden, voordeeliger ligging verkrijgt dan de steden Antwerpen, Hamburg en Bremen, en dat ook de andere, thans slechts door schepen van minder diepen gang te naderen, handelsteden, zooals Groningen, Harlingen, Zwol en Kampen, in betere gemeenschap zullen geraken met Groot-Brittanje en de Oostzee; langs de kanalen van daar de Duitsche grenzen bereikende, zullen de aan- en afvoeren door die steden van en naar het noordelijke Duitschland, even goed als den Rijn op- en afwaarts, spoediger, veiliger en minder kostbaar worden, dan thans over Hamburg en Bremen.

Bij matiger regten, en bij een vrij granenstelsel, zal men Amsterdam ook boven Hamburg en Bremen de voorkeur geven, daar de togt naar en van Amsterdam, door het zeekanaal, korter, veiliger en minder kostbaar wordt, dan in en uit de Noordzee, uit en in de Elbe en Wezer.

De groote hinderpaal voor Amsterdam, dat een groot schip in het Nieuwe Diep moet lossen, om door het Noord-Hollandsche Kanaal te kunnen komen, met welken doortogt gemiddeld 14 dagen zijn gemoeid, ware alsdan uit den weg geruimd.

Vestigen wij het oog op den handel zelven, de heilrijke gevolgen daarvoor, welke uit dit ontwerp zullen ontstaan, zijn niet te berekenen.

Mogt ook al vroeger menigeen het nut van een kanaal, door de duinen heen tot in de Noordzee, ingezien hebben, niet slechts voor den handel, maar ook voor de droogmaking van het Haarlemmer Meer,--men werd afgeschrikt, niet om het onmogelijke der uitvoering, maar om de kosten. Van dit bezwaar wordt men echter, door de winst aanbrengende indijking en droogmaking van het IJ, ontheven, waartoe slechts een voorschot noodig is, dat genoegzaam gerestitueerd zal worden.

Amsterdam zal Rotterdam zijnen stroom niet meer te benijden hebben, daar het alsdan beter in gemeenschap met de zee zal komen. Het is geen trek van wangunst, die ons deze zaak te berde doet brengen, het is slechts om aan te toonen, hoe men dit bezwaar, hetwelk Amsterdam immer heeft gevoeld, zou kunnen opheffen, dat wij zulks hier aanstippen.

Het is voor beide steden van het grootste belang, dat de handel van beide worde uitgebreid; en wordt de handel op de eene plaats verlevendigd, zoo blijft dit niet zonder invloed op de andere, terwijl het verkeer tusschen beide zoo gemakkelijk is. Boeit men slechts den handel niet, dan zal de drukte en bedrijvigheid grooter worden dan immer. Door PEELS stelsel, door den toenemenden handel en de behoefte in de Rijn-provinciën, de uitbreiding daarvan in Zwitserland en in het oostelijk gedeelte van Frankrijk, zal men bij ons thans reeds meer vrijgevig handelsstelsel, en daardoor van alles meer voorziene havens, de voorkeur geven boven de Belgische, waar men, gedwongen, slechts eenen vrijen vervoerweg geeft, en baatzuchtig en kortziende, alle vreemde fabrikaten in eigen gebruik van de hand wijst.

Alle andere moeijelijkheden daarlatende, die den doortogt door het Noord-Hollandsche kanaal belemmeren, blijft de ongeschiktheid van hetzelve voor stoomboot- en stoomsleepdienst het groote bezwaar. Alle voorgestelde kanalen en ringvaarten, zullen daarvoor geschikt zijn. Welk vertier door de verkorte gemeenschap van de zee, met al de havens aan de Zuiderzee geboren zal worden, is moeijelijk te berekenen en te beschrijven.

Er zullen van Amsterdam directe stoombootdiensten kunnen geopend worden, op vele der Engelsche havens en op die van Frankrijk, en zij zullen kunnen worden uitgebreid op de West-Indiën en op Amerika. Is de handel van vee, groenten en vruchten van Rotterdam, Harlingen en het Nieuwe Diep zoo belangrijk geworden, hoeveel belangrijker zal dit niet kunnen worden, door de aanwinst van zooveel meer grond, als nu in het IJ en in de Zuiderzee ligt, en door de verbetering der nu door gebrek aan afwatering gedurig achteruitgaande landerijen, waar onder er, zoo als om de Zaan heen, zijn, die voor warmoezierderij van de edelste soort geschikt zijn, die van het Westland evenarende; dan liggen er ook nog de deels uitgeveende, deels niet uitgeveende Loosdrechten, Breukelerveen enz., waar, als het water slechts uitgemalen is, beste gronden gereed zullen zijn.

Door de vermeerdering van weilanden, van vee, hooi, boter en kaas, allerhande vruchten, zullen wij, wanneer onze akkerbouw, welke, zoo als PEEL zelfs omtrent Engeland zegt, nu nog in hare kindschheid is, meerdere ontwikkeling verkrijgt, in uitvoer van levensmiddelen, zoo naar Engeland als naar Oost- en West-Indië, met Noord-Amerika kunnen concurreren.

Zijn de kanalen in Over-IJssel en Drenthe gereed, zoo vinden wij eene spoedige en goedkoope gemeenschap met Hannover en Westphalen, en dan zijn de afstanden, uit onze eigene provinciën, door de beter daargestelde gemeenschappen verkort, zoodat dan ook alle andere mindere voortbrengselen van den lande meerdere waarde verkrijgen, zooals zulks om Nijmegen, overal langs de Maas, de Waal en de Rijn door de snellere gemeenschap met stoombooten plaats vindt.

Verwerpen wij eene betere gemeenschap, met de hoofdstad van ons rijk niet, vooral wanneer zich daarmede buitenlandsche handel paart. Rotterdam, door hare betere gemeenschap langs de rivieren met het buitenland, dankt daaraan gedeeltelijk haar bestaan.

Provinciën en steden, die nader bij Amsterdam liggen en Amsterdam zouden kiezen, zijn door hare gebrekkige ligging aan de zee, buiten aanraking met haar.

Het grootste gedeelte van Gelderland, tot aan de Pruisische grenzen, vervoert deszelfs produkten naar Rotterdam, omdat het vervoer bij eenen veiligen watertogt langs de rivieren daarheen gemakkelijk is, en vandaar een gereede aftrek op Engeland enz. bestaat, al hetwelk thans te Amsterdam niet het geval is.

De concurrentie dwingt tot bezuiniging van kosten en daarom zal het voor Noord-Holland van belang worden, zijne eigene voortbrengselen, ook langs eigene kanalen, over zee te zenden, en geene omwegen, over het Nieuwe Diep of Rotterdam te moeten kiezen.

Alle bestaande stoomboot-diensten, zooals op Zaandam, Harlingen, Zwol en Kampen, zullen langs de ringvaarten behouden blijven, derzelver ondernemers, zullen het zich niet voor schade aanrekenen, dat zij hunne kostbare zeebooten voor binnen- of rivierbooten kunnen verruilen. Deze en alle andere overzeesche schippers, zoo vaak door laag en door hoog water, door storm en tegenwinden, door gevaarlijke togten op zee tegen gehouden, zullen gaarne, gaande weg, hunne thans in aanbouw zijnde en door onderhoud kostbaarder zeeschepen voor trekbooten ruilen, waaraan het wisselvallige der zeetogten niet is verbonden.

Wordt de moeijelijkheid voor de vaart, met onze aan de Zuiderzee gelegene steden en havens uit den weg geruimd, van niet minder gewigt zal het verkorte traject, van uit de Noordzee langs Zandpoort naar Amsterdam zijn, tegen dat van naar het Nieuwe Diep, en van daar door het Noord-Hollandsche kanaal naar Amsterdam, voor onze handelaren en reederijen en voor vreemden, welke vermeenen, dat een schip te Antwerpen gelost en geladen, en weder zee gekozen heeft, alvorens een ander van het Nieuwe Diep voor Amsterdam kan komen.

Bovendien, welk nadeel ons een vroeg invallende, lang aanhoudende winter berokkent, dat heeft ons die van 1844 en 45 bewezen. Wij zouden, bij het voorgestelde zeekanaal, geene vier maanden van alle gemeenschap met andere landen en werelddeelen verstoken zijn; onze producten zouden hunne waarde niet verliezen, door maanden lang gebrek aan gelegenheid, om die te kunnen verzenden naar alle plaatsen en landen, welke gewoon zijn, onze toevoeren te ontvangen. Op die plaatsen, en in die gewesten ontstond alsdan wel gebrek aan onze voortbrengselen, doch daarin werd voorzien door anderen, en wij misten de gelegenheid, onze voortbrengselen te verkoopen, en alzoo kwam het nadeel op ons neder. Ware er de behoefte niet, om in den winter eene geschikte zeehaven te hebben, men zoude geene plannen gevormd hebben, om zoodanige haven bij Scheveningen aan te leggen.

In vier maanden geene toevoer van provisiën uit Nederland naar deszelfs eigene koloniën; ook daarin moest door andere natiën worden voorzien, en daarenboven trokken deze de voor ons bestemde retouren en waarden, en wij zelven hadden geen debouché. Vier maanden lang moesten de reederijen (zoo al niet de schepen, omdat zij het Nieuwe Diep niet binnen konden komen, in Engelands havens bleven liggen!) het equipagie-loon en de levensmiddelen geven, waardoor dikwijls eene, anders winstgevende, vracht verlies berokkende; vier maanden lang bleef een assuradeur risico loopen, waarvan hij in weinige uren bevrijd konde zijn; vier maanden lang derfde de handelaar zijne goederen, en moest zich schadelijke, zijn crediet niet verheffende, maatregelen getroosten,--dit alles zoude vervallen.

De eb en vloed, bij het grooter verval en de diepte van het zeekanaal, zouden den nieuwen stroom van af de sluizen tot in de zee openhouden, de uitijzing, wanneer gevorderd, zoude geene weeken lange vruchtelooze onderhandelingen behoeven, de vaart tusschen Amsterdam tot Zandpoort ware open te houden door af- en toevarende stoomslepers.

En legt de doorvoer-handel niet alle voordeelen van eigen commissie-handel af; het is dan toch voordeeliger, door het binnen komen en uitgaan der schepen, door hun lossen en laden enz., terwijl al die schepen zekere behoeften hebben, waarin moet worden voorzien, iets te verdienen, dan ook dit aan anderen over te laten.[6]

[6] Het gouvernement stelde in 1815 en 1816 een transitoregt van 3%, met 13 opcenten, op katoenen garens. Een huis te Amsterdam had met een huis te Londen eene overeenkomst getroffen. Het londensche huis had zijne agenten te Liverpool en Manchester, en stond in relatiën met alle katoenspinners, en wilde 100,000 pond st. bezigen, om de geschikste sorteringen, twisten of gesponnene garens, voor de duitsche en zwitsersche markten te koopen, en te zorgen, dat daarvan ten allen tijde ruimen voorraad te Amsterdam zoude zijn. Duitschland en Zwitserland hadden slechts de nommers op te geven, en er kon te Amsterdam terstond in hunne behoeften worden voorzien; er circuleerden reeds eenige tonnen gouds. De concept-wet bij de Staten-Generaal ingediend zijnde, vond zich het amsterdamsche huis verpligt, het londensche daarvan te verwittigen. Een bekende uit Hamburg was te Londen bij de ontvangst van dezen brief tegenwoordig. Men sprak er over: de Hamburger beweerde, "de doorvoerregten in Holland waren te hoog. Wat te Amsterdam niet meer kon plaats hebben, kon nu even geschikt te Hamburg geschieden." Den Hamburger werd de zaak toevertrouwd, en de zich deswege geëtabliseerd hebbende Duitscher reed, binnen weinige jaren, in eene elegante calèche met vier paarden.

De Amsterdammer bezocht weinig tijds daarna eenen vriend in den Haag, eerste commies bij het Ministerie van Financiën. Men dutste zich, zooals de Duitscher zegt, en het volgende gesprek viel voor:

De AMSTERDAMMER. Zoo, JAAP! hoe heb je het?

De HAGENAAR. Wél, KO! Maar hoe zie jij er zoo bedrukt uit?

De A. Dat is jou schuld, JAAP!

De H. Mijn schuld--dat begrijp ik niet.

De A. Gij hebt 3½% transito regt op de twisten gelegd, en die gaan nu over Hamburg voor ½%; dit maakt mij in Amsterdam eene misrekening van f 235,000, waarvan mij jaarlijks ruim f 100,000 zouden zijn toegekomen.

De H. Maak mij die rekening eens, KO!

De A. Hoor! 100,000 pond st. is f 1,200,000, gemiddeld die som, drie maal in een jaar omgezet, maakt eene som van f 3,600,000.

daarop het land ½% f 18,000 provisie en delcrediere 3% " 108,000 courtage 1% " 36,000 duitsche commissionair 1½% " 54,000 registratie voor remises en traites 2 o/oo " 7,200 wissel-courtage 1 o/oo " 3,600 onkosten " 9,000 --------- dit zijn f 235,800

door een enkel huis in één jaar.

De H. Ik heb niet geweten, dat daar zulke sommen mede gemoeid zijn.

De A. Dan hadt gij eerst de zaken moeten onderzoeken, alvorens zulke ruïneuze wetten te maken.

En is die weinige doorvoerhandel, dien wij thans nog maar bezitten, niet voor een groot gedeelte het gevolg van gebrek aan ondernemingen van onze zijde, welke eensdeels werden gestaakt door hooge in- en doorvoerregten, anderdeels door gebrek aan eigene medewerking? Vroeger wist de duitsche fabrikant geen ander debouché, dan door verkoop aan ons; wij kochten hem zijne artikelen af, en verscheepten die, voor eigene rekening naar elders, en bragten van elders de retouren mede.

Door ons prohibitief stelsel werden vele, zoo niet alle, fabrikanten genoodzaakt, andere middelen te beproeven, om hunne goederen te verkoopen; de goederen werden nu naar Hamburg verzonden; men ontving eenige voorschotten, en verscheepte de goederen, voor duitsche rekening, naar andere werelddeelen; Hamburg ontving en verkocht de daarvoor teruggezondene producten en genoot daarvan de winsten.

Door dit alles werd de Duitscher ingelicht, en van dáár dat die thans betere handelsbetrekkingen heeft dan wij, omdat de eigen broeder, zoon of landgenoot, in Noord-Amerika, Brazilië enz. gevestigd, hem van daar met den stand van zaken bekend maakt, tot zelfs uit onze eigene koloniën, daar Duitsche natuurkundigen volledige berigten over Java naar hun land zenden, die wij verminkt na jaar en dag in de mengelwerken onzer tijdschriften en dagbladen terug vinden. Wij staan den vrijen handel voor: met een zeer matig gelijk werkend tarief, zou de Staat, wat zij aan de eene zijde aan revenuën op in- en doorvoerregten derfde; anderzijds door meerdere welvaart der ingezetenen terug bekomen.

Door welvaart van den handel vermeerderen 's Rijks magt, aanzien en middelen, dit leert ons onze eigene geschiedenis. Het waren de Handeldrijvende provinciën Holland en Zeeland, die vroeger het land en tijden van gevaar, met volk, met schepen en geld te gemoet snelden.

Hoe vleide men zich in 1814 en 1815 met herstel van vroegeren handel, en reeds begon dezelve te ontluiken, toen een rampzalig fabrijk-protectiestelsel ons de blijde toekomst vernielde, de ondernemingsgeest uitdoofde, vooruitgang en wetenschappen in en de toepassing daarvan op de fabrijken, en de kennis van handeldrijvende volken belette, voor immer den handel in duitsche linnens, en zoovele niet op onzen grond te huis behoorende fabrijkaten uit het land verbande, waardoor de retouren uit dien handel met Noord-Amerika, Brazilië en West-Indië gekeerd, en daarmede den uitvoerhandel van onze eigene voortbrengselen, van den eigen grond, boter, kaas enz. stremmende, de ondernemingen op den Stillen Oceaan en de Zuidzee stuitte, waarheen Bremen ons met vloten beschaamt, de aan scheepvaart eigene verbonden fabrijken werkeloos maakte, zoodat de werven hier gesloopt, maar in Hamburg en Bremen aangebouwd werden.

De graanhandel werd verdreven, en daardoor het middel van de hand gewezen, om onze eigene granen (mindere soort, met betere vermengd) af te zetten. De pakhuizen voor linnens en koornschuren, die Europa voorzagen, waardeloos gemaakt, duizenden, die door inspanning van geest- en ligchaamskrachten den middelstand deden bloeijen, werkeloos, en tot den bedelstaf gebragt[7].

[7] Men berekent het op f 100 per last graan, ons uit den vreemde toegevoerd, dat er aan vracht, assurantie, lossen, opdragen, verschieten, meetloon, afdragen, pakhuishuur, courtage en provisieloonen is in handen gekomen, behalve de winst en vracht bij den weder-uitvoer.

In 1817 werden er alleen 80,000 last tarwe aangevoerd, daaraan waren dus f 8,000,000 verdiend; rogge werd in gelijke verhouding aangebragt. Laten nu de voorstanders der graanwetten ons de verdiensten van den landbouw, tegen die schade opwegende, aanwijzen.

Een koopman betaalt milde loonen; een koorndrager kan van f 1,50 tot f 2 daags verdienen, en in den winter wordt door den landbouwers in de Betuwe 15 cents daags betaald.

Dit alles danken wij der protectie, aan den landbouw en de fabrijken verleend; halve maatregelen, hoog opgevoerde schaalregten en transito-regten, die den doorvoer verboden, waardoor millioenen, die door onze handen hadden moeten gaan, met de verdiensten daarop uit het land zijn geweerd, en aan anderen werden prijs gegeven.

Men beschuldige ons niet, dat wij den landbouw willen verwaarloosd zien; deze kan zich zelven helpen; zulks heeft, voor weinige jaren, nog een Zeeuw, een groot landhuishoudkundige beweerd. De landbouw heeft zich immer zelf geholpen, en wij hebben kostelijke weiden voor de veeteelt, zoo wij slechts ons beestenras verbeteren, en zorgen dat de boter en kaas niet, na ouden slendriaan, half bedorven worden vervoerd, terwijl de onkundige waant, dat geen ander product het zijne kan evenaren, en de gegoede Engelschman ze niet op zijne tafel zien wil, daar zij bij hem slechts kost voor de minderen, en tot voorziening van armengestichten en werkhuizen is.

De grondeigenaar betaalt den grond buiten verhouding hoog, waardoor hij zich zelven benadeelt. Door het meer dan benoodigde getal boeren, die naar eene hofstede dingen, worden de huurprijzen zoo hoog opgedreven, dat de huurder, bij den minsten tegenspoed, dezelve niet kan opbrengen; en dit wil men nu door graan-protectie-wetten verhelpen, waardoor de Staat al meer en meer wordt te gronde gerigt!

Dat de landbouw uit de geschiedenis de bewijzen bijbrenge, dat hij gelijke diensten als de handel aan den Staat bewees; welke door zijn gezag, door zijnen invloed en magt, en door zijne ruime offers aan het land voorkwam, dat het niet reeds voor langen tijd geheel of ten deele een wingewest van eenen anderen Staat geworden is.

De handel kwijnt ook wel door deze of gene gebeurtenis, maar schreeuwt dan niet om bijstand ten koste van allen. Wordt het algemeen door rijke oogsten gezegend, zoo kunnen geene protectie-wetten de graanprijzen doen stijgen, en elke gulden protectieregt is eene belasting op het algemeen, ten gunste van eenige weinigen, terwijl de landbouw bij schaarste door hooge prijzen wordt schadeloos gesteld.

Eenerzijds juicht men Albions vrijgevig stelsel toe en men is verblijd, daardoor zijne haver tot voordeelige prijzen te kunnen verkoopen, en anderzijds zal men ons beletten gelijke voordeelen, door even vrijen invoer te genieten. Men verlieze nimmer uit het oog, dat wij graanhandelaren behoeven, die gegoed en ondernemend moeten zijn, die bij dreigend gebrek kapitalen moeten bezitten en den moed hebben, die te wagen, om door ruime aanvoeren het gebrek te voorkomen, men beseffe dat het de graanhandel is, die in tijden van overvloed hare schuren opent, en speculerende, den landbouwer zijnen overtolligen voorraad afkoopt, welke anders alle waarde zoude verliezen.