Het Duitsche Witboek: Documenten aangaande het uitbreken van den oorlog

Part 4

Chapter 43,358 wordsPublic domain

De memorie schildert verder den samenhang tusschen deze werkzaamheid van de „Narodna Odbrana” en de dochterorganisaties met de aanslagen op den Koninklijken commissaris in Agram, CUVAJ, in Juni 1913, de aanslag van DOJCIC in Agram in 1913 tegen SKERLECZ en de mislukte aanslag van SCHÄFER op den 20en Mei in den Agrammer schouwburg. Het handelt verder over den samenhang met _den aanslag op den troonopvolger en diens gemalin_, over de wijze waarop reeds de jongens in de school door de ideeën der „Narodna Odbrana” vergiftigd werden en hoe zich de bedrijvers van den aanslag met behulp van PRIBICEVIC en DARSIC de werktuigen voor den aanslag verschaften, waarbij in het bijzonder de rol van den majoor TANKOSIC wordt blootgelegd, die de moordwapens leverde, zoowel als de rol van een zekeren CIGANOVIC, een gewezen komitatschi, die nu beambte is bij de directie van de Servische spoorwegen te Belgrado en die reeds in 1909 als kweekeling van de bendenschool der toenmalige „Narodna Odbrana” opdook. Verder wordt de wijze blootgelegd, waarop bommen en wapenen ongemerkt in Bosnië binnengesmokkeld werden, welke geen twijfel laat dat dit een welvoorbereide en voor de geheime doeleinden der Narodna dikwijls gebruikte sluipweg was. Een bijlage bevat een uittreksel van de acten van het krijgsgerecht te Serajewo over het _onderzoek betreffende den aanslag_ op Aartshertog FRANZ FERDINAND en diens gemalin. Volgens deze bijlage hebben PRINCIP, GABRINOVIC, GRABEZ, CRUPILOVIC en PAPOVIC bekend, in gemeenschap met den voortvluchtigen MEHMEDBASIC een complot gevormd te hebben tot het vermoorden van den aartshertog en hem met dit doel te hebben opgewacht. GABRINOVIC bekent de bom te hebben geworpen en GRABRILO PRINCIP den aanslag met het browningpistool te hebben uitgevoerd. Beide daders geven toe bij het plegen van de daad de bedoeling gehad te hebben een moord te begaan. De overige deelen van de bijlage bevatten verdere verklaringen van de beschuldigden voor den rechter van instructie over het ontstaan van het complot, de herkomst der bommen, die fabriekmatig werden vervaardigd, voor militaire doeleinden bestemd waren en, te oordeelen naar de oorspronkelijke verpakking, kwamen uit het Servische wapenmagazijn te Kragujevac. Eindelijk geeft de bijlage informaties over het transport van de drie bedrijvers van den aanslag en van de wapenen van Servië naar Bosnië. Uit het verdere protocol der getuigenverhooren blijkt, dat een onderdaan der Monarchie eenige dagen voor den aanslag het Oostenrijksch-Hongaarsche konsulaat te Belgrado mededeeling wilde doen van zijn vermoeden, dat er een plan bestond tot het plegen van een aanslag op den aartshertog gedurende diens aanwezigheid in Bosnië. Die man zou nu door Belgradosche politiebeambten, die hem even voor het betreden van het konsulaat op onbeduidende gronden arresteerden, verhinderd zijn geworden, zijne mededeeling te doen. Verder blijkt uit het protocol van het getuigenverhoor, dat de betreffende _politieambtenaren van den voorgenomen aanslag kennis hebben gedragen_. Overmits deze verklaringen nog niet zijn kunnen worden onderzocht, kan voorloopig over de juistheid daarvan nog niet geoordeeld worden. In de bijlage van de memorie staat: voor de ontvangzaal van het Servische Ministerie van Oorlog bevinden zich aan den wand vier allegorische schilderijen, waarvan drie voorstellingen zijn van Servische wapensuccessen, terwijl het vierde de vervulling der der Monarchie vijandige denkbeelden in Servië verzinnebeeldt. Over een landschap hetwelk gedeeltelijk gebergte (Bosnië) gedeeltelijk vlakte (Zuid-Hongarije) vertoont, gaat de Zora, het morgenrood der Servische toekomstidealen op. Op den voorgrond staat een gewapende vrouwengestalte op wier schild de namen staan van alle „nog te bevrijden provinciën”: Bosnië, Herzegowina, Wojwodina, Syrmië, Dalmatië, enz.

Bijlage 1_b_.

#De Rijkskanselier aan de Keizerlijke gezanten te Parijs, Londen en St. Petersburg, den 23en Juli 1914.#

De publicaties van de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering over de omstandigheden, waaronder de aanslag op den Oostenrijkschen troonopvolger en zijn gemalin heeft plaats gevonden, toonen zoo openlijk mogelijk de doeleinden, welke zich de Groot-Servische propaganda gesteld heeft en de middelen waarvan zij zich ter bereiking daarvan bedient. Ook moet door de bekend gemaakte feiten de laatste twijfel verdwijnen, dat het centrum van de actie die streeft naar het losmaken van de Zuid-Slavische provinciën der Oostenrijksch-Hongaarsche Monarchie en de vereeniging van deze met het Servische koninkrijk in Belgrado te zoeken is, en daar, althans met toelating van de zijde van leden der regeering en van het leger, arbeidt. Het begin van de Servische woelingen ligt reeds een lange rij van jaren terug. In zeer marquanten vorm trad het Groot-Servische chauvinisme te voorschijn gedurende de Bosnische crisis. Slechts aan de verregaande zelfbeheersching en gematigdheid der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering en het energiek ingrijpen der Groote Mogendheden was het toe te schrijven dat de provocaties, waaraan Oostenrijk-Hongarije in dezen tijd van de zijde van Servië was blootgesteld, niet tot een conflict voerden. De belofte van toekomstig goed gedrag, die de Servische regeering toentertijd gegeven heeft, is zij nooit nagekomen. Onder de oogen, tenminste onder stilzwijgend toelaten van het ambtelijke Servië heeft de Groot-Servische propaganda intusschen voortdurend aan omvang en intensiviteit toegenomen. Op hare rekening is de jongste misdaad te plaatsen, waarvan de draden naar Belgrado voeren. Er is op ondubbelzinnige wijze gebleken, dat het noch met de waardigheid, noch met het zelfbehoud van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie zou zijn overeen te brengen, om het drijven aan de andere zijde der grens, waardoor de veiligheid en de integriteit van haar grondgebied voortdurend wordt bedreigd, nog langer werkeloos aan te zien. In verband met deze omstandigheden kunnen het optreden en de eischen der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering slechts als gerechtvaardigd worden beschouwd. Desniettegenstaande sluit de houding, die de openbare meening zoowel als de regeering in Servië den laatsten tijd ingenomen hebben, de vrees niet uit, dat de Servische regeering er voor bedanken zal, aan deze eischen te voldoen en dat zij zich zal laten bewegen, tegenover Oostenrijk-Hongarije eene uitdagende houding aan te nemen. In dat geval zou de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering wanneer zij niet voor goed van hare positie als groote mogendheid zou willen afstand doen, niets anders overblijven als hare eischen tegenover de Servische regeering door sterken druk en desnoods door het toevlucht nemen tot militaire maatregelen door te zetten, waarbij de keuze der middelen aan haar moet worden overgelaten. Ik heb de eer Uwe Excellentie, enz., te verzoeken U in dezen zin tegenover (den tegenwoordigen vertegenwoordiger van den heer VIVIANI), (Sir EDWARD GREY) (den heer SASANOW) uit te spreken en daarbij in het bijzonder den nadruk te leggen op de opvatting, dat men in de onderhavige quaestie te doen heeft met eene aangelegenheid, die uitsluitend tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië moet worden beslist, waarbij het het ernstige streven der mogendheden moet zijn de quaestie te beperken tot de beide daarbij direct betrokkenen. Wij wenschen dringend de localiseering van het conflict, omdat ieder ingrijpen van eene andere macht in verband met de verschillende verbondsplichten onafzienbare consequenties mee zou brengen. Gaarne ontving ik een telegrafisch bericht over het verloop van het onderhoud, hetwelk ik met belangstelling tegemoet zie.

Bijlage 2.

#De Rijkskanselier aan de Bondsregeringen.#

_Vertrouwelijk!_ Berlijn, den 28en Juni 1914.

Uwe Excellentie wordt verzocht der regeering, bij welke zij geaccrediteerd is, de volgende mededeeling te doen. In verband met de feiten, die de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering in hare nota aan de Servische regeering heeft bekend gemaakt, moet de laatste twijfel verdwijnen dat de aanslag, waaronder de Oostenrijksch-Hongaarsche troonopvolger en zijne gemalin als slachtoffer gevallen zijn, in Servië, ten minste met toelaten van leden der Servische regeering en van het Servische leger, is voorbereid geworden. Het is een product van het Groot-Servische drijven, dat sedert eene rij van jaren een bron van voortdurende verontrusting voor de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie en voor geheel Europa geworden is.

In bijzonder marquanten vorm trad het Groot-Servisch chauvinisme te voorschijn gedurende de Bosnische crisis. Slechts aan de verregaande zelfbeheersching en gematigdheid van de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering en het energiek ingrijpen der Groote Mogendheden was het toe te schrijven, dat de provocaties, waaraan Oostenrijk-Hongarije in dien tijd van de zijde van Servië was blootgesteld, niet tot een conflict hebben gevoerd. De belofte van toekomstig goed gedrag, die de Servische regeering toen gegeven heeft, is zij niet nagekomen. Onder de oogen en tenminste onder stilzwijgend toelaten van het ambtelijk Servië, heeft de Groot-Servische propaganda intusschen voortdurend aan uitgebreidheid en intensiviteit toegenomen. Het zou noch met de waardigheid, noch met haar recht op zelfbehoud overeen te brengen zijn, wanneer de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering het drijven aan den anderen kant der grens, waardoor de veiligheid en de integriteit van haar gebied voortdurend wordt bedreigd, noch langer werkeloos zou aanzien. Onder deze omstandigheden moeten het optreden zoowel als de eischen der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering als gerechtvaardigd worden beschouwd. Het antwoord van de Servische regeering op de eischen welke de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering den 23en dezer maand door haar vertegenwoordiger in Belgrado heeft laten stellen, toont evenwel aan, dat de toonaangevende factoren in Servië niet bereid zijn, hun tot nu toe gevoerde politiek en agitatorische werkzaamheden op te geven. Er zal daarom der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering, wanneer zij niet voor goed van hare positie als groote mogendheid zou willen afstand doen, niets anders overblijven als hare vorderingen door sterken druk en desnoods door het toevlucht nemen tot militaire maatregelen, door te zetten. Enkele Russische persstemmen beschouwen het als het vanzelf sprekend recht en als de taak van Rusland om in het conflict tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië actief voor Servië partij te nemen. Voor de Europeesche botsing, die het gevolg zou zijn van dergelijke stappen van Rusland, meent de _Nowoje Wremja_ zelfs Duitschland te mogen verantwoordelijk maken, voor zoover het er niet Oostenrijk-Hongarije toe brengt, om toe te geven. De Russische pers stelt hiermede de verhoudingen op den kop. Niet Oostenrijk-Hongarije heeft het conflict met Servië veroorzaakt, maar het is Servië geweest dat door eene gewetenlooze begunstiging van de Groot-Servische aspiraties, ook in gedeelten der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, het bestaan van deze laatste in gevaar heeft gebracht en toestanden heeft geschapen die tenslotte in de misdadige daad van Serajewo uitdrukking hebben gevonden. Wanneer Rusland meent in dit conflict voor Servië in de bres te moeten springen, dan is dat ongetwijfeld zijn goed recht. Het moet zich echter duidelijk voor oogen stellen dat het daarmede de Servische woelingen tot ondergraving van het bestaansrecht der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie tot de zijne maakt en dat het er alleen de verantwoordelijkheid voor draagt, wanneer uit het Oostenrijksch-Servische geschil, dat alle overige Groote Mogendheden wenschen te localiseeren, een Europeesche oorlog ontstaat. Deze verantwoordelijkheid van Rusland komt duidelijk aan den dag en weegt te zwaarder, waar Graaf BERCHTOLD Rusland officieel verklaard heeft dat Oostenrijk niet de bedoeling heeft, gedeelten van het Servische grondgebied te verwerven, noch het bestaan van het Servische koninkrijk aan te tasten, maar dat het slechts rust wenscht tegenover de Servische woelingen, die zijn bestaan in gevaar brengen.

De houding door de Keizerlijke regeering in deze quaestie aan te nemen, teekent zich duidelijk af. De, door de panslavisten tegen Oostenrijk-Hongarije gevoerde, agitatie, streeft als einddoel, door middel van de verbrokkeling der Donaumonarchie, naar het uiteenspatten of de verzwakking van den driebond en naar de volkomen isoleering van het Duitsche Rijk als gevolg daarvan. Het meest elementaire eigenbelang roept ons daarom aan de zijde van Oostenrijk-Hongarije. De plicht, Europa, wanneer het eenigszins mogelijk is voor een algemeenen oorlog te bewaren, brengt er ons tegelijkertijd toe, die bemoeiingen te ondersteunen, welke werken in de richting van eene localiseering van het conflict, getrouw aan de richtlijnen der politiek, die wij nu reeds sedert 44 jaren in het belang van het behoud van den Europeeschen vrede, met succes hebben gevoerd. Wanneer intusschen, onverhoopt door een ingrijpen van Rusland de vuurhaard mocht worden uitgebreid, dan zullen wij, getrouw aan onzen bondsplicht, met de geheele macht van het Rijk de naburige monarchie moeten ondersteunen. Slechts gedwongen zullen wij naar het zwaard grijpen, dan echter zullen wij het doen in het rustige bewustzijn, dat wij geen schuld dragen aan het onheil, dat een oorlog over de volkeren van Europa zou moeten brengen.

Bijlage 3.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Weenen aan den Rijkskanselier van den 24en Juli 1914.#

Graaf BERCHTOLD heeft heden den Russischen chargé d'affaires bij zich verzocht ten einde hem uitvoerig en vriendschappelijk het standpunt van Oostenrijk-Hongarije tegenover Servië uiteen te zetten. Na recapituleering van de historische ontwikkeling der laatste jaren legde hij er den nadruk op, dat de Monarchie er niet aan denkt, tegenover Servië veroverend op te treden. Oostenrijk-Hongarije zal geen aanspraak maken op Servisch grondgebied. Het houdt er strikt aan vast, dat deze stap slechts ten doel heeft, definitieve maatregelen te nemen tegen de Servische woelingen. Noodgedrongen moest Oostenrijk-Hongarije waarborgen verlangen voor eene toekomstige vriendschappelijke houding van Servië tegenover de Monarchie. Hij is er verre van verwijderd, eene verschuiving van de machtsverhoudingen op den Balkan, te willen veroorzaken. De chargé d'affaires, die nog geen instructies uit Petersburg had ontvangen, heeft de verklaringen van den minister ad referendum genomen, onder toezegging, ze onmiddellijk ter kennis van SASANOW te brengen.

Bijlage 4.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Petersburg aan den Rijkskanselier van den 23en Juli 1914.#

Den inhoud van instructie 592 heb ik zooeven in een langdurig onderhoud met SASANOW uitvoerig toegelicht. De minister ging zich te buiten in matelooze beschuldigingen tegen Oostenrijk-Hongarije en was zeer opgewonden. Zoo beslist mogelijk verklaarde hij, dat Rusland onmogelijk zou kunnen toelaten, dat het Servisch-Oostenrijksche geschil tusschen de betrokkenen alleen zou worden uitgemaakt.

Bijlage 5.

#De Keizerlijke Ambassadeur te Petersburg aan den Rijkskanselier.#

Telegram van 26 Juli 1914.

De Oostenrijksch-Hongaarsche ambassadeur had heden namiddag een langdurig onderhoud met SASANOW. Beiden ontvingen, zooals zij mij naderhand zeiden, een bevredigenden indruk. De verzekering van den gezant, dat Oostenrijk-Hongarije geene veroveringsplannen heeft en slechts eindelijk eens aan zijne grenzen rust wilde houden, heeft den minister zichtbaar gerustgesteld.

Bijlage 6.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur in Petersburg aan den Rijkskanselier van 25 Juli 1914.#

Rapport van den Generaal VON CHELIUS aan Z. M. In het Krasnoekamp werden heden de oefeningen der troepen plotseling afgebroken en de regimenten keeren onmiddellijk in hunne garnizoenen terug. De manoeuvres zijn afgelast. De cadetten worden heden in plaats van in den herfst tot officieren bevorderd. Over het optreden van Oostenrijk heerscht in het hoofdkwartier groote opwinding. Ik heb den indruk, dat alle voorbereidende maatregelen voor de mobiliseering tegen Oostenrijk worden getroffen.

Bijlage 7.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Petersburg aan den Rijkskanselier van den 26en Juli 1914.#

De militaire attaché verzoekt mij het volgende rapport aan den generalen staf te willen doen toekomen.

Ik houd het voor zeker, dat, voor wat betreft Kiew en Odessa, de mobilisatie is gelast. Voor Warschau en Moskou is dit quaestieus en in de andere districten nog wel niet het geval.

Bijlage 8.

#Telegram van den waarnemenden Keizerlijken consul te Kowno aan den Rijkskanselier van den 27en Juli 1914.#

In Kowno is de staat van oorlog afgekondigd.

Bijlage 9.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Bern aan den Rijkskanselier van den 27en Juli 1914.#

Verneem uit betrouwbare bron dat het 14e Fransche legerkorps de manoeuvres afbrak.

Bijlage 10.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Ambassadeur te Londen.#

~Dringend.~ 26 Juli 1914.

Oostenrijk-Hongarije heeft te Petersburg officieel en plechtig verklaard, dat het in Servië geen territoriale winst nastreeft, het bestaan van het Koninkrijk niet zal aantasten en zich alleen maar rust wil verschaffen. Volgens hier ingekomen berichten is in Rusland de oproeping van verschillende jaargangen reservisten ieder oogenblik te verwachten. Wanneer deze berichten bewaarheid worden, zullen wij tegen onzen wensch tot tegenmaatregelen gedwongen zijn. Ook heden nog is ons streven daarop gericht, het conflict te localiseeren en den Europeeschen vrede te bewaren. Ik verzoek U daarom in Petersburg in dezen zin met den meesten nadruk werkzaam te zijn.

Bijlage 10_a_.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Ambassadeur te Parijs van den 26en Juli 1914.#

Nadat Oostenrijk-Hongarije Rusland officieel verklaard heeft, dat het geen territoriale winst nastreeft en het bestaan van het Koninkrijk niet wil aantasten, ligt de beslissing of een Europeesche oorlog zal ontstaan bij Rusland, dat de geheele verantwoordelijkheid daarvoor te dragen heeft. Wij vertrouwen op Frankrijk, waarmede wij ons eenig weten in den wensch om den Europeeschen vrede te bewaren, dat het in Petersburg zijn invloed in kalmeerenden zin zal aanwenden.

Bijlage 10_b_.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Petersburg van den 26en Juli 1914.#

Nadat Oostenrijk plechtig verklaard heeft geen territoriale belangen te hebben, berust de verantwoordelijkheid voor een eventueele verstoring van den Europeeschen vrede door een Russische interventie alleen bij Rusland. Wij vertrouwen er nog steeds op, dat Rusland geen stappen zal doen die den Europeeschen vrede ernstig in gevaar zouden brengen.

Bijlage 11.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Petersburg aan den Rijkskanselier van den 27en Juli 1914.#

Militair attaché rapporteert over gesprek met Minister van Oorlog. SASANOW zou dezen laatsten verzocht hebben mij den toestand duidelijk te maken. De Minister van Oorlog heeft mij zijn eerewoord gegeven dat nog geen mobilisatiebevel is gegeven. Er werden alleen voorloopig voorbereidende maatregelen genomen, maar er zou geen reservist opgeroepen en geen paard opgevorderd zijn. Wanneer Oostenrijk de Servische grens overschrijden zou, dan zouden die militaire districten, die tegen Oostenrijk gericht zijn, Kiew, Odessa, Moskou en Kazan gemobiliseerd worden, die aan het Duitsche front Warschau, Wilna en Petersburg onder geen omstandigheden. Men zou den vrede met Duitschland dringend wenschen. Op mijn vraag naar het doel van de mobiliseering tegen Oostenrijk volgde schouderophalen, en werd verwezen naar de diplomatie. Ik zeide den Minister dat men de vriendschappelijke bedoelingen op prijs stelde, maar dat men ook de alleen tegen Oostenrijk gerichte mobiliseering als zeer dreigend zou beschouwen.

Bijlage 12.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen van den 27en Juli 1914.#

Van een voorstel van Sir EDWARD GREY, te Londen eene conferentie van vier te houden, is hier tot dusver niets bekend. Het is voor ons onmogelijk onzen bondgenoot in zake zijn twist met Servië, voor een Europeesche rechtbank te brengen. Onze werkzaamheid als bemiddelaar moet zich beperken tot het gevaar voor een Oostenrijksch-Russisch conflict.

Bijlage 13.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen van den 25en Juli 1914.#

Het door Sir EDWARD GREY tusschen het Oostenrijksch-Servische en het Oostenrijksch-Russische conflict gemaakte onderscheid is volkomen juist. Wij willen ons evenmin als Engeland in het eerste mengen en wij nemen gelijk te voren het standpunt in dat deze quaestie daardoor moet gelocaliseerd blijven, dat alle mogendheden zich van inmenging onthouden. Het is derhalve onze dringende hoop, dat Rusland in het bewustzijn van zijne verantwoordelijkheid en van den ernst der situatie, zich van ieder actief ingrijpen zal onthouden. Wij zijn voor het geval een Oostenrijksch-Russische strijd zou ontstaan, bereid, onder voorbehoud van onze bekende verbondsplichten, met de andere Groote Mogendheden tusschen Rusland en Oostenrijk bemiddelend op te treden.

Bijlage 14.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Petersburg van den 28en Juli 1914.#

Wij zijn er zonder ophouden mee bezig er Weenen toe te bewegen, in Petersburg doel en omvang van het Oostenrijksche optreden in Servië op een onbetwistbare en, naar wij hopen, voor Rusland bevredigende wijze, duidelijk te maken. Hieraan verandert ook de oorlogsverklaring, die intusschen heeft plaats gevonden, niets.

Bijlage 15.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen van den 27en Juli 1914.#

Wij hebben met de bemiddelingsactie te Weenen, in den door Sir EDWARD GREY gewenschten zin, onmiddellijk een aanvang gemaakt. Bovendien hebben wij Graaf BERCHTOLD den wensch van den heer SASANOW omtrent directe gedachtenwisseling met Weenen medegedeeld.

Bijlage 16.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Weenen aan den Rijkskanselier van den 28en Juli 1914.#

Graaf BERCHTOLD verzoekt mij Uwe Excellentie ten zeerste te bedanken, voor de overbrenging van het Engelsche bemiddelingsvoorstel. Hij merkt echter daarbij op, dat hij na de opening der vijandelijkheden van de zijde van Servië en na de oorlogsverklaring, die intusschen is geschied, de stap van Engeland moet beschouwen als te laat gekomen.

Bijlage 17.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Parijs van den 29en Juli.#

De berichten omtrent Fransche oorlogstoebereidselen, die bij ons inkomen, nemen van uur tot uur toe. Ik verzoek U, dit bij de Fransche regeering ter sprake te brengen en er haar zoo dringend mogelijk op te wijzen, dat dergelijke maatregelen ons tot beschermende maatregelen zouden dwingen. Wij zouden het oorlogsgevaar moeten proclameeren en wanneer ook dit nog niet de oproeping der reserves en nog niet mobilisatie beduidt, dan zou toch daardoor de spanning verhoogd worden. Wij hopen voortdurend nog op het behoud van den vrede.

Bijlage 18.

#Telegram van den militairen attaché te St. Petersburg aan Z. M. den Keizer van den 30en Juli.#