Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 9

Chapter 94,100 wordsPublic domain

Toch had Prawira reden voor zijn handelwijze. Hij had op eenigen afstand zijn vader gezien tusschen de menigte; hij kwam hun richting uit met een ander, de loerah waarschijnlijk. Prawira had goed gezien en vond het beter zich op eenigen afstand op te stellen. Het was wenschelijk dat de loerah niet begreep dat hij en zijn vader reden hadden tot aanprijzen. En het was ook als toevallig dat Prawira's vader Pah Wirio naar Djiah's buffel bracht.

"Dit is een goed dier," zeide hij.

Dezelfde scène van bekijken en betasten.

"Hoeveel moet je er voor hebben, vrouwtje?" vroeg Pah Wirio.

"Zestig."

"Ik geef een ringgit meer," bood de eerste bieder, die nog niet heengegaan was.

Als toevallig kwam Prawira van voren op de groep toe.

"Moet u de buffel koopen, vader?" vroeg hij, een blik van verstandhouding met hem wisselend.

"Neen, hier de loerah."

"Ik heb het beest reeds gezien. Goed dier, maar zestig is te veel. Of hoeveel vraagt ze?"

"Ja, zestig."

"Ze is bezet," zei Djiah zenuwachtig, "maar soedah, ik geef haar voor minder."

"Vijf en veertig," zei de loerah kalm.

"Zeg vijf en vijftig," antwoordde de verkoopster.

"Heeft ze al gejongd?"

"Ééns, een stier, dezen keer krijgt ze dus een koekalf; want ze is gedekt drie maanden na de geboorte van het eerste kalf."

"Kan ze ploegen?"

"Wij hebben haar altijd gebruikt op het veld."

De andere bieder wilde tegen den loerah niet opbieden. Hij had de buffel gaarne gehad, maar er waren nog meer dieren op de markt en het kon hem slechts kwaad doen den loerah tegen zich te krijgen.

"Ik geef een ringgit meer," zeide Pah Wirio.

Djiah stond besluiteloos.

De loerah zag het pleit gewonnen. Hij deed alsof hij heen wou gaan. En Djiah was nog niet handig genoeg in het verkoopen en liet zich misleiden door deze manoeuvre.

"Goed, neem haar dan maar," zeide zij en gaf het touw den loerah in de hand. Deze wenkte een dessagenoot.

"Och, Taman, breng jij deze karbouw in mijn kraal, wil je?"

De aangesprokene, een jonge snuiter, voldeed aan het verzoek en verwijderde zich met het dier, dat, zich de vliegen van de flanken slaande, met tragen tred heenstapte. De loerah telde negentien rijksdaalders in Djiah's handen neer, en verwijderde zich na een korten groet met Prawira's vader.

Verheugd ging Djiah met Prawira mede.

Zij had een rijksdaalder meer gekregen, dan waar op gerekend was. Dat was een heele schat.

Een uur later was zij weer op pad naar Herea. Prawira vergezelde haar, naast het paard stappend.

Zij moest niet dadelijk naar den opzichter gaan, zeide hij, nadat hij had vernomen, wat haar naar Herea dreef. Djiah wilde namelijk zien of zij niet wat kon verdienen. Wel had Siman zich daartegen verzet, maar de omstandigheden waren thans veranderd. Er was geld noodig. En als hij nu voor een voldongen feit werd gesteld, zou hij allicht toegeven. Bij Van Affelen, had Prawira gezegd, zou zij evenwel niet terecht kunnen. Want waar zou zij werk kunnen vinden? Alleen in het pakhuis. En dat was nog heel toevallig, want gewoonlijk werkten daar geen vrouwen. Van het jaar was het anders, wijl er een vrij groote hoeveelheid tjoeké-padi was ingekomen. En daar had Kario, de mandoer, alles te zeggen. De opzichter ging geheel af op het oordeel van Kario. Die mandoer was een flink arbeider, die naar volle tevredenheid van den opzichter werkte. Djiah moest hem om arbeid vragen. Als hij wilde, wilde de opzichter ook.

Het was een goede raad, dien Djiah dan ook volgde. Te Herea gekomen, begaf zij zich dadelijk naar de woning van Kario.

Deze was een nog vrij jonge man van gunstig voorkomen. Toen Djiah hem schuchter de reden van haar komst mededeelde, had hij haar aandachtig en lang aangekeken. Als Djiah had kunnen vermoeden, welke gedachten hem door het hoofd gingen, toen hij de jonge vrouw met haar verleidelijk figuur, haar mollige vormen en haar bekoorlijk gezichtje zoo oplettend beschouwde, had zij zeker al haar voornemens laten varen. Maar zij zag niets, want zij had de oogen neergeslagen.

Na haar gevraagd te hebben wie ze was en waar ze vandaan kwam, zeide Kario, dat hij haar wel werk kon geven. Ze moest maar in het pakhuis komen.

Djiah beloofde overmorgen te zullen terug zijn; zij vroeg niet naar het loon, dat zij ontvangen zou, niet naar den arbeid, die haar wachtte. Zij was te verheugd in haar succes en ook al was dit niet het geval geweest, dan nog zou het de vraag geweest zijn of zij den moed gehad zou hebben ernaar te informeeren. Van Prawira vernam zij echter, dat zij op een verdienste van vijf tot tien cent daags zou kunnen rekenen.

In de middaguren kwam zij op de zienderan om het voorschot en de rente daarop te betalen.

Van Affelen zat in slaapbroek en kabaai in de voorgalerij, toen Djiah kwam. Zij hurkte op de stoep en deelde hem mede dat zij het voorschot kwam terugbetalen. Van Affelen was in een goede luim; hij was altijd in een goede luim in gezelschap van mooie, jonge vrouwen.

Lachend zeide hij:

"Maar dan moet ik toch eerst weten wie je bent?"

"Ik ben de vrouw van Siman, van de desa Gatok, meester."

"Siman ... , Siman ... dien ken ik niet. Of ja toch--wacht eens. Is hij niet onlangs hier geweest om vermindering te vragen van de tjoeké?"

"Ja, meester."

"Ah juist. En ben jij zijn vrouw; nou, je ziet er lief uit, hoor ..."

"Ik kwam het voorschot betalen, meester."

"Jawel, jawel, dat heeft zoo'n haast niet. Ik dacht dat jullie zoo'n soesah hadt," vervolgde hij ietwat ironisch, zich voelend in de idee, dat hij toch gelijk gehad had, toen hij Siman zijn verzoek weigerde. Ze hadden hem dus weer willen misleiden ...

"Dat is ook zoo, meester."

"Je schijnt nu dan toch geld te hebben."

"We hebben de karbouw verkocht."

Djiah boog het hoofd, toen ze dit zachtkens zeide, bij de droeve herinnering aan de scheiding van het trouwe dier.

"Zoo, h'm ... En jij bent dus onlangs bevallen? Men kan het je wel aanzien."

Djiah begreep de onkiesche woordspeling en hief het hoofdje niet op.

Van Affelen stond op om zijn voorschotboek te halen, dat hij na eenig zoeken vond.

"Zeg 'r 's," vervolgde hij bij zijn terugkomst uit het nevenvertrek, "hoe is het met den oude; ik bedoel den vader van je man? Sastra heeft me gezegd dat hij zoo ziek was?"

"Hij is dood, meester."

"Dood? Zoo. Dat kan toch zoo lang niet geleden zijn?"

"Hij is gisteren begraven ..."

"H'm."

Van Affelen was niet op zijn gemak. Waarom niet, zou hij moeilijk zelf hebben kunnen zeggen. Was het omdat hij Siman vermindering van den tjoeké-aanslag had geweigerd? Dit zou een bewijs geweest zijn dat zijn hart nog niet voor alle edeler aandoeningen gesloten was.

Hij zocht in zijn boekje naar de desa Gatok en volgde daarop met den vinger de namen der voorschot-houders. Maar hij vond geen Siman.

"Pah Rekso heeft het voorschot ontvangen", zeide Djiah.

De Europeaan keek op en zag haar opeens vlak in de oogen, die bedeesd werden neergeslagen. Op dat oogenblik vond Van Affelen zijn huishoudster zeer hinderlijk. Hij zou haar eens verlof geven, naar Telatiga bijvoorbeeld.

"Dat hadt je wel eerder kunnen zeggen", merkte hij op, maar er was geen zweem van ergernis in den toon van zijn stem. Toen zocht hij weer.

"Ah, hier is het. Pah Rekso, negen gulden. Daar komt een gulden tachtig cent bij voor de rente".

Zij haalde haar katoenen zakje te voorschijn en nam er vier rijksdaalders en een gulden uit.

Van Affelen vond het lastig dat zij geen gepast geld bij zich had. Hij moest weer opstaan en haalde uit de geldkist twee dubbeltjes, die hij haar gaf.

Djiah stond op en groette. De blanke gaf den groet terug met zekere weekheid in zijn stem, die de Javaansche zeer onaangenaam aandeed. Ze was blij dat ze weg kon en overdacht dat ze toch veel had moeten betalen aan rente. Van de berekening dier rente begreep zij natuurlijk niets.

Djiah wist ook niet dat op het land Telatiga van 1884 tot 1901 een winst gekweekt was van ruim f 252.000--dit althans was de opgave voor het patentrecht, en het bedrag kan dus hooger geweest zijn--uit de rente op in voorschot gegeven gelden, tot een bedrag van slechts f 704.608,30. En ook al had zij dit geweten, dan nog zou zij in haar eenvoud niet hebben kunnen berekenen hoe groot de gebruikelijke rentekoers was. Djiah wist niet, dat bovendien de maat, waarmede de tjoeké gemeten werd een kleinere hoeveelheid aangaf dan inderdaad afgemeten was. Zij toch had geen inzage gehad van een brief van den administrateur van het land Telatiga aan een der eigenaren, d.d. 31 Maart 1902, meldend dat de "tjoeké-rijst ontvangen werd met de geijkte rijstmaat, die gewogen zes katties meer opleverde dan een picol van 125 Amsterdamsche ponden."

Het is zoo veel niet, meent ge, zes kattie, zes honderdste deelen van een picol. Maar dit bedrog heeft jaren en jaren geduurd; er zijn zeer vele landbouwers, tienduizenden, en honderdduizenden picols rijst werden als tjoeké ontvangen. Men zou dus langs eenvoudigen weg van vermenigvuldiging kunnen komen tot een uitkomst. Maar ik heb nog een beter bewijs van het bedrag: de erkenning van den administrateur. "Het teveel," zoo heet het in dienzelfden brief, "bedroeg 23847,19 picols". Ik heb den tijd er niet voor, de rekening heeft iets stuitends ook, na te gaan of dit opgegeven aantal van de bevolking gestolen picols rijst juist is. Ik wil aannemen dat er inderdaad niet méér gestolen is, zoover nog nagegaan kan worden, dan 23847 picols. Tegen zes gulden de picol .... Neen, ik wil niet rekenen.

Djiah wist dit alles niet. Ook niet dat op het land Alas Bamboe de misdaad nog verder gedreven werd; dat daar door de hoogere rijstprijzen, de zwaardere heffingen en het meten met valsche maten de diefstal nog zwaarder drukte en de rente op het voorschot er nog meer dan zes en dertig procent in tien maanden bedroeg ...

Als zij dit alles geweten had, zou zij eerder verheugd zijn geweest, dat Van Affelen met een renteheffing van slechts 20 procent genoegen had genomen, omdat Djiah zoo mooie oogen had. Het geval was exceptioneel ...

Laat in den namiddag was Djiah weer te Gatok. Daar wachtte haar een teleurstelling. Siman was slechts zeer weinig opgeschoten met den katjang-aanplant. Zijn schuld was dit niet. Pah Ran toch had hem niet kunnen bijstaan, want die had in heerendienst moeten uitkomen. Het was een tegenvaller geweest, en niet voor hen alleen, doch voor velen in de desa Gatok, die hun heerendienstplicht reeds hadden volbracht en meenden voor dagen weder daarvan vrij te zijn. Wel was hun medegedeeld dat deze extrabeurt in mindering zou komen van het totaal aantal dagen, die zij in onbetaalden arbeid zouden moeten "wijden" aan het belang der eigenaars, maar zulk een belofte heeft geen de minste beteekenis voor den desaman. Er is immers niet één onder hen, die aanteekening houdt van zijn heerendienst-arbeid; en gesteld overigens dat iemand zijn rechten zou verdedigen, zijn klacht zou van geenerlei invloed zijn. En zoo was men sedert lang gewend geraakt aan een belasting van meer dan twee en vijftig dagen arbeids zonder loon in het jaar.

Dertig man van de desa Gatok waren dien morgen opgeroepen om mede te werken aan de verharding van een weg van Tji-Empoek naar Karang-Tengah. Tji-Empoek lag elf paal beoosten Gatok en de lieden hadden dien langen weg moeten afleggen, voordat zij op het werk kwamen. Daar waren reeds velen bezig met het opstapelen van karangs [155] en het ophalen van grind uit de naastbijzijnde rantja. Zeer velen hunner hadden, evenmin als de desalieden van Gatok, eenig belang bij dien weg, wat er den arbeid niet populairder op maakte.

Toen Djiah dan thuis kwam, was haar vader nog niet terug. Eerst een uur later kwam hij. Niet dan na zes uur des namiddags hadden de heerendienstplichtigen mogen heengaan. Wel was dit in strijd met de bepalingen van het reglement op den heerendienstplicht, maar het reglement is er in hoofdzaak voor de eigenaren en er is geen voorbeeld van, dat een eigenaar gestraft is geworden wegens machtsmisbruik of knevelarij ... Dat gaat heel moeilijk in Indië.

Den volgenden dag zou Siman moeten uitkomen, in een andere ploeg van dertig man. En het aanplanten van palawidja zou er op die manier onder lijden. Er was toch niet vooruit te zien hoe lang nog aan den weg tusschen Tji-Empoek en Karang-Tengah gearbeid zou moeten worden; en ook wist men niet of de eigenaren daarna niet nog andere werken zouden wenschen te doen uitvoeren in onbetaalden dienst. Afgesproken werd daarom dat morgen aan den dag Pah Ran, geholpen door Ipah en Djamin, de katjang in den grond zou brengen. Er was maar een kleine uitgestrektheid te beplanten, want men had zich voorgesteld de rest te bebouwen met djagong [156], die reeds was ingekocht.

Djiah kon daaraan niet helpen; zij zou aan het werk gaan in het pakhuis te Herea. Het had haar veel overredingskunst gekost Siman er toe te bewegen zijn toestemming te geven. Maar hij had ten slotte moeten zwichten voor het finantiëele argument. Djiah zou den kleinen Rekso meenemen. Zij was er zeker van dat zij den kleine wel bij zich zou kunnen houden. hier of daar in een hoekje van het pakhuis. Hij zou er rustig slapen. Lastig was hij niet, en op tijd zou hij zijn voedsel kunnen krijgen. Eens in de week zou Djiah thuis komen. Eerst had zij er over gedacht elken morgen naar Herea te gaan en 's avonds weer naar huis terug te loopen. De kleine Rekso zou dan wel overdag onder de hoede van een der meisjes kunnen zijn. Maar van dit plan was zij toch teruggekomen: het zou op den duur te vermoeiend worden dag aan dag veertien paal af te leggen.

Den volgenden morgen ging Siman op weg, knorrig en met bitterheid in het gemoed. Zijn gereedschap, een patjol en een arit, moest hij zelf meenemen. Ook dit is in strijd met de strekking van het reglement ...

Pah Ran was uitgetogen naar het veld. De arbeid was zwaar, want de grond was droog en het was nu niet doenlijk om het water van de Tjikoentoel op de sawahs te krijgen. Djamin droeg daarom in een petroleumblik water aan, en Ipah plantte de boonen onder de bamboezen kruislatten, waarlangs het loof omhoog zou kunnen klimmen. Pah Rans patjol sloeg regelmatig in den harden kleigrond en maakte de groote kluiten stuk. Nu en dan keek hij op over het veld, dat nog uit de hand, met de patjol, bewerkt moest worden voor de djagong. Pah Ran zuchtte. In geen dagen zouden hij en Siman gereed zijn met dien arbeid. Gelukkig behoefde de bewerking niet intensief te zijn: maïs is een dankbare plant; maar te werken onder de heete stralen van den koperen zon, onder den wolkeloozen hemel, vorderde toch altijd nog inspanning genoeg.

Den morgen daarop ging Djiah naar Herea. Den kleinen Rekso had zij zich op den rug gebonden en een bundeltje kleeren was alle bagage voor de week, die zij afwezig zou zijn.

Dien middag stond de katjang in den grond. Djamin had in opdracht dagelijks den jongen aanplant te begieten. Hij behoefde de buffel niet meer te hoeden en had dus wat tijd. De kleine man deed het werk, dat hem toevertrouwd was, naar behooren en met een ernst, die besef verried van de noodzakelijkheid van zijn arbeid.

Dagen achtereen waren Siman en Pah Ran bezig met de bewerking van het djagong-veld. Een malsch regentje zou hun thans zeer te stade zijn gekomen, want de grond werd met den dag harder. De hemel bleef echter immer even strak. Geen wolkje beloofde water.

Toen kwam de groote heerendiensttijd voor Siman en Pah Ran, nog vòòrdat de djagong in den grond gebracht was. Ongelukkiger kon het al niet treffen en dus hadden zij getracht van den koewoe voorloopige vrijstelling te krijgen. Over veertien dagen bijvoorbeeld zouden zij zonder bezwaar kunnen uitkomen. Nu was het weliswaar mogelijk de diensten af te koopen, maar waar zouden zij het geld daarvoor vandaan gehaald hebben?

Den kleinen heerendienst, de senènan of krigan, afkoopen, zou desnoods nog gaan, maar zich vrij te maken van den grooten heerendienst, dien van een week arbeids aaneen, daartoe zou men rijk geweest moeten zijn, rijker althans dan Siman en Ran waren. En hun armoede was ook weer oorzaak, dat zij den koewoe niet hadden kunnen overhalen hen voorloopig vrij te stellen. Niet dat deze hun zoo kwaad gezind was, wel neen; maar het was zijn politiek doof te blijven voor een verzoek, dat niet gesteund kon worden door zilver. Hij, de koewoe, had het geheel in z'n hand de heerendienst-beurten der desalieden te wijzigen, indien slechts het aantal onbetaalde diensten niet minder werd. Maar het was in zijn eigen belang niet raadzaam een precedent te scheppen, dat die wijziging kon plaats hebben zonder dat hem de moeiten en kosten om daartoe verlof te krijgen van den opzichter werden vergoed. Natuurlijk wist ieder dat de opzichter er zich niet mede bemoeide en slechts naging of elke heerendienst-plichtige het door hem verschuldigde aantal diensten had verricht, maar--de schijn moest gered worden. Het moest niet kunnen gebeuren dat later klachten werden ingebracht tegen hem, den koewoe, over meten met verschillende maten. De getroffenen zouden tegen hem zijn.

Siman en Pah Ran konden dus aan den grooten heerendienst niet ontkomen. En met een bezwaard hart gingen zij op weg, erover piekerende dat de goede tijd voor den inbreng van de djagoeng voorbij ging, terwijl zij ten bate van de eigenaren onbetaalden arbeid verrichtten.

Zij zouden een week wegblijven, want de arbeid die hen wachtte, de herstelling van een grooten dam in het bosch, moest twee en twintig palen van hun woning verricht worden. Twee en twintig palen! Die afstand moest te voet afgelegd worden en dus behoorden zij reeds twee dagen te voren op weg te gaan, want om zes uur des morgens moest men op het werk zijn ... De reis heen en de reis terug, dat waren dus vier dagen, voor den veldarbeid verloren.

Het gezelschap, dat op weg ging naar Gending, waar de dam gelegen was, bestond uit achttien man, allen van Gatok. Een ploeg van twaalf desalieden van Tjikoedoeng voegde zich later op den dag bij hen. Ook die moesten naar Gending.

Den tweeden dag in den middag was men te bestemder plaatse. De paar uren voor zonsondergang werden besteed aan het opzetten van noodverblijven: een afdak van klapper- en bamboebladeren op een viertal bamboestijlen, een mat op den bodem, ziedaar het verblijf voor een week. Er heerschte geen prettige geest onder het volk. De gedachte aan het werk, dat thuis wachtte, drukte de stemming van de zestig man, die er waren, want ook van de desa's Tjimanoek en Kalapa Aloes waren heerendienstplichtigen opgeroepen. Ook waren er een drietal mandoers om toezicht te houden. Sastrawidjaja was een hunner.

Het weder was frisch dien avond. In het bosch gaven insecten een concert, schel geaccompagneerd door het hoogstemmig gesjirp der krekels in het gras. Boven om den top van een bloeienden doerènboom hoorde men den vleugelslag van den kalong [157] of het smakkende geluid van strijdvoerende tjodots [158]. Een zachte wind trok langs de stammen en zijn gesuis vermengde zich met het murmelen van den tot beek geworden stroom, die tegen den half vernielden steenen dam klotste als wilde zij dit beletsel uit haar weg ruimen.

De omgeving werd flauw verlicht door eenige vuurtjes, waarboven een vischje werd gebraden. De onaangename, scherp doordringende geur van het zengende vleesch vulde de ruimte. Langzaam rees, als een bloedroode schijf, door een opening van het woud de maan boven de zwijgende vlakte.

Een der lieden begon een pantoen [159] op monotone wijze, waaraan door Pah Asriep een eind werd gemaakt.

"Het is nogal tijd om te zingen," zeide hij verwijtend. De ander zweeg.

Pah Asriep was een man, die zeker zijn vijftigste levensjaar reeds bereikt had. Mager en tanig, reeds grijs, met een harden trek om den ingevallen mond, had hij toch iets over zich, dat voor hem innam. Iemand die meer dan anderen geleden had: dien indruk maakte hij. Daaraan alléén echter dankte hij het ontzag niet, dat hij te Kalapa Aloes genoot. Pah Asriep had een ilmoe [160] voor het genezen van ziekten. Zijn kennis had een zeer zuivere en gansch niet superhumane bron: hij was namelijk een kruidkundige van ongewone talenten, en van zeer vele Indische planten en kruiden had hij de geneeskrachtige eigenschappen leeren kennen, deels door overlevering, door toepassing overigens. Hij genas dysenterie, hij had een bladerenaftreksel voor den hoest; hij verdreef klieren met een afkooksel van anijsachtige zaden, ja zelfs beroemde hij er zich op een longontsteking te hebben genezen met een medicijn, uit batang oepas bereid. Zijn reputatie was echter nog grooter dan zijn kunde, geen wonder overigens in de desa. Ook in tal van andere zaken werd hem om raad gevraagd. Pah Asriep was een uiterst streng geloovige, die al de leefregels van den Koran in acht nam; hij kon lezen en schrijven, kende goede en kwade voorteekenen en zijn ervaring scherpte steeds zijn inzicht in zaken en toestanden. Het leed had hem echter verhard en verbitterd. Hij stond nu geheel alleen op de wereld; alles was hem door den dood ontrukt.

"Dit is een verdrietige tijd voor ons, Ramin," zeide hij tot den jongen man, die in gezang zijn gemoed had gelucht, "het is niet goed den mond te laten zingen, als het hart droef is. Ik voorspel een zwaren tijd, want het jaar is droog. Alleen het hart van de kafirs [161] zal nog droger zijn."

"Hoe bedoel je, Pah," vroeg een ander angstig, "zal de padi mislukken?"

"Ik wilde geen profeet van het booze zijn, Boedin, maar als er geen regen komt om de aarde te drenken, zal de palawidja mislukken, nog meer dan andere jaren, en er zullen ziekten komen in de padi. Zooals van het jaar, was het nu zes oogsten geleden ook. En toen kwam er hongersnood."

"U hebt dus zoo'n hongersnood bijgewoond, Pah?" Het was Siman, die de vraag deed. Iets onbestemds, onrustigs had zijn ziel bevangen.

"Acht maal, jonge man. Maar wie ben jij? Ik ken je nog niet. Ik zie dat je van de Pasoendan komt, is dat zoo?"

"Ja, wij kwamen van Soemedang, een jaar geleden."

"Was het zoo slecht daarginds, dat je wegtrok?"

"Hier is het nog slechter, Pah."

De oude keek hem aandachtig aan. Toen knikte hij goedkeurend.

"Hoe heet je?"

"Siman."

"Nu luister, Siman: het wordt hier nog veel slechter. Je bent een vreemdeling. Als je raad noodig hebt, vraag dan naar Pah Asriep van Kalapa Aloes. Als ik nog niet dood ben, zal ik je helpen. Ik ben een oud man, en ik heb veel gezien. Mijn grootvader woonde reeds in Kalapa Aloes, voordat de compenie dit land verkocht."

"Is dat lang geleden, Pah?"

"Heel lang, want mijn vader heeft het land niet meer vrij gekend. Hij heeft altijd tjoeké betaald, maar minder dan nu gevraagd wordt door de eigenaren."

"Hoe was het vroeger met de heerendiensten?" vroeg Pah Ran, en wonder was het niet dat hij deze vraag deed, waar zij allen op dat oogenblik dubbel het drukkende gevoelden van die belasting in arbeid.

"Toen ik geboren werd, zoo heeft mijn vader verteld, waren er geen heerendiensten, maar ik zelf heb ze altijd gedaan. Dit land was verkocht, vrij van heerendienst, begrijp je; maar later hebben de eigenaren het recht om arbeid te eischen zonder betaling van de compenie gekocht. En nu maken zij er misbruik van."

"Hoe zoo?" vroeg Pah Ran weer.

Er had zich een kring om den oude gevormd. Men was nieuwsgierig te vernemen wat hij vertellen zou. Het betrof hen allen; het betrof hun rechten, die, mocht men Pah Asriep gelooven, geschonden werden door de blanken. En waarom zou men hem niet gelooven? Hij was een der oudste ingezetenen; zijn vader en grootvader waren op dit land geboren, zij hadden er geleefd, zij waren er begraven. Zou hij dan niet recht van spreken hebben?

"Er bestaat een reglement," begon de oude, "waarin onze rechten en onze verplichtingen worden bepaald. Toen de compenie dit land verkocht, heeft zij de opgezetenen niet willen prijsgeven aan den willekeur van de eigenaren; toen heeft zij een reglement gemaakt. Maar het is jammer dat men vergeet dat het reglement nog bestaat. De kandjeng assistent-resident te Telatiga kent het niet en als wij klagen, krijgt de eigenaar toch gelijk. En toch, wij zullen immers niet klagen als wij niet gelooven in ons recht te zijn?"