Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 8

Chapter 84,064 wordsPublic domain

"Ja, dat houdt me hier. Wie kan mij nou gebruiken? Ik heb alleen verstand van padi. Anders ging ik weg. Als ik zulke buien heb en me veroorloof me in te denken in den ellendigen toestand van zoo'n Marto, dan kan me de heele santekraam ook niks verdommen. En zoo zijn er veel als die Marto, heel veel, het is bijna normaal zoo. Daar heb je dan de practijk, Van Affelen, en erken dat ze verrot is, verrot, verrot!"

De Leeuw sloeg met de vuist op de tafel. Toen, als om nare gedachten te verdrijven, stond hij op, rekte zich uit en zeide: "Kom, Zevenaer heeft gelijk, wij zijn vervelend, wat kan ons après tout zoo'n inlander schelen? Ik ga mandiën [146]. Als het licht op is, leggen we zeker een ombertje, he?"

"Idealist," bromde Van Affelen, toen De Leeuw zich verwijderde, en dat woord, op dien toon, had de beteekenis van een schimp.

"Goed, een idealist, ik ben het anders niet met je eens," zeide Zevenaer, "maar een nobele kerel. Beter dan wij."

"Och kom, ik wist niet dat jij sentimenteele buien had, Jonker. Maar, wat bliksem, wat De Leeuw wil, zijn herschenschimmen ..."

"Wat?"

"Nou, die rechtvaardigheid. 'n Prachtig beginsel, maar je vreet er niet van. Onze maatschappij ..."

"Neen onze maatschappij houdt weinig rekening met mooie beginsels; dat is zoo. Reden om met de maatschappij in denken en doen te verschillen."

"Prachtig, maar ik verkies in het leven te blijven, met of zonder gemoraliseer,--Soerja, pasang lampoe! [147]--De schemering maakt je tot een moralist, Jonker. Ik wist niet dat dàt mogelijk was, en ik houd niet van inkeeringen."

Het liep tegen vier uur 's middags, den dag daarop, dat Prawira, vergezeld van Siman, het erf van de employés-woning te Herea opkwam. Van Affelen was nog niet thuis en Prawira zeide tot zijn jongen metgezel te wachten bij de stoep. De ziender zou wel spoedig thuis zijn; het was wonder dat hij er nog niet was. Prawira zelf zou zich maar verwijderen. Het was niet goed, zeide hij, dat de opzichter hen samen zag, en Siman kon zijn woord toch zeker zelf goed genoeg doen. Hij, Prawira, zou later nog wel een woordje zeggen als het noodig was. Siman begreep eigenlijk niet, waarin het kwaad stak als men hem in het gezelschap van den ander vond, en hij was ook wel bevreesd met zijn verzoek voor den employé te komen. Maar Prawira ging en dus bleef hij alleen.

Gehurkt, diep in gedachten omtrent de wijze, waarop hij zijn verzoek zou moeten inkleeden, wachtte hij. Zelfs merkte hij niet dat Van Affelen aankwam. Eerst toen de bendy het erf opreed, keek hij op, ter sluiks den Europeaan opnemend.

Van Affelen was in een slechte luim. Hij meende reden te hebben nijdig te zijn op het volk, omdat Pah Roesmi gepoogd had hem om den tuin te leiden met de tjoeké-rijst, die afgekeurd was, en die hij opnieuw aanbood, na eenige dagen, in gave zakken, alsof hij, Van Affelen, den toeleg niet zou doorzien. Die poging tot bedrog was verkeerd van Pah Roesmi, maar Siman had er geen schuld aan en hem trof slechts de booze bui van den blanke, zonder dat hij er, door het kennen der oorzaak, reden tot verontschuldiging voor kon vinden.

"Wat mot jij?" snauwde Van Affelen, terwijl hij de leidsels naar achteren wierp.

Siman was bedremmeld en zweeg. Zijn vooruit klaargemaakte rede bleef hem op de tong.

"Wie ben jij? Kun je niet antwoorden?" Van Affelen werd driftig.

"Ik ben Siman, meester, van de desa Gatok."

"Nou, en wat wil je?"

"Mijn padi is gesneden, meester, en ik zal de tjoeké moeten afleveren."

"Verder?"

"Het is zoo bezwarend, meester ..."

"O, het oude liedje! Je wilt vermindering hebben van de tjoeké, he?"

"Ja, meester, mijn vrouw ..."

"Heb je taxatie gehad?"

"Ja, meester."

"Wie heeft getaxeerd?"

"Mantri Sastrawidjaja."

"Was je tevreden?"

"Ja, meester, maar de ..."

"Dat kan me niets schelen. Je krijgt geen vermindering, begrepen? Ik ken dat gezanik. Allemaal leugens. Te lui om te werken, maar om te vreten niet, hé? En nou is er zeker een tante of een grootje van je dood, en moet je geld hebben? Geen kwestie van!"

Siman waagde nog een poging:

"Meester, ik lieg niet. Er is niemand dood, maar mijn vrouw is pas bevallen ..."

"Daar ben je niet te lui voor, hé?--om kinderen te maken. Alloh, vort! Je krijgt geen cent vermindering."

Van Affelen stapte zijn kamer in.

Siman stond op, langzaam. De laatste beleediging had hem dieper getroffen dan de geheele hondsche bejegening. Er gloeide opeens een heftige wraakzucht bij hem op. Een blik van diepen haat volgde den blanke. Toen was de jonge Soendanees zich weer meester.

Buiten wachtte Prawira hem op. Siman deelde hem slechts mede, dat zijn verzoek geweigerd was. Hoe dit geschied was, verzweeg hij, uit schaamte. De ander schreef zijn bedruktheid en dofheid toe aan de teleurstelling der weigering--waaraan Siman op dat oogenblik niet eens meer dacht.

"Je hadt ook weg moeten gaan," zeide Prawira. "Ik zag aan zijn gezicht al dadelijk dat hij in een slechte luim was."

Lang bleef Siman niet te Herea. Hij gebruikte een kleine verversching bij Prawira en vertrok alleen naar Gatok. Het was al eenige uren nacht, toen hij bij zijn vrouw kwam. Ze sliep reeds, maar ontwaakte bij zijn komst.

"En?" vroeg ze, maar het antwoord las zij reeds op Siman's somber gelaat:

"Hij heeft geweigerd."

Djiah zuchtte.

Sastra zat, de beenen kruiselings onder het lijf, voor Van Affelen, die notities van hem overnam. Toen dit afgeloopen was, draaide de blanke zich op zijn stoel om.

"Zeg, Sastra, wie is die Siman van Gatok?"

"Een nieuweling, meester. U weet wel, ze zijn hier het vorig jaar gekomen. Hij heeft nog een ouden vader, die nu de tering heeft."

"Wat zijn dat voor lui; lastige menschen?"

"Neen, meester, integendeel, zij zijn zeer gewillig."

"Zoo, h'm. Hij heeft me gisteren gevraagd om vermindering van tjoeké."

"Ja, meester."

"Ik heb natuurlijk moeten weigeren."

"Het beschot is tegengevallen, meester; de oude ligt ziek, en Simans vrouw is onlangs bevallen."

"Kan er niets aan doen. Is het een groot gezin?"

"Ja, meester, de oude Rekso, Mah Ten, zes kinderen, buiten Siman."

"Zoo, nou, ik zal 's kijken als ik dien kant uitkom. Maar nou wat anders: Waar is je dochter nu, Sastra?"

De mantri boog het hoofd wat dieper, om een blik van vreugde te verbergen. De oude had dadelijk begrepen wat Van Affelen bedoelde. Er was reeds meer van deze aangelegenheden sprake geweest. Hij wilde niets liever dan Djiëm geïnstalleerd zien als huishoudster bij den opzichter. Dat kon hem in zijn positie slechts voordeel brengen. Maar het was zaak hiervan niets te laten blijken.

"Welke bedoelt u, meester?" vroeg hij achteloos.

"Djiëm."

"Djiëm is te Telatiga."

"Zoo. Wanneer komt ze weer op het land?"

"Ik geloof niet meer, meester. Ze wil huishoudster worden bij een blanda in de kotta."

De man loog. Djiëm zat thuis.

"Zoo. Ik dacht dat jij daar bezwaar tegen hadt?"

"Ja, meester, dat heb ik ook. Maar ik ben een oud man. En de kinderen zijn reeds volwassen."

"Nou, waarvoor moet ze dan naar Telatiga? Ze weet toch dat ik jou aangeboden heb haar hier te brengen?"

"Daar kan ze misschien meer verdienen, meester."

Sastra loerde naar Van Affelen. Zijn kleine oogjes glinsterden.

De Europeaan stond op, opende een geldkistje, dat in de slaapkamer op een gemetseld muurtje vastgeschroefd was. Hij haalde er twee bankjes van tien en een van vijf uit en kwam bij den mantri terug.

"Laat Djiëm halen," zeide hij, "en zeg haar dat zij dit geld kan krijgen en nog meer, als ze huishoudster hier op de zienderan [148] wil worden. Versta-je?"

"Ik zal het doen, meester, omdat u het gelast."

"Goed, en maak een beetje haast als je blieft."

Drie dagen later was Djiëm als njai geïnstalleerd. Zij was een ferme deern met een brutalen oogopslag, die er haar toean wel onder zou krijgen. Haar welkomstgroet was niet zeer vriendelijk geweest. Als ze zwanger werd, ging ze de laan uit, had Van Affelen gezegd. Maar Djiëm had zich vast voorgenomen, als ze eerst dien blanda maar goed aan zich gehecht had, hem nog vaster te binden door kinderen van hem te krijgen. Van het geld, dat Van Affelen aan haar vader gegeven had, had ze maar weinig in handen gekregen. Maar zij zou zichzelf wel een spaarpot weten te maken. En zij begon aldra met haar jongere zuster in een warong [149] te zetten in de desa Herea. De bevolking zou daar de inkoopen doen, dat was duidelijk, want natuurlijk zou men meenen, daardoor bij den opzichter in het gevlei te komen. Onder zulke omstandigheden is concurrentie voor andere neringdoenden zeer moeilijk. Met het gevolg dat de prijzen worden opgedreven ... ten detrimente der bevolking.

Zoo gaat het veelal in de binnenlanden en zoo ging het ook te Herea.

En gelijk dan ook meestal het geval is, de bevolking voelt dat zij getroffen wordt, maar verzet zich daartegen niet. Het Javanenvolk is deemoedig, het deemoedigste ter wereld. En zeer diep moeten gezagsmisbruik en knevelarij doordringen, voordat het stille verdragen tot morren, het morren tot muiten wordt. De inwoners van Herea lieten zich knevelen ...

Van Affelen merkte er niet veel van, en, deed hij het al, het zou hem te veel zelfoverwinning gekost hebben, zich vóór het volk, waar hij niets voor voelde, te plaatsen tegenover Djiëm. Hij hechtte zich steeds meer aan zijn huishoudster. Djiëm paarde aan verleidelijkheid van lichaam voldoende mate van sluwheid om haar toean aan zich te binden door levendig houden van zijn begeerte naar haar. Haar berekening faalde niet. Van Affelen, die in dit opzicht niet boven de middelmaat stond, kwam steeds meer onder den wilsinvloed der Javaansche.

Het feit dat de jonge Hollander met Djiëm leefde, had iets immoreels. Dit immoreele lag niet in de eerste plaats in hun verhouding tot elkaar, want waarom zou het concubinaat lager staan dan de meeste huwelijken? In toewijding, gehechtheid, zorg voor persoon en eigendom van den man, ja zelfs in liefde, behoeft de Javaansche niet onder te doen voor haar blanke zuster. Ligt hierin niet het moreele van het samenleven van man en vrouw? Is het wel een eisch der moraal--of alleen maar van fatsoen?--dat we ons van overheidswege laten autoriseeren om iets blonds, bruins of zwarts te maken tot levensgezellin?

Het immoreele van hun samenleven lag in hun verhouding tot het volk. Want Sastrawidjaja had terecht begrepen, dat zijn invloed zou groeien met den duur van zijn dochters verblijf in de woning van den opzichter!

Zoo was het.

En Sastra ging voort in het klein het voorbeeld zijner kapitalistische patroons te volgen: de bevolking der afdeeling Herea werd meer dan ooit gekneveld.

Ter eere van Van Affelen zij hier verklaard, dat hij te onbekwaam was voor zijn taak, te onbekend met het volk, te veel geabsorbeerd door de zucht naar carrière-maken, dan dat hij van die uitzuiging veel zou bemerkt hebben. Het volk kwam bij hem zich niet beklagen, zooals bij De Leeuw, wanneer de desalieden konden verwachten dat hun gang naar de zienderan van Alas Bamboe onopgemerkt zou blijven. In De Leeuw stelden zij vertrouwen.

Het was weer een maand verder.

Bedruktheid heerschte in een tweetal woningen van de desa Gatok: met Pah Rekso ging het hard achteruit. De oude kon de baleh niet meer verlaten. Hij kuchte voortdurend en de ingeteerde borst piepte met naar geluid. Het einde kon zich niet lang meer laten wachten.

De misère kwam er weer zeer ongelukkig tusschen. De tjoeké was opgebracht. Pah Ran en Siman hadden zelf de vracht naar het pakhuis gedragen om loon uit te winnen. De rijst was gelukkig goed bevonden; dubbele verheugenis voor dien dag, want de opzichter was weer zeer ontstemd geweest en heel wat tjoeké-rijst was door hem afgekeurd. Ten onrechte. Maar de getroffenen hadden zwijgend dat onrecht geduld. Buiten eerst, onder elkander, had men gemokt over die benadeeling. En Pah Ran en Siman begrepen dat hun rijst zeer mooi geweest was van korrel, daar hun geen enkele opmerking gemaakt was. Neen waarlijk, Prawira had gelijk gehad, zóó stampen zouden Djiah, Ipah en Mariam niet gekund hebben.

Te Bodjong Kawoeng hadden zij hun zaadpadi besteld voor den volgenden planttijd. Wel hadden zij die zaadpadi kunnen inkoopen in Gatok zelf, van Tio Ang Sioe, en wel hadden zij dus met de padi weer een aanmerkelijken afstand af moeten leggen, maar beiden hadden dit toch verkieselijker gevonden. Er was reden voor.

Tio Ang Sioe toch was een zoon van den administrateur, een onecht kind, verwekt bij een Chineesche vrouw. Nederman had, toen hij de administratie van het particuliere land Alas Bamboe in handen nam--hij was er langzaam aan oudste employé geworden--een zeer geschikt baantje voor zijn zoon gevonden. Hij wilde hem liefst wat ver uit de buurt hebben en stelde hem aan als padileverancier te Gatok. Tio Ang Sioe leverde zaadpadi aan het land en het land gaf het uit aan de bevolking, die er behoefte aan had. Er kwam hooge rente op, hooger zelfs dan Tan Boen Ho te Telatiga bedong. Maar dat scheen wel billijk. Immers, de transportkosten van Telatiga naar het land behoefden den prijs niet te drukken. Gemeenlijk werd die zaadpadi in tjoeké-rijst terugbetaald. En Tan Boen Ho berekende een picol tjoeké-rijst tegen een picol zaadpadi, dat is dus ver meer dan honderd procent ... De onderneming nu betaalde aan den Chineeschen zoon des administrateurs meer per picol zaadpadi dan de prijs was: voor elken picol kreeg Tio Ang Sioe drie gulden. Daar zat een aardige winst in en Nederman behoefde zich niet ongerust te maken over benadeeling van de onderneming, want--het was immers de bevolking aan wie de padi weer werd geleverd, die aldus zijn zoon aan een ruim bestaan hielp?

Tio Ang Sioe zou echter geen zoon van zijn moeder geweest zijn, wanneer hij niet getracht had zijn zoo gemakkelijk gewonnen inkomsten te vergrooten. En het lag voor de hand, dat hij minderwaardige padi opkocht voor de levering aan zijn natuurlijken vader. Die zaadpadi was echter te slecht om te planten. En de Javaan werd er de dupe van ...

Toen Siman en Pah Ran 's avonds laat thuis kwamen, lag Pah Rekso te sterven.

Mah Ten ondersteunde het hoofd van haar man. Tranen stonden in haar oogen. Zij begreep wat er ging gebeuren met pijnigende juistheid. De oude ging weg van haar en de kinderen, na die lange jaren van samen leven en samen lijden. Mariam en Ipah en de jongere kinderen schreiden. Djiah stond wat verder af het treurig tooneel in diepe gedachten gade te slaan. Het was geen koudheid des harten, die haar deed becijferen, op dat oogenblik, hoeveel dit sterven weer zou kosten. Och neen, het was de benauwende greep van het gebrek, dat in zijn druk steeds en immer de herinnering aan zich levendig houdt. Mah Itam, er bij geroepen, wreef den zieltogende, onder het prevelen van gebedenformulieren, over de lenden. Rekso rochelde reeds, bloedschuim stond hem op den mond en door het rochelen heen zocht de adem fluitend zich een uitweg naar buiten. Het was een allertreurigst tooneel. Het olielampje op de ruwhouten tafel wierp dan hier, dan daarheen de zwarte dansende schaduwen dier menschen op de bamboewanden, en teekende donkere vlekken op de aangezichten.

Djamin zat buiten.

Toen Siman en Pah Ran aankwamen, snelde de knaap hun tegemoet.

"Vader is stervende," hijgde hij fluisterend, "de tjilepoek [150] heeft al tweemaal geroepen."

Maar diep in den nacht eerst was het afgeloopen. Pah Rekso had even voor zijn dood een oogenblik van bewustzijn gehad.

"Jullie moet weg van Alas Bamboe. Hier is tjilaka [151] ..." waren zijn laatste woorden. In een hevige bloedgolf bleef hij. Toen begonnen de vrouwen luide te jammeren. Mah Ten vloekte het oogenblik dat zij waren weggegaan van Soemedang. Het was de straf van Allah. Ze hadden er moeten blijven, dan was Pah Rekso niet gestorven. Nu kwam er nog veel meer tjilaka. Ze moesten maar weg, weg van hier. Rekso had het gezegd en stervenden kunnen méér zien. Men moest hem gelooven. Weg, weg ...!

Toen de morgen gloorde, zat Ten nog steeds op de baleh. Denken deed ze eigenlijk niet. In haar oogen lag die weemoedige blik van gemartelde berusting, die niet vreemd is onder de inlanders, welke met de blanken in aanraking zijn geweest. Vooral treft die gelaatsuitdruk ons voor de inlandsche rechtbanken.

De penghoeloe was er al vroeg geweest; na hem kwamen de klaagvrouwen. Djamin had het ondernomen naar Bodjong Kawoeng te gaan, waar Prawira's vader woonde. Prawira moest gewaarschuwd worden, had Mariam tot hem gezegd. Hij was nu zoo vriend van den huize geworden, dat de begrafenis moeilijk kon plaats hebben, zonder dat hem van het overlijden van Pah Rekso was kennis gegeven. Laat in den namiddag was Prawira gekomen op een paard, dat hij van den loerah [152] van Herea had geleend.

Den volgenden morgen werd Rekso begraven. Het was een heel eenvoudige plechtigheid. Het lijk, dat na gewasschen te zijn in een wit laken was gewikkeld, werd op een eenvoudige bamboezen baar, overdekt met een sarong, naar de kleine, vriendelijke begraafplaats gedragen onder de kambodja's, waar den dag te voren een ondiepe kuil was gegraven. Een houten paaltje wees het hoofdeinde aan; een kleiner de plaats van de voeten van den doode.

De kuil was dicht; men ging huiswaarts. Prawira en Pah Ran gingen naar het sterfhuis door, toen Siman, bij zijn huisje gekomen, daar binnen ging. Een liefelijk tooneel zag hij daar: Djiah gaf den kleinen Rekso de borst.

De kleuter was nu twee maanden oud ongeveer en groeide krachtig op. Siman was zijn grootste vriend, tegen wien hij kon kraaien van plezier. Ook nu weer trok de kleine onder het gretig zuigen het mondje tot een lach. Maar Siman had vandaag geen zin tot vroolijkheid en spel. Hij zette zich naast zijn bloeiend vrouwtje neer en zonk in sombere gedachten. Djiah wist welke zorg nog bij zijn smart kwam en vroeg niets. Siman zelf verbrak het zwijgen.

"Het voorschot moet nog betaald worden," zeide hij als tot zichzelf.

"Hoeveel is het?" vroeg Djiah schuchter.

"Ik weet het niet precies. Er komt natuurlijk rente op, maar dat kan toch zoo veel niet zijn."

"Waarom niet betaald, toen jij en vader te Herea waren om de tjoeké te leveren? Nu moet er weer iemand heen."

"Toen hadden wij het geld nog niet ..."

"En nu dan wel?" vroeg zij uiterst verwonderd. De vraagster ging bij zich zelf te rade, waar Siman de middelen gevonden kon hebben ...

"Wij zullen de karbouw verkoopen," zei Siman zacht.

Stil van schrik, keek Djiah een oogenblik haar man aan. Deze waagde zich niet aan dien blik. Toen keerde Djiah zich af; haar oogen waren vochtig. Zij legde den kleinen Rekso, die ingeslapen was bij zijn gewichtige levenstaak, in zijn geïmproviseerde wieg, een doek aan twee touwen vastgeknoopt, bij wijze van schommel.

"Wanneer moet je betalen?" vroeg ze weer.

"Hoe eer hoe beter. Morgen."

"En de katjang [153] dan? We zijn toch al zoo laat. Als jullie nog langer wachten met spitten en planten, komen we te laat in het seizoen."

"Ja, dat is zoo. Maar Pah Ran of ik zullen toch moeten gaan."

Djiah kreeg een idee. Maar ze wist dat Siman het niet goed zou keuren en deelde hem haar plan dus niet mede.

"Prawira gaat immers morgen naar Herea terug?" vroeg ze.

"Ja."

"Nu, dan zal ik met hem meegaan. Zorgen jullie dan voor de katjang. Ik ben zoo bang dat we niet tijdig gereed zullen zijn met de palawidja. Het is beter dat ik de buffel ga verkoopen. O, je hoeft niet te vreezen, dat ik geen goeden prijs zal krijgen, en Prawira zal mij wel helpen. Het treft juist goed, morgen is groote passerdag te Bodjong Kawoeng. Allicht slaag ik daar al."

Siman was nog te bedrukt door de gebeurtenissen der laatste dagen, en ook lachte hem het plan van Djiah wel toe. Ze was een ferme meid, die zich niet zou laten beetnemen. Bovendien was het wel mogelijk dat zij met meer volharding den prijs zou handhaven dan hij of Pah Ran. Want zij wist niet dat men er zoo krap voorstond en zou dus niet behoeven te strijden tegen de neiging in godsnaam wat minder geld thuis te brengen, als er maar geld was, contant geld, dat men betasten kon. Van het verkoopen der geoogste rijst was geen sprake. Die hadden zij met het zoo groote gezin zelf noodig. Na eenige discussie stemde hij dus toe.

Djiah spoedde zich naar Mah Ten, wie zij de schikking mededeelde. De goede vrouw verkeerde nog in zulk een stemming van moedeloosheid, dat ze alles goed vond. Ook Djiah's vader liet zich overhalen. Hij moest toegeven dat zijn dochter gelijk had: men had al veel tijd onbenut voorbij laten gaan en er diende thans begonnen te worden met de uitplanting der katjang.

Prawira beloofde Djiah met raad en daad bij te staan. Misschien dat zijn vader de karbouw wel zou koopen. Onlangs nog had hij zijn voornemen te kennen gegeven een der oudere buffels te verkoopen, om zich een jonger, krachtiger dier aan te schaffen.

En zoo was het dan, dat heel vroeg in den morgen, nog voor het eerste ochtendgloren, Djiah en Prawira met de buffel marktwaarts gingen. De kleine Rekso was gedeponeerd bij Ipah. Heden zou hij zich wel moeten tevreden stellen met de flesch.

Met loomen tred volgde de karbouw. Het was als wist het dier, dat het van meester ging veranderen. Zij was ongeveer twee maanden voor de panèn gedekt en men kon dus met het oog daarop wat hoogeren prijs bedingen. Vijf en veertig gulden, zoo was uitgemaakt, moest zij minstens opbrengen.

Tegen tienen was men te Bodjong Kawoeng. Djiah was niet vermoeid, want zij had den ganschen weg te paard gezeten. Prawira had haar natuurlijk het rijpaard afgestaan en Djiah had, met de beenen voor langs het picolzadel, als een man gereden. Men hield stil bij de woning van Prawira's vader. Het was erg levendig te Bodjong Kawoeng. Het was de groote passerdag en van mijlen uit den omtrek, dagreizen ver zelfs, waren de lieden gekomen. Djiah hoopte dat ze slagen zou.

Prawira's vader was niet tehuis. Ook hem zou men vinden op de passer, zeide zijn vrouw. Haar verzoek om even te blijven zitten, werd vriendelijk afgeslagen door Djiah, die haast had. Straks zou men weerkomen. Eerst de zaken.

Prawira's vader werd spoedig gevonden. Hij zelf had geen buffel meer noodig. Het trof slecht. Hij had er juist een gekocht, ingeruild juister, tegen een der zijne, met vier rijksdaalders toe. Maar Pah Wirio, de loerah, wilde beesten hebben. Hij zou hem hier halen.

Djiah bleef met haar buffel staan. Ze had honger, maar wilde niet weg. Er kon een kooper komen. Prawira ging dus heen om wat ketan [154] of rijst te koopen.

Hij was nog niet weerom, toen een net gekleede inlander op haar toekwam. Hij bekeek de buffel van voor en op zijde en zeide toen langzaam:

"Wil je haar verkoopen?"

"Ja."

"Ze is al wat oud," begon hij, terwijl hij met de hand over de schoften ging.

Djiah antwoordde niet.

Na een lange poos werd een bod genoemd:

"Vijf en dertig gulden?"

"Zestig!"

De ander schrok.

"Daarop durf ik niet te bieden," zei hij en deed of hij wegging.

"Ze is bezet," prees Djiah haar waar aan, "vier maanden ver; en nog jong is ze. Hoeveel bied je?"

De ander bukte zich, betastte de uiers, en schudde het hoofd.

"Vijftien rijksdaalders; meer is ze niet waard."

Djiah zag Prawira komen en kreeg meer moed. Er was toch nog eenige durf noodig, had ze gemerkt, zoo openlijk de waar aan den man te brengen. Nu hield ze prijs.

Prawira kwam haar te hulp. Hij wist niet wat Djiah gevraagd had, maar begon dadelijk met veel welsprekendheid de goede eigenschappen van het dier op te sommen. De ander had wel lust in de buffel, maar de gevraagde prijs was hem te hoog. Men moest wat laten vallen. Op dit oogenblik had Djiah gelegenheid Prawira toe te fluisteren, dat ze zestig gulden gevraagd had. "Laat maar wat vallen," zeide ze.

Maar Prawira liet niets vallen. Hij bleef koppig, geen gulden minder. De kooper werd blijkbaar afgeschrikt en Djiah maakte zich reeds ongerust dat hij heen zou gaan. Hij had veertig geboden; meer wilde hij, naar het scheen, niet geven. Maar Prawira gaf niet toe. Djiah begreep er niets van.