Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 7
"Verrek!" schold Van Affelen, wat nijdig om het gelach. "Ik zal er een van jou nemen! Merci."
"De keus kan toch niet moeilijk zijn," merkte Nederman op.
"Neen, zeker niet, mijnheer, zeker niet. Er zijn hier vriendinnetjes genoeg."
"En je zult er toe komen, Affelen, het gaat op den duur toch niet zonder. Je boel verwaarloost en ze stelen je het eten onder je neus weg, als zoo'n noodzakelijk meubel niet in huis is."
"Oh, maar ik heb er ook niets tegen. Ze mogen zeggen wat ze willen, ik vind het concubinaat nog zoo'n slechte uitvinding niet. Zoo'n menagère houdt den rommel in orde, en bevalt ze je niet, dan gaat ze de laan uit."
De glazen werden ingeschonken.
"Nou, Jonker, nou kun je speechen. Vooruit, verslik je niet en maak het kort." Zevenaer stond op.
"Mijnheeren, 't is met aandoening ...."
De Leeuw barstte in lachen uit. "Wat zegt-ie, aandoening? Hahaha! Aandoening, die is verdomd goed. Ga door, kerel, ga door, maar niet zoo grappig, als je blieft."
Zevenaer bleef onverstoord.
"... met aandoening, dat ik hier een dronk instel op onzen gullen gastheer. Ik zal jullie maar sparen de gewone heilwenschen, zie je, maar ik wou toch wel opmerken, dat het in den huize Van Affelen, hoe zal ik het zeggen, nog veel aangenamer, neen lieflijker, juist: lieflijker, dat is het woord, zou zijn, wanneer de sylphiden-gestalte van een schoone fee ..."
... "Liefde-rijker, bedoel je, Jonker," viel De Leeuw den spreker in de rede, die vervolgde:
... "door deze vriendelijke woning zweefde en die van onzen gemeenschappelijken vriend De Leeuw er buiten bleef."
"Bravo, bravo," lachte Nederman, die de mop binnen zijn bereik en dus alleraardigst vond.
"Schei maar uit, Jonker, schei maar uit," viel de gastheer in, die kregelig werd over de hardnekkigheid van de lui op dit chapiter.
Zevenaer bleef koppig op zijn stuk.
"En daarom zal ik drinken op de spoedige blijde inkomste van een donkergelokte, naar klapperolie riekende, eegade in deze nederige kluis en van een sleep van spruiten ...."
De redenaar werd overstemd door het onbehouwen gelach van Nederman, door de bravo's en andere uitroepen van instemming van De Leeuw en door de schimpwoorden van Van Affelen.
"Ad fundum, ad fundum!" riep Nederman en gaf het voorbeeld.
Toen het rumoer bedaard was, zeide hij, en op dit gebied kon hij meepraten:
"Afgezien van de sleepende spruiten van Zevenaer, kun je er toch niet te vroeg toe overgaan (om een menagère in huis te nemen, bedoel ik). Dat geeft je in de eerste plaats meer gezag bij de bevolking, zie je, ze houden je dan niet meer voor groen. En het is voor je gezondheid ook veel beter."
Van Affelen was het natuurlijk dadelijk met zijn chef eens. Bij deze was het een ware zucht, zeer begrijpelijk overigens, zijn ondergeschikten tot de zelfde lage moraal, die hij op sexueel gebied huldigde, omlaag te trekken. Van Affelen zou daarvoor een willig sujet zijn: die deed alles, wat hem bij "den baas" in een goed blaadje kon doen komen.
De Leeuw zorgde er voor dat de glazen weer gevuld werden, waarvoor een tweede flesch aangesproken moest worden.
Gaandeweg kwam 't gesprek op de bevolking en op de wijze, waarop De Leeuw er mee wist om te gaan.
"Ja," zei Van Affelen, "het is om jaloersch te worden zooals jij met de lui kunt omgaan."
"Och, dat is geen verdienste, man. Dat komt van zelf, als je ze maar niet trapt, zooals gewoonlijk regel is bij de blanda's. Wat bliksem, die lui hebben ook gevoel in hun bast, zie je, en als je ze eens bedondert, heb je 't voor altijd bij ze verbruid."
"Nou ja, maar daarmee alleen kom je er niet. Jij spreekt de taal als ze zelf, dat is ook een groot voordeel."
"Dat leer je ook ... Nog eens inschenken, mijnheer Nederman?"
"Dank je. Maar hoe lang bennen jullie van plan nog te blijven? Ik moet nog van avond thuis zijn. Dus, Affelen, je zult me moeten toestaan dat ik dadelijk na het eten opstap."
"Zeker, mijnheer, natuurlijk. Het spijt me wel, anders."
De maaltijd was spoedig afgeloopen. Soerja bracht sigaretten, toen de koffie rondgediend was.
Erg vlotte het gesprek niet meer. Zevenaer, die anders luidruchtig genoeg was, had de stemming verloren. En toen Nederman in zijn bendy [134] weggereden was, zat men eigenlijk wat met den tijd verlegen. Er kwam een zacht regentje opzetten en De Leeuw merkte op dat "de oude daar in zijn spulletje lol van kon hebben."
"Je kunt er donder op zeggen dat-ie in Benda blijft hangen. Daar heeft hij nog een vriendinnetje zitten, Sarinten heet ze, een snol als een paard, zeggen ze, maar een knap loeder."
"Zeg, De Leeuw," zeide Van Affelen, "het is toch waarlijk bewonderenswaard, kerel, hoe jij met het volk één bent. Jij weet, geloof ik, wat er hier op het heele land gebeurt."
"Ja, ik ben een gevaarlijk mensch, Van Affelen. Zoo weet ik bijvoorbeeld dat jij een van de dochters van Sastra, den mantri-tjoeké van je afdeeling, in je huis wilt hebben, als snaar, en dat de oude je te slim is en kwasi weigert om zijn prestige. Die Djiëm is getrouwd geweest, maar weer gescheiden. Dus bang voor een manspersoon hoeft ze niet te zijn. Geef den oude vijf en twintig pop en je krijgt in plaats van één dochter er twee. Hij heeft er zat."
Van Affelen had even gebloosd, bij de woorden van De Leeuw, en Zevenaer had geh'md.
"Apropos, Van Affelen, van dien Sastra: houd dien smeerlap in de gaten als ik je raden mag. Van Braam, en voor hem, Mulder, en voor dien ... kom, hoe heet-ie ook weer, Van de ... Van der ... Van de Pol, juist Van de Pol, liepen allemaal met hem weg. Nou, de kerel is best voor zijn werk, daar niet van, maar dat is van ons standpunt, zie je, van het standpunt van den landeigenaar, die hoe meer hoe liever sleept. Maar het is een hond voor het volk. Hij snijdt ze om een onverwacht groote hoeveelheid tjoeké binnen te brengen. En let op: hij zal je gezegd hebben, dat van het jaar de padi slecht staat ..."
"Waarachtig, het is sterk!"
"Welneen, dat zegt hij elk jaar. Je voorgangers geloofden den vent door dik en dun. Enfin, het had dit voor, dat het dan altijd een meevaller is voor den baas. Je zult dus meer binnenhalen dan je verwacht, daar kun je zeker van zijn. Maar, en dat is het mooiste van de heele geschiedenis, dan bedondert hij je feitelijk tòch nog."
"Hoe zoo?"
"Wel, hij geeft jou minder op dan hij bij de bevolking opschrijft, bij de tani's [135] namelijk die van de lastige weging op het land afzien. Nou, dat weet het volk natuurlijk niet. En als hij zich dan later laat omkoopen, om vermindering te geven, dan heeft hij er geen stap voor te verzetten, want hij heeft dan al minder opgegeven. Zoo snijdt het mes van twee kanten, begrijp je?"
"Wat een gannef! Maar er is, geloof ik, niet veel aan te doen."
"Wel zeker. Wat ik je daar verteld heb, is speciaal een praktijk van Sastra. Maar een van mijn mantri's probeerde zich op dezelfde manier gemakkelijk gezag te verzekeren bij het volk. Ik had hem in de gaten, door mijn huishoudster, ik donderde hem er uit en noteer nu zelf de tjoeké."
"Dat geeft je dan toch een hoop soesah."
"Nou ja, maar de bevolking vaart er wel bij. En nou ben ik misschien erg rood, hé, maar in mijn oog gaat het volk voor."
"Ja," zei Zevenaer, "De Leeuw, jij komt nooit vooruit, dat heb ik je al meer gezegd. Je bent veel te goed voor de kerels. Van boven vragen ze om rijst, rijst, rijst, hoe meer hoe beter. Humaniteit best, daar kan mee geparadeerd worden, maar rijst vòòr alles."
Van Affelen wilde wel meer weten van De Leeuw. Hij had zich al dadelijk voorgenomen, Sastra tot elken prijs te handhaven. Hij was nog jong, pur sang Hollander, die niet veel voelde voor land of volk, wiens eenige zucht was vooruit te komen, hoe sneller hoe liever. Hij had begrepen dat Sastra hem daarin kon helpen. En van den in ervaring zoo rijken ouderen collega kon hij nog heel veel leeren.
"Dus jij zoudt me raden dien ouden Sastra zijn congé te geven?"
"Hoe eer hoe beter. Het volk zal er je in stilte dankbaar voor zijn. Ik weet niet hoe jij er over denkt, maar mij doet het altijd lol als de lui van je zeggen: nou, die vent is nog zoo bar niet, als hij er uitziet."
"Jawel, jawel dat is prachtig, maar jij drijft de goedheid wel wat ver," meende Zevenaer. "En nu ben ik wel geen volkskenner, maar dat weet ik wel, dat die bruine broeders je goedheid vergelden met tallooze akals [136] om je te belazeren."
"Zeker, dat doen ze mij óók, als ze kunnen. En dat zouden wij in hun plaats ook doen. Of zouden wij het lollig vinden aan alle kanten geschoren te worden."
"Nou, het is maar een vijfde," suste Van Affelen.
"Een vijfde? Man, man, wat zal jij je oogen nog den kost moeten geven! Een vijfde? Ik beweer: door de bank zoo iets als de helft. Waar ter wereld moet je vijftig procent inkomstenbelasting betalen? ... Verdomde sigaar! 't Ding trekt niet ... Daar, marsch! Geef me eens een ander."
De Leeuw kauwde de punt van zijn sigaar af, greep naar een doosje lucifers, dat op de tafel lag en stak er den brand in.
"Geloof me," zeide hij, een rookwolk uitpuffend, "de boel is hier rot, ínrot. 't Bestuur bemoeit er zich niet mee. Komen de lui klagen, ze worden met een kluitje in het riet gestuurd. Een kennis van me, een krantenmensch, heeft eens een heele brochure volgepend, waarin hij vertelt dat de gé-gé [137] zijn plicht niet doet. Het was een kras stukje. Er werd verwezen naar een artikel van het regeerings-reglement, waarin gezegd wordt dat zijn eerste plicht is, te zorgen dat de bevolking geen onrecht wordt aangedaan. Artikel 54, geloof ik, neen 55. Heeft het wat gegeven? Kun je begrijpen."
Hij zweeg even.
"Daar op Buitenzorg geven ze hormatcirculaires [138] uit en proclamaties tegen de concubientjes. Dat laatste is vooral prachtig. De linkerhandjes recipiereeren tegenwoordig in de residentswoningen, bij de raden van Indië en in andere paleizen. De boel is rot, man, geloof me, rot. Dáár, soedah! [139] Schenk nog eens in, ik lust nog wel een wijntje."
"Ik geloof, dat ik het artikel ook gelezen heb," zei de Jonker. "Ik heb er een overdrukje van thuis gekregen. Goed ingelicht is de man, ten minste op de meeste punten; maar geen wonder. Ik heb hem zelf ingelicht, en, naar hij me schreef, ook de vorige administrateur van Telatiga."
"Heb jij hem ingelicht?" vroeg Van Affelen verrast.
"Welja, waarom niet? Verdomme, de man deed er toch geen kwaad mee?"
"Maar dan heb je den baas toch eigenlijk belazerd," zei Zevenaer, "want toen hij jou, Van Braam en mij gevraagd heeft of wij er iets mee uit te staan hadden, zei je van neen."
"Zeker, ik heb hem voorgelogen. 't Is niet mooi van me misschien, maar enfijn, ik heb het gedaan. Ze wouen hem vervolgen op Batavia, vertelde de baas, en of wij dus materiaal wilden verzamelen om aan te toonen dat hij lasterde."
"Nou, en heb jij iets gevonden?"
"Neen, jij?"
"Ook niet."
"Dus hij overdreef niet?" vroeg Van Affelen.
"Welnee, man; hij wist nog niet half genoeg."
"En is hij vervolgd? Dat gaat hier makkelijk genoeg, hoor ik, zoo'n persdelictje."
"Nee, vervolgd is hij niet, ze hebben er maar van afgezien, zie je. Als je in stront roert, gaat het stinken."
"Laat me het toch eens lezen."
"Best, bij gelegenheid."
"Een ding is toch zeker overdreven, geloof ik," zei Zevenaer weer. "Die meer dan twintig procent breuk. Er is wel iets meer, nou ja, maar dat kun je niet altijd afpassen. En de lui zelf brengen de rijst mooier dan ze moeten."
"Wat is dat voor een kwestie?" vroeg Van Affelen.
Zevenaer legde uit:
"In het artikel wordt gezegd dat de bevolking gedwongen wordt om tjoekérijst op te brengen met 89 tot 90 procent grof."
"Nou, dat is toch niet waar."
"Niet waar!" stoof De Leeuw op. "Het is van a tot z waar. Hoe hij er aan komt, weet ik niet, ik heb hem op dit punt niet ingelicht, maar waar is het, dat bezweer ik je. In de vrijwillige overeenkomst heet het dat er 20 procent breuk mag zijn, he? Volgens van ouds door de bevolking geleverd, zoo staat er. Dat is verdomd hypocritisch gezegd, weet je. Want als je zegt 20 procent, zooals een beetje verder in het contract staat, dan heb je een getal, waaraan je kunt vasthouden. Maar wat is nou: als van ouds geleverd? Dat is niks. Dan kan je alles weigeren, al brengen ze je honderd procent grof."
"Jawel, goed, maar gebeurt dit? Daar komt het maar op aan."
"Ja, dat gebeurt. Elk jaar gebeurt het. Als de rijst door de sorteermachine is, dan blijkt er maar zestien procent breuk te zijn, op zijn hoogst, begrijp je, op zijn hoogst. En de machine maakt nog altijd vier, vijf tot zes procent breuk.
"Dus, dat wil zeggen, dat ..."
"Dat zestien min vijf nog altijd elf is. En dat het volk dus met rijst van elf procent breuk komt, dat wil het zeggen."
"Goed, maar dat komt misschien omdat het volk de grens van breuk niet kent, en zoodoende uit vrees maar mooiere rijst levert dan het moet."
"Nonsens, rats, de bevolking mòet, omdat mindere kwaliteit geweigerd wordt. Je kunt de cijfers vinden in de registers van de gesorteerde rijst. Dat is contractbreuk, begrijp je goed. Elk jaar. En contractbreuk is strafbaar ... behalve wanneer de opgezetenen de dupe zijn."
"Neen maar waarom klagen de lui niet? De assistent-resident ..."
"Och wat, Jonker, laten we mekaar nou geen Mietje noemen, zeg. Die Van Dam is een vent om er een op toe te geven. Goddomme, leg de overeenkomsten van Telatiga en van hier nu eens naast elkaar. Telatiga rekent de grens van goedgeslaagd op zeven en dertig en een halve picol. Dat is te laag, beweer ik. Maar goed. Hier is de taxatie nog zes en een kwart picol lager. Dat berust op niets. Nou zou je zeggen, als Van Dam die twee overeenkomsten ziet--we werken toch onder gelijke omstandigheden!--dan zegt hij: dat deugt niet. Er is minstens één van de twee niet goed. Nou."
"Ja, hij registreert beide."
"Juist, hij registreert alles, wat voor zijn pooten komt. Want hij is gedekt, omdat de bevolking vrijwillig teekent."
"Nou ja," merkte Van Affelen op, "wij weten allemaal wel dat de assistent-resident geen flauw benul heeft van de finesses van ons bedrijf ..."
"Nou, wat doet hij hier dan? Het hoofdbedrijf in de afdeeling, in het heele gewest. God beter 't, wat heb je aan zoo'n knul, als hij niet weet waar ie zijn poot onder zet?"
"Goed, maar als ambtenaar is zijn standpunt begrijpelijk, al toont het weinig karakter, weinig fut. De lui hebben vrijwillig geteekend, zegt hij ..."
"Maar, kerel, dat is gelogen. Er wordt niet vrijwillig geteekend."
"Niet? Wat is dat nou, wij dwingen ze toch niet!"
"Wij dwingen ze wèl, moreel namelijk. Wij paaien ze met beloften, vrij visschen, geen tuinhuur, voorschot, enz.; wij bedreigen hen met straffen als ze niet teekenen. Wat een wonder dat ze dan teekenen. Van een reglement weten de meesten niet. En dan, weet je wat zoo verdomd gemeen is? Het breukgemiddelde is veel te hoog."
"Niet te veel willen bewijzen, De Leeuw. Qui prouve trop, ne prouve rien. Er zijn stampproeven, die dat gemiddelde hebben vastgesteld."
"Als ik niet te lang op het land was, zou je me nu mat hebben, Jonker. Maar nou heb je me niet, man. Ik wou je wel vragen of je begrijpt waarvoor die stampproeven hier, zoowel als op Telatiga, zijn genomen, hoeveel jaar geleden weet ik niet? Waarvoor is die standaard-stampproef genomen?"
"Om vast te stellen, de rijstcoëfficient en de breukverhouding."
"Juist. Nu ben jij landheer hé, en ik tani? Ik moet jou rijst leveren. Andere inkomsten trek je niet, of ook zonder dat, wat zal jij nu doen: tevreden zijn met een picol, als je twee kunt krijgen met allen schijn van recht?"
"Een domme vraag: natuurlijk twee picol opeischen."
"Die vraag is zoo dom niet, als je denkt. Maar enfin. Dus je begrijpt wel, dat die stampproef werd genomen onder buitengewoon gunstige omstandigheden, niet waar, dat de nadeelige factoren zijn vermeden, dat men eerst met de hoogst mogelijke uitkomsten tevreden was. Dat is toch logisch, niet?"
"Zeker."
"Nou. Ik heb zelf die stampproef gecontroleerd. Je kunt me dus gelooven, trouwens je kunt het nagaan ook, als ik je zeg dat wel geen uitgezochte padi werd verstampt, dat zou te dol zijn, maar padi, die niet van weersinvloeden te lijden had gehad, die uitmuntend stond in het algemeen, en weinig breuk zou geven. Een vrij groote hoeveelheid van die padi werd verstampt, onder ons toezicht. Dat stampen ging uiterst voorzichtig. Nou het resultaat was, in vergelijking met wat als tjoeké wordt ontvangen, alles behalve schitterend. Omgeslagen over één picol kregen wij drie en vijftig kattie rijst."
"Dat is nog mooi."
"En in de witte rijst was acht en veertig en een half grof. Jammer, dat ik zoo'n standaard-staatje niet bij de hand heb, het is wel interessant."
"Misschien kan ik je helpen," zei Van Affelen. "Ik heb eens op de besaran een stampproef-staat overgeschreven. Misschien is het die, welke je bedoelt. Je kon nooit weten. Ik kon hem eens noodig hebben."
Van Affelen stond op en zocht op zijn schrijftafel naar een notitieboekje. Na eenig zoeken had hij het. Uit de portefeuillekap van het boekje werd een toegevouwen papiertje geproduceerd. Affelen vouwde het open en reikte het De Leeuw toe. Deze keek er even naar.
"Ja," zeide hij, "dit is het. Nou kijk eens hier. Verstampt: 1 picol, soort: meest verbouwde, dedek 9 kattie, merang 9 kattie, doppen 27, niet wit grof 29 kattie, fijn 24 kattie; wit grof 25 1/2, fijn 27 1/2; dus procent rijst 53; verlies 2 kattie. Nou de breukverhouding in procenten: niet-wit, eerste soort 54 1/2, tweede soort 45 1/2; wit, eerste soort 48 1/2, tweede soort 51 1/2. Dit is dus je standaard-verstampingsproef. En nu kun je zelf zien hoe het volk bedonderd wordt. Want hun rijst is voor 88 procent grof, de rest gebroken. De normale breukcoëfficient is 51 1/2, ze moeten leveren met twaalf procent. Zie je, dat is toch verdomd vuil ..."
"Nou ja, je kunt je daar nu wel over opwinden," zeide Van Affelen, wat spijtig, omdat door den harden vuistslag van De Leeuw op tafel een der glazen was omgevallen en den inhoud gedeeltelijk over zijn, Affelen's, pantalon had uitgestort. "Maar het is grauwe theorie, dat wil zeggen, ik zeg het verkeerd; als je dat zoo uitlegt, dan lijkt het wel of de lui hier worden uitgezogen tot op den laatsten druppel bloed, terwijl 't in waarheid nu niet zoo bar is. De kerels hebben ten minste nog bloed genoeg in d'r body om te blijven voorthappen."
De Leeuw haalde zijn schouders op, maar Zevenaer viel uit:
"Nou ben je toch verbazend kortzichtig, Affelen. In dergelijke dingen bestaat geen theorie, dat laat zich toch begrijpen, hé? Je betaalt of betaalt niet. Een andere keus is er niet. Of liever, er is heelemaal geen keus voor de zwarten. Als ze niet leveren willen naar den wil van den landheer, dan gaan ze er af of ze worden ge"rold". [140] Er blijft alzoo niets anders te doen dan Steuer zahlen und 's Maul halten ..."
De Leeuw schoot opeens uit zijn slof:
"Affelen wil geen theorie, hè? Goed. Ik zal hem practijk geven. Potdomme, zooveel als-ie wil. Ik heb een oppassenden kerel in Kerep, Marto, 'n ouwe kerel, vrouw en een schuif jongen; de man heeft 250 roeden sawah. Nou, ik zal je zijn jaarbalans optellen. Meerekenen als je blieft."
De Leeuw haalde een potloodje voor den dag en krabbelde achter op de stampproef.
"Bewerking twee honderd vijftig roeden à vijf en twintig cent voor de tien maakt zes gulden en een kwartje. Aankoop zaadpadi, een halve picol, meer is niet noodig, één en een kwart, dat is samen drie ringgits [141]. Nou plantloon. Twaalf vrouwen, stel, een dubbeltje daags en de kost, dat is niet te royaal, twee veertig, samen negen negentig. Een douceurtje voor den mantri-tjoeké, kan niet missen, stali [142]; samen tien vijftien. Snijloon; ja dan moeten we de productie hebben. Dus dat in petto. Drogen en aan bossen binden ... Neen dat gaat niet. We moeten toch de productie hebben. Dus, onthouden, lui. Wat hadden we ..."
"Tien gulden vijftien."
"Juist, tien gulden vijftien. Bij een doorsnee-productie van vijf en twintig picol, geeft hem zijn stukje sawah twaalf en een half nat. Snijloon een vijfde, maakt tien; uitdroging twintig procent, is twee picol. Rest acht picol droog. Dus acht picols. Drogen en aan bossen binden acht dubbeltjes, maakt tien vijftien plus tachtig, is tien gulden vijf en negentig, niet?"
"Ja, all right, ik volg. Maar à propos, je rekent alles uit. Wat duivel, hij kan toch zelf wel zijn oogst behandelen!"
"'t Kan wel, maar het gebeurt niet, jò, dan komt er geen oentoeng ..."
"Nonsens, daar behoeft geen rekening mee gehouden te worden," viel Van Affelen uit.
"Je kunt om den adat lachen of spotten; je vroeg om practijk. Nou, ik geef je practijk. Volgt draagloon naar de loemboeng [143] acht gobangs [144]: twintig cent; dat is elf gulden vijftien. Nou stamploon. Acht picol à vier en vijftig procent geeft ... vijftig is vier, vier maal twee-en-dertig ... geeft vier picol twee en dertig kattie. Neem nu aan, tegen vijftig procent breuk, geeft twee, zestien grof à zes vijftig ... (na korte berekening) ... veertien gulden en vier cent. Dan nog twee zestien fijn à vier pop, acht vier en zestig. Totaal twee en twintig acht en zestig. Onthouden hoor. Waar waren wij daareven?"
"Bij het stamploon."
"Ah juist, een zesde van vier picol twee en dertig is twee en zeventig kattie, maakt"--De Leeuw cijferde weer--, "berekend tegen de prijzen van daarnet--drie zestig, plus elf gulden zestien, niet waar? is veertien zes en zestig."
"Zes en zeventig."
"Ah ja, natuurlijk, veertien gulden zes en zeventig. Djakat [145] een tiende is drie en veertig kattie, dat maakt twee gulden zestien. In totaal alweer zestien gulden twee en negentig ..."
"God, wat zijn jullie vervelend! Schei nou toch uit met dat gecijfer," zeide Zevenaer geeuwend.
"Het is voor de inlanders nog veel vervelender altijd maar weer te moeten betalen," antwoordde De Leeuw droogjes. "Maar ik zal Van Affelen eerst doodslaan met de practijk. Niemand dwingt jou om te luisteren. Draagloon naar het pakhuis, Van Affelen, zeven paal, laten wij zeggen een kwartje. Tel maar weer op: zeventien gulden zeventien. Nou de tjoeké. Volgens artikel vier van de vrijwillige overeenkomst, een vijfde of twee en een halve picol nat à veertig katties in een picol, waarvan acht en tachtig procent grof tegen zes vijftig ... wacht, dat is een langere berekening, geef me een ander stukje papier."
Van Affelen scheurde een velletje uit zijn zakboekje en reikte het den ander over. Hijzelf zat ingespannen te luisteren en was een en al aandacht.
"Dat maakt vijf gulden twee en zeventig, en twaalf procent fijn à vier pop, acht en veertig cents, totaal zes en twintig. Dat is dus met dat van daarnet, drie en twintig gulden zeven en dertig. Nou reken ik niet: witstampen, waakloon gedurende vijf maanden op het veld, sedekah voor den oogst. Maar één ding is nog vergeten. Het voorschot. Dat neemt natuurlijke elke inlander aan als het hem aangeboden wordt. Hij krijgt voor tweehonderd vijftig roe, drie pop, na den oogst terug met twintig percent rente voor zes maanden, is zestig cent. Zijn uitgaven zijn dus in totaal: drie en twintig gulden zeven en negentig cents, rond vier en twintig gulden. En daar tegenover staat een verdienste van twee en twintig gulden zeventig. Marto heeft dus verlies: een gulden dertig verlies."
"Ja," zei Van Affelen, "er schijnt niets tegen te zeggen."
"En nou vraag ik je of je begrijpt, wat dat zeggen wil: verlies te lijden als je het heele seizoen gewerkt hebt, als je je arbeid, je zweet gegeven hebt om een goed stukje grond vruchtdragend te maken. Alles wat de stakker deed, het water van zijn sawah houden, het spitten, ploegen, planten, zijn heele denken gedurende dien tijd, zijn vreugde als de padi opkwam en de aren zwollen, de blijdschap bij den oogst, dat alles weg, weg en erger, hij heeft schuld, hij is armer dan hij begon. Verdomme, Van Affelen, we zijn eigenlijk lammelingen, dat we er aan meedoen, zeg, die stakkers zoo te villen ..."
"Nou, nou, word niet sentimenteel, De Leeuw, we moeten allemaal leven."