Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 6

Chapter 64,158 wordsPublic domain

De oude zweeg, geërgerd. Ook de anderen spraken niet. Maar al zijn grieven kwamen zoo allengs bij Rekso op. Hij had meer tijd dan de anderen. Hij werkte niet, zat den ganschen dag alleen en bracht zoo uren door, waarin hij kon zitten piekeren en peinzen over zaken, waar hij met zijn verstand niet bij kon.

"De landheer, die nekt je, als je niet teekent. Prawira heeft goed praten dat we het volgend jaar niet moeten teekenen. Wat is er met Karta gebeurd van de desa Tjikoedoeng?--Zijn vrouw is onlangs bevallen van het vierde kind, weer een meisje. Karta heeft wel tjilaka. Karta heeft niet geteekend. En toen hij langs de leiding liep, sprong een ikan gaboes [112] uit het water vóór hem in het gras. Karta raapte de visch op en dat zag de koewoe, die hem zoo slecht gezind is, omdat Karta hem niet genoodigd heeft op de sedekah [113], het vorige jaar. En door toedoen van den koewoe is Karta toen op de politierol gestraft ... De landheer maakt het je met alles moeilijk, alle macht is bij hem."

Den volgenden dag had de oogst-sedekah plaats in de woning van Pah Rekso. Mah Ten, Djiah en de beide meisjes waren druk aan het werk geweest. Veel kosten had men er niet voor gemaakt. Er was nasi koening [114] en tal van sambalans [115], gebak, wadjik [116] en assamkoekjes [117]. Rekso had het voorvaderlijk gebruik om voor den oogst den zegen van den Allerhoogste af te smeeken niet willen verwaarloozen. Hij kon niet gelooven dat uit zulke veronachtzaming geen onheil zou voortvloeien en hij voor zich keurde het af, dat in de desa sedekahs zoo zeldzaam zijn, dat de sawahbezitters slechts zelden den penghoeloe verzoeken het oogstgebed uit te spreken over de panèn. Hij wilde niet afwijken van den ouden adat [118], ook al kostte het hem wat geld aan de sedekah en aan den penghoeloe.

Den dag daarop was men met het snijden begonnen.

Mah Ten, Ipah en Mariam, zelfs Djiah, die dagelijks hare bevalling wachtte, bijgestaan door nog een tiental vrouwen, waren het veld ingegaan. Djirah en nog andere kleuters hielpen mee met het arenlezen. Ook in enkele naburige sawahs waren de vrouwen aan het werk.

Het was brandend heet, maar daarom verstomde de zang der snijdsters niet.

Men vorderde goed. Uren en uren zonder rustpoos werkten de vrouwen voort. Het aantal schoven groeide. Het zweet parelde de werksters op het gelaat. Rusteloos ging de anè-anè door de halmen.

Ver over eenen eindelijk werd verpoosd. Reeds waren uit de desa de kinderen gekomen met het schrale middagmaal van moeder en zuster. Andere vrouwen hadden haar kostje zelf reeds meegenomen. Hier en daar op de galangans werd een vuurtje ontstoken om een visch te bakken. De rook steeg loodrecht omhoog: geen zuchtje trok over de velden.

Mah Ten, de meisjes, Djiah en de andere snijdsters zaten bijeen om en naast de galangan, droge rijst met een ikan sepat [119] verschalkend. In een kommetje was lekkere sajor lodé [120], waaruit met graagte werd geschept. Djanim had den karbouw vandaag wat vroeger naar huis gedreven en hem een soendoeng [121] vol gras en bladeren voorgezet.

Daarop had hij het maal voor de vrouwen naar de sawah gebracht. Heel gewichtig zat hij op eenigen afstand met de handen om de knieën een strootje te rooken. Djiah pikte dapper mede met de vrouwen.

"Zeg 'reis, Djiah," merkte een der snijdsters op tusschen twee smakken, "het moet vandaag of morgen toch gebeuren, geloof ik."

"Het kind moest er al zijn, heeft de doekoen gezegd," antwoordde Djiah.

"Nou maar, jij durft hoor; als je niet oppast wordt het nog hier op de sawah geboren."

"Dat is niets hoor, een anak sawah [122] wordt een goede tani [123]," was de wijsgeerige opmerking van een oudje.

Djiah was overmoedig.

"Kun je begrijpen," zei ze, "ik houd hem op."

"Wat zegt de doekoen? Is het een jongen of een meisje?"

"Natuurlijk een jongen," lachte Ten schelmsch, "Siman verlangde er erg naar getrouwd te zijn."

Algemeen gelach.

"Nou mah," verweerde zich het aanstaand moedertje, "ik zou nou maar niets zeggen. Jouw oudste en je tweede waren ook jongens."

Maar Ten was met het antwoord dadelijk gereed:

"Je kunt me nog wel de baas zijn met twee jongens tegelijk!"

Maar na de boert kwam het werk weer.

Tegen vier uur 's middags was ruim de helft van de padi gesneden en stond in bossen op het land. Men ging huiswaarts. Het was een zware dagtaak geweest. Met het water der Tjikoentoel wiesch men zich gelaat en bovenlijf, de vrouwen ongegeneerd den boezem ontblootend; de meisjes hadden zedig de sarong onder de oksels vastgemaakt.

Thuis klaagde Djiah over pijn in de lenden. Siman maakte zich ongerust.

"Zal ik Mah Itam halen?" vroeg hij bezorgd. Maar zijn jonge vrouwtje lachte hem uit.

"Welneen, zoover is het nog niet. Maar ik heb te lang gestaan. Morgen zal ik liever de bossen binden."

"Zou je nog wel gaan, morgen?" vroeg Siman.

"Zeker, hoor. Ik kan nog best mijn werk doen."

Den volgenden dag ging Djiah ook naar het veld en bepaalde zich tot het aaneenbinden der schoven, maar lang hield zij dat toch niet meer vol en na den maaltijd moest zij gaan liggen. Zij kreunde zoo hevig, dat Djirah bevreesd om haar moeder riep.

"Mah, mah, kom toch. Djiah is ziek."

Ten keek om, zag haar schoondochter krimpen en wentelen, begreep dadelijk wat er gebeurde en ijlde naar haar toe, enkele vrouwen wenkende haar bij te staan.

"Djirah, gauw naar huis," riep ze haar dochtertje toe. "Laat Siman en Pah Ran komen met een baleh, en zeg Mah Itam, dat ze dadelijk komt!"

De gloeiende zon brandde fel op de struiklooze vlakte. Mah Ten knielde neer, en Ipah hield haar hoofddoek boven Djiah's gelaat om dit te beschutten tegen de doordringende zonnestralen. Ten keek spiedend over de vlakte. Het liep nu tegen vieren en nog was van de mannen of van Mah Itam niets te bespeuren.

Als ze er niet spoedig waren, zou de bevalling afgeloopen zijn zonder hulp der wijze vrouw.

Eindelijk verscheen in de verte Mah Itam. Langzaam kwam zij nader.

Ze kwam nog op tijd.

Ten brandde van verlangen om te weten waar de baleh bleef, maar durfde de aandacht der doekoen niet af te leiden door vragen.

Mah Itam, al prevelende, nam 'n drinknap, vulde die uit 'n nabijstaande gendi [124] met water, wierp er 'n dubbeltje in en hield ze Djiah te drinken voor. Deze dronk half onbewust, in diep ontzag voor de kennis der vroedvrouw.

"Bapah-moe 'ntenni [125], bapah-moe 'ntenni," zeide zij hoog ernstig tot 't ter wereld komende menschje.

Zij was 'n Javaansche.

Als werd er gehoor gegeven aan deze aansporing, werd 't volgende oogenblik 't knaapje geboren, dat met geschrei 't eerste levenslicht begroette.

"Heb ik 't niet gezegd," zeide Mah Itam triomfantelijk, terwijl zij teekenen van bewondering las in de oogen der haar omringende vrouwen.

"Wat is er?" werd van 'n naburige sawah geroepen.

"Djiah is daar juist bevallen!" riep Mariam terug.

"Loh! [126] Op de sawah! Wat is 't?"

"Een jongen!"

"Slamat! [127] Oentoeng temen! [128]" klonk het hartelijk weerom.

Toen de kleine in de beek gereinigd was, kwamen eindelijk Pah Ran en Siman met de baleh aan. Zij waren aan het visschen, toen Djirah was gekomen. Vandaar hun lang uitblijven. Djiah was na een half uurtje weer in zoover hersteld, dat zij zich, gesteund door Ten en Ipah, in de Tjikoentoel kon wasschen. Toen wilde zij naar huis loopen, maar daartegen verzetten zich de mannen. En de spotternij der vrouwen kon hen van hun plan niet afbrengen. Djiah moest met den zuigeling op de baleh plaatsnemen en werd naar huis gedragen.

Dien nacht bleef de zorgzame Ten bij haar schoondochter. Den volgenden dag was Djiah weer op de been.

Siman was een gelukkig vader. Hij kon zich maar niet voorstellen, dat die kleine, mollige Rekso nu zìjn jongen was. En als hij alleen dacht te zijn, zou men hem hebben kunnen verrassen in een alleenspraak tot den kleinen vent, waarbij hij dezen tallooze lieve naampjes gaf.

Het beschot van den oogst was tegengevallen. Pah Rekso had gelijk gehad. De hama poetik had meer nadeel gedaan dan aanvankelijk vermoed was en de regen was schuld aan veel vooze aren. En zoo kwam het dat men nog geen dertig picols padi binnenhaalde.

Daar moest het snijloon nog af; het vijfde gedeelte van den snit, naar het landsgebruik, en van de rest zou weer het vijfde gedeelte ongeveer aan indroging verloren gaan. Nu hadden echter Ten, Djiah, en de beide meisjes medegesneden en daardoor kwam men er met een snijloon van slechts drie en een halve picol af, wijl de huurarbeidsters zooveel minder hadden gesneden.

Na de indroging te velde kon men op ruim een en twintig picols droge padi rekenen. Daarvan zou dan af moeten aan tjoeké veertig kattie mooie rijst voor elken vijfden picol natte padi, die geoogst was.

Siman had na een half uur rekenen uitgevonden, dat zij alzoo twee picols en veertig kattie goede rijst van één vijfde breuk zouden moeten opbrengen. Van de tien en een halve picol rijst, die zij uit de een en twintig picols droge padi zouden winnen, bleven er alzoo ongeveer acht over. Het resultaat was niet mooi. Neen, dat was het niet. En met een soort beklemming dacht hij er aan dat Sastra nog zijn "onkosten" vergoed moest hebben, dat er nog stamploon betaald zou moeten worden, dat de penghoeloe nog een aandeel in den oogst bezat.

Met een bedrukt gemoed was hij de woning van zijn vader binnengetreden.

Hij vond er Prawira, die weer eens om de eene of andere reden verlof had gekregen van den opzichter. Dat gebeurde heel vaak in den laatsten tijd. Telkens loog Prawira den opzichter voor dat er een familielid van hem overleden was, het gewone verhaal.

Rekso lag in het afgeschoten vertrekje op de baleh. De oude was in 't geheel niet goed. Het bloedspuwen was zeer veel erger geworden en telkens was hij genoodzaakt het bed te houden. Mah Ten was in de keuken bezig en in het middenvertrek der woning vond Siman alleen Prawira op den balehrand zitten, in gezelschap van de mooie Mariam, die echter, zooals de dorpsétiquette voorschrijft, op goeden afstand van den gast zat. Het scheen wel of Siman beiden verrast had in een ernstig gesprek, althans dat maakte hij op uit de zichtbare verwarring van Prawira. Aan Mariam was niets te merken.

"Hoe is het met vader, Mariam?" vroeg de binnentredende, na een korten groet aan Prawira.

"Niet goed, Siman, niet goed. Ach God, wij hebben toch soesah met hem."

"Ja, meisje, er komt nog meer." Daarop vervolgde hij tot Prawira: "Zeg, het komt mooi gelegen dat ik je hier tref. Ik heb je te spreken, maar liever moet de oude het niet hooren. Weet je wat, ga met me mee. Bij mij kunnen we beter praten."

Erg veel genoegen had Prawira er niet in, maar hij kon de uitnoodiging toch moeilijk weigeren en na een blik van verstandhouding met zijn gastvrouw, die Siman niet ontging, volgde hij den jongen man naar buiten.

Simans gemoed was vol bitterheid en hij kon niet wachten tot ze thuis waren, om zijn medgezel deelgenoot te maken van zijn vrees.

"Wij zitten in de soesah, Prawira. Je moet me helpen."

"Als ik kan, graag, Siman. Maar geld heb ik zelf niet."

"Niet met geld. Je bent knapper dan wij, Prawira, je hebt veel geleerd en weet meer dan wij. Je moet ons raad geven. Maar hier zijn wij bij mij thuis, ga naar binnen."

Prawira trad binnen en begroette Djiah, die naast het slapend jongske zat te naaien, bij het oogbedervend walmend licht van de palita [129].

Toen zij gezeten waren, vervolgde Siman zijn gesprek.

"Ik wou je vragen voor mij na te rekenen of wij niet te veel betalen moeten aan tjoeké. Kijk, wij hebben bijna dertig picols padi geoogst."

"Ja, dat beteekent niets. Al hadt je de helft binnengehaald," zei Prawira dadelijk op een toon van gezag. "Je hebt de overeenkomst geteekend, niet waar, en je hebt met de taxatie van dien schurk van een Sastra genoegen genomen, welnu, dan moet je leveren wat afgemaakt is."

"Ja maar, Prawira, de landheer vraagt rijst en geen padi, dus hij heeft geen stamploon te betalen en dan, de padi droogt in en daar wordt ook geen rekening mee gehouden."

"Dat weet ik wel, Siman, dat weet ik heel goed. Maar daar geven ze daarginds," en met zijn duim wees Prawira over zijn schouder naar het noorden--"niets om."

"Maar dan krijgen ze toch meer dan een vijfde, en dat mag toch niet; wij behoeven toch niet meer op te brengen, dan waartoe wij verplicht zijn?"

"Jullie hebt een fout begaan, eerst door te teekenen en later heb je weer een fout begaan door met de taxatie genoegen te nemen. En nu is er niets aan te doen, niets. Wou je soms naar den assistent-resident gaan? Daar krijg je toch geen gelijk. Voor ons, kleine lui, hebben de blanda's geen recht, weet je. Wie het geld heeft, heeft het recht. Maar hoeveel moet je nu opbrengen? De taxatie was vier en een halve kattie per roe, niet? Dat is dus twee en twintig en een halve picol per bahoe, dus drie en dertig picol en vijf en zeventig kattie voor de anderhalve bahoe, die jullie hebt. Daarvan moet je dus aan tjoeké opbrengen, het vijfde deel, dat is zes picol en vijf en zeventig kattie, of veertig kattie rijst per picol, niet waar, dat is dus twee picol en zeventig kattie rijst."

"Ik kreeg maar twee picol en veertig kattie", merkte Siman op, die aandachtig geluisterd had. "Maar Sastra kreeg ook dezelfde uitkomst als jij. "Maar wij krijgen slechts tien en een halve picol rijst in handen, zonder stamploon, draagloon en andere onkosten. Dan krijgt de landheer toch veel meer dan een vijfde deel?"

"Wel ja, zonder de onkosten krijgt hij al ruim een vierde deel van je product. En nu wil ik je niet verontrusten, zie je, maar als je denkt dat je daarmede van de soesah af bent, dan toon je de toestanden hier niet te kennen."

"Wat is er dan nog meer?" vroeg de ander angstig.

"Wel in de eerste plaats dat stampen. De vrouwen kunnen dat natuurlijk wel. Maar tusschen stampen en stampen is een groot verschil. De rijst voor den landheer moet erg grof zijn, er mag nog geen tiende deel kleine korrel bij wezen. En dat vereischt een handigheid en een routine bij het stampen, die jullie niet kunt hebben. Als Mah Ten en de meisjes en hier Djiah, gingen stampen, zou je al je padi bedorven krijgen, voor de tjoekérijst namelijk."

"Och kom," viel Djiah in, "dacht je, dat wij het niet even goed kunnen als de anderen?"

"Neen, heusch niet, Djiah, heusch niet. Want weet je wat het geval is? In jullie contract staat, dat je een vijfde deel gebroken korrel mag hebben, maar dat is niet waar, dat is een leugen, want als je zulke rijst brengt, dan wordt die geweigerd."

De beide anderen zwegen in angstige spanning, toen Prawira ophield. Hij vervolgde:

"Het is niet om jullie iets op de mouw te spelden. Wat zou ik er aan hebben? Maar het gebeurt dagelijks, kan ik zeggen. Als je rijst levert met meer dan tien kattie kleine korrel op een picol, kijken ze zuur; is er meer dan twaalf kattie, dan wordt de rijst niet ontvangen. Daar heb je nu Mordi, hier van de desa, jullie kent hem wel. Ik was in het pakhuis om op te schrijven, toen hij de tjoeké kwam leveren. De opzichter heeft tegen hem gevloekt. "Wil jij mij bedriegen? Die rijst is veel te fijn," zei hij. Ik heb de rijst toevallig ook gezien. Ze was heel mooi. En zooveel kon zelfs ik wel zien, dat er meer dan vier vijfde deel mooie gave korrel was. Wat kon Mordi doen? Hij ging weer weg met zijn rijst. En hij heeft de tjoekérijst moeten koopen, God weet voor hoeveel. Maar het moet een heele som geweest zijn, want er was bijna geen gebroken korrel bij. Geloof mij, Siman, je moet je rijst veel mooier leveren dan in je contract staat."

"Maar, dat is verschrikkelijk!" riep Siman, die niets dan zorgen te gemoet zag.

"Wat kan je er aan doen? Daarom, laat liever je padi stampen door vrouwen, die het elk jaar doen. Die weten, hoe ze verlangd wordt door den landheer."

"En wat kost het stampen hier?"

"Op elke zes kattie èèn, d. w. z. tot gewone witte rijst, maar je kunt naar verhouding ook geld geven."

"Zonder eten?" vroeg Djiah.

"Natuurlijk wèl, twee maal daags."

"En als ze tjoekérijst moeten stampen?"

"Dan betaal je nog vijf en twintig cents voor elke picol."

"Dus voor onze tjoeké moeten we aan stamploon betalen ...?" Djiah dorst den zin niet afmaken.

Prawira vulde hem aan:

"Vijf en veertig kattie rijst, zeven en zestig en een halve cent en de kost."

Het gesprek werd onderbroken door den kleinen Rekso, die de borst vroeg. Djiah nam den kleinen man op, maakte de onderste speld van de kabaja los en hield hem ongegeneerd den tepel der welgevulde borst voor. Gulzig dronk de kleine.

Siman zeide niets. Prawira stak een strootje op.

"Weet je wat", zeide hij, "ik zal een goed woord voor je doen bij den opzichter. En kom jij dan zelf ook of Pah Ran, om te vragen de tjoeké te verminderen, omdat het beschot zoo slecht is uitgevallen. Maar of het wat baten zal?"

"Misschien kan ik wat verdienen," zeide Djiah schuchter.

De beide mannen keken haar tegelijk aan en in Simans oogen blonk iets van erkentelijkheid.

"Dat kan zeker," zei Prawira, "in het pakhuis te Herea bijv. is nu wel wat te doen; van 't jaar is veel padi binnengekomen. Als je wilt, kan ik wel vragen aan den opzichter of hij je gebruiken kan."

"Ja, doe dat," klonk het zacht uit Djiah's mond, toen plotseling Siman ruw inviel:

"Neen, ik wil niet. Ik wil niet. Praat er niet meer over, want je zou mij boos maken."

Toen vervolgde hij: "Ga jij morgen weer terug naar Herea?"

"Ja," antwoordde Prawira.

"Dan ga ik met je mee. Misschien wil de opzichter ons wel helpen."

In de opzichterswoning te Herea was een vroolijk gezelschap bijeen. Het was een nederige woning, waar de geëmployeerde Van Affelen in huisde. Op een gecementeerden vloer verhief zich het van bilik [130] opgetrokken huis, dat uit drie gesloten vertrekjes, een kantoortje, een slaapkamer, een eetkamertje en een open voorgalerij bestond. Het was er een rommel, zooals gewoonlijk in jongelui's huishoudentjes. In de voorgalerij stond een zwarthouten ronde tafel, op het blad waarvan tal van jeneverkringen plekten. Rond de tafel zaten vier mannen, de drie jongeren ietwat angeheitert, achter de bitterglaasjes. Het liep tegen etenstijd. Op de voor deze bijzondere gelegenheid met een hagelwit laken gedekte tafel dampte reeds de warme rijst.

Van Affelen voelde zich wel gewichtig als gastheer. Het was de eerste maal dat "de baas" hem de eer aandeed bij hem te rijsttafelen. Het trof wel toevallig samen dat ook De Leeuw van het district Alas Bamboe en Zevenaer, de collega van Sikarang, bij Van Affelen waren. Hij had hun een uitnoodiging gezonden dezen dag bij hem door te brengen, ter eere van zijn verjaarfeest. De baas, Nederman, was op tournee en, te Herea aangekomen, vond hij het clubje jongelui bijeen. Nederman was voor zijn employé's geen kwaad chef. Hij zelf was liever lui dan moe en een licht kon hij bezwaarlijk genoemd worden. Zijn superioriteit op het land ontleende hij uitsluitend aan het in zijn handen gesteld gezag. Nederman kende slechts één streven: de tevredenheid der eigenaren te verwerven door groote opbrengst. Hoe die verkregen werd, kon hem weinig schelen. Hij wist wel dat de eigenaren hem nimmer om verantwoording zouden vragen, waarom de winsten zoo ruim waren. Als de tjoeké dus geregeld en ruim binnenkwam, was Nederman tevreden. Aan lectuur of aanspraak had hij geen behoefte; zijn onwetendheid was daarvoor te groot en geen zucht naar kennis verleende degelijkheid aan zijn karakter. Hij had slechts één hartstocht: meiden. Hij was getrouwd, dat is waar, maar zijn vrouw was weinig meer dan een huishoudster, dochter van een Chineesche, in ontwikkeling met haar moeder gelijkstaande. De "njonja besar", werd ze spottend genoemd. Maar dit huwelijk belette hem niet om jonge meiden op de besaran [131] te brengen, voor een nacht of voor langer. Mevrouw bleef bij hem, omdat ze het goed had en wachtte er wel voor zijn ontstemming op te wekken door een naijver, dien zij trouwens had moeten huichelen. Zij wist heel goed dat Nederman zich niet ontzag in tal van desa's de gastvrijheid der koewoe's te misbruiken door hun woningen te beschouwen als plaatsen van rendez-vous. Maar wat deerde het haar? Zij had een veel te gemakkelijk bestaan, bij haar blanken echtgenoot, dan dat zij dit in de waagschaal zou stellen door hem onaangenaam te zijn. Waar het prestige bleef van den administrateur, bij employé's en bevolking, vrage men niet.

Zevenaer, de "jonker", zooals hij genoemd werd, omdat hij door de landeigenaren, die een jonkerkliek vormden, als presenthaasje was uitgestuurd, was een heel gewoon type van een gansche categorie Hollandsche jongelieden in Indië, een boemelaar, met weinig liefde voor het nieuwe vaderland, waar hij gedurig op schold; een van de velen, die "aan de zuip" raken en door een geheel verkeerd begrepen wilden echt in den loop der jaren "totaal naar den bliksem" gaan.

De Leeuw was een Indische jongen, zeer bruin van kleur, driftig en opvliegend; een van die Indo's, gesproten uit den echt van een blanken vader en een Javaansche moeder, en later door den vader erkend. Hij bezat de meeste ondeugden van zijn soortgenooten, maar had in hooge mate de deugden van het ras zijner moeder: gastvrijheid, behulpzaamheid, vriendelijkheid. Van zijn vader had hij een dorst naar kennis meegekregen, te meer voelbaar, waar hij slechts weinig geleerd had. De Leeuw kon uitmuntend met het volk omgaan, welks taal hij vloeiend sprak, dat hij begreep en dat hem begreep.

Van Affelen eindelijk, de "nieuweling", was eerst een maand of zes in zijn afdeeling, maar had zich reeds ontpopt als een streber. Hij zou en moest carrière maken, was despoot en hardvochtig.

"Nog een bittertje, meneer Nederman?" vroeg hij met zijn nog niet vergrokte stem.

"Dankje."

"Kom, neemt u er nog een? Niet? Nou, een halfje dan."

Met schonk hij in, een halfje, dat meer op heel dan op drie kwart leek.

"De bitter is puik. Oranje. Vindt u 'm niet goed?"

"Hij is heel goed," zei Zevenaer effen, terwijl hij zich bediende. "Het is hier een goed land!"

Men lachte.

De Leeuw stak een sigaar op.

Zevenaer stond op. Hij wilde blijkbaar speechen. Men zou het ten minste hebben kunnen opmaken uit zijn gewichtig gezicht en uit het tikken aan zijn glas.

"Ben je mal, Jonker," riep De Leeuw, "wou jij speechen, man? Dat doen we niet met bitter. Wacht maar, aan tafel krijg je bourgogne. Dan kun je vertellen wat je te zeggen hebt."

"Ik wou toch wel even op de gezondheid van onzen vriendelijken en zeer geacht ...."

"Ho stop, geen speech, man, geen speech. Hou je toet nu maar."

"Maar apropos, wat denken jullie van de rijsttafel? Ik krijg honger!" viel de baas in. "Dan kan Zevenaer zijn hart luchten."

Van Affelen was al opgestaan.

"We kunnen onmiddellijk aan tafel gaan, mijnheer. Mag ik u voorgaan?"

Door het "kantoor" kwam men in de eetkamer.

"'t Rommeltje wel hier, zeg, Van Affelen," merkte De Leeuw op; "'t Is er bij mij nog mooier."

"Dat komt," zei Zevenaer, "dat komt omdat Af nog niet getrouwd is, zie je. Met de vrouw des huizes komt de orde."

"Dat zien we bij jou," viel De Leeuw schamper uit, maar de opmerking ging verloren door het stoelengeschuifel.

"Wilt u aan het hoofd plaats nemen, mijnheer Nederman?"

De jongen bracht de rijst rond, eerst bij Zevenaer.

"Halo, Soerja, toean besar doeloe! [132]" stoof Van Affelen op.

Zevenaer, die aan het opscheppen was, hield op.

"Och wel neen," viel Nederman in, "maak nu toch geen complimenten."

"Waarachtig wel. Houd me ten goede, mijnheer; maar anders leert de lummel het nooit."

"Och, leg nu niet te hannessen," riep De Leeuw. "Allo vooruit. Kom maar met den wijn. 't Is wat moois, er staat, potdori, nog niks op tafel. Hier, jongos, anggoer, bawah anggoer. [133] Bedienen kunnen we ons zelf wel," en hij nam de jongen de rijstschaal uit de hand.

Soerja was al heelemaal den kop kwijt.

"A propos, Van Affelen, wat hoor ik, wou je gaan trouwen? En wie is het slachtoffer?"

"Trouwen, ben je gek, ik denk er niet aan."

"Zevenaer beweert het toch."

"Nou ja, trouwen, trouwen. Dat moet je nu niet al te ideaal opvatten. Hij trouwt over de puthaak. Ze zijn bij mij al aan het zoeken, op de afdeeling, naar een njonja ziender."