Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 5
"Maar dat is bijna misoogst!" brak Pah Ran los. "Dat kan niet, je zal wel fout gerekend hebben."
Prawira was op zijn teenen getrapt.
"Doe jij het dan maar beter," wierp hij er stuursch tegen.
Prawira had werkelijk goed gerekend. De opbrengst van de "minder goed geslaagde sawahs" van Sikarang had precies 3,69 kattie bedragen, volgens dien staat.
"Maar," zeide Siman schuchter en hij was bevreesd voor de conclusie, die hij zelf trok, "er zijn natuurlijk stukken geweest die veel meer dan dat hebben opgebracht, want jij, Mas, hebt maar een gemiddelde berekend; en als dat zoo is, dan zijn er ook sawahs geweest die minder, en andere, die heel wat minder hebben opgebracht ...."
De anderen zwegen. Alleen Prawira knikte.
Toen barstte Pah Ran uit: "Maar dat is laag, dat is gemeen ...!"
"Och, wel neen," zeide Prawira schamper, "dat komt elk jaar voor. Het is maar knevelarij, zoo heet het in het reglement, zegt het boekje van mijnheer Hazelaar. En je merkt het niet, begrijp je. Er wordt hier een beetje gestolen, en daar nog wat; maar altijd kleine beetjes. En nu heb ik dat nagerekend, maar anders merk je het niet eens. Maar zoo kun je alles narekenen, dan zul je telkens zien dat de landheer altijd meer vraagt dan waarop hij recht heeft."
"Maar," zei Rekso, "het kan toch ook wel zijn dat de landheeren te laag getaxeerd hebben?"
Prawira lachte spottend.
"Dat behoef je niet te denken, Pah. Dat doen die blanda's [99] niet. Wat raakt het hun of jij en anderen kreveeren van den honger? Neen, Pah Rekso, in filantropie doen ze hier niet. Een particulier land is er niet als liefdadige instelling. En je weet nog lang niet alles, jullie nieuwelingen. Jullie denkt er niet aan, dat van het aandeel van den landheer nog geen vijfde deel is afgetrokken wegens de indroging van de natte padi. Jullie denkt er niet aan, als je die vrijwillige overeenkomsten sluit, dat je ook nog een zesde deel van je padi moet geven voor stamploon."
Prawira wond zich op. Hij was au fond een goede knaap en revolutionair gezind en het ergerde hem, dat zijn landgenooten zoo werden geschoren. Hij kon dit nagaan, en hem liet het niet, als de meesten, lauw.
"Jullie zijn toch ook stomme kerels; eigenlijk verdienden jullie niet beter. Wat drommel, waarom teekenen jullie ook die vrijwillige overeenkomsten? Je moet weigeren. Alleen padi leveren en bij weging en anders niet. En als jullie nu maar eensgezind zijt en allemaal zoo doet dan kan de assistent-resident je ook niets maken."
Prawira wist echter, gelijk nog blijken zal, ook niet alles, bij lange niet. Zoo is het verhoudingscijfer voor de verkrijging van rijst uit padi, waar de normale coëfficient op O,54 gesteld moet worden, veel te hoog genomen. En een berekening, op papier, van veertig katties rijst per picol natte padi met 20 % breuk is absurd hoog.
Er was een gedrukte stemming gekomen over de aanwezigen; buiten hoorde men het fladderen der tjodots [100] in den manggaboom en in de verte blaatte klagelijk een geit. In het kleine vertrekje walmde het flikkerende olielichtje. Het was reeds vrij laat. De vrouwen waren successievelijk verdwenen en hadden zich ter ruste gelegd.
"Ik wou je nog wat vragen," zei Pah Rekso tot Prawira, die een strootje gerold had; "je weet dat onze overeenkomsten worden ingeschreven op het kantoor van den assistent-resident, ten minste dat is mij gezegd door den koewoe. Die kan de dingen, die jij me vertelt, toch ook wel weten?"
"Hij zou het kunnen weten, ja meer: hij zou het moeten weten, maar die kandjeng daar te Telatiga weet niets. Hij teekent de overeenkomsten maar raak weg, geloof ik. Anders zou hij toch niet overeenkomsten teekenen voor het land Telatiga, waarbij uitgegaan wordt van een maatstaf van 33 katties rijst per picol natte padi, terwijl hier 40 katties wordt geëischt? De assistent-resident is geen goed bestuursman. Hij doet te weinig, hij houdt niet van soesah. Hij wil het altijd seneng [101] hebben, en dat kan toch niet als je assistent-resident bent."
De inconsequentie bij het registreeren van de overeenkomsten met de opgezetenen van Alas Bamboe en Telatiga gesloten, heeft ook anderen dan Prawira getroffen. Zij zal den lezer evenzeer treffen, wanneer hij zich de moeite wenscht te geven op die basis na te rekenen, zich houdende aan den hiervòòr medegedeelden staat dat in 19 .. aldus de opgezetenen van een vierde gedeelte van den gecultiveerden grond op het land Alas Bamboe voor ruim vierhonderd picols rijst werden bestolen!
Het was al heel laat toen Prawira opstapte, met het vaste voornemen weerom te komen. Om Mariam.
Het was midden Juni. Fel blakerde de zon de gouden velden. Reeds was men overal in den omtrek aan het oogsten. Weldra zou ook de dag daar zijn, dat Mah Ten en de meisjes de sawahs zouden ingaan. Drie dagen geleden had Pah Ran aan den koewoe kennis gegeven, dat zij weldra de padi zouden snijden. En den volgenden avond was Sastrawidjaja, de mantri-tjoeké, bij hen geweest.
Zoo'n mantri-tjoeké is een ondergeschikte van den landheer, die er voor te zorgen heeft dat het aandeel van den eigenaar, het vijfde gedeelte, bij den oogst ook werkelijk wordt afgezonderd. Dit werk is niet gemakkelijk, al lijkt het zoo eenvoudig dat men van elke vijf bossen padi er één voor den landeigenaar op zijde zet, en hiervan aanteekening houdt. Het kost heel wat tijd in de eerste plaats en het vordert groote oplettendheid. Immers, de landbouwer betaalt even ongaarne belasting als de meeste andere menschen en met anderen heeft hij gemeen de zucht om aan de verplichting tot betalen te ontkomen, als hem dat maar even mogelijk is. Hij zal zijn best doen om de minstwaardige padi als tjoeké af te staan, of minder te leveren dan het vijfde gedeelte van zijn product. Er zijn tal van middelen, die er alle op berekend zijn voor den toepasser voordeel af te werpen. Voor den mantri is het zaak de toepassing te verijdelen. In gevallen van twijfel aan de goede trouw van den landbouwer, van oneenigheid, van onzekerheid, e. d. zal de mantri de gesneden padi wegen, om langs dezen weg het aandeel des eigenaars vast te stellen.
Aan den anderen kant is de aanwezigheid van den mantri voor den landbouwer hinderlijk, vaak hatelijk. Zijn zij geen vrienden, dan maakt de eerste het den opgezetene lastig, kiest de beste bossen uit. De mantri staat gemeenlijk in ontwikkeling een trapje hooger, kan lezen en schrijven, en beschikt over een gezag, voortkomend uit zijn meerderheid en geschraagd door het gezag van den landheer, die achter hem staat. En ook zonder dat eenige animositeit behoeft te bestaan, is de mantri, uit welbegrepen eigenbelang, er op uit, zooveel mogelijk te requireeren. Dat geeft natuurlijk om kleinigheden vaak wrijving.
Er zit voorts nog meer vast aan die tjoekélevering, wanneer de landman zich bij "vrijwillige overeenkomst" gebonden heeft. Het eerste artikel van die overeenkomst bepaalt n.l. dat de sawah-opbrengst bij het rijpen der padi bepaald zal worden naar den maatstaf van het gewicht der gesneden padi van één enkele vierkante Rijnlandsche roede. Wat dit zeggen wil, zouden de bestuursambtenaren moeten begrijpen, wanneer zij niet al hun tijd wijdden aan het opmaken van staten en stukken, om daaruit te doen blijken, hoe goed het in hun gewest, afdeeling of district gaat. Daardoor ontgaat het hun, dat het hun plicht is te weigeren de vrijwillige overeenkomsten tusschen landheeren en opgezetenen op de landen Alas Bamboe en Telatiga te registreeren.
Het gewas toch van een sawah staat niet overal even goed en, is het bezit van den landbouwer uitgestrekt, dan vooral zal de gewichtsbepaling over één vierkante Rijnlandsche roede hem ernstig benadeelen. Want de erfpachter maakt geen deel uit van de met die gewichtsbepaling belaste commissie en de landheer wel, bij delegatie. De commissie bestaat, volgens datzelfde eerste artikel der vrijwillige overeenkomst, uit den mantri-tjoeké, een bezoldigd dienaar van den landheer, en twee leden van het desabestuur. En daar ook de laatsten slechts voordeel hebben te wachten van de goede gezindheid der landheeren, is het niet meer dan menschelijk en begrijpelijk, dat de vierkante Rijnlandsche roede, welke aangewezen zal worden voor de gewichtsbepaling, niet ligt in het slechtste gedeelte van den sawah, noch ook een gemiddelde opbrengst zal vertegenwoordigen. Er zal een gewicht bepaald worden, dat den landman tot een abnormale tjoekélevering zal verplichten, maar daar is dan niets aan te doen, want de bezitter heeft zich immers gewapend met de "vrijwillige overeenkomst", in domheid en onwetendheid door den erfpachter geteekend.
Prawira's berekening heeft reeds laten zien welke inbreuk gemaakt wordt op de wettelijke bepaling, dat slechts het vijfde gedeelte van het product als grondbelasting wordt ingenomen, maar de landheer kan ongestraft elke andere bepaling van het reglement van 1836 overtreden en meer nog: hij kan in zulke gevallen steeds rekenen op den steun van bestuursambtenaren, die, bepalingsslaven, slechts rekening houden met letters en geschreven woorden; hij kan, mochten de opgezetenen hulp inroepen van Buitenzorg, rekenen op de passiviteit van een Gouverneur-Generaal, die het schoone bevel der Koningin om vòòr alles een beschermer te zijn der inlandsche bevolking, niet telt, wetend dat deze lastgeving slechts een frase is geworden en zijn gebiedster hem nimmer ter verantwoording zal roepen, vragend:
"Hebt gij gedaan, wat Ik u bevolen had?"
Op het land Alas Bamboe, dus had Rekso, vóór het teekenen der overeenkomst van den penghoeloe vernomen, moet een halve kattie tjoeké rijst worden opgebracht als de opbrengst der aangewezen roede zes en een vierde kattie natte padi of meer bedraagt. Deze limiet bedraagt op het land Telatiga zeven en een halve kattie.
Waarom de assistent-resident van Telatiga, die de overeenkomsten van beide landen registreert, niet vordert dat eenzelfde maatstaf worde aangelegd, is een vraag, die door velen der minder onontwikkelde opgezetenen meer dan eens wordt gesteld. Waarom hij niet volstrekt weigert die overeenkomsten te registreeren, waar hij mòet weten dat zelfs een grens van zeven en een halve kattie nog te eng is? Dit is de vraag, die ik mij stel. Het antwoord is gemakkelijk te geven. Het luidt voor beider vragen: de assistent-resident is gedekt doordat de opgezetenen zelf de overeenkomsten teekenen.
Hij is gedekt! Dat is het, dat is de groote vloek van deze schoone landen. De ambtenaar verzaakt zijn plicht, verloochent zijn roeping, en wat nog erger is van regeeringsoogpunt: hij benadeelt het land. Maar hij zorgt gedekt te zijn; hij waakt er voor dat niet hem, maar anderen, gemeenlijk hen, die onder hem staan, blaam zal treffen; hij berekent vooruit de middelen, welke hem zullen in staat stellen de schuld van wat er verkeerd liep, te wentelen op anderer schouders. En de belooning voor zijn plichtverzekering vindt hij in handhaving in zijn gezag, dat hij misbruikte. Er zou veel minder verkeerd zijn in Indië, wanneer er slechter ambtenaren waren!
Het vierde artikel der vrijwillige overeenkomst is reeds uit de mededeeling van Prawira bekend. Daarbij worden de grenzen bepaald tusschen vier en een halve en zeven en een vierde kattie natte padi per roede voor een opbrengst van veertig kattie's rijst per picol natte padi. Deze belasting is zwaarder dan die in het tweede artikel genoemd voor een opbrengst van zes en een vierde en meer kattie natte padi per roede. Dit schijnt niet het geval te zijn, maar ìs zoo.
En het is niet meer dan natuurlijk dat de landeigenaren, geraffineerd sluw, in de bepaling der overeenkomst, een voorstelling hebben weten te geven, welke de waarheid bedekt. Immers de productie van een zeer groot deel der rijstvelden beweegt zich tusschen die beide grenzen en het was dus zaak die productie vooral te treffen door een zware belasting, wilde men een nog redelijke inkomst hebben. Dit kan blijken uit de getalverhoudingen van den hiervoor vermelden tjoeké-staat, die reeds een zeer verkeerd beeld geeft van den waren stand van zaken, gelijk Prawira aantoonde en die bovendien een groot aantal sawahs vermeldt als goed geslaagd, welke dien naam niet verdienden, doch waarvan de opbrengst getaxeerd werd.
Maar er zijn sawahs, die een product leveren van minder dan vier en een halve kattie per roede. Hiervan wordt goedgunstig een belasting geheven, op papier, naar verkiezing des landbouwers in padi of rijst. Dit is niet waar, want wie zich den tijd wil gunnen den tjoeké-staat na te rekenen, zal ontwaren dat zulke mislukte sawahs voorkomen in de rubriek der in het vorige artikel bedoelde rijstvelden.
Het was noodig wat langer stil te staan bij den inhoud dier vrijwillige overeenkomsten: zij spelen zulk een groote rol in dit verhaal, zij zijn oorzaak van zooveel leed, dat zij daarom reeds verdienden in haar geheel te worden weergegeven, wat echter deze bladzijden niet aantrekkelijker zou maken.
Sastrawidjaja, de mantri-tjoeké, was dan op dien avond in de woning van Pah Rekso en Pah Ran geweest. Hij was er beleefd ontvangen. Sastra was een oud man, die jaren lang reeds in den dienst der landheeren was. Hij had er velen gekend, en bezat om zijn stalen geheugen en zijn nauwkeurigheid bij de opzichters van Herea grooten invloed; wie met hem oneenigheid kreeg, behoefde op gelijk niet te rekenen. Sastra was zich zeer goed van zijn onmisbaarheid bewust en hij maakte, autocraat als hij was, van zijn macht behoorlijk gebruik.
De desabesturen waren zijn werktuigen, want het kostte hem weinig moeite, met behulp der opzichters, die zoo op hem vertrouwden, degenen, die zijn vrienden niet waren of wilden zijn, het leven zeer onaangenaam te maken. Het was dus geen wonder dat Sastra de reputatie genoot een uitmuntend aanslager der tjoeké te zijn. Inderdaad was dit zoo; maar dat de oude zijn landgenooten benadeelde om zijn meester welgevallig te zijn, durfde niemand hem verwijten. Sastra was zeer kwalijknemend. Onvriendelijkheid en stugheid namen hem onmiddellijk tegen de menschen in. En zoo trachtte men het hem steeds naar den zin te maken en hem in het gevlei te komen. Hij was in Herea de heerscher en had er meer ontzag dan de opzichter, waarvan hij wist te profiteeren. Als de meeste inlanders, die een zekere macht hebben verworven, was hij despoot. Hij liet zich "smeren," zonder zich daarvoor tot iets te verbinden. Hij bezat drie vrouwen, gold voor een kapitalist, was een don Juan en een vrek.
In de woning van Rekso had hij zich met het air van den meester een kopje koffie laten brengen, en met een gewichtig gezicht een aanteekeningboekje voor den dag gehaald, waarin hij de namen van Pah Rekso, Pah Ran en Siman had opgeschreven.
"Hoeveel sawah hebben jullie?" vroeg hij.
"Een bahoe en tweehonderd vier en veertig roeden," antwoordde Pah Ran.
"Nu, ik zal maar opschrijven: anderhalve bahoe; dat is gemakkelijker voor de berekening," besliste de mantri-tjoeké.
"Ja, maar, kang [102], met je verlof," merkte Pah Ran op, "dat is toch nadeelig voor ons."
"Och wat, dat kan hoogstens maar enkele katties schelen, en bovendien, ik zal er rekening mee houden, en ze later van de tjoeké aftrekken."
De anderen zwegen. Er was toch niets aan te doen.
"En," vervolgde Sastra, "wil je dat wij wegen bij proefsnit, of reken je de opbrengst op meer dan 6 1/4 kattie?"
"Neen," zeide Pah Ran haastig, "zooveel krijgen we nooit. Misschien 4 3/4, hoogstens vijf kattie."
Pah Rekso kreeg een hoestbui; hij stond, de keel schrapend, op en begaf zich naar buiten, om een bloederige fluim uit te spuwen.
"Wat heb jij, Pah?" vroeg Sastra, maar deelneming was in de vraag niet te vinden.
Pah Rekso legde de hand op de borst.
"Hier is het niet goed, mantri; de regens hebben me de longen bedorven." Hij kuchte weer. "En nu komt er ook bloed."
"Zoo! Is de doekoen [103] er bij?"
"Ja, nu en dan. Het geeft natuurlijk niets."
Ipah vulde het kopje van den mantri nog eens, en zette een grof glas zonder voet op tafel, waarin kaoeng-strootjes.
"Is dat je dochter?" vroeg Sastra op de vertrekkende deern wijzende, aan Pah Ran.
"Neen, dat is Ipah, het oudste meisje van hem daar," antwoordde de aangesprokene. "Ik heb maar een dochter; die is getrouwd met Siman, hier."
"Hm. Maar à propos van de tjoeké ..." Sastra dronk langzaam een teug van de zwarte koffie. Toen nam hij een strootje uit het glas op tafel, tikte tegen het blad, blies er in, en stak het bedaard aan. "Je begrijpt dat wij bij proefsnit moeten bepalen. Nu heb ik gehoord dat, in het oosten, bij de rantja [104], je padi heel mooi staat. De koewoe heeft verteld, dat jullie er goed voor hebt gezorgd dat het water niet op het veld bleef. Dat is ferm. Maar nu kunnen wij dáár een roede snijden ..."
Hij zeide den laatsten zin langzaam, met veel nadruk op elk woord.
"En dan?" vroeg Siman gretig, toen de ander ophield.
"Wel, zie je, de opbrengst daar is zeker meer dan zes en een kwart kattie en je zou dus drie en driekwart picol tjoeké-rijst moeten opbrengen."
"Maar," kon Siman zich niet bedwingen op te merken, "dat is niet overal zoo op de sawah. Om de noord staat ze erg schraal. Daar is hama oeret [105] geweest. En ook op de andere stukken kunnen we nauwelijks op vier kattie rekenen. Er was hama poetik door de vele regens van het jaar."
"Ja, maar dat geeft je niets. De landheer mag zelf aanwijzen, welk stuk voor de tjoeké moet worden gesneden."
"Maar er zijn toch ook nog de leden van het bestuur van de desa; die kunnen toch ook wat zeggen?" verweerde zich Pah Ran.
"Jullie bent hier nog niet lang," zeide Sastra kalm. "Pah Djaja en Marto van het bestuur moeten wel doen wat de landheer wil, begrijp je. En ik ben in dienst van den landheer. Als ik niet veel tjoeké binnen breng, word ik ontslagen. Hoe graag ik jullie ook zou helpen, ik moet wel het beste stuk laten snijden," huichelde de mantri.
"Maar, kang," klaagde Pah Ran, "dat is toch verschrikkelijk, dat is toch niet zooals het moet? Wij kunnen bij den kandjeng assistent-resident klagen."
"Doe dat maar niet," zeide de ander, "het zou een vergeefsche reis zijn, want hij onderzoekt de klacht niet eens. Dat hebben er al zooveel gedaan, geklaagd. Maar het gaf ze niets. De toean assistent zeide: jullie hebt immers zelf geteekend? En daaraan heeft hij toch ook gelijk."
"Er is dus niets aan te doen."
"Misschien wel, maar daar heb ik veel soesah mee; ik zou het voor jullie, omdat je nog vreemd bent, wel willen doen, maar dan moet ik den landheer toch eigenlijk misleiden. Ja, het geeft veel soesah."
De wenk werd begrepen.
Er heerschte zwijgen, slechts onderbroken door het kuchen van Pah Rekso. De anderen zaten te berekenen hoeveel de welwillendheid van Sastra hun zou kosten, met blikken van verstandhouding elkander aankijkende. Sastra slurpte loerend zijn koffie en stak een nieuw strootje op. Eindelijk zeide Pah Ran:
"Kijk eens, Sastra, wij willen natuurlijk niet dat je kosten voor ons maakt. Wij zijn je heel dankbaar voor je hulp, maar je moet ons veroorlooven dat wij de kosten, die je daarvoor maakt, vergoeden."
"Goed," zeide Sastra, "dat verrekenen we wel na den oogst. Dus geen proefsnit. Ik zal dan maar opschrijven dat de oogst geschat is op vier en een halve kattie."
Zoo deed hij.
"Snijdt dan maar," vervolgde hij, het notitieboekje in den zak van zijn zwart jasje stekend. "En breng dan maar de tjoeké-rijst naar het pakhuis te Herea."
Daarmede stapte Sastrawidjaja op. Met een korten groet verliet hij de woning.
"Wij hebben toch nog oentoeng," zeide Siman.
Maar zijn oude vader schudde het hoofd. "Ja, jongen, je hebt nu een beetje oentoeng; dat wil zeggen je zoudt meer hebben moeten opbrengen, wanneer de mantri zich niet liet omkoopen. Maar ik ben bang, dat wij niet de twee en twintig en een halve picol padi zullen oogsten per bahoe, waarop de opbrengst nu geschat is. Ik ken den groei hier nog niet, maar hij lijkt mij arm. En de vele regens zullen geen goed gedaan hebben. In Tjidamar is het anders. Wat de regen er bederven zou, maakt de grond weer goed. Ik ben bang, dat vele aren dood zullen zijn."
"Kom vader, u maakt u veel te bezorgd. Wij zullen een goed product krijgen, daar ben ik zeker van. Wij kunnen op wel dertig picols padi rekenen, van het geheele stuk, bedoel ik, na aftrek van tjoeké, stamploon, enz. En als we daar dan twaalf picols mooie witte rijst van krijgen, dan hebben we ruim zeventig gulden te wachten. Nog niet eens de palawidja meegerekend. Het volgende jaar kunnen we dan een stukje sawah meer er bij halen, een halve bahoe dacht ik. Dan hebben we net twee bahoes. Kom, vader, het hoofd niet laten hangen; het zal best gaan."
De oude was evenwel niet op te beuren.
"Palawidja, zeg je? Daarvan komt hier in Gatok niets terecht. Te veel zout in den grond, zeggen ze hier, en geen water. Neen, het gaat verkeerd. En het is mijn schuld. Wij hadden in Tjidamar moeten blijven."
Pah Rekso had weer een van zijn zwaarmoedige buien, die in den laatsten tijd menigvuldiger dan ooit voorkwamen.
"Wij zijn dom geweest," zeide hij, "erg dom, dat we die vrijwillige overeenkomst hebben geteekend. Als wij het niet gedaan hadden, zouden wij padi hebben kunnen leveren."
"Nou ja, Pah," viel Pah Ran in, "dat is nu gebeurd en het geeft niets er nu nog over te zeuren. En bovendien, het scheen ons toen toe voordeeliger te zijn."
"Ja ja, het scheen zoo," antwoordde de oude koppig. "Dat zou ook een bewijs zijn van onze domheid, als we niet gedwongen waren geweest om te teekenen."
"Maar, Rekso," zeide zijn compagnon, die niet wilde toegeven, "nu praat je toch maar wat. Wij hebben die overeenkomst toch vrijwillig geteekend!"
"Je bent nog dommer dan ik, Ran. Dat had ik niet gedacht. Herinner je je dan niet meer, dat wij voorschot hebben gekregen om zaadpadi te koopen? Negen gulden hebben we gekregen. Dat moet je ook nog terugbetalen aan den landheer. Noem je dat geen dwingen?"
"Wel neen, natuurlijk niet. Wij hadden zelf nog wel geld, om zaadpadi te koopen. Dat hebben wij natuurlijk niet gedaan, toen wij voorschot konden krijgen. Maar bovendien: van Tan Boen Ho hadden wij óók padi kunnen krijgen."
"Zeker, maar voor de anderhalve picol padi, die wij noodig hadden, zouden wij anderhalve picol rijst moeten teruggeven, goede tjoekérijst. Alsof dat dan niet nog veel bezwarender is! Niet gedwongen?! Pjoe! [106] de toean ziender heeft ons niet voor niets gezegd dat we voorschot konden krijgen als wij teekenden. De landheer moet er wel voordeel van hebben, als hij ons met voorschot helpt. Voor niets helpt niemand. En dan met zooveel, met negen gulden! Aan vijf gulden hadden wij ruim genoeg gehad."
"Maar vader," protesteerde Siman, "dat is toch onbillijk. Wij hadden het toch niet behoeven aan te nemen?"
"We hadden toch onkosten met je trouwen, jongen; je huisje was ook nog heelemaal niet ingericht. En Djiah mocht toch waarachtig wel een slendang [107] hebben, en het plantloon kon er ook mee betaald worden."
"Nou ja," zei Pah Ran, "maar wij hebben toch ook andere voordeelen gehad. Wij behoeven geen tuinhuur te betalen, heeft de toean ziender gezegd, geen tjoeké van de katjang [108] en andere palawidja."
"Juist," barstte Pah Rekso kuchend los, "dat is het. Dat is het wat ik dwingen noem. Ze hebben ons met allerlei moois gepaaid, toen we nog vreemd waren als een karbouw in een nieuwe kraal. Wij hebben gedacht dat het heel wat moois was, die vrijstelling van tuinhuur, en die vrijstelling van vischtjoeké bij de aftapping van setoes. Wat voor vrijstelling is er nog meer? O, ja, we mogen vrij visschen in de rawahs [109] en de rantja's [110], en ook mogen wij visschen in de waterleidingen. Het is prachtig. Maar het visschen is bijna niet te controleeren en de palawidja mislukt hier elk jaar, dus van tjoeké daarvan zijn wij van zelf al vrijgesteld. Ik begrijp niet dat jullie dan niet inziet, dat wij feitelijk gedwongen zijn om te teekenen, als een kind, dat met een koekje gedwongen wordt om obat [111] in te nemen."