Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 4

Chapter 43,851 wordsPublic domain

"Ik heb gehoord," zei Rekso, de kalmste en meest wijsgeerige van hen allen, "dat de landheer ons wel wil helpen, maar niet kan, omdat er geen geld is. Dat wil zeggen, geld zal men natuurlijk wel hebben, want het land moet erg groot zijn en dus wordt er veel tjoeké ontvangen, maar de eigenaren willen niets afzonderen voor de irrigatie, begrijp je?"

"Hoe weet je dat zoo, Pah?" werd hem door Siman gevraagd.

"Ik heb het van den koewoe gehoord, mijn jongen. Deze toean besar moet voorgesteld hebben om leidingen aan te leggen uit de Tjikoembang--die rivier ligt hier ver vandaan, in het district Goenoeng Lawang, waar precies weet ik niet. Maar het zou heel veel geld kosten, misschien wel tienduizend gulden. En nu zegt de koewoe dat de landeigenaren er geen ooren naar hebben."

Pah Rekso wist er niet veel van, maar in de desa vraagt men niet naar betere inlichtingen. De zaak zat eenigszins anders. Ruim twintig jaar geleden had de toenmalige administrateur van het land Alas Bamboe een ingenieur ter hoofdplaats van het gewest verzocht een ontwerp te maken van een irrigatiestelsel voor de meest daaraan behoefte hebbende districten, door aftapping van bevloeiingswater uit de Tjikoembang. De ingenieur stelde een grondig onderzoek in en maakte een uitgewerkt ontwerp op. Dit is evenwel nimmer van het papier losgekomen. Later is door een anderen administrateur,--deze werd door den koewoe bedoeld--den heer Nederman, de directie te Batavia weder op de kwestie gewezen. De directie deinsde natuurlijk voor de kosten terug en weigerde, even natuurlijk, het werk te doen uitvoeren. Er was drie en een halve ton mede gemoeid, en men wenschte er zelfs geen duizend gulden aan te besteden. Het kon van de gemiddelde winst van ruim twee ton gouds per jaar niet af. De gevolgen van deze ... kortzichtigheid--zoo zal ik het noemen--blijven natuurlijk niet uit. Men kan gerustelijk beweren, zonder vrees voor overdrijving, dat in Zuid-Herea, waar de magere gronden nooit een goed product geven, elk jaar in meerdere of mindere mate honger wordt geleden; dat daar elk jaar lieden zijn, die eens per dag eten, eens in de twee dagen misschien. Hoe een groot deel van de bevolking er dan leeft, zal later wel blijken.

Dien avond ging men vroeg ter ruste: den volgenden morgen wachtte weer werk, als het niet ophield met regenen. Pah Rekso voelde zich niet goed. Hij had een zware koude gevat, maar met de zorgeloosheid van den inlander wijdde hij daaraan slechts matige aandacht. Drie dagen later echter werd hij geplaagd door een beklemming op de borst en pijn in de longen. Hij begon te hoesten en te kuchen en moest aanvallen van voorbijgaande benauwdheid verduren. Nog achtte men de ziekte niet erg. Eerst toen hij na een week begon bloed te spuwen, maakte zijn omgeving zich ongerust. Een groote maand lang was Pah Rekso niet tot werken in staat. Toen hij zich eindelijk hersteld waande, zag hij er uit als een geest. Zijn gelaat was ingevallen, zijn oogen stonden flets, diep in de kassen. Hij kuchte nog steeds. Rekso zelf begreep zeer goed welke ziekte hij had: de tering, waartegen ook in de desa geen kruid gewassen is en die menigvuldiger voorkomt onder de inlanders dan men oppervlakkig wel meent.

Ook zijn gezin en de anderen beseften wat die droge kuch beduidde. Zij schikten zich in het onvermijdelijke. Het stond geschreven. Allah wilde het. Alleen Ten klaagde. Waarom had men ook Tjidamar en de bergen verlaten? Het was een straf van Allah, die niet wil dat de menschen het land verlaten, waarin hij hen heeft doen geboren worden. Siman volgde met groote bezorgdheid de vorderingen der sloopende ziekte, waarvan hij de schuld wierp op de landeigenaren, die weigerden de bevolking irrigatie te schenken.

De veldarbeid kwam thans geheel ten laste van Pah Ran en Siman. Zij hadden er de handen vol aan. Wel had Pah Rekso zich aangeboden voor diverse werkzaamheden, maar daar wilden de anderen niet van hooren. Later, zeiden zij, later, als hij weer geheel hersteld was, kon hij weer mee naar het veld. Maar niemand was er, die geloofde dat dit nog zou gebeuren.

De regens hadden opgehouden. Het weder was gunstig en de oogst liet zich goed aanzien. Het liep nu tegen Mei. Laat in Juni, dus berekende Siman, zouden zij den eersten oogst binnenhalen, die beloofde mede te vallen. Hij bouwde zich luchtkasteelen, de jonge man. Zij zouden de rijst van hun petahs [86] verkoopen en er inferieure voor terugkoopen, want zij voor zich behoefden geen rijst van zes gulden de picol te hebben. Er zou dan een kleine winst op overschieten en met het goed geborgen geld, dat er nog was, kon men allicht zich een buffel aanschaffen, zonder dat de geheele kas werd uitgeput--want er zouden nog andere uitgaven bestreden moeten worden. Djiah toch was zwanger en de bevalling werd verwacht tegen Juli. Het kwam wel niet zeer gelegen, want zeer waarschijnlijk zou men dan nog niet met den oogst gereed zijn, maar daar was natuurlijk niets aan te doen.

Siman en Djiah beiden wenschten een jongen: dat gaf dadelijk meer aanzien en oentoeng. Een jongen was altijd oentoeng. Een meisje gaf meer last dan pleizier en was niet zoo vroeg voor het werk geschikt. Siman had al eens aan de doekoen [87] gevraagd of zij niet kon zeggen of het een jongen of een meisje zou zijn en de wijze vrouw had hem naar verschillende zaken gevraagd om au fait te zijn. Met welke maan ze getrouwd waren, en of Djiah dadelijk zwanger was geworden, en nog tal van intieme dingen. Zij was Djiah ook komen opzoeken om naar den omvang van den buik de kansen op een mannelijk kind te berekenen. Zij had om koffie gevraagd en daarover druk gebeden gepreveld, waarna Djiah ze in eenen had moeten uitdrinken, nadat de doekoen haar den buik en den rug had betast en gepidjit. [88] Zij had Djiah opgedragen te zorgen niet in den maneschijn te loopen, want dat zou onvermijdelijk een meisje ten gevolge hebben. Toen de wijze vrouw heenging, zeide zij nog, elken vijfden dag menjan [89] te branden en gaf nog wel twintig andere aanbevelingen meer. Nu was ze gedekt. Werd het geen jongen, welnu dan zou ze zich kunnen beroepen op het een of andere verzuim. Want geen mensch zou hebben kunnen onthouden en nakomen wat Mah Itam allemaal had voorgeschreven.

En zoo was er dan reden tot vreugde in het gezin. Alleen de toestand van Pah Rekso wekte steeds meer bezorgdheid. De man teerde zichtbaar uit. Zijn bezigheden thuis bestonden in het maken van vogelkooitjes en het vlechten van manden, hetgeen hij de kleine Djirah nu ook had geleerd. De anderen schikten zich in den toestand en de ouderliefde, bij den Javaan zoo ontwikkeld, omringde den ongelukkige met kleine gerieven.

Djamin deed voorloopig niet veel. Tot ingespannen veldarbeid was hij nog niet in staat. Trouwens, nu er slechts gewacht werd op den snijtijd, was er niet veel werk meer op de velden. De regentijd was normaal verloopen en afgewisseld door het schoonste zonneweer, dat de aren deed zwellen door de rijpende vrucht. Siman, die in den geest reeds den karbouw op zijn erfje zag, had Djamin reeds den rol van botja angon toegedacht.

Toen brak de panèn [90] aan, de eerste oogsttijd voor de nieuwe kolonisten; zij waren vol goeden moed, want de halmen bogen onder het gewicht.

Heeft een van mijn lezers wel eens den panèn meegemaakt op het land te midden van het volk? Welk een vroolijken aanblik hebben dan de velden, als het goudgeel van het graan doorspikkeld is van de roode, blauwe, groene en witte vlekken der vrouwenbaadjes; als heel het landschap in volle rijpheid leeft en trilt. De anè-anè, het kleine mesje, verborgen in de handpalm der snijdsters, klikt en klikt tegen de halmen. De wind suist door de strak-heete lucht en ritselt in de padi. Over het land welft zich een helderblauwe hemel. De snijdsters zingen al maar voort onder het werk, soli en koren in droefgeestige modulatie. De jongeren lachen en dollen en verzuimen het werk niet. Stap voor stap schrijden zij voorwaarts; wat van de aren valt uit de linkerhand, wordt bijeengezocht door de lezers, knapen en meisjes. De koperen zon met haar schroeiende stralen deert het volk niet. Vaak zijn zij van verre gekomen, en zij, die heden hier aan den arbeid zijn, zullen voor een deel althans, morgen elders, wat zoeken te verdienen met den oogst. Des avonds is er rameh [91] in de desa. Dan speelt de gamelan. Het zweet der dampende lijven is weggewasschen aan bron of leiding, de kondeh is, vet van klapperolie, in stevige wrong gedraaid; de mooie badjoes worden ten pronk gedragen door de meisjes. Men snoept de helft van het schamel snijloon weg aan de vele wandelende winkeltjes, welker eenige illuminatie bestaat in een walmend oliefleschje. Dan is het een goede tijd voor de jongelui, want er zijn lieve bekjes onder de verre geburen.

Niet alzoo is de panèn op Alas Bamboe en het was een groote teleurstelling voor Siman en Djiah en de beide meisjes, Ipah en Mariam, vooral, dat er van rameh en gamelan niet veel te merken was. Dat was in de Preanger, zelfs in het armoedige Warnaleutik, toch anders geweest.

De ouderen hadden den anderen geest, die op Alas Bamboe onder het landvolk heerschte, wel opgemerkt. Men was hier passiever, gedrukter. De stemming was zoo'n heel andere als daar ver weg in het zuiden over de bergen, dat zij waarlijk een soort van heimwee kregen naar de vervallen kluis in Tjidamar.

Zij begrepen nog niet dat de panèn op Alas Bamboe de aanvang is van een periode van veel leed. Zij kenden dat leed nog niet en geloofden ook niet de droeve verhalen van knevelarij en afpersing, hun door de desalieden gedaan. Dat moest wel overdreven zijn.

Reeds maanden geleden hadden Pah Rekso, Pah Ran en Siman de vrijwillige overeenkomst, waarbij zij zich verbonden hun contingent tjoeké te leveren in rijst, geteekend en zij hadden in hun domheid gemeend den landheer nog te moeten prijzen dat hij zoo goed was hen daartoe in staat te stellen. Zij toch meenden voor zich daar voordeel in te zien.

Hun sawahs waren niet onder die, welke door den landheer gerekend werden te behooren tot de "goede gronden", waarvan het product wordt getaxeerd--door den landheer--op 6 1/4 kattie [92] per roede of 31 1/4 picols natte padi per bahoe, maar daar stond tegenover dat zij weer minder tjoeké zouden behoeven te betalen. En nu hadden zij bovendien de stille hoop dat zij meer van den grond zouden kunnen maken dan de taxatie en in dat geval zouden zij bij het teekenen der "vrijwillige overeenkomst", waarbij het te leveren contingent vooruit werd uitgemaakt, in het voordeel zijn.

Desagenooten beweerden wel dat die vrijwillige overeenkomsten afgedwongen werden, maar Pah Rekso en de zijnen, die daarvan voor hen zelven nog niets gemerkt hadden, waren geneigd hun zegslieden te houden voor aarts-mopperaars, menschen, zooals men die overal vindt en wien niets naar den zin gemaakt kan worden.

Op zekeren avond echter was Pah Ran thuis gekomen met een verontrustende mededeeling. Hij was op bezoek geweest bij een desagenoot en daar had hij toevallig een djoeroetoelis van den opzichter van het district Herea ontmoet. Men was in druk gesprek geraakt; Mas [93] Prawira bleek een onderhoudend prater, die meer wist, veel meer, dan de desalieden om hem heen: hij kon lezen en schrijven, was jong en minder conservatief dan zijn omgeving. Hij had een aangenaam uiterlijk, wat hem door de meisjes als een deugd werd aangerekend. Nu, een Don Juan was Prawira niet, al mocht hij graag in mooie oogen kijken.

Hij werd gaarne gezien in de woning van zijn neef Djeni, in Gatok, wiens vrouw overal met hem blufte. Het was maar goed dat zij niet de minste bekoorlijkheid meer bezat, anders was de vriendschap van Djeni voor zijn heer neef wellicht ras bekoeld. Nu was er geen gevaar.

Prawira nu had aan zijn hoorders rare dingen verteld. Hij had hun met een gewichtig air gevraagd of zij zich nog herinnerden den landraadspresident te Telatiga, mr. Hazelaar?

Djeni had verklaard van niet, waarop Prawira zijn geheugen had gescherpt door te herinneren aan verscheidene strafzaken van lieden, die zij beiden kenden. Ja, toen was bij Djeni de herinnering levendig geworden.

Nu dan, had Prawira gezegd, mr. Hazelaar, die zoo vaak bewezen had het wèl te meenen met de lieden, wier ondeugden hij geroepen was te bestraffen, had een boekje geschreven in het Maleisch, waarin hij uitlegde welke verplichtingen de opgezetenen hadden na te komen, maar ook welke rechten zij bezaten.

De nieuwsgierigheid was geprikkeld. Vooral Pah Ran, die nog vreemdeling was om zoo te zeggen, had veel belangstelling getoond. Hij had nog nooit eenige rechten bezeten, was zich deze althans nooit bewust geweest, gesteld dat zij bestaan hadden of nog bestonden.

En Prawira had hun, zoo goed als hem mogelijk was, uitgelegd dat de landheeren veel meer van hen vorderden, aan tjoeké voornamelijk, dan waarop zij aanspraak konden maken. Hoe dat alles verband hield met de bepalingen van een zeker reglement, dat er bestond voor de particuliere landen, wist Prawira echter niet te zeggen, maar hij was toch overtuigend genoeg geweest om bij Pah Ran, die nog al spoedig onder een indruk kwam, een gevoel van wantrouwen te doen opkomen, dat hem nu niet zoo spoedig verliet.

Hij deelde aan Pah Rekso mede, nog gebrekkiger dan Prawira hem had ingelicht, wat hij vernomen had. Pah Rekso was bedachtzaam en voorzichtig. Hij had Pah Ran kalm aangehoord en hem verzocht Mas Prawira bij hen te noodigen. Hij wilde gaarne meer van de zaak weten.

Den volgende avond was Prawira bij hen. De jonge man werd hupsch ontvangen en het was niet aller aandacht ontgaan dat hij zeer getroffen was door de schoonheid van Mariam, die zich extra-mooi had uitgedost, nadat zij Pah Ran zoo terloops had uitgehoord over Prawira.

Mariam was mooi. Ze was nu een bloeiende maagd geworden met een, voor een Soendaneesche, zelfs zeer regelmatig gezichtje, in koelit langsep [94] tint. Een zware kondé, zonder tjemara's, [95] prijkte met een zilveren naald. Zij was slank en lenig; haar bewegingen waren gracieus. Een licht zwellende boezem, kleine, teere handen en voeten--het was een verschijning als van een radènajoe [96] en daar Mariam zeer goed wist dat ze mooi was, streefde zij er steeds naar op het voordeeligst uit te komen.

Prawira nam zich dadelijk voor het gezin Rekso méér te bezoeken en zorgde ervoor bij deze menschen een goeden indruk na te laten. Hij sneed wat op over zijn positie en zijn inkomen, dat hij, het verdubbelende, op vijftien gulden in de maand bracht. Hij sprak met een tikje minachting over dingen, waar de anderen niet dan met zekeren eerbied van plachten te gewagen.

En toen het op het behandelen van zaken aankwam, waar Rekso telkens op aandrong, zeide hij dat hij bij zijn neef Djeni in een koffer nog papieren had, die hij wel even kon gaan halen.

Dit was nu maar bluf, want al wat hij had was een staat van tjoeké-aanslag, dien hij had moeten overschrijven en waarvan hij een afschrift meer had gemaakt; eigenlijk zonder dat hij wist, waarvoor het dienstig kon zijn. Dit papier stak hij in een jasje van hem. De "koffer", waarmede hij gebluft had, bestond natuurlijk alleen maar in zijn verbeelding.

Toen hij weg was om zijn papieren te gaan halen, zeide Pah Ran tot Pah Rekso: "Wel, hoe vind je 'm?" en om kritiek te voorkomen voegde hij er haastig aan toe: "Hij weet heel wat!"

"Dat schijnt zoo," antwoordde Rekso ontwijkend.

"Onze Mariam schijnt het hem al dadelijk aangedaan te hebben," zeide Siman lachend. "Pas maar op je dochter, vader."

Mariam was boos.

"Ach, wat," zei ze, "jij ziet altijd dingen, die een ander niet ziet."

"Daar zou ik rijk mee kunnen worden," antwoordde haar broer grinnikend. "Maar het is toch heusch waar, hoor. Ik zag het aan zijn oogen."

"Ik ook, Siman," klonk het schelle stemmetje van een der tweeling-zusjes. Het was een welkome afleiding voor Mariam. Op de zusjes kon ze rustig lostrekken.

"Stil jij, kétèh [97]," snauwde zij vinnig. "Wacht jij je tijd maar af!"

De kleine droop af. Dadelijk daarop werd de aandacht afgeleid door Prawira, die weer binnentrad. Mariam's booze trek om de mondhoeken was als bij tooverslag verdwenen. Zij voelde dat Prawira een blik op haar wierp. Daarop vouwde hij een papiertje met streepen en cijfers open, en streek het vlak op de ruwgetimmerde tafel van geel nangkahout.

De drie mannen keken er naar met wezenlooze blikken van niet-begrijpen en Siman gevoelde wrevel bij zich opkomen over zijn domheid, die hem belette al die teekens op het papier te verstaan. Als hij ook eens lezen en schrijven kon als Prawira! Toen zij nog te Tjidamar woonden, had hij de school te Walirang wel willen bezoeken, maar de afstand was te groot om dagelijksch schoolbezoek mogelijk te maken.

"Kunnen jullie dit lezen?" vroeg Prawira, zeker van het ontkennende antwoord, terwijl hij bewondering trachtte te lezen in Mariams donkere kijkers. Maar het coquette nest deed hem dat pleizier niet.

"Neen," antwoordde Pah Rekso.

"Ja, zie je," zeide de schrijver weer, "je moet je nu goed herinneren wat er in de vrijwillige overeenkomst staat. Jullie hebt toch zoo'n overeenkomst gesloten met den landheer?"

"Neen," zei Rekso, "wel met den opzichter."

"Nou ja, dat is hetzelfde. Teekenen moet je toch, wil je het nu niet, dan dwingen ze je het volgende jaar."

"Waarachtig niet!" viel Pah Ran in. "Ze kunnen ons niet dwingen!"

Prawira keek hem schamper aan. "Men kan wel zien," zeide hij, "dat jullie niet lang op het land bent. Geloof me, ze dwingen je, en de bestuursambtenaren van kandjeng gouvernement [98] doen daaraan mee. Ja, ja, schud het hoofd maar niet. Ik ken die dingen al zoo lang."

"Maar, om verder te gaan," vervolgde hij, "je weet dat er een bepaling is in de overeenkomst, de vierde geloof ik ... ah, daar heb je het ding!" viel hij zichzelf in de rede, het contract uit de hand van Pah Ran nemende, die het was gaan halen. Hij sloeg de bladzijde om en las een poosje.

Toen vervolgde hij: "Juist, zie je, artikel vier. Luister!"

En met eentonige stem, half spellend, las hij, heel langzaam: "Van sawahs, waarvan de opbrengst minder bedraagt dan 6 1/4 kattie natte padi per Rijnlandsche roede, tot en met een opbrengst van 4 1/2 kattie natte padi per Rijnlandsche roede wordt tjoeké-rijst betaald en wel veertig kattie voor elken picol natte padi."

"Nu moet je goed opletten," ging hij voort, "wat deze tjoeké-staat vertelt." Hij legde de beteekenis van den hierachter curiositeitshalve opgenomen staat aan zijn hoorders uit.

"Kijk nu eens hier," zei Prawira en hij legde zijn vinger op het eerste getal in de vierde kolom; "de landheer heeft dus 2191,10 picols rijst getrokken van ruim 1484 bahoes ..."

"Hoe weet je dat, Mas?" viel Siman hem in de rede.

AANSLAG der Tjoeké-heffing op het Particuliere Land Alas Bamboe in 19..

===============+======================+=====================+======================+======================+============+============ | Goedgeslagde sawa's |Minder goed geslaagde| Slecht geslaagde | | | Totaal | boven 6-1/4 | sawa's van | sawa's van | TOTAAL | Mislukte | bewerkte | kattie per roede | 6-1/4--4-1/2 k. | minder dan 4-1/2 k. | | sawa's | sawa's | | per roede | per roede | | | DISTRICTEN +------------+---------+------------+--------+------------+---------+------------+---------+------------+------------ | Aantal | Tjoeké | Aantal | Tjoeké | Aantal | Tjoeké | Aantal | Tjoeké | Aantal | Aantal +-----+------+ aanslag +-----+------+ aanslag+-----+------+ aanslag +-----+------+ aanslag +-----+------+-----+------ |bouws|roeden| |bouws|roeden| |bouws|roeden| |bouws|roeden| |bouws|roeden|bouws|roeden ---------------+-----+------+-----+---+-----+------+----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+------ Sikarang | 1607| 211| 4018| 55| 1484| 414|2191| 10| 3954|331 | 4443| 13| 7046| 456|10652| 78| 1153| 228| 8200| 178 Herea | 1162| 64| 2905| 32| 980| 148|1479| 90| 1679| 75 | 1927| 32| 3821| 287| 6312| 54| 703| 71| 4524| 358 Alas Bamboe | 893| 62| 2232| 80| 785| 76|1744| 99| 4522|362 | 4376| 75| 6201| --| 8354| 54| 1000| 491| 7201| 491 Goenoeng Lawang| 1038| 248| 2596| 24| 239| 325| 524| 17| 1511|440 | 1445| 06| 2790| 13| 4565| 47| 235| 416| 3025| 459 ---------------+-----+------+-----+---+-----+------+----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+------ | 4701| 85|11752| 91| 3489| 463|5940| 16|11668|208 |12192| 26|19859| 256|29885| 33| 3093| 206|22952| 456 ===============+=====+======+=====+===+=====+======+====+===+=====+======+=====+===+=====+======+=====+===+=====+======+=====+======

"Neen, die is goed," antwoordde Prawira. "Het staat er immers vlak naast. Hier kijk maar, links, waar ik nu mijn vinger houd, staat dat de sawahs te zamen 1484 bahoes en nog 414 roeden groot waren en daarvan is geheven 2191 picols en tien kattie rijst. Begrijp je?"

"Ja, nu wel," zei Siman.

"Nu, goed. Je contract zegt, niet waar, dat je van zulke sawahs, die niet minder dan vier en een halve en niet meer dan zes en een kwart kattie per roede opbrengen moet leveren tjoeké in rijst van veertig katties per picol natte padi. Is het niet zoo?"

"Ja, dat is zoo," zeide Rekso.

"Dus die 2191,10 picols rijst zijn genomen uit twee en een half maal zooveel picols natte padi, begrijp jullie wel?"

"Nou, erg goed niet," zei Pah Ran ietwat benepen. Het leek zoo dom om het niet te begrijpen, Prawira scheen het heel duidelijk te vinden. De uitlegger zuchtte en begon weer met het gewichtige vraagstuk hoeveel picols natte padi geweest waren een zekere hoeveelheid rijst, waarvan veertig katties gewonnen werden uit één picol. Het gelukte hem ten slotte den anderen een, zij het nog wat vaag, begrip te geven van dit wonder der mathematiek.

"Dus," vervolgde hij, "die 2191,10 picols rijst zijn geweest ..."

Hij cijferde een poosje met een stompje potlood, dat hij uit zijn jaszak had opgediept, op den achterkant van zijn papier. Het ging langzaam, maar hij kwam er toch zonder fout uit.

... "Vijfduizend vier honderd zeven en zeventig picols en vijf en zeventig kattie natte padi."

"Dat kan wel," zeide Siman, "ik heb het uit 't hoofd nagerekend, maar ik ben nog niet klaar, het zijn zulke groote getallen."

"Doe maar geen verdere moeite," antwoordde Prawira blufferig, "ik heb het becijferd. Zoo is het goed. En dus," vervolgde hij, "hebben die 1484 bahoes zooveel padi geleverd aan tjoeké. En die bedraagt, of moet bedragen, het vijfde deel van den oogst. Nu kan je zelf wel uitrekenen hoeveel dat per bahoe en per roede is."

"Doe jij het maar," drong Pah Rekso, die een machtig respect kreeg voor de kennis van zijn bezoeker.

Deze zat heel lang te peuteren over het eenvoudige sommetje. Het stukje potlood moest telkens met de lippen bevochtigd worden. De eenvoudige lieden waren natuurlijk nooit uit dien staat wijs geworden, gesteld al dat zij lezen en schrijven gekund hadden, en zij beschouwden Mas Prawira als een phenomeen. Deze zat intusschen te zweeten over zijn deelsommetje. Eindelijk was hij er.

"Nou, weet je wat die sawahs dan gemiddeld opgebracht hebben?"

Hij keek triomfantelijk rond in gezichten, die een uitdrukking van angstige verwachting hadden. Toen nam hij, tartend, een slokje van het koud geworden kopje zwart koffie-afkooksel.

"Niet zes en een kwart kattie en ook niet vier en een halve kattie, maar een beetje meer dan drie en een halve kattie natte padi per roede."

"Dus dat is nog niet eens achttien en een halve picol per bahoe!" viel Siman uit, na een indrukwekkend zwijgen.

"Ja, dat is zoo, geloof ik," verklaarde de rekenmeester.