Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 3
De sawahs besloegen bij elkander nog geen anderhalven bahoe, maar ze waren goed gelegen en konden vrij gemakkelijk bevloeid worden. Graag had Pah Ran een grooter stuk gehad, maar Rekso had hem onder het oog gehouden dat zij de eerste jaren toch nog geen uitgestrekteren akker zouden kunnen exploiteeren en dat men zijn aanplant langzamerhand wel zou kunnen uitbreiden. Gescheiden werd het stuk niet, althans niet officieel. Hoewel er nooit over gesproken was, zoo had men als het ware bij afspraak reeds uitgemaakt dat Siman en Djiah man en vrouw zouden worden en als dat gebeurde, kwam alle grond toch in één hand. Waarvoor zou men dan zich de moeite en de kosten van afmeting en scheiding op den hals halen?
Dien avond ging Pah Rekso naar den penghoeloe, [72] wien hij verzocht hem den inhoud van het contract mede te deelen. De penghoeloe was een klein oud mannetje met sluwe vossenoogjes, iemand, die het, in weerwil van de vele geschenken, welke hij aannam, goed met de bevolking meende, wat hem trouwens zijn eigen belang voorschreef. Toch stond ook hij onder den invloed van den landheer, van wien hij een soort wisselvallig salaris trok, wat hem evenwel niet belette revolutionair te zijn, althans tegenover zijn intieme vrienden. Hij was veel te sluw om met zijn politieke beginselen te koop te loopen. De man genoot een roep van groote knapheid. Hij kon even vlot lezen als spreken, zeide men.
Rekso vernam van hem den geheelen inhoud van het contract, die hem erg onschuldig toescheen. Hij dankte den penghoeloe en vergat de douceur niet. Den volgenden dag teekenden hij en Pah Ran met een kruisje het contract, welke handteekeningen door den koewoe en den penghoeloe werden gelegitimeerd. Het dorpshoofd had nieuwe kosten te maken en dus meenden de beide immigranten hem opnieuw met een kleinigheid te moeten schadeloos stellen.
Den dag daarop waren Pah Rekso en Pah Ran in het bezit van een duplicaat van de acte van erfpacht, waar ze wel niets van begrepen, maar dat zij, domme desalieden, met een kolossalen eerbied voor al wat papier is, een veilige plaats gaven in hun woning.
Zij waren erfpachters. Wat waren zij trotsch en hoe maakten de jongeren zich illusies over de toekomst! Met een kinderlijk genoegen werd het duplicaat-contract telkens open- en toegevouwen. Men had er behoefte aan zichzelf nog eens en nog eens te overtuigen van zijn bezit.
Dit bestond, gelijk wij zeiden, uit een stuk sawahgrond van nog geen anderhalven bahoe oppervlak. Het lag vrij gunstig. Een primitieve leiding bracht uit de nabij gelegen Tjikoentoel het water op de sawahs. In den westmoeson was er voldoende bevloeiing. En dit voordeel hadden de nieuwe erfpachters dat zij, althans in normale tijden, geen vrees voor bandjirs behoefden te koesteren. Hoe het in een droog jaar zou gaan? Och, Rekso en Ran waren Javanen en dachten dus geen moeson vooruit.
Het district Herea, waar zij zich hadden neergezet, stond niet bekend als het beste der vier, waarin het groote land Alas Bamboe verdeeld was. De gronden zijn er poreus en bezitten de eigenschap niet het water vast te houden. En een zeer groot deel van het district is dan ook hoofdzakelijk aangewezen op de regens. In de Tjikanding-leiding, in het boschgedeelte, is een dam gelegd nog slechts enkele jaren geleden. Deze dam heeft ten doel het waterpeil te verhoogen en het kostelijk nat voor de rijstvelden kan zich daardoor in kleinere leidingen over een naar verhouding toch nog geringe oppervlakte verdeelen. Zoo wordt het noordwestelijk gedeelte van Herea en het westelijk gedeelte van het aangrenzende district Sikarang geïrrigeerd. Op een wijze dan, die op den naam irrigeeren eigenlijk geen aanspraak mag maken.
De practische blik, dien de domme Javaan toch op het stuk van zijn landbouw bezit, was de beide nieuwe kolonisten van nut geweest. Zij hadden nabij hun desa, anderhalve paal noordelijker, een setoe [73] gezien. En zoo terloops hadden zij van gedachten gewisseld over de mogelijkheid om het heuvelwater daaruit desnoods voor hun velden te benutten. Zij geloofden evenwel niet dat het noodig zou zijn, want de Tjikoentoel, hoe kleine kreek ook, niet veel meer dan een sloot, zou toch ongetwijfeld nog langer water bevatten dan de setoe, die, met heuvel- en boschwater gevoed, in den drogen tijd wel dienst zou weigeren, eerder nog dan de Tjikoentoel.
Maar, gelijk wij zeiden, verder dachten Pah Rekso en Pah Ran niet.
Den eersten tijd van hun vestiging hadden zij op het eind van de desa een woning opgezet, want een leege hut, die zij hadden mogen betrekken en die ook aan den overleden sawahbezitter had toebehoord, was veel te klein om hen allen te bergen. Het ging natuurlijk wel tijdelijk: men wist zich te behelpen, maar als Siman en Djiah gehuwd waren, dan moesten de jongelui ook goed geïnstalleerd zijn. De nieuwe hut, van ruwbewerkte balken, bamboe en atap [74] opgetrokken, was er binnen een week. Drie paar handen werkten er met ijver aan en zelfs Djamin kon al goeden dienst doen bij het werk met het kloppen der sasaks. [75] De vriendelijke kleine hut, uit twee afdeelingen en een emper voor en achter bestaande, was nabij de vrij groote woning der oudjes gelegen. Pah Ran, die wel van een grapje hield, had Djiah gevraagd waar ze nu wel zou slapen, in het westelijke of het oostelijke vertrekje? En toen zijn aardige dochter er zich lachend van afmaakte met een: "Ach, weet ik het!" had hij met een veelbeteekenend lachje geraden de oostelijke kamer te kiezen, want 's middags stond de zon op den westkant en het westelijke vertrek bleef dus voor een goed deel van den avond het warmste. En, had hij er bijgevoegd, vooral des nachts zullen jullie de warmte best kunnen missen.
Pah Ran hield van zulke aardigheden, ruw en laag bij den grond, maar kwaad waren die grappen nooit bedoeld.
Toen de hut er stond, moest een slametan gegeven worden. Om de kwade geesten te verbannen. Siman en Djiah waren zeer in hun schik met hun aanstaand kluisje en konden nauw van den tijd van het huwelijk afwachten, niet alleen om de woning evenwel. Siman had haar vooruit maar betrokken; er was nog wel geld over om een ruime baleh [76] te koopen, noodzakelijk meubel, en Djiah had er zelf een klamboe [77] voor genaaid. Ook ander onmisbaar huisraad was aangekocht en het keukengerei.
Men was er natuurlijk niet afgekomen zonder de noodige douceurs en fooien. De koewoe moest vergunning geven voor het bouwen, voor het houtkappen, voor het halen van kali-steen en grint uit de Tjikoentoel; hij moest hen inschrijven in registers, zoo beweerde hij, hij moest den toean ziender om dit vragen en van dat kennis geven. En voor al die goede diensten moest natuurlijk betaald worden. De koewoe trok dapper partij van de onbekendheid der nieuwelingen met de plaatselijke toestanden, en dezen begrepen wel dat zij meer moesten afschuiven dan van hen rechtens gevorderd mocht worden. Maar wat konden zij er tegen doen? Zij waren geheel onbekend, wisten heg noch steg, en dan, overal is de kleine man de dupe van het meer geslepen hoofd, dat een soort bezoldiging ontvangt van den landheer, en daarvoor zijne medewerking moet verleenen bij de inning van tjoeké [78] en van padjeg. [79] Waar zouden Pah Rekso en Pah Ran dan moeten klagen? Bij den opzichter, die hen niet kende en den koewoe noodig had? Bij den assistent-resident, die dagen en dagen ver weg woonde, wààr was hun zelfs niet bekend, en die van dergelijke zaken geen kennis kon nemen? Er viel immer niets te bewijzen?
En dus schoot er niets anders op over dan te geven wat gevraagd werd. Het was overigens niet veel: nu eens een kwartje, dan weer een halve gulden; meer dan dat nooit. Zeker, zij hadden zich kunnen verzetten tegen dergelijke knevelarij. Buren hadden hen wel reeds ingelicht dat zij niet voor al wat de koewoe hun in rekening bracht debiteur waren. Maar de koewoe had hun het gebruik van zijn woning voor het huwelijksfeest toegezegd en het instinct van den onderdrukte weerhield de lieden van verzet. Dat zou tot niets leiden; het gaf veel soesah; het dorpshoofd zou hen nog heel wat slimmer het leven kunnen verbitteren en op het eind was hij dan toch nog de sterkste. Neen, de kolonisten dachten eenvoudig niet aan verzet.
Overigens bekommerden zij zich met de zorgeloosheid van den Javaan niet veel om de geringe onrechtmatige belasting, die van hen geheven werd, zoolang er nog genoeg in de kous was.
Van het voorschot, dat hun was gegeven, negen gulden, en dat zij natuurlijk hadden aangenomen--daarvoor waren zij inlanders--hadden zij den noodigen voorraad zaadpadi ingeslagen in de desa Herea in het noorden, de standplaats van den opzichter, en toen de sawahs bewerkt waren, de grond voldoende had uitgezuurd en er genoeg water op de velden was gebracht, waren moeder Ten en de meisjes aan het werk getogen en hadden in de plantgaten de padi neergelegd. Het weer was gunstig, de padi kiemde krachtig uit en reeds begon een licht zachtgroen dons zich mijlen en mijlen ver over het land uit te spreiden.
Groen, zoover 't oog reikte, groen in alle nuances: het zware donkere van het boomloof in de desa's, die hier en daar als gezaaid lagen in de vlakte van teer groen, waarin weer struiken van donkerder tint een streep trokken als aanwijzing van leiding of riviertje. De galangans [80] teekenden de figuren in dit heerlijk tapijt van groen, waarboven de helder blauwe hemel zich in schitterende strakheid spande. Maar de menschen, die dit tapijt geweven hadden, zagen niet het schoone van dat hun zoo bekende landschap. Zij berekenden het aantal picols [81] padi per bahoe, naar den stand van het gewas. En daar deden zij wel aan. Zij kunnen van natuurschoon niet leven: de tjoeké moet opgebracht worden. Dat is nummer één.
Zoo stonden de zaken, toen Siman en Djiah een paar werden en er bruiloft werd gevierd in de desa Gatok. Voordeelig was het feest niet geweest. Wel hadden de meeste bezoekers in den koperen schaal zilvergeld doen glijden, meer of minder, al naar het de beurs paste, maar daarvan moest welstaanshalve een deel worden afgedragen aan het dorpshoofd voor het gebruik der woning; en dan, wat er besteed was aan gamelan en dansmeiden, aan siroop en kwee-kwee, [82] en aan geschenken voor de vrouwen, die voor den opschik der bruid hadden gezorgd, had een groot gat in de beurs geslagen.
Pah Rekso en Pah Ran, die op de baleh-baleh hun strootje zaten te rooken en, de herinneringen ophalend, de gebeurtenissen der laatste maanden nagingen, hadden geen spijt van den stap, dien zij deden, toen zij besloten Tjidamar te verlaten.
Laat, heel laat, legden zij zich ter ruste. Zij zouden morgen een dagje vrijaf nemen.
Toen zij voor hun woning waren gekomen, waar Mah Ten en de kinderen reeds ter ruste lagen, wees Pah Ran voor het naar binnen gaan over zijn schouder naar de woning van Siman en Djiah, waar in het vertrek op het oosten een zwakke lichtschijn viel door den bamboewand.
"Zouden ze al slapen?" vroeg hij met een trek van den mond.
"Goede kinderen," antwoordde Rekso rustig. "Allah zal ze zegenen."
Het particuliere land Alas Bamboe is een zeer groot land, een der grootste landerijen op Java. De eigenaren hebben er een maatschappij van gemaakt met een aandeelen-kapitaal van drie millioen gulden. Het kapitaal kon heel veel grooter zijn, want het land is er groot genoeg voor. Het beslaat tezamen ruim 180.000 bahoes en zou geheel in cultuur gebracht kunnen zijn, als de eigenaren wat meer energie en voortvarendheid hadden gehad, en voor de bevolking wat meer ... hart. Thans is ongeveer het achtste gedeelte van het uitgestrekte gebied, welhaast een groote provincie van Nederland gelijk, bebouwd. De rest is wildernis. Vruchtbare grond ligt er bedolven, duizenden en duizenden bahoes, onder een tapijt van woudmos. In de bosschen in het zuiden verstoren slechts nu en dan de bijlslag van een eenzamen houthakker en de roep der vogels de rust van eeuwen. In het noorden schakelen zich de moerassen aan elkander. Daar verzamelt de kustbewoner de bladeren van de traté [83], kostelooze lading, die elders tegen weinige centen van de hand gedaan wordt.
Alas Bamboe, althans het bebouwde gedeelte, ligt zeer laag. De standplaats van den administrateur, Sikarang, in de gelijknamige afdeeling, ruim zeven Java-palen het binnenland in, ligt nauw acht voet boven zeepeil. Wij zagen hiervoor reeds dat de bodem voornamelijk bestaat uit poreuze zeeklei; hij slaat in den oostmoeson hier en daar zelfs zout uit. Dat is ook de reden, waarom er op den verbouw van palawidja [84] niet te rekenen is. Rijst is het product, waarop de bevolking is aangewezen. Zij moet rijst verbouwen om in het leven te blijven. En als bij misoogsten dit bestaansmiddel ontbreekt, dan--vreeselijke consequentie--moet zij onverbiddelijk honger lijden, meer of minder. Neen, toch is er een middel om aan deze harde noodzakelijkheid--in de lachende natuur van Java!--te ontkomen. Men kan uitwijken, vluchten voor het nare spook van den honger en zijn heil zoeken op anderen grond, buiten Alas Bamboe. Maar deze stap is moeilijk. Immers, wanneer de nood eindelijk tot emigreeren dwingt, dan is reeds veel ellende geleden. Van waar moeten dan de middelen komen om uit te wijken? En gelukt het al, wat dan zal men elders vinden? In gunstig geval onbebouwden grond. Maar die zal eerst over een jaar het zweet van den arbeid loonen met de vruchten van den oogst. En in dat jaar blijft de maag om voedsel vragen.
Toch, er is nog een ander middel om den honger te bestrijden. Een eenvoudig middel. De grond moet gesterkt worden, zoodat misoogsten niet meer voorkomen. De slechte factoren in de natuur moeten geneutraliseerd worden door de kunst des menschen. Irrigatie zij daar waar de droogte zich doet gelden, opdat de bodem aan de opgezetenen in harde dagen voldoende voedsel geve om blijder tijd tegemoet te gaan. Natuurlijk hebben de landeigenaren gezorgd voor een irrigatie-stelsel, beter dan de regeering haar andere onderdanen schenken kan. Niemand kan echter van een zaak verlangen, dat zij het belang van anderen dient vóór haar eigen. Men kan dan ook niet verwachten dat de landeigenaar het land vruchtbaarder maakt en irrigeert, uitsluitend ten behoeve van de inlanders. De stelling moet deze zijn: Het eigen belang der eigenaren, die uit grooter oogst grooter contingent tjoeké trekken, en welk belang door een misoogst allerminst gediend wordt, heeft de landeigenaren doen zorgen voor een systeem van irrigatie, zoo deugdelijk ...
Een oogenblik. Het had zoo kunnen zijn. Helaas; het is zoo niet. En de fout zit niet in gebrek aan fondsen om over te gaan tot verhooging van de capaciteit langs dezen weg, gelijk elders op particuliere landerijen en door de Indische regeering met schijn van excuus wordt aangevoerd. Neen, het grappige in dit bijzonder geval is, dat er ... te veel winsten zijn gemaakt tot dusver. Men taalt niet om wat meer, en van de eigenaren, die daar ver weg in de lichtstad Parijs of in het vrouwenrijke Weenen hun gelden verteren in lachende minne en bruisenden wijn, kan toch waarlijk niet verwacht worden dat zij, in den genotsroes, zich de hersenen zullen pijnigen met zorgende gedachten voor de werkers, wier moeizame arbeid hun orgieën betaalt? Dat zou inderdaad onbillijk zijn.
Niet waar? En zoo is het dan dat de eenige levensbron voor Alas Bamboe is de kleine leiding der Tjikanding, gevoed met het, aan een andere bevolking, dat zijn: andere zwoegers, ontstolen water. De Tjikanding is evenwel slechts een onbeduidend stroompje, waarvan de benedenloop in den natten moeson zelfs niet is na te speuren, wijl zijn water zich al maar verdeelt over de sawahs en het zelf ophoudt te bestaan, zich verliezende in de reuzenvlakte. Anderen natuurlijken watertoevoer voor de vlijtige landbouwers op Alas Bamboe moet men niet zoeken, tenzij men de door heuvelwater gevoede beken en kreken, of de zijtakken der Tjikanding voor deugdelijke waterwegen wil houden, wat zij niet zijn.
De geringe watertoevoer is natuurlijk onvoldoende voor het gansche land Alas Bamboe. Slechts de beide afdeelingen Sikarang en Herea hebben het geringe genot van dezen waterzegen. In de andere, grootste en minst bebouwde, afdeelingen, Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, wacht de opgezetene op de genade des hemels voor zijn velden. Zonder regen op goede tijden, lijdt hij honger ... Dit is het akelig axioma van Alas Bamboe.
En toch, het kon zoo anders zijn!
De ruim drie duizend bahoes in het district Goenoeng Lawang, de ruim zeven duizend bahoes van het daarvan oostelijk gelegen district Alas Bamboe, en de overige twaalfduizend bahoes van de beide andere nog meer oostelijk gelegen districten, welke thans reeds bebouwd zijn met rijst, en vele, vele duizenden bahoes nog maagdelijke grond zouden doelmatig en ruimschoots geïrrigeerd kunnen worden door een enkele groote rivier, die in den zuidoostelijken hoek van de landerij haar bruine golven voortstuwt naar den stroom, die de grens vormt met de Peboeroengan- en Tjimanis-landen: de Tjikoembang. Maar de eigenaren hebben tot dusver niet noodig geacht het water dezer rivier ten nutte der bevolking aan te wenden. Ik zeide het reeds hiervoor: er komt genoeg geld binnen in de zakken der eigenaren en het altruïsme gaat gewoonlijk juist zoo ver, tot waar het nadeel voor eigen beurs begint. Bovendien, zoo voert men aan, de beide districten Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, die dan volgens de "onrecht-aanbrengers" zoo waterarm zijn, worden gescheiden door een rivier, de Tjilawedok. Dit is volkomen juist. Alleen wordt er niet bij gevoegd dat deze rivier een nietig stroompje is, dat, even nadat het in de bebouwde vlakte is getreden, doodbloedt.
Buiten den dam in de Tjikanding, waaromtrent reeds het een en ander gezegd is, bestaan geen kunstmatige waterwerken. Althans de beide setoes in het district Herea, door de opgezetenen ten eigen behoeve ingedamde kommen, kan men moeilijk aanhalen als een bewijs van de goede zorgen der eigenaren. In de andere districten is van kunstmatige irrigatie, buiten de primitieve leidingen der ingenieuze landbouwers zelf, in het geheel geen sprake. Daar is het in concreto dat men Gods water over Gods akker laat vloeien, en een geluk is het voor de inlanders dat de grond vruchtbaarder is in de westelijke districten en vetter, en dat hij daardoor het water langer weet vast te houden.
Dit is dan wat er omtrent de gesteldheid van het land Alas Bamboe valt op te merken. Ik kan mij onthouden van verdere misprijzing der landeigenaren, dunkt mij. De toestand, als hierboven geschilderd, spreekt voldoende voor zich zelf. Slechte regenjaren zijn rampjaren en wreken zich geducht op het product. In de maanden December, Januari en Februari komt de padi in den grond. Geoogst wordt van Mei tot Augustus. Maar wat men elders op het groene Java kan waarnemen: dat de tijd tusschen oogst en nieuwen aanplant benut wordt om tol te heffen van den geduldigen bodem in den vorm van tweede gewassen, dat is op Alas Bamboe, en ook op het aangrenzende land Telatiga, meestentijds niet mogelijk. Om de droogte. De riviertjes weigeren in die maanden den dienst, zelfs de levensader, de Tjikanding, droogt dan bijna uit. En de verbouw van palawidja-gewassen, zooveel hij nog bestaat, verdient den naam kultuur niet. Hij is geheel onbeteekenend.
Indische journalisten hebben meer dan eens de toestanden op de beide landerijen op de kaak gesteld en aangedrongen op onderzoek en verbetering. Daar evenwel over Insulinde de Hollandsche vlag wappert, valt op onderzoek en verbetering niet te rekenen, en de strijd der naïeve journalisten was weinig meer dan de kamp van ridder Quichote tegen de windmolens van Montiel. Het resultaat was, gelukkig voor de publicisten, minder onfortuinlijk dan het voor hun klassieken voorganger was. Werd deze in zijn dwaze maar vermetele poging de reuzen te verslaan door de wieken van den molen op de vlakte neergekwakt: de koenheid der journalisten om te durven wijzen op misstanden werd niet beloond met gevangenisstraf als gevolg van een aanklacht wegens "laster". De wetten in dit land zijn er uitsluitend voor de schelmen, en er worden hier geen rechters gevonden, die den moed hebben te handelen en recht te spreken in afwijking van de wet. Het moet voor de dagbladschrijvers hard geweest zijn, te ervaren dat zij hun "straf" ontliepen door de goedertierenheid van de eigenaren zelf.
Het was eenige maanden verder. In de desa Gatok ging het leven voort, met al de kleine ongeriefelijkheden van het bestaan. Pah Rekso was ernstig ziek geweest. Een zware longaandoening had zijn krachten gesloopt. Zij hadden in een langdurige zware bui op het veld moeten wezen, hij, Pah Ran en Siman. Het had al dagen lang bijna onafgebroken geregend; het water werd een kruis. De sawahs met het jonge gewas stonden blank. De zware drop knakte de halmen. Met bezorgdheid hadden de landbouwers de gevolgen berekend. De afvoer was gebrekkig, en steeds meer en meer water wierp de hemel omlaag. Den derden dag moest raad geschaft worden, wilde men niet den geheelen oogst aan vernieling blootstellen. Het veld der nieuwe opgezetenen was door een smalle strook sawah van den desagenoot Rakiman van de Tjikoentoel gescheiden en vormde een hooger terras. Het was zaak het overvloedige water af te leiden, over Rakimans grond naar de kleine rivier, die reeds geducht gezwollen was. De buurman had geen bezwaar; hij begreep zijn belang, want ook het water op zijn sawah zou hij daardoor kunnen loozen.
Met groote van bamboe gevlochten hoeden op het hoofd, het bovenlijf naakt, waren toen de drie mannen in den neerplassenden regen en den gierenden wind aan het werk gegaan.
Het rijstveld helde naar het zuiden af; het was dus zaak aan de zuidzijde langs den galangan een voor te slaan. De patjols drongen in de weeke modder, die op zij uit, zoover mogelijk in de sawah, werd neer geworpen. Op den galangan kon zij niet worden neergelegd; daar zou de regen haar weer wegspoelen. Een goed uur hadden de mannen aan dezen voor gewerkt, nadat de galangan was doorgebroken. In een breeden, bruinen modderstroom viel het water af in de sawah van Rakiman, om hierover de Tjikoentoel te bereiken. Ook de galangan, die Rakimans sawah van het lager gelegen riviertje scheidde, had doorgebroken moeten worden. Maar hiermede was het werk niet afgeloopen. Het bleek dat de drainage aan de zuid onvoldoende was; langs den oostkant moest noodig nog een weg voor het water worden geslagen. En met nieuwen moed werden de patjols in de klei gedreven. Het water spatte de landbouwers in 't gezicht; de regen doorweekte hen. De donder ratelde rusteloos; het licht was niet van den hemel. En steeds weer gierden en floten de windvlagen over de vlakte en deed de mannen rillen van verkleuming. Ruim drie uren waren zij bezig geweest, voordat het werk gedaan kon heeten. Zij hadden voldoening van den arbeid. Waar zij den blik heen wendden, zagen zij ondergeloopen rijstvelden; slechts die met voldoende helling, een nadeel bij normale weergesteldheid, en welke van beter te regelen afvoerwegen voorzien waren, hadden geen inundatie te vreezen.
Van Ten en Djiah hadden de mannen een warmen kop zwarte koffie gehad. Toen waren zij weer opgeknapt en bijeengezeten spraken zij over den gedanen arbeid.
"Het is hier toch ook niet alles even mooi," merkte Pah Ran op. "Als de landheer wilde, zouden wij nooit behoeven te vreezen voor te veel of te weinig water."
"Och, de landheer kan daar maar weinig toe of af doen. Hij is een boedjang, [85] evenals wij: hij krijgt ook zijn printahs van de eigenaren," wierp Rekso tegen.
"Maar waarom kan het gouvernement niet gelasten dat er beter gezorgd wordt voor de rijstvelden?" vroeg Siman.
"Alsof het op de landen van het gouvernement zoo mooi is," viel zijn schoonvader uit. "Je bent nu zeker al vergeten hoe prachtig ons water geregeld was in Tjidamar. Het gouvernement, wel ja! Dat vraagt alleen, maar geeft niets, evenals de bedelaars op lebaran."