Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 2

Chapter 24,109 wordsPublic domain

"Ik wou wel met u spreken, Pah Ran," begon hij. De ander keek rustig op. Hij wist dat Djiah, zijn dochter, en Siman het met elkander eens waren. Hij had geen bezwaar. Hij hield veel van den flinken knaap, die iets ernstigs over zich had, al kon hij bij tijden toonen ook een goed deel luchthartigheid, het privilegie der jeugd, te bezitten. Pah Rekso bezat nog minder dan hij, dat is zoo, maar mariages de raison zijn zeldzaam in de desa. En hij hield zeer veel van zijn Djiah, zijn eenig kind, en zou haar niet gaarne verdriet doen. Zoo meende Pah Ran niet anders dan een verklaring en een aanzoek te vernemen van Siman en hij was wel verrast door de vraag van den jongen man:

"Zeg, Pah Ran, kunt ge mij zeggen, waarom er in de Tjikanding-Saät geen water meer is?"

"Ja, dat kan ik je wel zeggen, maar waarom vraag je dat?" antwoordde hij.

"Omdat ik gehoord heb, dat het water uit de Saät gestolen is."

"Dat is ook zoo, Siman. Dat is zoo. Ze hebben het van ons gestolen, lang, heel lang geleden. Ik weet het van mijn vader. Die heeft het ons vaak genoeg verteld."

"Maar ik begrijp niet, Pah Ran ..."

"Kijk, Siman, je weet dat bij de desa Tjisanoer in de Tjikanding een groote steenen dam is gelegd, niet waar? Vandaar loopt het water van de Tjikanding in een leiding op het land Alas Bamboe. Je moet je dat goed voorstellen, Siman. Vroeger ging de Tjikanding langs de grens van het district Tjioedik en dan verder naar het oosten, naar het district Tampo. Maar door dien dam bij Tjisanoer werd al het water afgesneden. En nu weet je ook zeker wel dat er een oude dam is in de droge bedding van de Tjikanding bij Bandar. Vroeger, zoo heeft mijn vader verteld, werd daaruit het water afgetapt voor de bevloeiing van onze sawahs. Dat kan nu niet meer."

"Maar is het niet mogelijk om het water van de Tjipalang op onze sawahs te brengen?"

"Neen, dat water is alleen voor de oostelijke sawahs te gebruiken. Vroeger was dat anders. Maar de landeigenaren van Telatiga hebben een dam gebouwd in de Tjipalang dicht bij Langoe en het water naar het noorden geleid. De Tjipalang heeft nu alleen water als er bandjir [38] is en de Tjipalang-leiding als het ware overloopt."

"Dus, Pah Ran, als ik u goed begrijp, is het ook ons water dat nu naar de particuliere landen wordt afgevoerd?"

"Juist. Daar is nu water genoeg, maar wij hebben altijd gebrek."

"Is dat al lang geleden?"

"Al heel lang, Siman. Mijn vader was toen nog jong. Vroeger waren Alas Bamboe en Telatiga één land, weet je. En toen is het gescheiden in tweeën, en toen hebben ze ook de leidingen gegraven voor het water, waarop ook wij, lieden van Warnaleutik, recht hadden."

"Maar dan, Pah Ran, de regent moet dat toch gemerkt hebben, dien diefstal, en de assistent-resident ...

"Of er toen een assistent-resident was, weet ik niet, mijn jongen. De regent heeft er natuurlijk kennis van gedragen. Maar je weet hoe het gaat, Siman: de landheeren zijn machtig, en alleen Mohameds paradijs ontsluit men niet met goudstukken. Het geeft zoo'n soesah, Siman, als je eerlijk bent. Heeft niet die brave controleur Meyer--het zal nu wel tien jaren geleden zijn, Djiah was nog geen vijf jaar, geloof ik--zijn hoofd gestooten toen hij poogde om het onrecht te herstellen? Er is toen een commissie geweest, omdat de controleur geklaagd had. De toean assistent van Telatiga en de toean assistent van Warnaleutik, onze kandjeng regent [39] en ook de regent van Telatiga, en de controleur zijn toen te Tjisanoer geweest en hebben dien diefstal onderzocht. En ook de toean besar [40] van Alas Bamboe was er bij en een toean ziender [41]. Daar is toen veel gelogen, Siman. En de machtige landheeren hebben het weer gewonnen, alles bleef als vroeger; alleen werd de goede controleur overgeplaatst .... Ja, ja, je hebt geen oentoeng [42] als je het onrecht niet kunt dulden."

De oude zweeg. Siman dacht over het gehoorde na.

"En dus daarom," zeide hij na een wijle, "mislukt nog altijd een groot gedeelte van den oogst in ons district Tjioedik. En is dat ook de reden van de mislukking van de padi in het district Tampo?"

"Niet geheel, Siman. Want de landheer van Alas Bamboe heeft eigenlijk slechts het voorbeeld gevolgd van dien van Telatiga, die voorgegaan was met waterroof uit de Tjipalang. Het voordeel van dien roof was niet gering, en wat deze deed met de Tjipalang, heeft hij met de Tjikanding gedaan. Dat heb ik je al verteld."

Weer trad een pauze in.

Toen nam Pah Ran zijn arit weer op. "Je moet er maar niet over tobben; dat maakt je ontevreden, en dat dient tot niets." Hij wilde zich weer aan den arbeid begeven.

"Pah Ran, is daar nu niets aan te doen? Kunnen wij dat water nooit meer terugkrijgen?"

Er lag iets smeekends in de stem van den jongen man, waardoor Pah Ran hem met aandacht opnam. Zou de jongen verkeerde denkbeelden koesteren en ontevreden worden?

"Niets, Siman. Er is niets aan te doen. Wij zijn maar arme desamenschen, en de landheeren hebben veel kwassa [43] en veel geld. Maar wat wilde jij dan, Siman?" vervolgde hij bezorgd.

"Ik wou dat ik toch dat water op onze sawahs kon krijgen, Pah Ran. De padi kan niet zonder water blijven ... Wij zouden dien dam kunnen afbreken ..."

"Doe geen dwaasheden, Siman. Zoo iets wordt dadelijk gemerkt. En weet je wat er dan op staat? Eerst de gevangenis en dan veroordeeling ... wegens waterdiefstal," zeide Pah Ran schamper.

"Maar dat kan niet. Wij stelen niet, Pah Ran; wij nemen alleen terug wat ons ontstolen is ... dat is toch geen diefstal ...!"

"Je bent nog erg jong en naïef, Siman."

"Maar het moet, Pah Ran, het mòet, anders moeten wij weg ...!" Het was de angstkreet van een, die geen uitweg weet.

Pah Ran stond als van den bliksem getroffen. Weg? Moest Siman weg?! Was de jongen gek geworden?

"Wie moeten weg?"

"Wij, Pah Ran, vader, moeder en ik, wij allen."

"Waarom?"

"Omdat er niets meer is om van te leven."

"Maar dan kunnen jullie toch bij ons komen. Ik heb te veel voor mij en Djiah."

"Dat kan niet, Pah Ran, we zijn met ons negenen. Ik dank u."

"En waar wil je dan heen?"

"Vader wou naar het noorden. Ik weet zelf niet waarheen."

Weer stokte het gesprek; te veel gedachten verdrongen zich bij beiden. Siman stond met een zucht op en verwijderde zich.

Pah Ran keek hem nog lang na, hoofdschuddend.

Vergeefs trachtte bij dien avond Pah Rekso er toe te brengen zijn plan te laten varen. De oude was koppig en de tegenstand, dien hij bij de zijnen ontmoette, maakte hem kregel. Hij nam zich daarom voor, om eerder dan zijn aanvankelijk plan was, te vertrekken.

"Morgen zoek ik een kooper voor mijn grond!" zeide hij vastbesloten. Dat was zijn laatste woord.

Siman vergezelde Pah Ran en Djiah, die meegekomen was, naar huis. Het drietal was in zeer gedrukte stemming. Bij Siman kwam het niet op tot zijn vader te zeggen dat hij blijven zou, om Djiah; zij vroeg het hem niet. En toch, als hij het fijne profiel van de jonge maagd en haar ranke lijf beschouwde, gevoelde hij, dat hij in staat zou zijn om den eerbied jegens zijn vader op te zeggen. Maar dan nog, wat zou het geven? Hij zou niets bezitten en het streed met zijn eer eerst te moeten leven door de goedheid van Pah Ran en hem dan zijn dochter tot vrouw te vragen, ook al wist hij dat Pah Ran hem het een zoo graag als het ander gunde.

Kon Pah Ran niet mee? waagde Djiah te veronderstellen. Maar haar vader schudde het hoofd. Hier had hij het goed, wie kon zeggen wat hem elders wachtte? En dan, hij was hier te Tjidamar geboren. Neen, het zou verkeerd zijn weg te gaan.

Het was een treurig afscheid tusschen Djiah en Siman voor de woning van Pah Ran. "Ik ben bang, Siman, als je weggaat," fluisterde Djiah. "Saïd Alaidroes vervolgt mij overal. En als hij vader nu eens geld, veel geld bood, Siman; vader is arm, en ik ben maar een meisje ..."

Siman balde de vuist en zijn hand zocht de greep van de kris, die hij sedert den avond te voren bij zich had gestoken, omdat hij haar een djimat dacht. Alaidroes, die Arabier, die desa-hyena! Hij had hem al geruimen tijd in het oog, omdat hij Djiah niet met rust liet. Die gemeene woekeraar was rijk. Hij kon veel geld bieden aan Pah Ran. En wat kon hij zelf, hij, Siman, daartegenover stellen? En als hij weg was, zou Alaidroes de handen vrij hebben. Nu nam hij zich in acht voor den ontembaren, krachtigen, jongen Soendanees, in wiens blikken hij meer dan eens haat en vijandschap had gezien.

Neen, hij moest niet gescheiden worden van Djiah; hij moest haar beschermer zijn.

In zijn kamertje strekte hij zich moedeloos op zijn leger uit. Weer duurde het lang voordat hij den slaap kon vatten.

De gamelan liet de geliefde oedjan'mas [44] hooren. De panajagan [45] was zijn instrument volkomen meester, en bespeelde het met vaardigheid; virtuositeit zou men het met billijkheid mogen noemen. Wel, in de geheele desa Gatok was geen beter gamelanslager te vinden; ja, men kon gerust beweren dat in de geheele afdeeling Herea van het particuliere land Alas Bamboe--de "klassieke afdeeling Herea" noemden de Europeesche opzichters haar om den Griekschen klank van den naam--geen beteren panajagan kon worden gevonden. Onverstoorbaar hield hij maat, niet af te leiden door de vroolijke drukte om hem heen, de lachende menschenmenigte, de vele tientallen brandende olieglaasjes. En de overige leden van het orkest stonden hem onberispelijk bij. De kromong [46] accompagneerde in den middentoon, de kendang [47] zorgde voor den doffen maatslag; de melodie werd gevolgd door de tweesnarige rebab [48]. De hoogere tonen werden evenmin vergeten. Met een vaardigheid, van langdurige oefening getuigende, viel de man aan de ketoek met den regelmaat van een uurwerk in, de kempoel deed hooger, de bendeh [49] de hoogste tonen hooren. De twee go-ongs [50] en de kleinere, schellere sarons [51] wisselden elkander aldoor rythmisch af.

Op een afstand heeft deze muziek, de oedjan'mas, zelfs voor Europeesche ooren iets melodieus en weemoedigs, dat week stemt.

De Javaan is een vriend van den weemoed; zelfs op zijn vroolijkste feesten wenscht hij de lagoe blenderan [52] of de oedjan'mas. Veel minder heeft hij op met de lawaaierige giroh [53].

Er was groot feest in de woning van den koewoe [54]. Voor op het erf stond een eerepoort met een rood-wit-blauw doek en eenige klapperbladeren versierd; en wel vijftig flikkerende en walmende olielichtjes in ruwe glaasjes maakten een alleraardigst effect. Er waren zelfs lampions hier en daar, en in de pendopo [55] van de woning brandden wel vier petroleumlampen, terwijl buiten aan de stijlen nog al meer illuminatie was aangebracht. Het was een bruiloftsfeest, nog op de echt-prettige manier, met open tafel voor ieder voorbijganger, voor ieder die op bezoek wilde komen. Op het erf en rond de pendopo zag het zwart van het volk. Zulke mooie feesten had men in lang niet bijgewoond; het was een eenige gelegenheid! Mannen, vrouwen en kinderen verdrongen zich om naar den demang [56] te zien, die om zijn fijn tandakken [57], geheel in stijl, bekend was.

Maar ik zal niet uitweiden over het tandakken, noch over de elegante bayadère, een mooie jonge vrouw--een verdorven vrouw tevens, een die nergens achting vindt onder haar landgenooten. De kunst miskend! Zij is een straatdeerne van de minst eischende soort. Ik zal u niet vertellen van het bruiloftsfeest zelf, dat al uren aan de gang was--Indische lezers hebben die dingen meer gezien, en anderen kunnen een beschrijving van zulk een feest, zonder dronkenschap, zonder lawaai, zonder liederlijkheid, elders zeker beter vinden. Het was een feest, ingetogen als het volkskarakter, maar toch een van vroolijke, prettige drukte, waarover nog dagen werd nagepraat in Gatok. Eerst ver na twaalven werden bruid en bruidegom in optocht weggeleid, zooals het oud gebruik wil. En de schuchtere, bedeesde maagd, met de boré [58] op het gelaat, de strak gedraaide kondé [59] met melatti en kralen versierd--waarlijk het is Djiah, de dochter van Pah Ran van Tjidamar. En naast haar loopt haar echtgenoot, trotsch op zijn mooie bruid, Siman. Wat is hij mooi uitgedost met zijn glimmende, korte zwarte jas, en de keurig gevouwen sarong! Achter uit den gordel steekt het gevest van de kris van zijn grootvader, zijn djimat.

Zij treden de kleine woning binnen, waar zij voortaan hun leven zullen slijten naast elkander. Een deel van de muziek is meegetrokken en verscheurt de lucht thans voor de gesloten deur met helsche fanfares, waarbij de jeugd vooral op luidruchtige wijze van de heerschende vroolijkheid getuigt. Ruwe, toch niet kwaadgemeende kwinkslagen worden, maar niet luide, gehoord onder de ouderen, waarvan er menigeen Siman om zijn lief vrouwtje benijdt. Dan kan het huwelijk als ingewijd beschouwd worden en trekt het geleide weer terug naar het feesthuis, aan het andere einde van de desa.

Siman en Djiah kunnen nog lang de zachte klanken hooren van de gamelan, nu en dan verbroken door een hol klinkenden slag van go-ong of saron, wijdend het afscheid van Djiah van haar meisjesjaren.

In de binnengalerij van de woning van het desahoofd zaten, terwijl het feest nog in vollen gang was--het zou zeker niet voor het hanekraaien eindigen--op een rustbank Pah Rekso en Pah Ran genoegelijk te keuvelen. De zoon van den koewoe hield hun gezelschap. Mah Ten was voor een uurtje naar huis teruggekeerd; de slaap overmande haar. Hun woning stond zeer nabij die van het jonge paar, maar was te klein en te onaanzienlijk om er een feest in te geven, en de koewoe had hun bereidwillig zijn huis, het grootste in de desa, aangeboden. Van het aanbod was gretig gebruik gemaakt.

Siman en Djiah moesten een schitterende bruiloft hebben, dat was uitgemaakt. En waarom ook niet? Men was rijk nu!

Ja, de beide oudjes hadden geld, al was er nu niet bar veel meer van over na de kapitale fuif. De geschiedenis van hun wedervaren in de laatste drie maanden was heel eenvoudig. Pah Rekso had zijn sawah verkocht aan een buurman. Hij had wel begrepen dat de assistent-wedana er achter zat; trouwens de buurman was een familielid van des wedana's vrouw. Maar het kon hem après tout niet schelen. Hij had het geld contant ontvangen. Meer vroeg hij niet. De geit had ook een kooper gevonden. En wat er meer was werd meegenomen. Toch was het een heele onderneming geweest voor het gezin. Ze waren nog nooit verder dan de kotta geweest en nu zouden ze dagen en dagen onderweg moeten zijn. En dat, beladen met het huisgerei: een gendi [60] en een kleine paso [61], een paar pannetjes, een tjobek. [62] De tempajan [63] hadden ze wel achter moeten laten en ook het bed. Dat was te oud en te slecht om nog verkocht te kunnen worden.

Te vergeefs hadden Rekso, Siman en Djiah bij Pah Ran aangedrongen mede te gaan. De oude was zelfs voor de tranen van zijn dochter niet bezweken. Djiah was diep bedroefd. Haar lief gezichtje stond bedrukt en ze lachte niet meer. Ook Siman zag de toekomst donker in.

Een dag of drie voor het vertrek echter was Pah Ran op ongelegen tijd--men was bezig met de toebereidselen voor een slametan, [64] om oentoeng [65] te hebben op de reis--in de woning van Pah Rekso gekomen. Zijn gezicht stond donker.

"Zeg, buurman, heb je gehoord dat de landrente verhoogd wordt?" barstte hij uit.

De ander keek verwonderd en met schrik op. De gewoonte deed hem er een oogenblik niet aan denken dat de verzwaarde belasting hèm niet zou treffen.

"Is het waar?" vroeg hij.

"Ja de djoeroetoelis heeft het mij zelf verteld. Hij heeft de printah [66] gelezen, zegt hij."

"En onlangs zijn de desadiensten al verzwaard. Het gouvernement schijnt wel arm te zijn, tegenwoordig."

"Ja. Het heeft geld noodig om nieuwe soldaten te werven, want er zijn wel duizend doodgeschoten in den prang Atjeh. [67] Maar dat weet ik niet, Pah Rekso, ik heb het maar van hooren zeggen. Wat ik wel weet, is dat het een schandaal is."

De brave wist niet dat er van zulk een verhooging der landrente geen sprake was. Wel had de nieuwe landvoogd--dat er een nieuwe toean besar was, ook daarvan wist men in de desa Tjidamar niets af,--een circulaire doen rondzenden aan de hoofden van gewestelijk bestuur om beter te zorgen voor de inning der door de bevolking verschuldigde belastingen. De opdracht had den weg afgelegd van de residenten tot de inlandsche bestuursambtenaren en dezen gaven in den meest practischen vorm aan het bevel uitvoering. Het kwam er immers maar op aan dat er meer geld binnenkwam; welnu, de eenige weg om een resultaat te kunnen aanwijzen, was: de belasting te verhoogen. Veel behoefde het niet te zijn. Bleef de ambtenaar in gebreke door meerdere opbrengst te wijzen op meer activiteit, het zou hem allicht slecht worden aangerekend.

En aan de andere zijde was die eigenmachtige belastingverhooging niet te controleeren. Wat lag meer voor de hand dan zich te beroepen op meerdere draagkracht der bevolking? Het was dwaasheid zich moedwillig het ongenoegen van de hooggeplaatste ambtenaren op den hals te halen.

"Schandaal of niet," merkte Pah Rekso droog-wijsgeerig op, "je zult moeten betalen."

"Ik moet niets. Ik doe het eenvoudig niet!" voer de jongere driftig uit.

Rekso zweeg. Wat zou hij op die driftige woorden zeggen? Maar Pah Ran zag aan zijn houding dat Rekso hem dwaas vond. 't Ergerde hem. En in zijn toorn liet hij zich verleiden tot het doen van een gelofte, welke hij later verplicht was op geheel andere wijze na te komen dan hij bedoeld had:

"God hoort mij: eer zal ik het graf mijns vaders met mijn handen omwoelen, dan een cent meer te betalen."

Het klonk plechtig. De aanwezigen waren onder den indruk en lang nog na het vertrek van Pah Ran waren de achtergeblevenen te zeer beklemd om te kunnen spreken.

Die gelofte was een dwaasheid en had tot gevolg dat Pah Ran weg moest trekken, wilde hij haar gestand doen. Want een strijd tusschen den assistent-wedana en Pah Ran moest wel in het voordeel van den eerste uitvallen. Pah Ran had zich nu juist regelrecht in de soesah gewerkt. Hij met zijn koppigen aard dacht natuurlijk niet aan het verbreken der gedane gelofte, gesteld al dat hij den moed bezeten had om het gevaar, daaraan verbonden, te trotseeren. Bovendien zou hij zich te zeer moeten schamen voor hen, die zijn gelofte hadden gehoord. Hij moest dus weg. En daar dit natuurlijk bekend werd, speculeerde de assistent-wedana er op zijn stukje sawah goedkoop in handen te krijgen, wat hem na lang loven en bieden gelukte. Het vertrek van het gezin Rekso was in verband met het hiervoor medegedeelde uitgesteld, want Pah Ran zou nu mee trekken naar het noorden. Twee menschen waren gelukkig bij dezen loop van zaken: Siman en Djiah. Dat laat zich denken!

Toen was de groote dag van het vertrek aangebroken. Pah Ran had zijn buffel, een jong, sterk dier, niet verkocht. Met Pah Rekso had hij een pedatti [68] gekocht en die zou de karbouw trekken. Dat gaf inderdaad een groot gemak. De kinderen en de meisjes zouden bij beurten kunnen plaats nemen in het voertuig, en op die manier zou men beter en vlugger vooruitkomen.

De teekenen waren gunstig toen de reis begon. Siman en Djiah waren haast den ganschen dag samen; rustte zij al voorttrekkende uit in de pedatti, dan liep Siman er naast en wisselde van tijd tot tijd een blik met haar. 's Avonds werd rijst gekookt voor den geheelen volgenden dag en de nacht werd doorgebracht door een deel der vrouwen in de pedatti, zoo goed en zoo kwaad als het ging op de boenkoesans [69] en pakken, de anderen sliepen, evenals de drie mannen en Djanim, onder de kar. Men kwam natuurlijk langzaam vooruit, want de karbouw moest gespaard worden voor de hitte. Dus trok men in den vroegen morgen om vier uur reeds op weg. Om tien uur 's morgens moest het trekdier rust gegund worden, om de warmte. En eerst tegen vier uur 's middags brak men weer op, om 's avonds om acht uur uiterlijk af te spannen.

De weg was moeilijk te vinden, maar nauw meer dan een voetpad, en vaak moest met parang [70] en golok [71] den doorgang voor de pedatti verbreed worden. Langs den Goenoeng Andjoer ging men in noordoostelijke richting door ijl bosch naar Tjisanoer. Van hier uit kon men gedurende een heele poos de Tjikanding-leiding volgen, die naar wij zagen, door het water van de Tjikanding gevoed wordt doordat de rivier bij Tjisanoer is afgedamd.

Den eersten dag kwam men niet verder dan het armoedige boschgehuchtje Passanggrahan Tjikanding, waar de nacht werd doorgebracht. Den volgenden dag was men in het zwaardere bosch, maar de weg was nog wel te volgen. Het was een lange trek, dien tweeden dag. Bij Pondok Boeroeng kampeerde men. De drie volgende nachten moest men zich in het dichte bosch opschieten. Er werden groote vuren ontstoken om de wilde dieren verre te houden. Den laatsten dag vooral had men een vermoeiende reis op den drassigen bodem, waar de wielen vaak in wegzonken; terwijl door het dichte struikgewas over groote afstanden de weg moest worden gebaand. In den nacht eerst werd de desa Dojang bereikt, waar de eerste sawahs de eentonigheid van het woud braken. Na nog een stuk bosch doorgetrokken te zijn, ontplooide zich voor de oogen der reizigers de uitgestrekte laagvlakte; zoo ver het oog ging, zag men de sawahs. Water was er overal! Aan dit kostelijk vocht scheen nergens gebrek te zijn. In den vooravond was men in de groote desa Tjikoedoeng.

Hier werd de groote rust genomen. Pah Rekso en Pah Ran gingen op kondschap uit. Veel vernamen de vreemdelingen niet, wijl zij niet nieuwsgierig waren naar iets anders dan naar de mogelijkheid om gronden te krijgen en hoe dat geschieden moest. De koewoe gaf den mannen den raad naar Herea te gaan. De grond was daar zeer goed, zeide hij, en zuidelijk van de desa Gatok, aan den grooten weg, was grond te krijgen, ruim drie bahoes, had hij gehoord. De erfpachter was onlangs overleden zonder kinderen. En als men er vlug bij was, zou men dien grond wel kunnen pachten. Het ging heel gemakkelijk: men moest door het desahoofd maar aan den toean ziender doen weten dat men den grond wel wilde hebben.

En zoo waren de reizigers, na twee dagen oponthoud in de desa Tjikoedoeng, nog verder oostwaarts over het land Alas Bamboe getrokken, langs den grooten weg. De desa Gatok was een groote dagmarsch verder gelegen, nabij de grens van het land en de naburige particuliere landerij Telatiga.

Het was vlot achter elkander gegaan. Men had den koewoe, het dorpshoofd, een douceur gegeven voor de vele kosten, die hij verzekerde te moeten maken, en die inderdaad daarin bestonden dat hij naar den opzichter ging in de desa Herea en dien mededeelde dat hij den grond, die indertijd aan Pah Merdja had toebehoord, aan nieuwe opgezetenen had afgestaan. Hij kwam terug met de ingevulde contract-formulieren, welke nog slechts door Pah Ran en Pah Rekso behoefden te worden geteekend. Dezen konden evenwel schrijven noch lezen. Pah Rekso, die voorzichtig was, wenschte den inhoud van het contract te kennen, alvorens te teekenen. De koewoe verstond eenigszins de kunst van schrijven; in lezen was hij evenwel geen meester. Hij nam echter een houding aan als las hij den inhoud door en deelde hem bij gedeelten mede, wat hij wist dat het contract bevatte. Zij hadden zich te onderwerpen aan de bestaande bepalingen, neergelegd in het Reglement op de particuliere Landerijen van 1856, zij hadden den landeigenaar het 1/5 gedeelte van den oogst af te staan en eenmaal 's weeks in heerendienst arbeid te verrichten.

"Zijn er geen andere belastingen?" had Pah Rekso gevraagd, en de koewoe had verklaard van niet. Rekso had evenwel nog bezwaar om te teekenen. Een soort instinct waarschuwde hem dat het dorpshoofd een handlanger was van den landeigenaar, en hij voelde hem als een vijand. Het desahoofd nam genoegen met het verzoek van Pah Rekso om hem het papier achter te laten.

"Maar talm er nu niet mee," had de koewoe nog gezegd, "want de gronden kunnen elken dag aan een ander geschonken worden, zoolang jij geen erfpachter bent."

Rekso beloofde over twee dagen te zullen terugkomen.