Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 10

Chapter 103,881 wordsPublic domain

Eentonig was zijn stem, maar daardoor juist paste zij in deze omgeving van zwijgende natuur.

"Want zie, ik weet dat de eigenaren van ons mogen vorderen een dag arbeids zonder loon in de week; en zij mogen slechts arbeid eischen van hen, die reeds veertien jaren oud zijn. Zij, die reeds hun vijftigste bereikt hebben, behoeven geen heerendiensten meer te verrichten. Maar daar ziet ge Hariman slapen. Ik heb Hariman zien geboren worden; dat was kort na den voorlaatsten hongersnood. En dat is nu juist dertien oogsten geleden. De koewoe van Kalapa Aloes achtte hem sterk genoeg voor den heerendienst. En ik zelf, ik weet niet hoe oud ik ben, maar ik geloof dat ik ouder ben dan vijftig."

Pah Asriep had gelijk: hij wàs ouder dan vijftig. Vertelde hij niet daarjuist, dat bij zijn geboorte op het land nog geen heerendienst werd geheven?

Toch was het reeds meer dan een halve eeuw geleden dat aan de eigenaren der beide landen het recht tot heffing dezer belasting werd geschonken.

"Maar dat is zoo erg niet. Erger is het als zieken worden gedwongen om werk te doen. Is niet Pah Markam bewusteloos neergevallen van de koorts, toen hij djattiboomen moest kappen in heerendienst? Erger ook is het wanneer nog meer van ons gevorderd wordt dan waartoe wij verplicht zijn. Dat maakt ontevreden, zonder dat men kan hopen op wijziging van den toestand. En er wordt te veel werk onbetaald verricht. Geschiedt niet alles tegenwoordig in heerendienst? Worden niet bosschen geveld en landstreken ontgonnen in heerendienst; is niet de zienderan van Goenoeng Lawang gebouwd door onbetaalde arbeiders? Worden niet de rijstzakken geleverd zonder billijke vergoeding; en is het nieuwe huisraad van den administrateur niet van Telatiga aangebracht, gedragen door werkvolk, dat geen belooning ontving? En zijn ook niet zonder loon gebleven de lieden van Tjikoedoeng, die mooie metselsteenen leverden voor het pakhuis te Herea? Neen, waarlijk, er wordt te veel werk ondernomen door de eigenaren en de handen schieten te kort."

"Maar," waagde Karsiman, een der mandoers, op te merken, "ge vergeet, Pah Asriep, dat vroeger veel minder heerendiensten werden gevorderd dan thans ..."

"Zoo zegt men, Karsiman; inderdaad, zoo wordt gezegd. Ik weet daar meer van dan gij, die de eigenaren verdedigt ..."

"Ik verdedig niemand, maar ge moet billijk zijn in uw oordeel ..."

"Ei, het treft mij, jonge man, dat gij mij dit zegt. In den dienst der blanken is billijkheid een slechte eigenschap. Gij kent zeker nog de jonge vrouw van Djaja van Tji Empoek, van Djaja, die verpletterd werd onder een vallenden boom? Ook zij zal uw billijkheid ongetwijfeld roemen."

Karsiman was een oogenblik bleek geworden. Hij had zich gaarne op den oude geworpen en dezen getuchtigd voor zijn woorden. Maar moedig was hij niet, en in deze omgeving vooral zou hij zijn daad hebben moeten boeten. Pah Asriep zou kunnen rekenen op die allen om hem heen. Hun bewondering voor den ouden man hield gelijken tred met den afkeer, dien Karsiman hun inboezemde; ook al wisten de meesten niet waarop de grijsaard doelde, zij beseften dat de mandoer openlijk van een schurkenstreek werd beschuldigd en zij waren dadelijk bereid de partij te kiezen van den beschuldiger.

Karsiman beheerschte zich. Hij wilde zijn figuur redden; de meesten toch wisten niet ...

"Mijn schuld was het niet. Ik moest doen, wat ik deed."

"Djaja's vrouw is nu ook dood, Karsiman. Zij heeft zelfmoord gepleegd, in een vlaag van waanzin, toen zij een blind kind ter wereld had gebracht, en er geen korrel padi meer was in huis. Jij, Karsiman, jij hebt haar de laatste padi ontnomen ..."

"Dat is gelogen," riep Karsiman.

"Gij weet dat ik nooit lieg, Karsiman," hernam de grijsaard, tergend kalm.

Er ontstond eenig gemor en geschuifel onder de aanwezigen. Sastrawidjaja trok Karsiman achteruit. "Ga maar weg," fluisterde hij den ander toe. "Ziet ge niet dat de oude kwaad wil?"

"Ik heb het vroeger weinig anders gekend," vervolgde Pah Asriep na een wijle. "Er zijn tijden geweest, dat is zoo, dat de honderdduizenden dagdiensten niet gebruikt konden worden door de beheerders, omdat er geen werk was. En de registers zouden kunnen aantoonen, zegt men, dat nog geen vierde gedeelte der diensten werden gevorderd, en dat men gemiddeld slechts dertien dagen in het jaar uitkwam. Maar ik ben te oud om mij hierdoor te laten beetnemen en ik durf verklaren, dat dit slechts schijn is, en dat die schijn opzettelijk werd gewekt. Maar dan nog: gesteld al dat het vroeger beter was, wat helpt dit ons thans? Moeten wij niet gedurende een week uitkomen, met de belofte de volgende zes weken vrij te zijn? En zijn wij vrij? Of wordt niet, als deze week voorbij is, de kleine heerendienst van ons gevorderd? Moeten wij niet geregeld zes tot zeven maanden eens in de week dienst doen in senènan of krigan? En wie uwer heeft het wel eens nagerekend, hoeveel arbeid u aldus onbetaald wordt opgelegd, welken wij niet verplicht zijn te verrichten? Wie uwer kent voorts de bepalingen van het reglement zoo goed, dat hij zal kunnen protesteeren tegen werkzaamheden, welke uitdrukkelijk zijn verboden?"

"Behoeven wij dan niet alles te doen wat ons wordt opgedragen?" vroeg er een.

"Neen, dat behoeven wij niet. Maar gewoonlijk gelooft men mij niet als ik dit zeg. Ik ben oud en wel kan ik lezen, maar de goede menschen hebben gelijk voorzichtig te zijn. Want klagen doet de klagers kwaad."

"En welke werken behoeven wij dan niet te doen?"

"Het is gemakkelijker op te noemen, waartoe wij wèl verplicht zijn. Het reglement zegt dat de eigenaren gerechtigd zijn ons wegen te laten herstellen in heerendienst, als dit noodig is, waterleidingen te graven, of te herstellen, gras te snijden, grond om te ploegen, wacht te doen. En niets meer."

"Dus wij behoeven geen hout te hakken, geen steenen te bakken, geen woningen te bouwen, geen water te dragen, geen brieven te vervoeren ...?"

"Niets van dat alles. Dat is alles uitdrukkelijk verboden."

"Maar het gebeurt toch!"

"Natuurlijk."

"Pah Asriep, ik heb onlangs met vele anderen land moeten ontginnen in heerendienst in Sikarang, omdat er een proef genomen zou worden met ramih [162]," sprak Lontar, een vlugge knaap uit de desa Tjimanoet, "Had ik mij dus daartegen moeten verzetten?"

"Neen, mijn jongen, dat hadt je niet. Want het geeft je slechts soesah. Je wordt opgepakt en voor de rol gestraft wegens dienstweigering. En er wordt niet bijgezegd, welken dienst je weigerde te verrichten. Maar verboden is het ontginnen van gronden, dat weet ik."

"En wij dan, Pah, die het nieuwe pakhuis te Herea hebben moeten helpen bouwen?"

"Ook dat is verboden, Siman."

"Wij hebben moeten werken in het pakhuis bij de bereiding van de tjoeké-rijst ..."

"Dat was onrechtmatig, want het is verboden."

"En ik, Pah Asriep, heb vaak den pesoeratan [163] moeten vervangen ..."

"Het is verboden."

"Ook dat wij, lieden van Tjikoedoeng, gansch in het zuiden, bij Pondok Boeroeng, djatti-boomen hebben geveld, drie en dertig palen ver? Wij hebben de balken moeten transporteeren tot Dojang toe. Vandaar hebben andere heerendienstplichtigen voor het transport zorg gedragen."

"Zeker, ook dat is verboden. Maar de kandjeng assistent-resident tracht aan dit houttransport een einde te maken, wat hem niet gelukt. Er is nog veel, heel veel, dat verricht wordt in onbetaalden arbeid, en niet verricht mag worden. Werkzaamheden in de huizen der blanken, hoeden van vee, overbrengen van boodschappen, transporten, verzorging van plantsoenen, alles, alles geschiedt in onbetaalden arbeid."

"Maar, Pah, is het dan niet verboden dat wij hier, in het bosch, een week worden aangehouden voor de herstelling van den dam?"

"Die arbeid zelf is geoorloofd, Pah Ran. Herstellen van waterleidingen, zei ik immers daarnet. En nu is dit wel geen leiding, maar dat komt er zoo nauw niet op aan. Bovendien hebben de orang tani [164] er voordeel van dat de dam hersteld wordt, is het niet? Maar wij moesten betaald worden en dat gebeurt niet."

"Dus toch geen heerendienst?"

"Neen, ik zeg het verkeerd. De eigenaar is verplicht om ons twee cents per paal te betalen voor elke paal meer dan vijf, die wij af te leggen hebben van onze desa."

"Wij hebben dus recht op vier en dertig cents ..."

"Ja, voor elken dag werk."

"Ook voor de vier dagen dat wij onderweg zijn?"

"Neen; maar dat zit anders. De tijd, dien wij noodig hebben om op het werk te komen, moet in den duur van den arbeid begrepen zijn. En zoo komt het toch op hetzelfde neer."

"Maar wij, van Gatok en Tjikoedoeng, zijn vier dagen kwijt met reizen en toch moeten wij hier zeven dagen blijven ..."

"Och, mijn jongen, het is nog erger dan je denkt. Wij krijgen geen cent vergoed, wij hebben onkosten onderweg, wij hebben slecht eten, een kattie rijst per hoofd. Wat doen wij daarmede zonder ingrediënten? Het reglement spreekt van "behoorlijke voeding". Is daaruit iets anders te verstaan, dan dat de eigenaar den menschen, die, in zijn dienst, niet voor hun eigen voedsel kunnen zorgen, dit voedsel moet verstrekken, dat is dus niet droge rijst alleen?"

"Toen wij werden opgeroepen, Pah, hebben wij den koewoe verzocht om uitstel, omdat de djagong nog niet in den grond was, maar de koewoe heeft geweigerd ..."

"Ja, Siman, ze durven veel. En het zijn de koewoe's, de mantri's, de mandoers, die eigenlijk nog grooter vijanden van ons zijn. Want zij kennen beter dan de blanken onze zorgen. Maar zij allen, allen zijn omkoopbaar; zij allen zuigen ons mede uit, alsof het niet genoeg is dat wij ons zweet en bloed moeten geven aan hen, die blanker van huid zijn dan wij. Jullie hadt het recht, het recht, versta-je wel, om te weigeren een week heerendienst te verrichten."

"Waarlijk?"

"Zeker, dat weet ik heel, heel beslist. Het reglement zegt dat wij van elke week zes volle dagen voor ons zelf moeten hebben."

"En dus ..."

"Dus moet je zwijgen en dulden, want dat recht is er alleen op het papier. Dus moet je elf dagen verzuimen vòòr je de djagong in den grond kunt brengen."

"Maar--het kan in dien tijd te laat zijn."

"Dan moet je zwijgen en dulden. Allah wil het, dat het bruine volk wordt verdrukt."

Hij zweeg, de armen gekruist om de opgetrokken knieën.

Toen voer hij plotseling uit, en er flikkerde een grimmige gloed in zijn grauwe oogen:

"Maar er is een middel om onze soesah te vergeten: opium. Dat kun je krijgen bij Tio Ang Sioe, den zoon van den landheer, te Gatok. Die voert het openlijk binnen. Verslaaf-je aan opium! En dan, Siman, dan ..." hij fluisterde: "is er nog een ander middel. Maar dat mag ik je niet leeren.--Neen, neen, vraag niet.--Later, later misschien ... Wel te rusten."

Velen dier slaven peinsden dien nacht nog langen tijd over al wat zij van den oude gehoord hadden. Het kwam hun voor als iets hèèl vreemds en 't was toch iets heel gewoons ...

Drie dagen later kwam Van Affelen op het werk kijken. Met de bendy was hij tot Dojang gekomen, na onderweg verspannen te hebben. Te Dojang was een rijpaard gestationeerd, waarmede de opzichter te Gendeng was gekomen. Van Affelen was in het geheel niet tevreden over het werk; hij vloekte op het volk, schold het voor lui, wijl de arbeid niet opschoot; gaf op ruwen toon bevelen. De mandoers hadden een mauvaise quart d' heure. Erkend moet worden dat er voor Van Affelen reden was tot ontstemming. Inderdaad, het volk had nog weinig gedaan en Van Affelen meende daarin bewijs te zien voor zijn stelling, dat de Javaan lui en traag is. Hij vergat dat het onlogisch was, werklust en ijver te verwachten van onbetaalde arbeiders. Bij een groot deel van dezen droeg bovendien het zaad, door Pah Asriep in hun geest gestrooid, rijpe vrucht. Zij waren ontevreden en Siman hoorde, meer dan hij tot dusver had opgemerkt in zijn omgeving, lucht geven aan opgekropte bitterheid van gemoed. Avond aan avond zat men om den oude heen, luisterende naar zijn verhalen over den hongersnood, over de knevelarijen en afpersingen, waaraan zich, volgens zijn bewering, de landeigenaren schuldig maakten. Waarschijnlijk zou Pah Asriep niet alles hebben kunnen verantwoorden, maar met voordacht loog hij niet. Wat hij zeide, droeg het kenmerk uit diepe overtuiging voort te komen. En de anderen dachten er niet aan te twijfelen aan de waarheid van zijn woorden. Zij lieten zich medevoeren door hun eigen gedachten en deze waren niet van dien aard, dat de beheerders der landen gerust geweest zouden zijn, als zij den geest, die onder hen heerschte, gekend hadden.

Van Affelen leefde niet genoeg mede met het volk om zich de veranderde stemming te kunnen verklaren. Hij schreef den onwil, de traagheid, die welhaast op lijdelijk verzet begon te lijken, toe aan de impopulariteit van den arbeid en meende met gestrengheid dien ongewenschten geest te kunnen verdrijven. Met geen ander gevolg dan dat de ontstemming groeide. Zelfs werd hier en daar, zij het niet luide, gemord. Voordat Van Affelen dien namiddag vertrok, liet hij Pah Asriep bij zich komen. Hij berispte den oude over zijn gedrag: hij als oudste diende de anderen ten voorbeeld te zijn, in plaats van hen aan te sporen tot verzet. Hij wenschte daar niet meer van te hooren en zou tot andere maatregelen moeten overgaan, als er weer klachten bij hem binnenkwamen.

De grijsaard had zijn oogen niet neergeslagen bij Van Affelen's met vloeken gekruide toespraak. Hij had niets geantwoord, en den blanke slechts vast in de oogen gezien. Die blik hinderde Van Affelen en het irriteerde hem dat de andere werklieden de gereedschappen lieten rusten en het gesprek aandachtig volgden, geen gehoor gevende aan de aansporing tot voortwerken van de mandoers.

"Kun je niet antwoorden, verdomme!" snauwde hij Pah Asriep toe.

"Ik ben over de vijftig jaar, en Hariman hier is nog geen veertien; wij behoeven geen heerendienst te verrichten," was het rustige antwoord.

Van Affelen keek vreemd op; dit antwoord had hij zeker niet verwacht en het trof hem dat de oude zoo'n rechtstreeksche beschuldiging waagde uit te spreken.

Een antwoord had hij niet dadelijk gereed en hij ontweek daarom de beschuldiging met een common place: hij zou het onderzoeken. Toen reed hij weg.

Sastrawidjaja trad op Karsiman toe.

"Ik geloof dat je beter zult doen," zeide hij, "vandaag je rietje niet bij je te hebben. Het volk is onrustig. Geef geen aanleiding tot verzet."

Het was een verstandige raad, dien Karsiman opvolgde. Hij had steeds een fijn rottinkje bij zich, niet om er mede te slaan, maar meer als een distinctief van het mandoerschap.

Den avond van dien dag zat men weer laat bijéén. Van den weinigen arbeid was men niet moede en in de onrustige stemming zocht men afleiding in gesprek.

Boedin was het, die over de vrijwillige overeenkomsten begon te spreken. Hij verklaarde die voor den volgenden oogst niet te zullen teekenen en hij vond steun bij verscheidene anderen.

"Ik zal het ook niet doen," zeide Pah Asriep, "maar veel zal het ons niet geven, want op andere wijze zal men ons wel weten te knijpen."

"Maar toch, met het oog op een te verwachten slechten oogst, moeten wij padi leveren," meende Pah Ran, "want dan kan ons niet alleen de goede rijst worden ontnomen. Dan moeten de eigenaren ook de mindere soorten ontvangen."

"Dat is zoo; keuring in het pakhuis wordt dan niet doenlijk."

"Maar dan moeten wij ook geen taxatie aannemen."

"Natuurlijk niet. Van elke vijf bossen één voor den landheer."

"Er is nog een voordeel bij padi-levering," merkte Lontor op, "de indroging. Vroeger moesten wij dat nadeel dragen."

"Dacht je dat de landheer dat niet kan voorkomen?" wierp Pah Asriep tegen. "En wat dan, wanneer hij de padi liet wegen, dadelijk na den snit, en bepaalde dat ze binnen twaalf uur in het pakhuis moest zijn bezorgd? Dat zou voor tal van desa's onmogelijk zijn en dan, in het pakhuis kan men immers met verzwaard gewicht wegen ..."

"Dat is zoo. Ons grootste voordeel bij padi-levering is, dat wij de rijstkeuring ontwijken."

"Ja, en het stamploon niet behoeven te betalen."

"En het gewicht van de stelen bij den snit zal dan niet in ons nadeel bij het padi-gewicht komen."

"Ook behoeven wij dan geen veertig katties rijst te verstampen uit één picol natte padi."

"En als de korrel zwak is, of de rijst geel, zoodat wij geen witte tjoeké-rijst kunnen leveren van het vijfde gedeelte gebroken korrel, zullen wij geen goede rijst behoeven te koopen uit den verkoop van onze mindere soorten."

"De tjoeké-rijst kost drie rijksdaalders en meer."

"En de gewone rijst maar vier gulden en een kwartje de picol."

"Maar als er misoogst komt, en wij toch niets missen kunnen, zouden wij toch de tjoeké moeten opbrengen."

"En nu dan?"

"Nu zegt de overeenkomst, dat wij bij misoogst geen tjoeké behoeven op te brengen."

"Alsof dat waar is! Ik heb van het jaar nog tjoeké moeten betalen van een sawah, die nauw veertien picols opbracht."

"En wij hebben tjoeké moeten opbrengen, berekend tegen dertig picols, terwijl het beschot op nog geen twee en twintig uitviel. En vermindering hebben wij niet gehad."

"Ja, het zijn leugens in het contract."

"Ik teeken niet meer."

"Ik ook niet."

"Wij evenmin."

"En ik zal voortaan padi leveren."

"Ja, zonder taxatie."

"Ja, wij ook."

"Wij ook."

Er kwam eenige opwinding. De lieden spraken luide en de mandoers knoopten in hun oor wat zij hoorden. Het was noodig den opzichter te waarschuwen.

"Wij moeten zooveel mogelijk de menschen overhalen om geen rijst meer te leveren," stelde er een voor.

Dit denkbeeld vond steun. Hoe algemeener de beweging, hoe meer kans van slagen, oordeelde men.

Na een week gingen de heerendienstplichtigen huiswaarts; zij werden door andere ploegen werkvolk vervangen.

Twee dagen later waren Siman en Pah Ran weer te Gatok. Dadelijk daarna begonnen zij met het uitplanten der djagong. Het weder was ongunstig. Het was droog en smoorheet. De katjang stond zoo dor en schraaltjes dat geen hoop gekoesterd kon worden op eenig beschot. Toch ging men voort met irrigeeren. Boven de rantja had men een bamboezen stellage getimmerd om het water gemakkelijker te kunnen putten. Van de stellage liep een primitieve leiding van doormidden gespleten bamboe petoeng [165], waaruit de tusschenschotten bij de geledingen waren verwijderd, naar den katjang-aanplant. Tweemaal daags werd deze aldus begoten. Ondoenlijk was het de uitgestrektere djagoeng-beddingen op dezelfde wijze van water te voorzien. Men moest zich verlaten op den hemel. Maar regen bleef uit, dagen en weken. De maïs had met laatste levenskracht wortel geschoten en werkte zich omhoog. Zij haastte zich ontijdig met vruchtzetting en in den bodem had zij strijd te voeren met de vernielende hama oeret, de engerling.

Het bleef droog.

De Tjikoentoel droogde geheel uit. Ook de katjang kon thans geen water meer krijgen. De rupsen kwamen in den aanplant en dagelijks moesten de ranken door de meisjes van deze plaag worden gezuiverd. Bij de buren was het weinig anders. In de kedelé [166]-aanplant van Pah Djenie hadden de rupsen groote verwoesting aangericht; aaltjes waren gekomen in de ketella rambat [167] van Pah Roesmi. Men begon hier en daar met het verbouwen van gadoe [168], als had men een voorgevoel van komende zware tijden.

Het bleef droog. De setoes droogden in tot zwart-waterige poelen, waaruit de gassen in bellen ontweken. Zelfs de kikkers hadden zich uit deze schadelijke omgeving verwijderd. Alleen de mensch ging voort met het inademen der miasmen ...

Het bleef droog. En de koortsen kwamen. In lichten graad eerst, sporadisch. Toen meer, in verschillende desa's. De eerste slachtoffers werden ten grave gedragen. Op de opzichters-standplaatsen werd kinine verstrekt. Maar in de meeste desa's dacht men niet aan het inroepen van hulp. En de ziekte werd kwaadaardig en sloeg over naar den buik, als typheuse koorts. De sterfte werd grooter, voornamelijk onder de kinderen. De kindersterfte is altijd groot, elk jaar, op de particuliere landen Alas Bamboe en Telatiga. Maar dit jaar begon zij de aandacht der beheerders te trekken. Die van Telatiga vestigde op zijn beurt de aandacht van de hoofdadministratie te Batavia, de firma Biederman en Van Lochem, op de kwestie: "Er is een verminderde toename van de bevolking te constateeren," schreef hij voorzichtig, bedoelende: afname. "Het percentage kinderen is buitengewoon gering. Van de ruim 154.000 opgezetenen der beide landen te zamen, zijn ruim 74000 of 48 % van de mannelijke kunne. Er is doorloopend ruime kindersterfte. Van daar het hooge percentage mannen."

En kort daarop schreef hij: "De afname der bevolking moet toegeschreven worden aan sterfte, die vooral groot is onder de kinderen." Hij deed het voorstel om "zoodra mogelijk voor elk district twee dokters djawa [169] in dienst te nemen en elk district te voorzien van een apotheek."

De hoofdadministratie te Batavia ging dadelijk op het voorstel in: na twee maanden ongeveer werd er voor korten tijd, tijdelijk, één dokter djawa op Telatiga gedetacheerd.

Van Alas Bamboe kwamen geen voorstellen tot verstrekking van geneeskundige hulp, al zou die dan, als op Telatiga, bestaan in één tijdelijken dokter-djawa voor tachtig duizend opgezetenen. De administrateur van Alas Bamboe stelde niets voor, de hoofdadministratie van dit land te Batavia, de Nederlandsch-Indische Commercieele Bank vroeg naar niets, zoolang er tjoekérijst werd opgebracht.

Ook de desa Gatok was niet gespaard. De dood had bij menigeen aangeklopt en op het kleine kerkhofje waren er vele houten paaltjes bijgekomen; meest op korten afstand van elkaar: het waren meest kinderen, die als offers vielen.

Ook Djamin was door de koorts bezocht. Maar Mah Itam had hem in het leven weten te houden, met bezweringen en zonder kinine. De tweelingen waren bezweken. Zij waren altijd stumpertjes geweest, deze nakomertjes. Nu lagen zij beiden naast vader. Mah Ten had ze een voor een zelf naar het kerkhof gedragen. De vrouw was oud geworden van verdriet en nachtwaken. Zij begon gebogen te gaan, alsof ze reeds een nènèh [170] was.

Toch was het eigenlijk een uitkomst, dat ze heengegaan waren, de kleintjes. Er waren nu weer twee monden minder te voeden ....

De droogte hield nog steeds aan; nu reeds maanden lang. Bijna allerwege was de palawidja mislukt.

Ook de katjang van Siman en Pah Ran was geheel ten gronde gegaan. Men had den geheelen aanplant aan de rupsen prijsgegeven. De djagong was nauwelijks het oogsten waard. De arbeid zou niet loonend zijn. Toch moest het gebeuren, want de velden moesten gereed gemaakt worden voor de padi.

"Waarvoor zouden wij eigenlijk nog padi planten," had Siman in een mismoedige bui tegen Pah Ran uitgeroepen. "Het gaat natuurlijk weer denzelfden weg uit als dit jaar; Pah Asriep had gelijk: de palawidja is mislukt. En nu is Djiah alweer zwanger. Zouden wij niet liever werk zoeken, hier of daar, als toekang [171] of als boedjang?" [172]

"Wij moeten de sawahs bebouwen," antwoordde Pah Ran, "wij móeten. De landheer heeft te veel kwassa. Hij zou ons zeker het land afzetten."

Pah Ran had volkomen gelijk. Al kon hij niet weten dat de wet den landeigenaar in bescherming neemt tegen "kwaadwillige" erfpachters, hij vermoedde het.

En inderdaad, artikel 5 van het reglement op de particuliere landerijen bedreigt den erfpachter, die zijn velden braak laat liggen, met verkoop van zijn erfpachtsrecht. En is dit geschied, dan geeft artikel 22 van dat reglement den eigenaar de macht den van zijn rechten beroofden pachter het land af te zetten.

En waar zouden zij heen moeten, als dat gebeurde, nu hun kleine vermogen uit den verkoop van den buffel was ingeteerd door ziekten en begrafenis? ...