Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 11
Het was in dezen tijd ongeveer dat uit Telatiga berichten kwamen over een weigering van heerendienstplichtigen om onbetaalden arbeid te verrichten of de diensten af te koopen. Te Gatok kreeg men niet dan een onjuist beeld van de verwikkelingen, die met levendige belangstelling worden gevolgd. Overdreven verhalen van een botsing tusschen volk en opzichters hadden een ongewone spanning veroorzaakt. Men gevoelde dat de strijd, die ginds gevoerd werd, beslissend was voor allen. Aller belang werd daarginds op Telatiga behartigd door de weigeraars. En zooveel solidariteitsgevoel was er bij de lieden nog wel, dat men op middelen peinsde om die voorvechters ginds te steunen. Maar hoe?
De eerste regenbuien waren gevallen.
Met nieuwe hoop had men de velden omgeploegd, en wie geen buffels bezat, had met de patjol den grond omgespit. Thans moest een weekje nog gewacht worden, om den bodem tot uitzuren gelegenheid te geven: dan zouden de vrouwen kunnen beginnen met planten.
Siman was reeds naar Bodjong Kawoeng geweest om de bestelde zaadpadi af te halen. Die lag thans in huis, wachtende op het oogenblik dat zij getuigenis zou moeten afleggen van haar kiemkracht.
Er kwam weer nieuwe moed in de harten van velen. Och, een inlander is zoo zorgeloos, en het leed is gauw vergeten bij blijder toekomst. Ipah was ten huwelijk gevraagd, ja waarlijk, het leelijke, pokdalige meisje had nog vóór de mooie Mariam een vrijer gevonden, die het ernstig meende. Hij was een eenvoudige landman, niet jong meer, en weduwnaar. Maar hij had toch goed begrepen dat Ipah, het ijverige huismoedertje, een betere vrouw zou zijn dan haar mooie zuster. Pah Ijang, zoo heette hij, had een kleine sawah en wat vee. Schitterend was de partij voor Ipah niet, maar zij had geen pretenties en had hem dankbaar aangenomen, beseffende dat het toch de roeping der vrouw is, gehuwd en moeder te zijn. Na den oogst zouden zij trouwen; van den adat wilde zij niet afwijken.
Op zekeren avond werd Siman door een zeer onverwachten bezoeker verrast: Pah Asriep stond voor hem.
"He, Pah, dat doet mij pleizier," zeide Siman, die den oude vaak in vriendelijkheid had herdacht, na de week van gemeenschappelijken arbeid te Gending.
"Ja, het doet ook mij pleizier dat ik je weer zie, Siman, en toch is het geen aangename taak, die me hier in Gatok brengt, en nog verder."
"Hoe zoo?" vroeg de ander belangstellend.
"Ik ga door naar Telatiga, en hierlangs komende, wilde ik je komen begroeten. Men heeft mij dadelijk je woning gewezen. Maar ik dacht, dat je getrouwd waart?"
"Dat is ook zoo, Pah, maar mijn vrouw werkt te Herea in het pakhuis," antwoordde Siman en een sombere trek kwam even over zijn gezicht. "Er is geen geld genoeg en nu is zij aan het werk. Eens in de week komt ze thuis met de verdienste. Ze krijgt nu tien centen daags."
"Zoo. En hoe staat het hier bij jullie in Gatok?"
"Niet goed, Pah, niet goed. De palawidja--je hebt het wel voorspeld--is geheel mislukt door de droogte. Over een paar dagen moet de padi in den grond. En gij, Pah, waarvoor ga je eigenlijk naar Telatiga?"
"Ik wilde den kandjeng assistent-resident spreken, mijn jongen; ik wil klagen, al geloof ik zelf niet dat het wat helpen zal."
"Klagen, waarover? Over de heerendiensten?"
"Niet zoozeer daarover. Ik voorzie moeilijkheden met de levering van de tjoeké in padi, begrijp je. Ik heb een groote sawah, Siman, bijna drie bahoes. Grootvader had nog een veel grooter stuk, maar wij hebben in de hongerjaren telkens wat moeten verkoopen. En de landheer kan vooral de rijkeren veel kwaad doen. Toch wil ik geen rijst meer leveren. En dan wilde ik ook klagen over de heerendiensten."
"Je hebt natuurlijk ook gehoord van de lieden van Telatiga, die geweigerd hebben?"
"Ja, zeker, en nu geloof ik dat het een geschikte tijd is om te klagen. Er zijn nog twee anderen uit Kalapa Aloes, die met mij meegaan. Zij zijn nu bij een kennis hier te Gatok."
"Ik zou wel lust hebben om mee te gaan." Siman gevoelde waarlijk de lust bij zich opkomen den assistent-resident zijn grieven voor te leggen.
Hij was naïef genoeg te gelooven dat de bestuursambtenaar slechts zijn grieven had te kennen om ze weg te nemen. Aan zijn goeden wil twijfelde Siman niet; hij was onbekend met de werkelijke toestanden.
"Doe dat," spoorde Pah Asriep hem aan, "je kunt hier nu toch gemist worden. En hoe meer menschen klagen, hoe beter voor allen."
Pah Asriep bleef dien nacht in Simans woning over. Den volgenden dag toog Siman met hem en de twee desagenooten mede naar Telatiga; Pah Ran zou het werk tehuis wel alleen afkunnen. Voor eenige maanden was men nu toch van den heerendienst af.
Het was een lange reis, naar de hoofdplaats. Drie dagen was men onderweg. Siman kwam in een geheel vreemde omgeving. Telatiga is wel een binnenplaatsje, maar toch bood de kota in dezen tijd van het jaar nog een levendigen aanblik. Groote prauwen, beladen met zakken fijne export-rijst, lagen op de rivier, wachtende op het oogenblik van vertrek naar zee, ruim twaalf paal de rivier af, waar de stoomschepen bleven liggen. Siman kon zich niet voorstellen, hoe groot die schepen toch wel waren, dat zij de groote Tji Boeroeng, die toch zoo diep en zoo breed was, niet konden opvaren. En zoo was er veel vreemds om hem heen. Hij zag Chineezen en Europeanen toezicht houden op den afscheep der rijst. En telkens als een der prauwen volgeladen was, maakte zij plaats voor een andere. Het was allemaal rijst die verscheept werd, witte, grofkorrelige tjoeké-rijst, de eene zak na den ander. Wat werd er toch een massa opgebracht door de bevolking, overdacht Siman. Waar bleef die rijst allemaal? Ging alles naar Batavia? Waar lag Batavia eigenlijk? En was Batavia ook zoo groot als Telatiga?
Dergelijke vragen deed hij aan een der politie-oppassers, die bij de inlading toezicht hield en dien hij met zekeren schroom voor de mooie uniform genaderd was. De oppasser lachte hem uit over zijn domheid. Batavia was wel duizendmaal zoo groot als Telatiga, zeide hij, en er waren heel veel soldaten, en ook was er veel politie; aldus trachtende een beeld op te hangen van Nederlands koloniale grootheid.
Siman en zijn metgezellen hadden den tijd. Zij wachtten op den assistent-resident, die nu bezig was met het onderzoek van een perkara, [173] vertelde een andere politieoppasser, die voor het kantoor op een bank zat. Welke perkara? vroeg Siman nieuwsgierig. De ander, gevleid door den titel "kang", waarmede de desaman hem aansprak, wilde van zijn wijsheid blijkgeven. Het waren de Arabieren van Sapekan, die geen heerendienst wilden doen.
"Sapekan? waar ligt dat?" vroeg Siman.
"Aan de overzij van de rivier; op het land Telatiga."
Dat was een verrassing voor Siman en de anderen. Wat, het waren dus geen inlanders, die den heerendienst weigerden, maar Arabieren? Dat was een tegenvaller.
"Hebben alleen Arabieren geweigerd?" vroeg Siman.
"Neen, ook een hoop Chineezen, en ook inlanders, maar de Arabieren zijn met de beweging begonnen. Ze hebben een request gestuurd aan den toean besar te Bogor," vervolgde de oppasser gewichtig; maar hiervan begrepen zijn toehoorders niet veel.
Op dit oogenblik ging de deur van het kantoor open en traden een twintigtal druk pratende en gesticuleerende zonen Hadramants naar buiten. Zij waren in opgewonden stemming en uit de gesprekken was wel op te maken, dat zij zich in het geheel niet voldaan gevoelden over het optreden van den assistent-resident.
De deur sloot zich weer achter de Arabieren.
Pah Asriep en de zijner wachtten weder.
Uit de kamer klonk het zwak geluid van een drukschel.
De politieoppasser stond op met een geeuw van het bankje en haastte zich naar binnen.
Een oogenblik later verscheen hij weer en kwam op de wachtende inlanders af.
"Vanwaar komen jullie?" vroeg hij.
"Van Alas Bamboe."
"Wat voor een perkara hebben jullie?"
"Het is geen perkara, kang; wij willen den kandjeng toean assistent-resident spreken."
"Waarover?"
De anderen zwegen. Het zou onvoorzichtig zijn te veel te zeggen. Wat had de vrager te maken met de reden hunner komst?
De oppasser begreep. Hij ging naar binnen, maar verscheen weer spoedig.
"Kandjeng toean assistent-resident laat zeggen dat hij vandaag geen tijd heeft. Komt morgen terug."
Nieuwe teleurstelling.
"Maar, kang, zeg den kandjeng toean dat wij drie dagen ver gekomen zijn om hem te spreken. Elke dag oponthoud kost ons weer geld, en onze zaak is perloe [174]; de kandjeng toean kan veel soesah voorkomen wanneer hij ons hoort."
"Het zal niet gaan, beste menschen. Nu is er politierol."
"Maar daarna dan?" drong Siman.
"Daarna, daarna? Die rol duurt zeker wel een uur vandaag, er zijn veel zaken. Nu, dan is het al over éénen."
"Wij kunnen wel zoolang wachten."
"Ja, maar na de rol gaat de kandjeng toean naar huis om te eten; en daarna komt hij niet meer op kantoor ..."
Het schelletje klonk weer en de oppasser ijlde heen.
De vier inlanders gingen moedeloos heen. Buiten gekomen, zagen zij een oploop van volk; mannen, vrouwen en kinderen, vele Chineezen, enkele Arabieren stonden voor een gesloten deur te wachten, waarboven op een plankje te lezen stond: POLITIE.
"Kijk eens, Pah," riep Siman uit, "die Chinees daar is gebonden; er staat een oppas bij. Wat zou hij gedaan hebben?--En daar is er nog één, en nog één. En ook een orang Selam [175]. Ik tel er nu al acht, waarvan zes Chineezen."
"Wat zou er gebeurd zijn?"
"Een diefstal, denk ik," merkte de oude op, "of een rampok [176]. De menschen zijn erg opgewonden. Ik zal eens vragen."
Op dit oogenblik ging de deur open en de gevangenen werden door de politieoppassers naar binnen geduwd. Hen volgden een twintigtal andere lieden uit de menigte, de overigen bleven buiten.
"Wat gebeurt daar?" vroeg Pah Asriep aan een man van zekeren leeftijd, terwijl hij met zijn duim naar de deur wees.
"Dat is de politierol."
"Is er gekampakt [177] of gestolen, of een moord misschien...?"
"Welneen, hoe denk je dat zoo?"
"Ik zag acht menschen, gebonden en bewaakt door de politie."
"O, als er iemand vermoord was, zouden de moordenaars niet gebonden worden." De schampere toon van den spreker moest wel opvallen.
"Ik begrijp niet goed," begon Pah Asriep weer. "Ik ben hier vreemd, weet je ..."
"Het zijn menschen van Waroe Lima, die den garok geweigerd hebben, den heerendienst."
Het troepje verschrok.
"En worden die menschen zoo behandeld?"
"Ja, je ziet het."
"Maar Waroe Lima is immers een district van het land Telatiga ...?"
"Zeker, hoezoo?"
"De landheer heeft toch geen kwassa om de menschen zoo te behandelen?"
"Maar, beste man, men kan wel zien dat je hier vreemd bent. Het is een prentah kasar [178] van den assistent-resident."
Pah Asriep meende een oogenblik dat de ander een loopje met hem nam; maar dit was het geval niet, wat uit de gesprekken bleek, die de vier opvingen.
Nabij de deur stond een netgekleede Chinees. Hij maakte den indruk van een welvarend burgerman. Vrij gezet en glad geschoren, de haarvlecht net onderhouden, was hij het type van den well-to-do Chineeschen tokohouder in Indië. Hij had schoenen aan, en een grijs pakje over de wijde kabaja. Het was Tan Boen Ho, de bekende rijsthandelaar van Telatiga, die de bevolking voorschot op den oogst geeft en haar helpt, al is zijn handel berekend op grove winst.
Een andere Chinees sprak hem aan.
"Heb je ook al te maken met deze roesoe, [179] Boen Ho?"
"Ach ja, mijn broer Ing Kiok, je kent hem wel, van Waroe Lima, is een van de opgebrachten. Hij heeft altijd van zulke zaakjes. Hij is veel te onrustig, veel te onrustig. Hij wordt nooit een goed handelaar. Ik heb hem geplaatst te Waroe Lima om rijst op te koopen. En wat doet hij? Hij weigert de bevelen op te volgen van den landheer. Hij doet mee met zijn kornuiten; hij is weerspannig en toen is hij opgeroepen voor de rol. Maar natuurlijk niet gekomen. Nu hebben ze hem gehaald. Het geeft allemaal maar soesah. De tijden zijn toch al slecht. Ik heb veel voorschot gegeven en de oogst wordt slecht. Pas op, wat ik je zeg: de oogst wordt slecht. Als ze niet heelemaal mislukt. Ing Kiok is nog te jong. Ik had hem nog wat thuis moeten houden."
"Ja, het is kwaad spelen met vuur," merkte de ander wijsgeerig op.
"Natuurlijk, natuurlijk, welnu blijf dan met je vingers van het vuur af. Wat drommel, Ing Kiok had er niets mee noodig."
Hij zuchtte.
"Nou ja, Boen Ho, maar je moet toch ook bedenken dat het hard is voor ons Chineezen om heerendiensten te doen. Het reglement zegt heel beslist, dat wij niet heerendienstplichtig zijn. Het is toch een leelijk ding om te moeten werken zonder loon."
"Jawel, jawel, maar men kan water in den wijn doen. Geld maakt veel goed. En de landheer wil niets liever dan geld in afkoop van de diensten."
"Dat staat dan toch nog te bezien."
"Welneen, dat is het niet. De landheer heeft zelf de lieden aangeboden, de diensten af te koopen. Eerst vroeg hij zes en twintig gulden per hoofd en per jaar, wat nog zoo onbillijk niet was: een halven gulden per dag. De lui wilden er niet aan. Niet omdat de som te bezwarend was, neen, enkel en alleen om oppositie te voeren. Dat is juist het verkeerde. Men moet weten te geven en te nemen. Deze landheer is nog zoo kwaad niet voor ons, handelaren. Nu wordt hij noodeloos verbitterd, en het eenige gevolg is dat de handel er onder zal lijden. En het is zuiver oppositie, anders niet. De landheer heeft van zijn goede gezindheid voldoende blijk gegeven, dunkt mij, want later vroeg hij maar twintig gulden, toen achttien, en nu kunnen de menschen van den garok af voor vijftien gulden voor een heel jaar ..."
"Dat is erg vreemd."
"Vreemd, waarom vreemd? Dacht je dat een landheer ook niet liever vrede en rust heeft op het land, dan altijd soesah en relletjes?"
"Zeker, maar als ik in mijn recht ben, dan onderhandel ik daar niet over, zou ik zeggen."
"Nou ja, recht. Dat is zoo'n groot woord. In elk geval bewijst de landheer dat hij nog zoo kwaad niet is. En dan, er moet nog blijken dat de lieden in hun recht zijn. Als ze nu maar deden wat hij wilde, waren ze van alle soesah af."
"En waar was het einde!"
"Och kom, het is nu al jaren zoo gegaan, en het ging goed."
"Boen Ho, Boen Ho, nu ben je toch niet billijk. Jij weet net zoo goed als een ander dat het niet goed ging. Ze zeggen altijd dat wij, Chineezen, het volk zoo uitzuigen, maar ik geloof toch niet dat jij en ik evenveel rijst van de bevolking zouden kunnen binnenhalen, als die daar ginds," en de spreker wees over de rivier.
"Wees jij maar voorzichtig. Wie veel praat, moet veel verantwoorden. En een goed handelaar zorgt alleen dat de handel voor den wind gaat."
Er voegden zich anderen bij de beide Chineezen en het gesprek nam nu een wending. Men liet de critiek varen en bepaalde zich tot de feiten. Pah Asriep, Siman en de andere desalieden luisterden zwijgend toe. Wat zij hoorden, wekte zeer hun belangstelling. Zij vernamen zulke buitengewone dingen dat hun eenvoudige hersens alles nauw konden bevatten.
"Hoe is de heele beweging toch begonnen?" vroeg een jonge Chineesche handelaar. "Ik ben eergisteren eerst van Tegal teruggekomen. Ik weet dus zoowat niets."
Tan Boen Ho nam het woord:
"Ik weet er heel wat van, door Ing Kiok natuurlijk. Die praat tegenwoordig over niets anders. Ze zullen zijn mond wel sluiten in de boei, vandaag of morgen. De Arabieren zijn begonnen. Je weet dat mr. Hazelaar, de vorige president van den landraad, een Maleische vertaling heeft gemaakt van het reglement op de particuliere landerijen; daar heeft een procureur bamboe [180] mee gewerkt onder de lui. Ze waren toch al ontevreden, die Arabieren, en de procureur dacht dat hij er wel eenige zaakjes mee kon los krijgen. Hij was natuurlijk vol ijver, om de lui er op te wijzen dat ze onrechtmatig gedwongen werden om heerendienst te doen ..."
"En is dat niet zoo?"
"Weet ik het? Ik heb het reglement niet bestudeerd. Eerst hebben ze toen een telegram gezonden naar Batavia, dat wil zeggen, ze waren eerst op de politierol gestraft. Ze vroegen dan om hulp aan iemand, die misschien wel eenigen invloed had, omdat hun protest--zooals zij zeiden--geannuleerd was. Toen begonnen de Chineezen ook ..."
"Nadat de anderen gestraft waren?"
"Ja, het scheelde de lui in hun bol, blijkbaar. De weigerachtigen, ook de Chineezen dus, werden gestraft met drie gulden boete of een dag gevangenis. De zaak was heel en al trang [181]; ze moesten dienst doen, vond de assistent-resident; ze weigerden, dus: boete."
"En ze hebben niet betaald?"
"Neen, zij ..."
"Natuurlijk niet," viel een ander in, "dan konden zij wel elken keer betalen. Eens begonnen, moest natuurlijk doorgezet worden."
"Jullie moet me niet telkens in de rede vallen. Dan raak ik den draad kwijt. Waar was ik nu ook weer?"
"Ze wilden niet betalen ..."
"Ah juist. Nou, toen gingen ze natuurlijk de boei in. Twintig Arabieren, twee en twintig Chineezen van Lobening en zestig, geloof ik, van Waroe Lima. Maar, als je nu denkt, dat de les onthouden was, mis hoor! De volgende week werden ze weer opgeroepen voor de garok. [182] De lui verdraaiden het, allemaal ..."
"Och kom?"
"Ja. De assistent-resident was woedend. Dat kun je zoo denken. Hij zou ze tienmaal laten opkomen, al werd er tienmaal vol gehouden, zei hij. Jullie begrijpt dat het bedrijf op die wijze heelemaal verlamd zal worden. De rol wordt tweemaal 's weeks gehouden."
"Voor de lui van Waroe Lima beteekent dat ruïne."
"Dat zal waar wezen; vijf en twintig tot dertig paal het binnenland in, tweemaal in de week, dat is aan reizen en verblijf al zes dagen."
"En is dat gebeurd?"
"Ja, dat is gebeurd."
"Astaga! [183] Dat is een heele roegi [184], hoor."
"Maar mag de assistent-resident dat nu wel doen?"
"Doe er wat tegen, als je kunt."
"Nou en wat deden de lui toen?"
"Ze telegrafeerden aan den toean besar te Bogor ..."
"Brani zijn ze."
"Waarom brani? Ik zou het ook doen."
"Het schijnt dan toch wel, dat ze gelijk hebben."
"Zijn jullie nu klaar, zeg? Wat telegrafeerden ze, Boen Ho?"
"Dat ze reeds in de gevangenis waren geworpen. Nou moet je weten dat eenige dagen te voren de assistent-resident last had gegeven dat de lui, die reeds meermalen waren gestraft en nog weigerden, meerdere straf moesten krijgen ..."
"Gelast zeg je? Aan wien was dat gelast?"
"Aan den demang."
"Maar dat kan toch niet," zeide de vrager, die een vriend was van den adjunct-djaksa [185]. "De demang kan geen straf opleggen."
"Het wordt toch gezegd. Maar hoe het zij, dit weet ik dan wel heel zeker, dat de demang de weigeraars gebonden liet opbrengen, zooals jullie daareven hebt gezien."
"Astaga! hoe is het mogelijk!"
"En het was een prentah kasar van den kandjeng--ten minste dat zegt men," haastte zich de spreker er aan toe te voegen.
"En het mooiste is--ja dat moet jullie hooren--dat er later gebleken is, dat de raadsman te Batavia het eerste telegram niet ontvangen heeft ..."
"Hè?"
"En het antwoord was betaald!"
"Waarom is het dan niet bezorgd?"
"Wie zal dat zeggen? Het is mogelijk dat het verloren is geraakt. Maar het lijkt toch vreemd, dat juist dàt telegram weggeraakt is."
"Dan moeten ze protesteeren."
"En dan?"
"Dan krijg je ten minste je geld terug."
"Nou ja, maar de bedoeling was toch dat het telegram werd weggezonden ..."
"Sstt, sstt!"
De deur der politiekamer ging open. Het dertigtal opgeroepenen kwam naar buiten, niet meer gebonden. Ze waren erg opgewonden, praatten druk. De buitenstaanders omringden hen en overstelpten hen met vragen.
De gestraften riepen dat ze niet betalen wilden; dat men hen maar weer moest opsluiten; dat de assistent-resident geen recht had hen te straffen, want dat de zaak voor den landraad behoorde.
Twee politieoppassers dreven de menschen uiteen en na een kwartiertje was het rustig voor het kantoor.
Pah Asriep en zijn metgezellen gingen langzaam heen, om wat te eten aan een warong. Zij waren moe van de vele indrukken, die zij opgedaan hadden.
Den volgenden morgen reeds vroeg waren zij weder voor het assistent-residentiekantoor. Het was nog geen half negen, en de assistent-resident kwam gewoonlijk niet voor tienen op bureau, maar dat wisten zij natuurlijk niet en zij hadden verzuimd te informeeren, op welk uur zij den volgenden morgen aanwezig moesten zijn. Ruim twee uren hadden zij gewacht, toen de assistent-resident verscheen, gevolgd door twee politieoppassers. Het was een weinig opmerkelijk persoon; hij had een van die gezichten, welke men dagelijks ontmoet en dadelijk weer vergeet. Er sprak niets uit dat gelaat, zelfs geen barschheid of berekening; het droeg den stempel van volmaakte onbeduidendheid. Maar hij had de bestuurspet op met breed-zilveren rand en voor dit blinkend distinctief heeft de inlander ontzag. Zij betuigden de pet meer hulde dan de Zwitsers den hoed van Gesler: zij hurkten dadelijk neer, toen zij haar zagen aankomen. De assistent-resident scheen de lieden niet op te merken. Hij stapte zijn kantoor binnen, waarvan de deur zich achter hem sloot.
De vier buiten wachtten, een half uur, een uur. Toen vatte Pah Asriep moed. Hij vreesde dat zij ook dezen dag niet gehoord zouden worden, als zij nog langer zouden wachten. Het liep tegen twaalven. Hij naderde daarom den oppasser, die op zijn bankje zat te dutten.
Of hij hen niet kon aandienen?
De oppasser had er weinig lust in. Het was een andere, dan die er gisteren zat. Misschien ook wilde hij voor zichzelf gezag kweeken uit de marteling van dat wachten.
Maar Pah Asriep was diplomatiek.
"O, het mag zeker niet," merkte hij op. "Nou, als je niet durft, laat dan maar."
De oppasser was nu wel verplicht te toonen, dat hij wèl durfde. Hij stond op en ging binnen. Na een oogenblik verscheen hij weer.
"Volgt mij maar," zeide hij.
Beschroomd traden de vier binnen en hurkten voor de schrijftafel neer. De kandjeng lag achterover in zijn stoel, spelende met zijn zwaar gouden horlogeketting. Er lag nu een trekje van goedigheid over zijn gelaat.
"Zijn dit de lieden van Alas Bamboe?" vroeg hij den oppasser.
Buigende en de handen tegen elkander naar het gelaat opheffende, antwoordde deze:
"Noon inggeh, kandjeng [186]."
"Goed, ga dan maar naar buiten."
Toen de deur zich gesloten had, vroeg de assistent-resident welwillend:
"Wat komen jullie hier doen?"
Het antwoord bleef uit. Vòòr dit oogenblik hadden Asriep en zijn gezellen een klinkende rede opgesteld in den geest, een rede, waarin zij alle grieven en klachten hadden samengevat, maar het was toch nog iets anders om nu, in tegenwoordigheid van den hoogen bestuursambtenaar, vaardig te zijn met het woord.
"Komen jullie om een perkara?"
"Neen, kandjeng," zeide Asriep.
"Om te klagen, dan?"
"Ja, kandjeng."
"Waarover?"
Weer zwegen de inlanders.
"Ik geloof dat ik het begrijp. Jullie behoeft niet bevreesd te zijn; ik krijg dikwijls klachten te hooren. Maar haast je een beetje, want ik heb het druk."
"Wij kwamen om te klagen, kandjeng, maar ook omdat wij u wilden waarschuwen voor komende moeilijkheden."
De kandjeng werd onrustig. Moeilijkheden had hij altijd zeer onaangenaam gevonden. Hij hield heelemaal niet van moeilijkheden. Als de zaken maar marcheerden, zoo goed en zoo kwaad als het ging, en er kwamen geen lastige inspecties en geen perkara's, dan voelde hij zich erg seneng te Telatiga.
Moeilijkheden! De gedachte alleen stemde hem al onprettig.
"Wat is er dan weer?" vroeg hij, ietwat korzelig.
"Wij willen de vrijwillige overeenkomsten niet meer teekenen, kandjeng".
"Wat is dat nu weer? Waarom niet? Die contracten zijn heel goed. Ik registreer ze, en je kunt je er dus altijd op beroepen. Jullie zijn erg dom, je kunt het niet beter wenschen. Als je niet teekent, moet je tuinhuur betalen, en je moogt niet vrij visschen en hout halen en dan krijg je taxatie, en als die dan te hoog is ...?"
"Wij willen geen rijst meer leveren, kandjeng."
"Geen rijst meer leveren? En wat dan? Padi?"
"Ja, kandjeng."
"Maar, menschen, je bent niet goed wijs! Dan moet je immers veel meer opbrengen!"
"Toch niet, kandjeng."