Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 12

Chapter 123,957 wordsPublic domain

"Och, maar dat is dwaasheid. Doe dat toch niet. Je moogt dat niet doen. Daar geef je den landheer heel wat soesah mee. En mij ook. Ja zeker, mij ook. Natuurlijk, er komen relletjes, en perkara's, en dan moet ik zeker maar elken keer naar Alas Bamboe, om den boel weer in orde te maken, he? Welzeker! Lieve jongens zijn jullie--Nou, maar ik raad het je héél sterk af. Je krijgt er maar niets dan displezier en verdriet van. Wees toch niet zoo dom.--Het is dom, het is erg dom. En als er dan soesah is, dan komen jullie natuurlijk weer bij mij soebatten ..."

"Ja, kandjeng, u zult ons wel helpen."

"Helpen, helpen! Het is wat moois; eerst den boel op stelten zetten en dan hulp vragen."

De assistent-resident was in zijn emotie opgestaan en ijsbeerde de kamer op en neer, demonstreerende dat het erg dom was om padi te willen leveren in plaats van rijst.

De vier desalieden zwegen, zij begonnen intuïtief te begrijpen, dat de assistent-resident niet de persoon was, die hen zou bijstaan als zijn bijstand ingeroepen zou worden. En met de geslotenheid van den Javaan, zwegen zij, waar hun geen steun wachtte.

Na eenige oogenblikken wendde de bestuursman zich weer tot de inlanders.

"Van welke desa, en welk district zijn jullie?"

"Wij drieën zijn van Kalapa Aloes, hij hier is van de desa Gatok, district Herea, kandjeng," antwoordde Pah Asriep.

De heer Van Dam maakte eenige aanteekeningen.

"Jullie wildet nog klagen; zeker over de rijstlevering?"

"Neen, kandjeng."

"Waarover dan?"

"Over den garok, kandjeng."

"Zoo, wat is daarmee?"

"Ik ben al meer dan vijftig jaar, kandjeng, en er zijn nog vele anderen, die even oud en ouder zijn dan ik; wij allen moeten nog werken in heerendienst. En ook zijn er nog jonge lieden, kinderen bijna, die nog geen veertien jaar zijn en heerendienst moeten doen."

"Zoo. Hoe weet je, dat je al vijftig jaar bent?"

"Ik denk van wel, kandjeng."

"En is dat alles?"

"Neen, kandjeng, wij moeten ook te veel dienst doen ..."

"Vertel eens, hoe gij dat weet."

"Er is de groote garok, kandjeng, van een heele week. Den laatsten keer zijn wij te Gending geweest, een week lang. Gending ligt twee en twintig paal van Gatok, kandjeng, en achttien van Kalapa Aloes.--En dan is er de kleine heerendienst, de krigan."

"Hoe lang?"

"Zeven of acht maanden, kandjeng."

"Nou, dat is dan toch altijd nog geen twee en vijftig dagen in een jaar!"

"De garok, de groote heerendienst, komt meermalen, kandjeng."

"Hoeveel maal?"

"Dat weet ik niet precies, kandjeng."

"Maar hoe kan je dan zeggen, dat je te veel dienst doet! Jullie klaagt maar raak. Ik zal maar naar Telatiga gaan, denk je zeker, he? De assistent-resident zal wel helpen?"

"Ja, kandjeng."

Siman kreeg opeens moed.

"Het eten is ook niet goed, kandjeng."

"Krijgen jullie dan geen kattie rijst per man?"

"Jawel, kandjeng."

"Nou dan, de landheer behoeft niet meer te geven."

"Ja, kandjeng."

"Ja, jullie zegt maar: ja, kandjeng, ja kandjeng, maar de klachten komen eigenlijk op niets neer."

De heer Van Dam werd waarlijk boos. De brave man meende volmaakt in zijn recht te zijn. Hij voelde niet dat zijn korzelige bejegening reden was, dat de menschen niet praatten, niet alles zeiden wat zij op het gemoed hadden. De desa-man is als een slak. Bij den minsten tegenstand trekt hij, bedeesd, zijn voelhorens in. Men moet hem tegemoetkomen, door vriendelijkheid en welwillendheid zijn natuurlijken schroom overwinnen en zijn vertrouwen wekken. Heeft hij dat vertrouwen niet, dan zwijgt hij en duldt nog liever dan zich te compromitteeren door het uiten van niet begrepen grieven.

En zoo ging het hier ook. De assistent-resident vernam niets van wat hij toch zeker had behooren te vernemen. Hij zelf was daaraan schuld.

Voor Pah Asriep, Siman en de beide anderen was de tocht naar Telatiga dus een vergeefsche geweest, wat het klagen betreft. Maar geheel zonder nut was de reis toch niet gebleven. Zij hadden veel geleerd, wat hun tot dusver onbekend was. En bovenal hadden zij wel zeer goed begrepen dat het reglement op de particuliere landerijen--bij hen slechts bekend als het reglement--ook hun rechten vaststelde. Wat hun verplichtingen betreft, och, het was niet noodig deze te kennen. De eigenaren zouden wel zorgen, dat zij gèèn hunner verplichtingen verzuimden. Maar hun rèchten! Zij hàdden dus rechten. Zij hadden het recht diensten of opbrengst te weigeren, wanneer de heffing daarvan niet was veroorloofd door den wetgever. Maar welke waren die rechten? Het was zaak voor hen die te leeren kennen. Maar hoe? Ze stonden in een boekje. Maar al waren zij in het bezit hiervan, zouden zij dan geen uitleg behoeven? Pah Asriep, hooge uitzondering, kon weliswaar lezen, maar zou zijn kennis voldoende zijn tot begrip van het gelezene? Hij twijfelde er zelf aan. Toch moest men vòòr alles in het bezit komen van zoo'n boekje. En Siman meende dat het beste adres daarvoor zou zijn, een van de lieden van Waroelima. Die hadden zich verzet, steunend op hun rechten, welke zij dan toch wel kennen zouden.

Er werd besloten dien dag te besteden aan het zoeken van een exemplaar van het boekje van Mr. Hagelaar, met het reglement in het Maleisch gedrukt.

Pah Asriep had een idee. Hij zou Tan Boen Ho in den arm nemen. Wellicht zou hij Tan Ing Kiok bij hem ontmoeten en die zou hem toch zeker wel op den weg kunnen helpen.

Tan Boen Ho was geen kwade vent. Plooibaarheid, vriendelijkheid en goedmoedigheid hadden hem vooruitgebracht in zaken. Hij hielp graag. Behulpzaamheid was een kapitaal, dat, uitgezet, zijn rente opbracht. En toen Pah Asriep hem naar zijn broeder gevraagd had en het verzoek, dat hij Ing Kiok wilde doen, bekend gemaakt had, was Boen Ho wel eerst begonnen met te trachten op welwillende wijze de lieden te overtuigen van hun dwaasheid om zich tegen de bestaande machten te verzetten, maar hij was toch geëindigd met Ing Kiok te doen roepen, die bij een buurman was.

Ing Kiok was niet dom, hij zag in de inwilliging van Pah Asrieps verzoek een middel om propaganda te maken voor hun zaak. Hoe meer ontevredenheid, hoe liever; hoe meer uitbreiding der jonge beweging, hoe beter. Maar hijzelf bezat het reglement niet. Toch zou hij er aan weten te komen. De griffier van den landraad was natuurlijk een goede sobat [187] van Tan Boen Ho, natuurlijk, want Tan Boen Ho was van ieder een goede sobat, dien hij wel eens noodig had, of wel eens noodig zou kunnen hebben. En de griffier had nog verscheidene van die reglementen. Ing Kiok putte zich uit in welwillendheid. Ze moesten morgen maar weer eens terug komen. Hij zou zelf dien middag nog naar den griffier gaan en dan zou hij het reglement morgen wel hebben.

Pah Asriep en zijn gezellen waren wàt in hun nopjes met het goede resultaat van hun pogingen, maar dat ze nu alweer langer te Telatiga zouden moeten vertoeven, was hun toch niet aangenaam. Hoe weinig ook, het verblijf aldaar kostte geld. Toch zouden zij zich in het onvermijdelijke schikken, want hun leek het bezit van zoo'n boekje een panacee voor al hun leed. Zij konden natuurlijk niet weten, dat, in spijt van alle codificatie hunner rechten, deze met voeten getreden worden. Zij konden niet weten dat het voor ambtenaren een kwaad ding is hoogerop "lastig" gevonden te worden en dat het voor hen dus van minder gewicht is ontevredenheid te wekken bij de bevolking, die lang duldt alvorens haar leed te uiten, dan aanleiding te geven tot klachten bij de Europeesche ingezetenen. Zij konden ten slotte niet weten dat de gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië ongestraft den eersten hem opgelegden plicht verzaakt, den plicht namelijk, de bevolking te beschermen voor willekeur, van wien ook.

Dienzelfden avond had het gewone partijtje ten huize van den assistent-resident plaats. In de voorgalerij waren alle lichten op, en de ruime woning bood met die illuminatie een vriendelijken aanblik.

Aan het speeltafeltje zaten de vier heeren in eenvoudige witte Atjeh-jassen: de heer Van Dam, dokter Bottenman, mr. Van Wetten, de landraadspresident, en de ontvanger Haalman.

De jurist was met den bestuursman in druk dispuut, zeer ten ongerieve van de anderen, want Van Wetten speelde toch reeds onoplettend. Men had het natuurlijk over den tegenwoordigen roerigen goest onder het volk, over het weigeren van heerendiensten.

Van Wetten had volgehouden dat de lieden ten onrechte ter politierol werden gestraft. De assistent-resident had niet willen toegeven.

"Je kunt nu wel komen aandragen met alle mogelijke rechtsgeleerdheid, Van Wetten, maar je praat het niet bij me omver dat, waar zulke geschillen tusschen landheer en opgezetene nu reeds jaar en dag ter politierol zijn beslecht, er dan toch zeker wel eens een pientere kop op de idee zou gekomen zijn dat dit in strijd was met de wet."

Van Wetten gaf, en onderwijl betoogde hij dat dit een opvatting was, die hij niet kon deelen. Wat drommel, als de sleur de menschen deed inslapen, dan was er reden te meer om eens aan te toonen dat men al maar door op den verkeerden weg bleef.

"Wat doet u, mijnheer Van Dam?"

"O, moet ik het zeggen ...? Pas ... Dus jij zoudt meenen dat zulke geschillen voor den landraad moesten worden berecht? ... Hoeveel is er over? Zes? Goed, geef maar op ... Wie danst voor?"

"Altijd, die het vraagt."

"Ik geloof heel zeker, mijnheer Van Dam, dat mijn stelling uitmuntend te verdedigen is. De bepalingen, zegt men, zijn onduidelijk, maar ik heb dat tot nu toe niet kunnen inzien. En nu geloof ik er wel wat van te weten, want in den laatsten tijd heb ik mij heel veel beziggehouden met deze kwestie. Alle geschil spruit voort uit de beteekenis, die men hecht--en verkeerdelijk hecht--aan den term: "alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortkomende rechten ..."

"Neen, dokter, hangen doet u. Manille, ponto, als je blieft."

"Ja, het was te jong. Toch een aardig spel!"

Bottenman betaalde, verdubbelde den pot voor den verloren sans-prendre en Van Dam gaf.

"Ik beroep mij maar op artikel 59 van het reglement," nam de assistent-resident het gesprek weer op onder het afgeven. "Het plaatselijk bestuur zal kennis nemen ... allemaal negen? ..."

"Pas."

"Een vraagje."

"Wacht's even," zei Van Wetten. "Potdori, het zou er één kunnen zijn. Wat denkt u er van, mijnheer Van Dam?"

"Nou, ik heb zulke wel zien verliezen. En het potje is vet."

"H'm. Of ze 't bennen, dan maar."

"Al waren ze 't," zeide de ontvanger.

"Vijf."

"Mij drie."

"Vijf over? Kan ze niet gebruiken. Vier maar en zien."

Basta viel open.

"Wat een boffert," zei de dokter spijtig.

Het spel werd gespeeld en Van Wetten lette goed op. Hij hield echter vast aan het gesprek als een terriër aan een kluif en de volgende gift nam hij te baat om weer te beginnen.

"Ja, dat artikel 59 zou je op een dwaalspoor kunnen brengen."

"Wel neen, het is heel duidelijk: "Het plaatselijk bestuur zal kennis nemen van alle geschillen tusschen de landeigenaren en hun opgezetenen omtrent opbrengsten, diensten en wederkeerige rechten of verplichtingen, en zal, bij al dien partijen niet in der minne kunnen worden bevredigd, enzoovoort, in de zaak beslissen. Zoo staat het er precies ..."

"Komaan praesis, een kaart of een takkebos. Ik zou het dispuut nu maar tot aan tafel verschuiven, want het partijtje lijdt er onder," merkte de dokter ietwat korzelig op. Bottenman was een hartstochtelijk ombreur en kon onoplettendheid maar slecht verdragen.

Het was gelukkig gauw etenstijd. Er was een logeetje, een onbeduidend dametje, dochter van een suiker-administrateur en al een paar jaar op de mannenjacht. Mevrouw de assistent-residentsche had haar een uitstekende partij toegedacht: Van Wetten. En daar Lientje hem een "mooie man" gevonden had, was mevrouw Van Dam in den geest al op de bruiloft geweest. Van Wetten zelf wist van den strik, dien men hem spande, niets af. Hij was wat meer ten eten gevraagd bij de Van Dams in den laatsten tijd, en hij had moeten musiceeren met Lientje, "die zoo verrukkelijk piano speelde," maar overigens had hij weinig aandacht aan het meisje gegeven, dat toch wel een lief snoetje had met haar zwarte krullen en uitlokkende oogen.

Natuurlijk zat hij nu naast Lientje. Aan de andere zijde, aan het hoofd van de tafel, troonde Van Dam. En dien avond had mevrouw Van Dam heel wat gemoedsonrust te verduren, want Van Wetten had alléén woorden voor zijn buurman. Lientje moest zich behelpen met Bottenman, een ouden vrijer, die heel weinig zorg besteedde aan zijn uiterlijk en ook in ander opzicht geen man van de wereld genoemd kon worden. Voor Lientje was het heele dineetje een faillure. En daar hadden de opgezetenen van het particuliere land Telatiga schuld aan, want Van Wetten was op zijn stokpaardje en kwam er voorloopig niet af. Hij praatte zich geheel in vuur en vergat zelfs den goeden wijn eer aan te doen--wat hem niet vaak overkwam.

"Dat artikel 59 van u, mijnheer Van Dam, is krachteloos gemaakt."

"Hè, en waardoor dan?"

"Door het regeeringsreglement."

"Dat begrijp ik niet."

"Het regeeringsreglement is van jongeren datum niet waar, van '55. Welnu, artikel 78 R. R., eerste alinea, verklaart--luistert u goed?--dat alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende rechten bij uitsluiting behooren tot de kennis van de rechterlijke macht. Daarom is dat artikel 59 van u krachteloos."

"Met je verlof, maar rechten uit eigendom voortspruitende zijn toch geen ..."

"Dat zijn ze wel, mijnheer, dat zijn ze wel! De eigenaar heeft het land in eigendom, niet waar? Ik laat daar dat hier van een dominium plenum geen sprake is. Volledig eigendomsrecht is er niet, dat heeft mr. Sibenius Trip, oud-president der beide hoven, voldoende aangetoond. De eigenaren bezitten een dominium directum. De opgezetenen verwerven dan ook door bebouwing enz. zakelijke rechten op den grond. Maar, zooals ik zeg, dat laat ik daar. Uit den eigendom echter spruiten rechten voort, en wel in de allereerste plaats, versta me goed, in de allereerste plaats het recht om heerendiensten te vorderen en een zeker tantième van de voortbrengselen."

"Verder?"

"Wel, mij dunkt dus, dat, waar artikel 78 regeerings-reglement spreekt van "rechten uit den eigendom voortspruitend," er niet anders kan bedoeld zijn, in de allereerste plaats alweer, dan die rechten van tjoeké- en garokheffing. Als dus over die rechten twist gevoerd wordt, zal uitsluitend de rechterlijke macht bevoegd zijn daarin te beslissen. En dus ..."

"En dus doe ik iets onwettigs met de lui, die heerendienst weigeren, op de rol te straffen?"

"Naar mijn overtuiging, ja. U handelt daardoor in strijd met de bepalingen. Evenwel, er zijn mitigeerende omstandigheden ..."

"Ah, er zijn dus verzachtende omstandigheden, gelukkig!"

"Ja, dat de sleur zoo langzamerhand deze onwettigheid schijnt te gaan wettigen. Anders geen."

"Maar dan, Van Wetten, een vraag."

"Ja?"

"Het reglement op de particuliere landerijen is een algemeene verordening, niet waar?"

"Ja, zeker."

"Best. Maar dan zou ik wel willen wijzen op artikel 82, eerste alinea, van hetzelfde regeerings-reglement, dat jij aanhaalt. Dat artikel zegt: de zaken, welke uit haren aard of krachtens algemeene verordeningen ter beslissing staan van het administratief gezag, blijven daaraan onderworpen. En dus, zeg ik op mijn beurt, mijnheer de rechtsgeleerde, en dus is artikel 78 regeerings-reglement van geen kracht."

Het weinig levendig gesprek der anderen was allengs geheel verstomd en ook zij hadden, schoon zwijgend, deelgenomen aan het opgewekt debat tusschen Van Dam en Van Wetten. De triomf van den assistent-resident was door den dokter begroet met een vroolijk: "Habet, Van Wetten!"

De ontvanger viel dadelijk bij. "Prosit!" riep hij en hij nam zijn glas op. Van Dam lachte zegepralend. Van Wetten maakte evenwel niet den indruk van een verwonneling. Een fijn, sarcastisch lachje trok om zijn lippen. Hij keek de anderen aan en zei:

"Wel, mijnheer Van Dam, ik begreep waar u heen wilde en liet u dus spreken. Maar zoo spoedig als u wel denkt, hebt u me toch niet vast, geloof ik. Natuurlijk ken ik uw artikel 82 ook wel, maar dit mooie artikel is, jammer genoeg voor u, sedert 1857 niet meer van toepassing."

"Dat is sterk! Ik weet van geen wet, die het regeerings-reglement op die wijze besnoeid heeft. Volgens mij is het reglement op het beleid der regeering de handleiding voor al onzen arbeid."

"Dit is ook zoo, zeker, of beter: dit behoorde zoo te zijn, want natuurlijk houdt men de hand niet aan de bepalingen van dat reglement. En ook is er geen enkele wet, die een wijziging, als door mij bedoeld, vaststelt ..."

"Welnu dan."

"... maar het reglement zelf bepaalt het."

"Och kom, jullie juristen leest altijd meer in de wet dan wij; dat is trouwens jullie beroep."

"Ik dank u voor uw goede meening over ons, mijnheer Van Dam, maar wat ik nu bedoel, kan ieder openlijk en duidelijk zien staan. Als dames het regeerings-reglement lazen, zouden zij de bepaling zonder eenigen twijfel gevonden hebben."

"Van Wetten spreekt in raadselen," merkte Bottenman op.

Van Wetten stelde zijn triumf uit om er des te meer van te genieten.

"Dames kijken immers altijd achter in het boek voordat zij beginnen te lezen,"--de geestigheid viel heelemaal in het water; niemand vond haar aardig. Alleen Leentje vond haar "flauw"--"en," vervolgde Van Wetten "de laatste alinea van het laatste artikel van het regeerings-reglement zegt dat artikel 82 maar twee jaar van kracht zal zijn."

"Daar wil ik me dan toch eerst van overtuigen," zeide Van Dam, en met een ruk schoof hij zijn stoel achteruit, liet zijn servet vallen en verdween in het kantoortje. Hij kwam terug met een regeerings-almanak, eerste deel, en zocht naar het regeerings-reglement. Toen las hij: "artikel 132, tweede alinea: Bepalingen, voorkomende in de verordeningen, vermeld in de eerste zinsnede van artikel 82, die in strijd zijn met het voorschrift der eerste zinsnede van artikel 78, behouden slechts kracht gedurende twee jaren na het inwerking treden van dit reglement ..."--"Waarachtig, hij schijnt gelijk te hebben. Het is sterk."

"Och wel neen; het is integendeel zeer duidelijk dat de wetgever niet op twee gedachten heeft willen hinken en geen tweesoortige rechtspleging heeft willen in het leven roepen. Of alles voor de justitie, òf alles voor den politierechter. En, met alle respect voor de bestuursambtenaren, kan men niet anders zeggen dan dat de wetgever een goede keus gedaan heeft, door de laatsten prijs te geven. Dat men maling heeft gehad aan de bepalingen, is de schuld van den wetgever niet."

"Maar," merkte de assistent-resident verslagen op, "waarom vestigt ge er de aandacht niet op? Mij dunkt, het is toch een kwestie van beteekenis en ge schijnt volkomen gelijk te hebben."

"Weet je wat er het eenige gevolg van zou zijn?"

"Nu?"

"Dat ik een hoop schrijverij kreeg, om toe te lichten, enzoovoorts en dat ik tijd tekort zou komen om alle snertzaakjes te behandelen. Neen, ik vind het best, zooals het is."

Deze uitspraak wekte geen verbazing in dien kring. Het kwam bij geen hunner op dat Van Wetten toch eigenlijk zijn plicht niet deed, door zijn meening, die, naar het scheen, met een beroep op de wet gehandhaafd kon worden, niet bekend te maken, om zoodoende een niet geoorloofden toestand veranderd te krijgen. Welneen. Men vond hem ongetwijfeld erg handig, wat Lientje dan ook onder woorden bracht. Zij had heel weinig van het gesprokene begrepen en Van Wetten alleen erg vervelend gevonden, al paste zij er wel voor op dit te zeggen. Integendeel, zij had nog lof voor hem: "Nou, u is erg pienter hoor!"

Het spijt mij voor Van Wetten, hier te moeten verklaren dat hij zich gestreeld voelde door den lof, al kan ik als verzachtende omstandigheid aanvoeren dat het complimentje vergezeld ging van een veelzeggenden lonk uit Lientjes donkere kijkers.

De heer Van Dam vond de kwestie zeer interessant; meer dan men van hem verwacht zou hebben.

"Het is toch frappant," zei hij. "Nu moet je weten dat ik in het eerst zelf huiverig was om de kerels te straffen. Dat noemden de landheeren onwil van me. Toch was die onwil alleen een gevolg van medelijden met de stakkers. Ze moeten hier genoeg schot en lot betalen."

Het was wel eigenaardig uit Van Dam's mond een klacht te vernemen over het lot van den Javaan, waar hij zelf aan de bestendiging van dat lot meewerkte uit vrees voor soesah; waar hij zelf de afgedwongen overeenkomsten registreerde en niet naging of er ook te veel geëischt werd van het volk; waar hij zelf de lieden deed binden, als misdadigers, wanneer zij, zich beroepende op hun recht, protesteerden tegen knevelarij ....

"Hebt gij dan aan het verlangen der landheeren toegegeven?" vroeg de dokter.

"Moeten toegeven, dokter. De bestraffing voor de rol werd mij door den procureur-generaal gelast. Zie je, dat is toch wel kras, hè, Van Wetten?"

"Dat is het. Maar tusschen ons gezegd en gezwegen, de tegenwoordige P. G. is een prul van een vent, dat is herhaaldelijk wel gebleken."

Alweer kwam het niet bij het gezelschap op zich er over te verbazen dat den zoo ongunstig beoordeelden ambtenaar dan toch een post van groot gewicht was toevertrouwd, die hem in staat stelde veel onrecht te begaan.

"Wie is de tegenwoordige procureur-generaal?" informeerde de ontvanger.

"Mr. Van Vlissingen."

"Feitelijk heeft hij u dan toch aangezet tot onwettige handelingen," begon Van Wetten weer.

"Daar moet hij dan zelf ook maar de verantwoordelijkheid voor dragen," haastte zich Van Dam te verklaren.

"Natuurlijk, natuurlijk."

"Niet waar, het is toch onwettig, dat u zich ingelaten hebt met de twisten over den garok, want art. 81 R. R. is uitdrukkelijk genoeg: alle tusschenkomst van de regeering inzake van justitie, niet bij dit reglement toegestaan, is verboden. En het was dan ook--onvermijdelijke consequentie--onwettig, dat de lui gebonden werden opgebracht."

De assistent-resident meende in de laatste woorden van Van Wetten critiek te moeten hooren op zijn optreden. Dit was hem onaangenaam. Dadelijk toch ging het door zijn brein: dat binden zou hem last kunnen veroorzaken. En hij nam zich voor in het vervolg dien harden maatregel niet meer te doen toepassen.

"Maar hoe kwam de procureur-generaal er toe, u opdracht te geven? Was er dan geklaagd?"

"In zooverre dat de beide landheeren mij gevraagd hadden om den procureur-generaal te verzoeken een beslissing te nemen in de kwestie der heerendienstplichtigen. Die kwestie liep over dit punt: waren de lieden, in verband met de bepaling van artikel 26 van het reglement, verplicht tot het verrichten van heerendiensten, ja dan neen? Mij dacht van niet, want sub c van dat artikel wordt verklaard dat naar den adat, de volksgewoonten, de lieden worden vrijgesteld, die nog nooit heerendienst hebben gedaan. En dit was toch het geval met de Chineezen van Waroe-Lima en Lobening en met de Arabieren. Nu, de procureur-generaal dacht er blijkbaar anders over, want hij telegrafeerde terug dat ze wel heerendienst moesten verrichten. Later is nog een circulaire gekomen, waarin deze beslissing werd bevestigd. Ik heb ze toen wel moeten straffen."

"Ja, beroerd genoeg voor de kerels."

"En het mooiste is nog, dat de procureur-generaal in die circulaire zegt dat ze moeten werken tegen een kattie rijst per hoofd en per dag. Nu, je begrijpt dat de landheeren daar dadelijk profijt van trokken. Vroeger kregen de heerendienstplichtigen rijst met sajoer en een vischje. Dat is nou uit ...."

"Maar wat drommel," viel de dokter uit, "als de procureur-generaal zoo slecht op de hoogte is, wat heeft-ie dan circulaires te schrijven!"

"Ja, wat zal je er aan doen!"

Het gesprek kwam nu op ander terrein, en spoedig daarna waren de heeren weer aan de speeltafel. Van Wetten was er nu beter bij.

In de binnengalerij zaten mevrouw Van Dam en Lientje. De laatste had zich verveeld en mevrouw was heelemaal niet te spreken over Van Wetten, dien ze erg ongezellig vond, wijl hij niet had meegewerkt aan het welslagen van haar plannen. Maar ze sprak haar wrevel niet uit, beaamde zelfs den lof van Lientje, die hem "zoo knap" vond.