Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 13
Toen Pah Asriep en Siman den volgenden morgen van Ing Kiok terugkeerden met een boekje van Mr. Hazelaar, op verscheidene punten reeds ingelicht door den jongen Chinees, zagen zij opnieuw een oploop van volk voor het assistent-residentiekantoor, meest inlanders dit maal.
Er waren lieden van Lobening opgevat. En nieuwsgierigen vernamen dat er honderd en acht geweigerd hadden in den garok ketjil [188] uit te komen, verklarende dat zij reeds meer dan 52 dagen van het jaar heerendiensten hadden verricht. Er was weder politierol.
Acht en twintig inlanders werden dien dag veroordeeld tot drie dagen gevangenisstraf. De zaak bleek zeer trang en de assistent-resident verdiende een pluimpje voor zijn snel "recht" ...
Dienzelfden dag ging een telegrafisch protest aan den gouverneur-generaal in zee. Gelukkig begreep de landvoogd dat er ernstiger zaken waren dan deze ...
Djiah had in het pakhuis te Herea een zwaren arbeid, dien zij deelde met een tiental andere vrouwen. Het werk bestond in het stampen van de padi en het nawannen van de rijst. Men zal zich herinneren dat er dat jaar reeds hier en daar padi was geleverd in plaats van rijst. Ware dit niet het geval geweest, dan zouden vrouwen in het pakhuis geen arbeid hebben gevonden. Het werk was zeer vermoeiend. Te zeven uur kwamen de vrouwen binnen, om twaalf hadden zij een half uur schafttijd, om vijf uur des middags waren ze vrij. De loonen varieerden tusschen vijf en vijftien cents per dag.
Een der oudere vrouwen was, hoewel niet daartoe aangesteld, zoo iets als opzichteres over de anderen. Kario hield toezicht in het pakhuis. Kario was een ijverig werkman, die, zoo jong als hij was, gezag kon doen gelden onder zijn werksters. 'Mboh [189] Sima stond hem daarbij flink ter zijde. Niet dat de vrouwen noodig hadden telkens aan haar plichten te worden herinnerd, och neen, maar toezicht moest er zijn. Het werk moest snel geschieden, want de machine rustte niet en werkte elken dag voort, sorteerende de vele honderden picols rijst die binnenkwamen. Twee vrouwen zorgden voortdurend voor nieuwen toevoer. Ook dit was was wat nieuws. Vroeger waren mannen met deze werkzaamheden belast, maar vrouwen waren nog goedkooper. Vier anderen haalden de gesorteerde rijst weg. Dit werk was veel zwaarder dan het wannen, toch werd niet meer dan tien cents per dagtaak aan elk der vrouwen betaald. Daarom was er veel afgunst onder de werksters op Djiah en een andere wanster, Satima, omdat buiten 'mboh Sima slechts zij beiden het maximum salaris bekwamen van vijftien cents. Djiah vooral trof die afgunst; zij toch was het kortst aan het werk. Zij was ook niet begonnen op vijf cents, maar had dadelijk twee en een halven cent meer bekomen, en tien dagen later reeds was haar salaris door Kario verhoogd tot tien cents. Inderdaad had Kario hierin alles te zeggen, want Van Affelen, die begreep hoeveel hij aan den werkzamen man had, liet hem geheel baas in het pakhuis. Djiah vermoedde dat zij haar hooger salaris te danken had aan de omstandigheid, dat zij bij 'mboh Sima inwoonde de week, die zij te Herea bleef. 'Mboh Sima was een tante van Kario en zij had zeker een goed woordje gedaan bij den mandoer. Ook woonde Djiah zoover weg en zij had dus meer kosten dan een ander. Want telkens als zij huiswaarts ging, gaf zij haar kostvrouw een dubbeltje voor het inwonen. Voor den kost zorgde zij zelf. De kleine Rekso ging iederen morgen mede naar het pakhuis, werd op tijd gelaafd aan de moederborst en sliep overigens op een hoop gonnizakken in de afdeeling, waar weer andere vrouwen bezig waren met het dichtnaaien der voor de verzending gereed gemaakte zakken rijst. Hier werd meer betaald. De loonen liepen voor deze vrouwen tot zeventien en een halven cent daags en Djiah had al eens aan 'mboh Sima gevraagd of zij niet daar aan het werk kon komen. Zij zou die twee en een halven cent daags mèèr zoo best kunnen gebruiken!
De andere vrouwen in haar eigen afdeeling, meest meisjes, waren van een vrij lichtzinnig slag, dat had Djiah al spoedig gemerkt. Haar gesprekken wezen dat wel uit. Vooral de mollige, stevige Satima was een ondeugd. Wel, ze maakte er ook geen geheim van, dat ze precies wist waar Abraham de mosterd haalde. Men wist van haar te vertellen dat ze in den Oosthoek een tlèdèk [190] was geweest en erg veel geld verdiend had, niet zoozeer met het dansen, als wel met wat daarna komt. Satima sprak over die dingen zelf niet. Het was nergens noodig voor. En evenmin vertelde ze haar gezellinnen dat ze mandoer Kario heelemaal had weten in te palmen, dat Kario heel vaak des nachts bij haar kwam en dat zij daaraan haar hoog salaris had te danken en daaraan alleen, want voor den arbeid was zij vrijwel de minste. Zooals reeds gezegd, Kario was een don Juan en daarin ligt de verklaring dat de vrouwen in het pakhuis meest jong en mooi waren. En in haar eigen belang moesten zij wat toeschietelijk zijn. Trouwens in de desa's neemt men het zoo nauw niet met de zedelijkheid, of, om het juister uit te drukken, met onze begrippen van zedelijkheid.
De andere vrouwen hadden het land aan Djiah. Eerstens omdat zij meer verdiende dan de meesten, dan wijl zij een vreemdelinge was, de eenige, die niet in Herea thuis hoorde, en ten slotte wijl men haar om haar fijn gezichtje en lief figuurtje benijdde, want al heeft de vrouwelijke afgunst in de desa zich niet zoo sterk ontwikkeld als in onze zeer beschaafde en zeer brave westersche maatschappij, die ondeugd bestaat er niettemin. Onder elkander beschouwden de vrouwen als vaststaand, dat Kario ook in Djiah's gunsten deelde. En de gewone zinspelingen op die veronderstelde verhouding had Djiah ook moeten hooren. Ze had echter altijd gezwegen. Maar ze vreesde toch avances van Kario, die haar vaak zoo zonderling kon aankijken.
'Mboh Sima alleen hield van de stille, bescheiden vrouw. En aan de oude had Djiah eens haar bezorgdheid geklaagd, toen Kario haar op een middag had aangeboden een kopje koffie bij zijn vrouw te komen drinken. Djiah had zich verontschuldigd, want openlijk weigeren durfde ze niet. Thuis gekomen had ze 'mboh Sima haar vrees toevertrouwd:
"Ik ben bang, 'mboh, dat Kario iets slechts van mij wil." En ze motiveerde haar onrust.
'Mboh Sima had eens gelachen.
"Kleine dwaas. Als ik in mijn tijd preutsch was geweest zou ik nou geen eigen huisje met een tuintje hebben. Er steekt toch weinig kwaad in, vind ik. De mannen nemen wel twee en meer vrouwen, waarom zouden wij niet ..."
"Maar, 'mboh, en de adat dan!"
"Nou ja, de adat. Weet je, de adat verzet er zich pas tegen, als je zoo dom bent om het te laten merken. Maar je moet zooiets niet laten merken. En dan is er toch weinig ergs in."
Ik zeide immers dat men in de desa een andere zedelijkheid huldigt in dit opzicht en de eerste gedachte van Djiah, die toch volstrekt geen slecht schepseltje was en zich voor geen geld met een blanke zou afgeven, betrof niet het onvoegzame van den echtbreuk, maar den adat, die, door mannen uitgedacht zich er tegen verzette. Ook de tweede gedachte gold niet den immoreelen kant der kwestie, maar haar man.
"Als Siman er van wist, zou hij mij vermoorden ..."
"Natuurlijk, daar zou hij ook schoon gelijk aan hebben. Neen, in zulke zaken moet je den man er buiten laten," lachte de oudere vrouw, terwijl zij de stoomende rijst in den koekoesan [191] van den koperen dandang [192] haalde. Djiah volgde, in gedachten verzonken, haar bewegingen. Het zag er hier toch maar wàt netjes uit, bij 'mboh Sima! Daar was de zwaar koperen dandang. Die moest geld gekost hebben. Zij bediende zich thuis maar van een blikken ... Wat zag die zwart. Zoo'n blikken kreeg je nooit meer schoon van het roet ... Een koperen was toch veel meer waard ... Maar och, zij had geen geld ... Ze zou zoo iets wel nooit kunnen aanschaffen ...
Nu stond 'mboh Sima bij een klein hoektafeltje, netjes geverfd. Er lag een verschoten kleedje op en op het kleedje stond een vergulde lamp ... Ja, waarlijk een petroleumlamp. Zoo dadelijk zou ze haar wel opsteken ... en dan was het er zoo gezellig, in het binnenvertrekje ... Zij, thuis, moesten zich altijd behelpen met een palita ... die walmde zoo, en dan rook alles naar roet ... Als zij ook eens zoo'n heldere lamp konden hebben, hè ... Maar er was geen geld ...
Ze schrikte op uit haar mijmering door den stem van 'mboh Sima, die als het ware haar gedachten geraden had:
"Is het nog altijd zoo armoedig bij jullie, Djiah?"
"Ach god, ja, 'mboh. Heb ik je al verteld dat de katjang mislukt is, en de djagong ook? Die is nauwelijks goed voor veevoeder. En Mah Ten is weer ziek geweest, en de doekoen moest weer betaald worden. En nu wil Ipah al gauw gaan trouwen, en wij helpen haar natuurlijk met haar inkoopen.--Ach ja," zei ze zuchtend, "wij inlanders hebben altijd soesah."
"Kon je nu maar wat meer verdienen, hè? Als je nu bij het zakkennaaien kon komen te werken. Ik zou Kario het toch wel eens kunnen vragen. Hij zal het voor mij misschien wel doen.--Dat zou wel mooi zijn, vindt je niet? Een gobang [193] per dag meer."
"Och ja, 'mboh, doe je het, toe?" vleide Djiah.
Een dag of wat later kwam 'mboh Sima thuis met de blijde boodschap, dat Kario niet ongenegen was Djiah te helpen. Hij had medelijden met het arme vrouwtje, met wier kommervolle huiselijke omstandigheden hij bekend was. En de gelegenheid deed zich voor, want een van de vrouwen in de afdeeling, waar de zakken werden dichtgenaaid, ging heen en Djiah zou haar kunnen vervangen. Kario zou het haar wel mededeelen, wanneer zij kon invallen. Djiah verheugde zich zeer over deze blijde tijding. En eerder dan zij dacht kreeg zij het postje.
Op een avond was zij bezig den kleinen Rekso in slaap te wiegen. De mollige kleine vent had het wat in den buik en was huilerig en lastig. In haar kamertje zat de jonge vrouw op de balé en suste den kleine met lieve naampjes, hem heen en weer wiegende. Maar de dwingeland was niet in slaap te brengen. Dan maar het probate middel beproefd: Rekso werd aan de borst gelegd. Hij huilde nog wel even, maar spoedig daarop begon hij zich te laven.
"Ik ga even weg, Djiah," zeide 'mboh Sima, haar hoofd naar binnen stekend. "De koe van Pah Marto heeft gekalfd. Hij heeft bepaald oentoeng, het is een koekalf, het vorige jaar ook al.--Ik moet toch even gaan kijken."
"Goed, 'mboh, ik zal wel op je wachten," antwoordde Djiah en ze strekte zich met den kleinen dorstigen Rekso op de balé uit.
Nog was 'mboh Sima niet lang weg of Djiah hoorde de deur weer opengaan en stappen in het vertrekje. Zij verwonderde er zich nog over dat de vrouw zoo gauw weer terug was (want Pah Marto woonde heel aan het andere einde van de desa), toen in de deuropening opeens een mannengestalte zich vertoonde. Djiah schrok, richtte zich plotseling op, waardoor de kleine het weer op een dreinen zette, en trok haar sarong over de bloote borsten op.
De man in de deuropening had de verleidelijke figuur der vrouw evenwel reeds gezien.
Het was Kario.
"Wees niet bang, Djiah," zeide hij. "Ik kwam binnen en vond niemand. En toevallig zag ik de kamer in; ik wist niet dat jij hier was."
De man was volkomen oprecht.
Djiah had een kleur gekregen en in haar verlegenheid trachtte zij slechts den kleine te sussen.
Toen trad Kario de kamer binnen en zette zich op de balé neer.
Djiah voelde plotseling een grooten angst over zich komen over deze schending der étiquette. Wat wilde Kario toch? Gelukkig was de kleine nu stil. Hij sliep en voorzichtig legde Djiah hem in zijn hangwiegje.
Toen keerde zij zich met den rug naar Kario, maakte snel haar sarong vast en speldde de kabaja dicht.
"Willen wij buiten zitten," vroeg Djiah en ze ging reeds naar de deur, "'mboh Sima komt dadelijk thuis."
Kario deed alsof hij haar niet gehoord had en zeide, zonder van het rustbed op te staan:
"Ik kwam je eigenlijk maar vertellen, Djiah dat je morgen reeds over kunt gaan, als je wilt. Djena heb ik vandaag voor het laatst uitbetaald."
De hoop op meer verdienste was zoo groot bij Djiah, dat zij zich zelfs in deze pijnlijke positie niet bedwingen kon.
"Is het waar, kang? Ik dank u."
"Maar je weet, Djiah, dat ik het in mijn macht heb om je weer te ontslaan?"
"Zeker, kang, maar waarom ..."
"Waarom ben jij altijd zoo stug tegen mij, Djiah? Ik heb je toch nooit kwaad gedaan?"
Djiah stond geheel verschrikt. Nu wist ze wat Kario wilde. Ze was zoo bang, zoo bang. Waarvoor wist ze niet. Maar afkeer voor Kario gevoelde zij niet.
De jonge man was opgestaan en had haar zacht bij de pols gegrepen, terwijl hij met de andere hand de deur toeduwde.
De arme Djiah kon van schrik niet spreken en liet zich willoos naar de balé trekken. Toen echter trachtte zij zich los te maken uit de hand van den mandoer.
"Niet doen, Kario, niet doen," hijgde zij, "'mboh Sima komt dadelijk thuis."
"Ik heb 'mboh Sima uitgestuurd, lieve Djiah," loog Kario en hij sloeg zijn arm om haar heen, terwijl zijn heete adem Djiah in den hals brandde. Hij dwong de vrouw neer te zitten. Maar zij verzette zich:
"Ik wil niet, Kario, ik wil niet. Ik ben immers getrouwd, Kario. Er zijn veel mooiere vrouwen dan ik. Ik wil niet ... ik wil niet ..."
"Er is geen zoo mooi als jij, Djiah," fluisterde de verleider, die zich handtastelijkheden begon te veroorloven.
"Ik wil niet," hijgde de vrouw.
"Ben ik dan niet goed voor je, Djiah? Ik kan je dadelijk ontslaan als ik wil. Maar ik help je, morgen kun je al weer meer verdienen. Waarom zou je mij tegen je stemmen--thuis heb je bijna niet te eten, mijn lief ..."
De waarheid van zijn woorden trof haar met snijdende scherpte. En zijn bedreiging nam reusachtige proporties aan. Zij dacht er niet aan dat ze misschien ook elders wat kon verdienen; slechts het schrikbeeld van ontslag uit het pakhuis, het verlies van de een gulden vijf cents in de zes dagen, schemerde voor haar oogen.
"Dat moet je niet doen, Kario!" kreet zij. De mandoer begreep de juiste snaar aangeraakt te hebben.
"Ik zal het wel doen als je niet lief bent," dreigde hij.
Hij had het gewonnen.
"Maar Siman, mijn man ..." zuchtte zij.
"Siman weet niets ..."
Voordat 'mboh Sima terug was, had Kario zich reeds verwijderd. Toen de oude vrouw haar woning weer binnentrad, had Djiah zich reeds geheel hersteld van de doorgestane emotie. In haar oedit [194] voelde zij den halven gulden, dien Kario haar gegeven had: "Koop maar wat moois voor je, lieveling," had hij haar toegefluisterd.
Zij had het geld aangenomen. Waarom niet?
Begreep zij, die gevallen was uit vrees voor geldgebrek, dat zij haar daad slechter kleurde door betaling te ontvangen?
Sedert was Kario meer gekomen. Hij scheen te weten, wanneer 'mboh Sima niet thuis was, dacht Djiah. Maar zij begreep nog niet dat de oude vrouw door haar neef was ingewijd in hetgeen er in haar woning geschiedde. Djiah gevoelde zich niet meer angstig of verschrikt. Zij gaf zich aan Kario, geheel zonder toeneiging voor den man, die van zijn gezag misbruik maakte op zoo lage wijze. Eerst kwam Kario bij haar als 'mboh Sima afwezig was. Maar och, de oude vrouw liet spoedig blijken dat zij kennis droeg van de verhouding en het mag tot haar eer gezegd worden dat zij het erg laf vond van Kario, maar er Djiah niet minder om genegen was. En Kario kwam toen ook bij zijn onvrijwillige minnares als de oude vrouw thuis was. En in het pakhuis wist men weldra ook alles. Vooral Satima was gebeten op Djiah, want Kario gaf meer om de reine Soendaneesche dan om haar, de volleerde boeleerster. Djiah nam den toestand als een beschikking des hemels. Zij was zich geen kwaad bewust.
En wie, die het volk van Indië kent in zijn zeden en gewoonten, zijn begrippen van moraal, zal die meening niet deelen?
Intusschen hadden de grootere inkomsten van Djiah--want Kario was voor haar altijd mild--wel eenige verwondering gewekt bij Siman, en telkens als Djiah na een week te Gatok kwam, moest zij een leugentje verzinnen om die meerdere ontvangst te verklaren. Argwaan koesterde Siman niet. Hij nam voor goede munt aan de uitlegging van zijn vrouw, dat zij in haar vrijen tijd tjoekérijst verstampte voor de desalieden te Herea en had waarlijk respect voor zijn vrouwtje, dat er zich zoo dapper doorheen sloeg.
Het was een regenachtige avond, toen Pah Asriep en zijn metgezellen eindelijk te Herea kwamen. Zij waren niet over Herea gegaan toen zij de reis maakten naar Telatiga. Maar Siman had Djiah willen opzoeken. Zij zou juist den volgenden dag vrijaf hebben; dan konden zij samen naar Gatok verder gaan.
Het was laat, over negenen reeds. Druilerig siepelde de regen nog na. De hemel was zwaar bewolkt en geen ster schitterde aan het donker zwerk. Siman klopte aan bij de woning van 'mboh Sima. De anderen waren in een warong achtergebleven. De oude vrouw deed open en herkende Siman, die reeds een paar maal tijdens een oponthoud te Herea, zijn vrouw had opgezocht. De vrouw schrikte zichtbaar.
"Schrik niet, moedertje," zeide Siman vroolijk, "waar is Djiah?"
De oude had zich al van den schrik hersteld.
"Je hebt me waarlijk doen schrikken; natuurlijk, ik dacht dat je te Gatok was. Hoe kom je zoo op eens hier?"
"Ik kom van Telatiga, weet je, een heele reis," blufte hij.
"Van Telatiga? Wat heb je daar uitgevoerd?"
"Ik ben gaan klagen bij den assistent-resident," was het kwasi-nonchalante antwoord. "Maar waar is Djiah toch?"
"Astaga, zijn jullie gaan klagen! En heeft het wat geholpen? Waarover hebben jullie geklaagd?"
"Over de heerendiensten en over de rijstlevering, en nog over een heele boel meer. Geholpen heeft het niet. Neen, de assistent-resident durft niet, zie je, moedertje, de landeigenaren hebben te veel kwassa. Maar zeg, mah, waar is Djiah? Ze is toch nog altijd bij je? Is ze niet thuis?"
"Neen."
"Is ze niet thuis? Op dit uur? Wat drommel, waar is ze dan heen?"
De oude zat op heete kolen. Zij wist dat Djiah bij Kario was. Dat gebeurde in den laatsten tijd meer, telkens wanneer Kario zijn vrouw had weggezonden, hier of daarheen, was Djiah 's nachts bij hem. Ze kwam dan vaak heel laat thuis. Een geheelen nacht bleef ze nooit: dat zou te opvallend zijn. Het trof dan toch ook bepaald ongelukkig, dat Siman juist van avond moest komen.
"Ik weet niet; ze zei daareven, dat ze wat moest halen bij een vriendin van haar?" loog de oude.
"Wat moest halen? Dat had ze dan toch ook wel morgen kunnen doen?"
"Neen, ze was aan het naaien van een hemdje voor Rekso en toen had ze geen garen meer, zie je,--nou, en ik heb ook niets in huis, hé--en toen zeg ik zoo, ga maar eens vragen, hier of daar. Ja, zegt ze, ik zal Satima vragen. Ze had al terug kunnen zijn. Zeker, ze had al terug kunnen zijn, maar ik denk, de regen zal haar opgehouden hebben."
Bij Siman was argwaan gewekt, maar de leugens van 'mboh Sima hadden hem weer gerust gesteld.
"Slaapt de kleine?" vroeg hij.
'Mboh Sima nam dadelijk deze afleiding te baat.
"Ja, hij slaapt, de lieve vent. Och, het is toch zoo'n aardig kereltje, dat weet je niet half. Hij is altijd zoo zoet, heelemaal niet lastig, en hij huilt bijna nooit. Je moet hem eens zien. Het is een pracht van een jongen, hoor!"
Siman voelde zich gevleid. Hij ging mee naar de kamer en schoof de voorgehangen sarong op zijde om lachend naar zijn eersten spruit te zien. Het jongetje lag met gebalde vuistjes te slapen.
"Wil je niet wat eten, Siman? Ik heb nog wat rijst met visch."
Siman had honger en nam de uitnoodiging aan. Onder het eten kwam zijn ongerustheid over het lange uitblijven van Djiah weer op.
Hij stond op en zeide tot 'mboh Sima:
"Het heeft nu toch heelemaal opgehouden met regenen. Waar blijft mijn vrouw toch? Waar woont die Satima, mah? Ik wil eens gaan kijken of ze daar is."
"Wat een gekheid!" riep de oude verschrikt. "Ze zal nu wel dadelijk thuis zijn. En als je 'r gaat zoeken, loopen jullie elkander mis en dan maken jullie je beiden noodeloos ongerust. Drink eens een kopje warme koffie; hè, dat zal smaken met dit koude weer."
Maar Siman vond het aandringen der oude lastig en verklaarde toch maar te zullen gaan. Met veel moeite kwam hij te weten, waar Satima woonde.
Snel liep hij naar de aangeduide woning, waar Satima en een andere jonge deern samenleefden en een bedrijf uitoefenden, dat niet nader omschreven behoeft te worden. Er brandde nog licht.
Siman klopte en uit een der kamers kwam een vrouwenstem:
"Wie is daar?"
"Woont hier misschien ook Satima?" was de wedervraag.
De bamboezen deur ging krakend open, en in het licht verscheen een vrouwelijke gestalte. Het gelaat was dik gebedakt [195]; om den hals droeg de vrouw een bloedkoralen-ketting, reusachtige oorknoppen met valsche steenen hingen in de ooren. De mollige armen waren bloot; een stijve koetang [196] met kantjes hield de weerspannige borsten in bedwang.
"Ik ben Satima," zeide zij, "wat wil je en wie ben je?"
"Is je vriendin Djiah hier ook?"
"Mijn vriendin Djiah! Neen, die moet je ergens anders zoeken."
"Waarzoo dan?"
"Kom maar binnen, dan zal ik het je zeggen," en meteen greep ze Siman bij den arm en trok hem naar binnen, de deur achter zich toehalend.
"Wat wou jij nou van die magere Djiah?" vroeg ze, haar arm vrijpostig op zijn schouders leggend, "Buiten is het koud, en hier is het warm. Wees niet mal."
Siman huiverde even. Was deze deern de vriendin zijner vrouw? Dat kon niet. Hij zou zich vergist hebben in het huis. Domkop, waarom had hij ook niet beter uitgekeken?
"Waar woont Satima?"
"Zeg, ben jij wijs, lekkere jongen? Ik heb je toch gezegd dat ik Satima ben."
"Maar ik bedoel, die in het pakhuis werkt?"
"Juist, die ben ik."
"Ken jij Djiah dan?"
"Natuurlijk ken ik haar."
"'Mboh Sima zei dat ze bij jou was om een klosje garen te halen."
Satima lachte luid op.
"Ze heeft wel wat anders te doen, zeg, dan klosjes garen te zoeken!" Ze lachte weer. "Die mop is goed!"
Siman werd driftig. Hij was de deur alweer uitgestapt maar keerde zich op de laatste woorden van Satima nijdig om:
"Wat bedoel je daarmee, slet? Pas op, of ..."
"Scheldt jij die mooie Djiah voor slet. Ben je wel wijs, man. Ik ben niet getrouwd!" Meteen sloeg ze de deur dicht.
Het was Siman, als had men hem voor het hoofd geslagen. Wat had dat gemeene schepsel bedoeld? Ze loog, natuurlijk. Ze loog. 'Mboh Sima had gezegd, dat Djiah misschien ook bij Soeninten kon zijn. Zeker, natuurlijk zou ze daar zijn. Maar hij had vergeten te vragen waar die woonde. Wacht, dat kon hij nog wel doen. En van buiten riep hij:
"Zeg, Satima, waar woont Soeninten?"
"Daar hoef je 'r niet te zoeken. Als je toch zoeken wilt, zoek dan maar om de west."
En meteen ging binnen het licht uit.
Een vreeselijke gedachte kwam opeens bij Siman op. Zou Djiah .... Maar neen, dat was niet waar. Wie het zei, loog; hij zou hem kunnen vermoorden! En toch--ze bracht in den laatsten tijd veel geld thuis. En laatst had ze een mooie pending meegebracht. Die moest geld gekost hebben. Wat had ze toen ook weer gezegd? ... Dat ze het sieraad voor een prikje gekocht had bij een dagang [197] .... Maar, dat was waar. Hij zou er een eed op hebben kunnen doen. Ze logen, die Djiah slecht zouden noemen.
Driftig ging Siman heen. Hij had haast en liep onwillekeurig naar het westen, de richting, die Satima hem aangegeven had. Maar een doel had hij niet. Hij kwam aan een kruispunt. Een vrij aanzienlijke woning stond links van hem. Een groote doerianboom verhief zich vlak voor het huis, zwermen tjodots vlogen om den fraaien kruin; een sterke bloesemgeur vulde de lucht. Siman bedacht zich. Welken kant zou hij uitgaan. Zou hij nog wel verder zoeken? Maar waar? Het was nutteloos, doelloos. Hij wist immers heg noch steg. En ook kon hij toch niet in elke woning vragen of zijn vrouw daar was ....
Hij ging terug naar het huisje van 'mboh Sima. Misschien was Djiah nu al thuis. Hij was gek, dacht hij. Wat was er nu voor reden om zich zoo op te winden?
Hij werd kalmer en toen hij voor de woning van 'mboh Sima stond, was zijn drift verdwenen. Slechts onrust kwelde hem. Hij stiet de deur open en met blijdschap zag hij zijn vrouw met 'mboh Sima aan het tafeltje zitten.
Zij kwam dadelijk op hem toe, vriendelijk.