Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 14
"Ik hoor van 'mboh, dat je mij gezocht hebt, Siman; waarom niet gewacht? Ik was juist even uitgegaan. En toen ik thuis kwam, zei 'mboh, dat je net weg was ... Waar kom je vandaan, zeg? ... En heb je Rekso al gezien, hij is zoo'n zoete, lieve jongen ...? En wat wordt hij dik, hè ...?"
Het was Siman niet ontgaan dat Djiah zeer bleek en ontdaan zag. Ook was hem de gejaagdheid in haar spreken opgevallen. En plotseling greep het spook van den argwaan hem opnieuw bij de keel. Het dreigde hem te verstikken. Een schemer trok voor zijn oogen.
"Waar ben je geweest?" kreet hij in woede.
Djiah verschrok van zijn gelaatsuitdrukking. Zij aarzelde, kon zoo spoedig geen leugen verzinnen; ach God, ze was zoo weinig gewoon te liegen!
"Ik moest ergens heen" ... stamelde ze.
"Waarheen, waarvoor?"
"Ach, Allah, vergeving, Siman, vergeving, wees niet boos ...."
"Vergeving? Vergeving!? Waarvoor?"
'Mboh Sima wilde de situatie redden.
"Ik heb je immers gezegd, Siman, dat ze ...." begon de oude. Maar woedend viel Siman uit:
"Zwijg jij. Jullie liegt me voor. Jullie liegt .... Waar ben jij geweest zeg, hè, zeg op ..... waar ben je geweest!!" Heftig schudde hij de jonge vrouw door elkander.
Djiah verging van ontzettenden angst en verijdelde daardoor het pogen der oude vrouw. Ze wilde liever bekennen, dan nog langer die marteling doorstaan. Alles liever, dan ....
"Ik ben niet slecht, Siman ..... ach, geloof me toch ... Siman .. ik ben niet slecht .." Ze wierp zich op den grond voor haar echtgenoot, omvatte zijn knieën, maar Siman was meedoogenloos. Hij rukte haar ruw weer op de been en snauwde haar toe:
"Als je het niet gedaan hebt ... vrouw ... waarvoor vraag je dan vergiffenis? Jij liegt ..... vervloekte h...."
"Neen ... neen ... Siman, zeg dat niet ... zeg het niet ... Allah, Allah, Siman, Siman ... vervloek me niet ..."
Ze huilde, ze snikte, wentelde zich over den grond; de lange haren waren losgeraakt de kabaja was opengescheurd ... Die wanhoop van haar was voor hem een vreeselijke openbaring, die door zijn gemartelde hersenen flitste: Ze was schuldig ... ze was schuldig! Hij dreigde te bezwijken, hij wankelde,--maar zijn mannentrots was te sterk, de beleediging te zwaar:
"Een hoer ben je!" schreeuwde hij, "... een hoer ... vervloekt zij je ... vervloekt de vrouw, die je baarde ... vervloekt je kind ...!"
"Het is jouw kind, Siman ... het is jouw kind!" jammerde de ongelukkige.
"Je liegt ... je liegt ...!" Het schuim kwam Siman om den mond. Een hartstochtelijke begeerte maakte zich van hem meester: de vrucht, die zij bij zich omdroeg, uit dat lichaam te trappen ... te trappen. Het was niet zijn kind! ... Het was een kind van een ander ...
"Wie is het! ... wie is het? Zeg op of ik vermoord je!"
Hij viel op haar neer, sloeg haar met de vuisten in het gezicht, wurgde haar bijna ...
"Vergeving ... Siman," reutelde Djiah, "ik zou ontslagen worden ... Siman ... geloof me toch ... Siman ... ik móest ... Oh, Allah hoort mij ... ik moest ... ik móest."
"Wie is het ...?"
"Er is geen eten genoeg ... voor ons niet ... voor Rekso niet ... Siman ... als ik niet blijf werken ... ik moest ... Allah weet ... ik wilde niet ..."
"Zeg op, vrouw ... wie is het?"
Het was nauw meer een menschelijk geluid, dat uit zijn borst ontsnapte. Hij gilde. 'Mboh Sima was naar buiten geloopen ... ze bleef luisteren aan de deur. Als Siman zich maar niet vergat ... Och God, wat was Djiah toch dom ... kassian! [198]
Binnen huilde Siman:
"Zeg op ... zeg op! ..."
"Kario," snikte Djiah.
Een oogenblik was Siman als verlamd, nu hij den roover van zijn eer hoorde noemen. Toch had hij dien naam willen vernemen. Waarom? Waarom wilde hij zijn vijand kennen? Hij wist het niet.--Ja toch, hij wist het wel ... Wraak, wraak wilde hij ....
En hij trapte tegen de roerlooze vrouw, die slet, die ellendige; hij trapte haar op den buik ... met opzet, woedend ... hij wilde doodtrappen dat vervloekte kind, waarvan ze zwanger was ... hij trapte ... drie, viermaal ...
Djiah kreunde, toen stiet ze plotseling een hartverscheurenden kreet uit en bleef bewegenloos liggen, buiten kennis.
Siman was weggehold, zonder hoofddoek. Waarheen? Hij wist niet ...
Wat wilde hij? Toen opeens verzamelden zich zijn gedachten: ze brachten hem het beeld van zijn doodsvijand voor oogen. Hij kende den ellendeling van vroeger. En toen wist hij wat hij wilde: hem dooden.
Hij wist de woning van Kario te vinden, aan het kruispunt. Het was kenbaar aan den doerenboom.
Daar was het huis ... er brandde nog licht ... de deur was nog niet afgesloten.
Siman rende de nachtronde voorbij ... zonder te letten op hun roep ... zonder te bemerken dat men hem volgde ... Hij wierp de deur open ... Kario lag op de baleh, rookend. En eerst toen Siman dien man zag, dacht hij aan zijn kris, poesaka van zijn vader, die nu zijn eer zou wreken. Voordat Kario begreep wat er ging gebeuren, lag de woesteling op hem ... De kris ging omhoog, en diep plantte zij zich in den schouder van Kario. Siman was te verblind om juist te treffen. De getroffene worstelde tegen, om hulp roepend ... Weer ging de kris omhoog ... weer trof zij slecht ... De derde maal voelde Siman dat iets zijn arm tegenhield .... Hij zette zijn tanden in den hals van den mandoer ... beet ....
Met groote moeite trok de ronde hem van zijn slachtoffer af. Voordat hij het wist, was Siman geboeid. Hij voelde de touwen in zijn polsen schrijnen. Een groote volksmenigte was in de woning gedrongen. De roep van Kario: "Toelong ... amok [199]...!" had velen gewekt.
Siman hoorde een geroezemoes van stemmen om zich heen. Hij zag het bloedende lichaam van Kario, waaruit alle leven verdwenen leek. In den mond had hij nog een bloedsmaak, tusschen z'n tanden zaten nog stukjes vleesch ....
Een gevoel van berusting, van kalmte kwam over hem ... Zijn wraak was gekoeld.
Men bracht hem weg. Hij zag Pah Asriep, die hem met groote deernis beschouwde, hoofdschuddend in niet begrijpen. Men voerde hem voor den opzichter, die last gaf hem dien nacht bij den demang te huisvesten. Morgen zou men hem opsturen naar Telatiga.
"Wie is het?" vroeg Van Affelen aan het hoofd der ronde, die hem meegedeeld had wat hij wist.
"Siman van Gatok, doro," [200] luidde het antwoord.
"En wat is nu weer de oorzaak?"
"Koerang priksa, doro." [201]
Drie maanden reeds zat Siman preventief in de gevangenis te Telatiga. Hij vond het een vreeselijke tijd. En toch, de meeste preventief gevangenen in Indië wachten langer op de berechting hunner zaak. Wat maakt het ook uit, nietwaar? Voor een inlander! Een inlander voelt niet als wij, al eet en drinkt hij als wij, beweegt hij zich als wij. Zijn gevoel is anders; hij heeft anders lief, lijdt minder dan wij; zijn gemoedsleven is ruwer. Hem deert het niet te leven in onzekerheid over het lot van vrouw of kind .... Zoo denkt men. En ten onrechte. Ten onrechte ook haast de justitie in Indië zich niet met het berechten van eenvoudige strafzaken.
En voor Siman leek de zaak eenvoudig genoeg. Hij had een medemensch vermoord--op zijn beurt zou hij gedood worden. Siman dacht niet na over de ruwheid van het menschelijk rechtsbegrip, dat een leven voor een leven eischt. Hij, natuurkind, zou de idee der lynchwet zelf gebillijkt hebben als hij er over nagedacht had. Alleen vond hij het wachten nu grooter straf dan het vonnis, hoe dit ook luiden mocht. Met de door ons nooit begrepen grootheid van ziel, die den Aziaat met in het avondland onbekende waardigheid doet berusten in het onvermijdelijke, had hij zich voorbereid op den dood op het schavot. Hij bedacht niet eens hoe hij zich verdedigen zou. Ja, hij wist niet eens dat hem de gelegenheid tot verdediging geboden zou worden. Ons Recht kende hij niet, en hij zou het ook niet begrepen hebben, gesteld dat hij het gekend had.
Vaak dacht hij in de lange, eenzame uren aan Djiah en haar beeld kwam hem voor den geest als het beeld van een engel. Het deed hem zoo innig leed niets van haar te vernemen, noch ook van Rekso, noch ook van de anderen in Gatok. Telatiga was ver weg. Wie zou hem tijding brengen van Gatok? Pah Ran? Maar Pah Ran zou gebeten zijn op hem wegens de ruwe behandeling van zijn dochter. Zouden ze de middelen hebben om te leven? Het regende nu vaak--zou de padi mooi staan? Kwam er niet te veel water op de sawahs? En als dit wel zoo was, zou Pah Ran dan alleen het werk afkunnen? Pah Roesmi, Ipahs verloofde, zou hem kunnen helpen.
Dan dwaalden zijn gedachten weer af naar Djiah. Hij zag haar weer voor zich liggen, het gelaat verwrongen van doodsangst en smart, haar mooie gezichtje, dat hij had geslagen met zijn harde mannenvuisten. O, hij was slecht geweest, voorzeker, hij had haar niet behoeven te mishandelen. Zij was toch eigenlijk niet schuldig geweest. Gedwongen was ze; uit vrees voor geldverlies had ze 't gedaan.
Maar hij, die Kario ... Nog balde hij de vuisten als hij dacht aan dien ellendeling en hij dankte Allah, dat het hem gegeven was geweest zijn vijand te dooden ... En dan berustte hij weer ... Om even later weer te denken aan den kleinen Rekso, die weldra geen vader meer zou hebben. Maar daarover tobde Siman niet lang. Zijn moeder zou Rekso wel zeggen, later, als hij ouder en grooter werd, waarom zijn vader gestorven was en hoe; en zijn dood zou hem eeren in het oog van zijn zoon ... En het andere kind ...
Siman had langen tijd gehad in de gevangenis. Hij was tot rust gekomen, hij had begrepen dat het zijn kind was; dat Djiah niet gelogen had. Hij kon het nu weten, bij kalm nadenken .... Maar, zou hij dat tweede kind van hem niet hebben doodgetrapt ... in den schoot der moeder? ... Folterende onzekerheid! ...
Dan proefde hij weer het bloed van Kario in den mond ... en berustte. Allah had het gewild.
Als hij maar niet veroordeeld werd tot dwangarbeid! ... Dat was zijn schrikbeeld. Uit zijn tralievenster had hij de dwangarbeiders aan het werk gezien. Er waren groote misdadigers onder, inbrekers, die het goed van anderen hadden gestolen, roovers, die tijdens het rooven moordenaars hadden moeten worden; een was er, die zijn vrouw en twee kinderen had vermoord, om een kleinigheid, in een huiselijken twist ... Dagelijks zag Siman hen in hun bruine gevangeniskleeding. Ook hem was zoo'n uitrusting bezorgd, omdat hij slechts zijn broek en zijn gescheurd baadje aan had, toen men hem arresteerde. Geld om zich andere kleederen aan te schaffen had hij niet. Den avond van zijn arrestatie, toen hij gebonden lag in de boei bij de demangswoning te Herea, had een politieman hem gefouilleerd en hem alles afgenomen, ook zijn geldzakje. Er was nog bijna drie gulden in aan zilver en koper. Hij had het niet weergezien. Maar aan die bruine kleeding wilde hij niet wennen. Hij droeg ze niet. Slechts een hoofddoek had hij omgedaan ... Die schande ... als men hem slechts daarvoor spaarde ... Die gevangeniskleeding vond hij vreeselijk.
De man, die zijn vrouw en kinderen vermoord had, was tot twintig jaar veroordeeld ... Tot twintig jaar! Hoe lang het wel was, Siman kon er zich slechts een vaag idee van vormen; maar het moest toch oneindig lang zijn ... Twintig jaar zou die man dwangarbeid moeten doen als een slaaf. Twintig jaar!
Hij zou sterven in dien tijd van ellende. Ze mochten hem niet veroordeelen tot dwangarbeid ... ze mòchten niet. Hij had immers iemand vermoord? Welnu, dan moest hij ook hangen ...
Hangen! Eens had hij--hij was nog een knaap--een moordenaar zien hangen te Soemedang op de aloon-aloon. [202] Het was een vreeselijk gezicht. En langen tijd was hij er nog naar van geweest. Hij begreep eigenlijk niet waarom zoo iets altijd in het openbaar moest geschieden. Als afschrikwekkend voorbeeld? Maar dan had het bij hem toch niet gebaat. Hij had heelemaal niet aan dat voorval te Soemedang gedacht, toen hij naar de woning van Kario was gerend en toen hij Kario zijn kris in de borst had gestooten. En ook nu was het denkbeeld van de galg hem niet zoo erg hinderlijk. Er was immers niet aan te ontkomen?
Als hij nog maar eens Djiah zou mogen zien, en den kleinen Rekso, om hun vergiffenis te vragen. Dan zou hij rustig heengaan: zijn geweten was zuiver. Hij had in eigen oog niets slechts gedaan. Hij had moeten doen als hij deed. Zijn eer had hem bevolen. Allah zou goedertierend zijn.
Als hij ze nog slechts ééns mocht terugzien, Djiah en Rekso ... één keer nog maar ...
Toen kwam eindelijk de rechtsdag.
In het landraadsgebouw zaten de president, Mr. Van Wetten, in deftige toga, de griffier en de inlandsche leden. Den getuigen waren banken aangewezen.
Door twee oppassers geleid kwam de gevangene. Hij had zijn gescheurd baadje aan, dat hij droeg op den avond van den aanslag op Kario. Bedeesd en angstig kwam hij nader, langs de getuigen.
Plotseling verschrok hij heftig. Een doodelijke bleekheid overtrok zijn gelaat; de oogen dreigden uit de kassen te treden; in ontzetting vertrok zich zijn mond ... Daar, op de voorste rij der getuigen, vermagerd en met ingevallen gelaat, zat Kario. Droomde hij of was het waarheid, was dat Kario, de mandoer? Kario, dien hij vermoord had, Kario, de ellendeling, die hem zijn eer ontroofd had? Het kon niet, het was een visioen. Een der oppassers gaf hem een duw om voort te gaan. Toen zag hij in den hals van Kario, rechts, een groot litteeken ... Hij was het! Een onzinnige haat beving hem, hij wilde zich op den mandoer werpen, maar de beide wakers grepen hem vast. Er kwam eenige consternatie onder de aanwezigen. Kario deinsde angstig achteruit. Maar de schok was te heftig, te plotseling voor Siman. Zijn spieren verslapten, zijn hoofd zakte, zijn oogen werden vochtig ... Allah was tegen hem. Het stond geschreven!
Van Wetten had den man doen plaats nemen op een houten bankje, kalmeerde hem. De jonge man had de zeldzame gave van menschenkennis. Ook had een innig medelijden met den armen beklaagde hem bevangen, toen hij de stukken doorwerkte. Thans zag hij den jongen Soendanees voor zich, een aanklagende lijdenstrek op het gelaat. En hij had de beide oppassers een wenk gegeven zich te verwijderen.
Toen richtte hij het woord tot den beklaagde, die opschrikte uit de overpeinzing, waar Djiah toch zijn zou? Zou zij dan geen getuigenis af te leggen hebben? Wel had hij Pah Ran gezien en Sastrawidjaja en velen, die hem onbekend waren.
De voorzitter herhaalde zijn vraag: Hoe hij heette?
Siman was niet bevreesd. Hem kwelde geen schuldbewustheid. Slechts smart had hij gevoeld, toen hij Kario herkend had.
Hij deelde mede naar waarheid, wat hij gedaan had en trilde even van hartstocht, toen hij de verzekering gaf dat het zijn doel was geweest Kario te dooden. Hij bekende gedaan te hebben wat hem ten laste gelegd werd.
De getuigen konden slechts verklaren wat ons reeds bekend is. Kario alleen trachtte de schuld van den beklaagde te verzwaren. Hij ontkende zich te hebben schuldig gemaakt aan iets, waarin Siman grond gevonden kon hebben hem naar naar het leven staan. De vrouw van beklaagde had zich vrijwillig aan hem gegeven, hij had nooit eenige pressie op haar uitgeoefend.
De voorzitter moest hem herinneren aan den door hem afgelegden eed en aan de straf, welke meineed bedreigt. Hij las voor de verklaring, voor den demang gegeven. Maar Kario bleef moedwil zijnerzijds ontkennen.
Toen wendde de voorzitter zich tot Siman. Met van haat gloeiende oogen, had deze den getuige aangestaard. Een vurige hoop leefde in hem op, dat hij niet ter dood gebracht zou worden. Hij wilde jaren gevangenisstraf dragen, als hij daarna maar weer een korten tijd op vrije voeten mocht zijn. Hij zwoer op dat oogenblik bij zichzelf dat hij van zijn vrijheid geen ander gebruik zou maken dan om Kario te dooden. Hij zou dan kalm overleggen, zijn aanslag rustig berekenen, en hij zou niet missen ...
"Hij liegt!" siste hij op de vraag van Van Wetten.
"Je houdt dus vol bij je verklaring?"
"Ja, kandjeng; vraag mijn vrouw."
"Uw vrouw ...?"
Er lag zulk een verbazing op het gelaat van den blanke, dat een ontzetting over Siman kwam. Wat beteekende die verbazing bij den voorzitter? Zou Djiah ...? Hij waagde het niet die gedachte te voltooien.
Van Wetten boog het hoofd onder den starren blik van den beklaagde. Het was als ware hij de schuldige.
Hij vroeg niet verder en schorste de zitting om te beraadslagen met de overige leden. Toen riep hij Pah Ran en droeg hem op een boodschap over te brengen aan den gevangene. Maar hij weifelde en riep den man, die zich reeds langzaam verwijderde, terug. Het ging niet, het was tegen den vorm een getuige een onderhoud te doen hebben met den beklaagde, voordat de eisch gesteld was.
Hij ontbood een oppasser en gelastte hem den gevangene weer voor te brengen.
Siman verscheen.
Lang staarde de voorzitter den beklaagde aan; hij streed zichtbaar met een groote aandoening. En de taak was moeilijk voor hem, omdat hij hart had, omdat hij voor zich gevoelde de diepte van het leed, dat zijn woorden dien eenvoudigen inlander zoo dadelijk zouden berokkenen.
Van Wetten stond als ambtenaar misschien niet boven het gemiddeld peil, maar hij was een goed mensch.
Zacht klonk zijn stem:
"Heb je wel eens iets gehoord van Gatok, toen je in de gevangenis was, Siman?"
"Neen, kandjeng."
"Nooit eens iets gehoord? Heeft nooit eens iemand je in al dien tijd opgezocht?"
"Neen, kandjeng."
Van Wetten zweeg.
"Heb je kinderen, Siman?"
"Ja, kandjeng, één."
"En is er nog familie van je in Gatok?"
"Ja, kandjeng."
"Dus bij die zou je vrouw dan kunnen zijn?"
"Ik denk het wel, kandjeng."
Weer zweeg Van Wetten. De inlander beschouwde hem aandachtig. Wat hàd de blanke toch?
"Je vrouw is ziek geweest, Siman."
Siman zweeg.
"Heel zwaar ziek, ja, heel zwaar."
Nog zweeg Siman en maakte het den voorzitter daardoor niet gemakkelijker. Hij staroogde slechts. Begon hij te vermoeden ....?
"Ga maar zitten op die bank, Siman."
Alweer hokte Van Wetten.
"Zij is--niet beter geworden ...."
Toen wist Siman het. Hij schokte; angstig keek hij den ambtenaar aan. Hij las het vonnis in diens oogen, en, met bovenmenschelijke inspanning haast zich beheerschend, vroeg hij zacht, toonloos:
"Dood?"
Van Wetten knikte. Spreken zou hij niet gekund hebben, op dat oogenblik.
"Dood," herhaalde Siman bij zich zelf.
Hij zat daar stil, inééngebogen, bewegingloos. Langzaam verwijderde Van Wetten zich en nam een teug uit het glas water op de tafel. Het gelaat van den Soendanees stond strak en onbewegelijk. Toch ging een wereld van gedachten door zijn ziel. Ze was dus dood. Hoe? Waaraan?--Hij wist het, hij wist het. Hij, hij had haar gedood. Hij, die haar liefhad. Nooit had hij geweten hoe lief hij haar had.--Nu was ze heen. Hij zou haar gelaat nooit weer zien ...
Wel tien minuten waren heen gegaan, voordat Van Wetten de leden van den raad, die in de pendopo wachtten, een wenk gaf om zich weder te zetten. Toen werden de getuigen weer binnen geroepen en sprak de voorzitter het vonnis uit: Zes maanden gevangenisstraf, onder aanneming van zeer verzachtende omstandigheden.
Siman verstond maar half en vaag.
Harder vonnis velde zijn geweten: hij had zijn vrouw gedood.
Dien avond bezocht Pah Ran, daartoe door Van Wetten aangezet, den gevangene in de boei.
Siman zat roerloos op den dunnen stroozak, die den vloer niet zachter maakte.
Toen zijn schoonvader binnenkwam, lichtte hij het hoofd op.
"Waaraan is ze overleden, Pah?" vroeg hij zacht.
"Ik weet het niet, mijn jongen. Drie dagen nadat jij weg was, heeft ze een miskraam gehad; toen is ze ziek gebleven. En twee maanden later was ze dood--het zat in den onderbuik; kanker geloof ik."
Het laatste sprankje hoop vlood heen. Siman hoorde weer zijn geweten vonnissen: hij was haar moordenaar ....
Pah Ran sprak over vele zaken: hoe het in Gatok was; hoe de padi stond; dat Mah Ten zoo oud werd; hij sprak over de zusjes, over de heerendiensten, over de slechte vooruitzichten met het gewas, over de weigering van reeds vele opgezetenen om de vrijwillige overeenkomsten te teekenen, over zijn eigen weigering, over den kleinen Rekso, die uitmuntend verzorgd werd door Ipah; hij sprong van den hak op den tak; hij zocht in alles afleiding voor Siman--het baatte niet.
Siman bleef stom, al maar starend op den grond, op een plekje tusschen zijn voeten, het hoofd in de handen. Pah Ran ging weer heen.
Er was te Gatok en op het geheele land Alas Bamboe veel gebeurd tijdens Simans afwezigheid.
Toen Djiah begraven was, op het kleine kerkhofje, was de woning van Siman onbewoond gebleven. Hij en Djiah hadden zooveel zorg besteed om het kleine nieuwe huis een net voorkomen te geven. Siman had het erfje steeds schoon gehouden van onkruid. De katèsboomen achter waren al aardig opgeschoten. Op zijde, aan den zonkant, had hij pisang geplant. En reeds hadden de boomen vrucht gedragen en hadden tal van anaks [203] den aanplant uitgebreid. Maar nu geraakte de woning in verval. Het erf stond dik van het onkruid, een lawoe [204] werkte zich langs een der deurposten omhoog. Voor den pisangtuin werd nauwelijks zorg gedragen. Pah Ran had er waarlijk geen tijd voor en met de typeerende onverschilligheid van den inlander liet hij alles maar groeien zooals het wilde. De oude pisangboomen bleven nutteloos doorgroeien, rotten weg en vielen om, in hun val jongere generaties vernielend. In de woning lekte het en het water bedierf de bamboezen sparren.
Wel hadden de bewoners der andere woning ook van deze bezit kunnen nemen, maar, afgezien van het feit dat de eene mannelijke bewoner moeilijk in beide woningen tegelijk kon huizen, en het toch niet aanging een of meer van de meisjes alleen Simans huisje te doen betrekken, zouden zij er ongetwijfeld eenig bezwaar tegen gehad hebben den nacht door te brengen in een verblijf, waar nog kort geleden een doode uitgedragen was.
Ook met Pah Ran had een geduchte verandering plaats gegrepen na den dood van zijn dochter. Hij was zeer neerslachtig en in zichzelf gekeerd, sprak weinig en hield zich een groot deel van den dag bezig met den kleinen Rekso, voor wien hij dubbele belangstelling en dubbele genegenheid begon te gevoelen. En overigens zat hij zijn botte hersens suf te denken op middelen om hun aller positie te verbeteren. Het verdroot hem dat er zoo weinig voor hen was om van te leven. En wat baatte het hem al of hij het voorbeeld volgde van de velen om hem heen en zich begon te oefenen in hongerlijden? Hij kon vaak terugdenken aan den tijd, dat zij het in het Soemedangsche, nou ja, wel niet breed hadden, maar toch nooit bepaald honger hadden geleden. De Pasoendan [205] waren zooveel vruchtbaarder en ook al viel de rijstoogst eens tegen, de bijproducten maakten toch meest het gebrek weer goed.
Hier was het anders. En daar ver weg, zuidelijk van de bergen, zou men hem niet geloofd hebben, wanneer hij had verteld dat de lieden aan deze zijde dier bergen zich na den oogst stelselmatig oefenden in hongerlijden. En toch was dit zoo. Hij, Pah Ran, kon het getuigen, uit ervaring nu. Kort na den oogst begint men in de armere streken van de beide landen Alas Bamboe en Telatiga zich te gewennen aan éénmaal eten per dag. En als dat een poos goed gaat, en de vooruitzichten van het te veld staand gewas worden weer slechter, zooals elk jaar 't geval is, dan eet men slechts eens in de twee dagen. In hongerjaren geeft ook dit systematisch hongeren niet veel. Want al duurt het wat langer, voordat de beschikbare voeding ingeteerd is, dat oogenblik kòmt toch.
Ook op Alas Bamboe en op Telatiga was veel veranderd. Er was een geest van onrust en verbittering over het volk gekomen en de traditioneele onverschilligheid voor het materieele bestaan was geweken. Er werd veel geklaagd; men duldde niet meer in stilte. Men gaf uiting aan de grieven, die men had. Natuurlijk nog slechts onder elkander. Maar toch, men spràk er reeds over. Dat is immer een slecht teeken. Het verraadt toch dat de gedachten gaan over zaken en dingen, die liever ongedacht moesten blijven; wat ook veel aangenamer zou zijn voor de eigenaren. Denkende slaven doen hun arbeid veel minder goed.