Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 15

Chapter 154,005 wordsPublic domain

En vooral thans kwam die ontevredenheid onder het volk zeer ongelegen. Er was veel werk te doen.

Eenige talangs [206] moesten noodig aangelegd worden, wilde de tjoeké over een groot deel van het district Herea nog binnenkomen; want daar had de droogte nu reeds groote schade gedaan aan het gewas, niet alleen direct, maar ook en vooral doordat ze de vermenigvuldiging van zoo vele schadelijke insecten, vijanden van den landman, bevorderde. De muizen hadden zich alweer op tal van plaatsen vertoond; de hama soendep of padiboorder fleurde heelemaal op, bij de hitte. Op tallooze sawahs was de gevreesde hama dedet geconstateerd, stagnatie in den groei, en het liet zich aanzien dat, behalve de hama mendong, ook de walang sangit acte de présence zou geven, als de regens nu niet spoedig kwamen.

Ja, het was zeer noodig dat wat beter voor de irrigatie gezorgd werd. Dit kon niet anders geschieden dan in heerendienst. Niet waar, het is duidelijk dat een ondernemer, die over gedwongen arbeidskrachten kan beschikken, niet noodeloos geld uitgeeft voor arbeidsloon? Vooral niet, waar toch ongestraft de bepalingen omtrent het recht tot heffing van die arbeidsbelasting mogen worden overschreden, onder sanctie van den procureur-generaal te Batavia. En daarom was het heel en al ongewenscht, dat de bevolking ontevreden werd. In hun dwaasheid zouden die zwarten nog heel wat soesah kunnen veroorzaken.

Onder de Europeesche regeerders dier beide landen was het geenszins onopgemerkt gebleven dat de bevolking zich begon te veroorloven te denken over haar lot.

Nederman had al eens mededeelingen ontvangen van zijn geëmployeerden, die erop wezen.

Op zekeren avond zat hij in zijn bureau gebogen over een rapport van De Leeuw, dat hij juist had ontvangen en dat hem zeer onaangenaam gestemd had.

De Leeuw had een overzicht gegeven van den toestand zijner afdeeling, die niet de slechtste was van de vier, waarin het land verdeeld is.

Er is nog wel wat uit dit rapport te leeren, vandaar dat ik er de lezers kennis van laat nemen:

Ingevolge Uw schrijven d.d. 25 October, schreef De Leeuw, breng ik hieronder verslag uit omtrent den algemeenen toestand der bevolking, speciaal in verband met de beschikbare voedingsmiddelen in de districten Alas Bamboe en Goenoeng Lawang en vang ik aan met een terugblik op de drie voorgaande jaren wat Alas Bamboe aangaat. In die drie jaren dan heeft het aantal zielen respectievelijk bedragen: 22919, 20116 en 19912, wat een belangrijken teruggang aantoont, terwijl dit district opleverde aan rijst, approximatief en respectievelijk, 19.929.72, 22.497.04 en 26.342.60 picols. Omgeslagen over het aantal zielen, geeft dit per hoofd 0.86, 1.11 en 1.32 picols rijst. Deze cijfers zijn verkregen na aftrek van het aandeel in de tjoeké. Van die hoeveelheden voedsel had de bevolking dus moeten bestaan van het einde van den snijtijd af, gerekend op einde September/October, tot het begin daarvan d.i. Juni van het volgende jaar, (daarbij niet meegerekend wat zij vanwege het land in voorschot ontvangt in padi en geld, hetgeen zij terug heeft te betalen). Men zou hierdoor tot de conclusie komen, dat die bevolking 8 maanden lang van dat quantum had moeten leven, hetgeen natuurlijk in strijd is met de werkelijkheid. Maar op welke wijze voorziet zij dan in hare levensbehoeften? Deze vraag moet zich onwillekeurig opdoen. En ze is niet moeilijk te beantwoorden; de Chinees is er goed voor.

De hier gebruikelijke weg is, dat de kleine man geld leent van den Chinees onder oogstverband. Voor f 1.-- moet hij 1 picol padi of voor f 2.50 3 picols padi teruggeven; of hij verpandt zijn karbouw, die b.v. een waarde heeft van f 35.-- voor f 10.--, waarvoor hij een bewijs teekent, aangevende dat hij f 17.50 heeft ontvangen in leen. Ja, ook zijn huis gaat er aan. Van den karbouw ziet hij natuurlijk niet veel terug, want die wordt gewoonlijk het eigendom van den Chinees, daar hij in gebreke blijft, mòet blijven, het geleende terug te geven.

De nadeelen van dergelijke transacties laten zich nooit direct gevoelen, maar eerst na eenige jaren, en vooral wanneer misoogsten hebben plaats gehad, zooals in de drie vorige jaren. Dan eerst komen de rampen van zulke systemen in al hare naaktheid aan het licht.

De gevolgen zijn dan ook niet uitgebleven, want, doordat zulke abnormale toestanden werden gecreëerd, moest de bevolking wel verloopen en de veestapel verminderen. Dat gaandeweg zoo'n bevolking wegkwijnt, behoeft geen nader betoog, evenmin als dat het heilig streven moet zijn, die bevolking weer op te heffen uit haren treurigen toestand.

Op welke wijze moet daarin voorzien worden? Ook deze vraag is, dunkt mij, niet moeilijk te beantwoorden. Men late de bevolking werken tegen betaling.

Er moet veel en vaak gelegenheid worden gegeven aan reliefworks te arbeiden, echter niet op de wijze, als dat vroeger ging; dan toch moet het succes, dat men voor het daarvoor besteede geld mocht verwachten, uitblijven. Men moet bij het in het leven roepen van zulke werken letten op:

1e de noodzakelijkheid daarvan,

2e op een goede regeling, en op de vorderingen, dat is: er moet toezicht zijn,

3e op het blijvend belang der aan te brengen veranderingen.

De districten Alas Bamboe en Goenoeng Lawang hebben in geen 15 jaar zulke werken gehad en ik geloof speciaal Uwe aandacht daarop te moeten vestigen. Verder mogen wij niet verzuimen bijzondere aandacht te wijden aan den veestapel.

Zooals duidelijk uit de rapporten der districtshoofden blijkt, is die aanzienlijk gedund, en het verdient zeer sterk aanbeveling, vanwege het land karbouwen op te koopen en die aan de bevolking in gebruik te geven. De hoofden der districten en de desahoofden worden alsdan voor goede verzorging, behandeling en gebruik aansprakelijk gesteld.

De huur van een karbouw is thans f 5.-- of 5 picols padi. Wij zouden kunnen verhuren bijv. tegen 1 1/2 picol rijst of zooiets.

De bevolking mòet geholpen worden, want zij lijdt gebrek. In de meeste desa's voedt zij zich met rijst en bladeren, 1/3 rijst en 2/3 bladeren. Het komt reeds weder voor, dat sommigen om den anderen dag eten. Dit heet dan een goed jaar!

Wanneer het land nog een goede hoeveelheid rijst had, zou het zeker aanbeveling verdienen, die aan de bevolking te verstrekken. Evenwel, er is, houdt U het mij ten goede, zeer onverantwoordelijk gehandeld, wijl alle rijst van de hand is gezet. Het gevolg zal zijn dat, mocht het land thans rijst willen opkoopen van de diverse handelaren, grof geld betaald zal moeten worden.

Ik hoop hiermede U voldoende omtrent den algemeenen toestand te hebben ingelicht.

"Och, die De Leeuw," bromde Nederman voor zich heen, "die man heeft altijd van die ultra-filantropische neigingen. Een goed employé, maar te veel hart, te week--ja, dat is het, te week."

Maar toch hinderde hem het rapport. Het had hem onaangenaam gestemd, niet wijl hij zich voorstelde het leed, dat de bevolking moest lijden, maar wijl hij met wrevel bedacht dat al die misère het land op kosten en de eigenaren in slechten luim zou brengen.

Hij troostte zich evenwel met de gedachte dat De Leeuw wel overdreven zou hebben, al was hij daar nu niet àl te gerust op. Intusschen, Nederman was een blijmoedig mensch. Een uur later had hij zich door een stevige whisky-soda weder in zijn humeur gebracht.

Hij was bovendien op een niet onaardig idee gekomen. De ontevredenen onder de bevolking, dat stond bij hem vast, moesten gestraft worden, opdat dit voorbeeld afschrikwekkend zou werken op anderen, die zich wellicht bij hen zouden willen aansluiten. Hij had in zijn langjarige practijk meermalen de vruchten gezien van zulk een politiek. De Javaan laat zich heel spoedig ontmoedigen. En uiterst moeilijk is hij er toe te brengen zich in soesah te begeven, met de hoop slechts--want zekerheid bezit hij daaromtrent niet: zekerheid van bezit, goederen of eigendom, noch ook van persoon of positie bestáát in Indië voor den inboorling--op verbetering van de verhouding tusschen hem en den Europeeschen exploitant. Hoe moest Nederman het nu aanleggen om degenen, die het slechte voorbeeld gaven aan toekomstige andere ontevredenen, voor hun pogen gestraft te krijgen, duidelijk waarneembaar voor die anderen? Indien hij zich van de medewerking der bestuursambtenaren daartoe kon verzekeren, zou dat prachtig zijn. Maar hoe? Moedwillig zou de assistent-resident zich er zeker niet toe leenen; want met een grijns gaf Nederman zichzelf toe, dat Van Dam wel een "beroerling" was als afdeelingsbestuurder, maar geen slecht mensch. Hij zou de bevolking niet moedwillig vexeeren, alleen om den landheer welgevallig te zijn. Intusschen zou men met succes op zijn vrees voor soesah en zijn gemakzucht kunnen werken, bedacht Nederman. Indien hij hem daarbij nog kon overtuigen van zijn goed recht in de eerste plaats, en verder dat hij slechts in het belang der bevolking handelde--dan zou de zaak gewonnen zijn.

Maar alweer: hoe?

Met die rijstlevering zou het wel gaan. Dan hier, dan daar, dan in deze desa, dan weer in gindsch district, begonnen de landbouwers te weigeren de vrijwillige overeenkomsten te teekenen. Zij wilden padi leveren, naar gewicht. Nu, Nederman was veel te sluw om niet reeds lang begrepen te hebben dat Van Dam in het geheel geen inzicht had in de finesses en détails van het rijst-bedrijf. Weshalve hij het geen moeilijke taak achtte, den assistent-resident er van te overtuigen dat het belang der bevolking zèlf medebracht rijst en geen padi te leveren. En dan zou een prentah aloes [207] voldoende zijn om de bevolking weer op het rechte pad te brengen en de nog niet verdoolden er op te houden: dat wil zeggen op het pad, dat voor de eigenaren naar de jaarwinsten voerde. Maar dan? Met die heerendiensten ...?

En intusschen wist Nederman zeer wel, dat reeds thans, dan van hier, dan van ginds, groepjes opgezetenen er de lange reis naar Telatiga voor over hadden gehad om bij den assistent-resident te klagen over den zeer verzwaarden druk der heerendiensten, over onrechtmatige product heffing en over andere overtredingen van het reglement. Daar moest een eind aan gemaakt worden. Die klagers moesten gestraft worden.

Een idée! Nederman was bij uitzondering actief: hij werkte de gedachte uit. En daarna deed hij door een zijner bedienden den koewoe van Sikarang ontbieden.

Het was reeds laat in den nacht, over tienen, toen Madja, de koewoe, in een zwart jasje en een donkere sarong gekleed, op de stoep verscheen.

Madja was iemand, die met vele anderen de eer genoot Nederman bij voorkomende gelegenheden van dienst te mogen zijn in galante avonturen en, als al die anderen, had ook hij natuurlijk het vertrouwen van zijn baas, en maakte hij ten eigen bate misbruik van dit, hem overigens weinig tot eer strekkend, vertrouwen.

"Ah, zoo! Madja, ben jij daar. Kom hier in mijn kantoor. Ik heb ernstige dingen met je te bepraten."

De Javaan, die gemeend had dat er weer een beroep gedaan zou worden op zijn bereidwilligheid, was zeer verbaasd over deze inleiding. Ernstige dingen! Wat zou dat kunnen zijn?

Hij schoof het kantoor binnen en bleef in silo-houding [208] zitten voor de schrijftafel in het halfduister.

"Madja," begon Nederman, "je hebt zeker ook wel gemerkt dat de lui hier ontevreden zijn op het land, hé? Vooral in den laatsten tijd. Nou wou ik van jou weten waar dat aan ligt?"

Madja zweeg.

"Ben ik misschien te streng voor ze? Natuurlijk moeten ze hun tjoeké betalen en de heerendiensten verrichten. Dat begrijp je zelf wel. Maar waar ligt het dan aan?"

"De oogstvooruitzichten zijn slecht, 'n doro." [209]

"H'm, ja. Maar dat is de schuld van toean Allah!" spotte Nederman.

"De heerendiensten zijn zwaar, 'n doro."

"Nou ja, maar 't is toch in het eigen belang van de menschen. Ik laat die irrigatiewerken toch aanleggen, opdat ze water op de velden zullen krijgen. Of moet ik soms zelf met een siraman [210] loopen?"

Nederman was blijkbaar in een goede bui. Madja overwoog dat hij heden avond wel vrijuit kon spreken.

"Er worden ook menschen geprest voor de garok, die te oud zijn."

"Zoo? Nou ja, een enkele."

"Ze zeggen, dat de voeding niet voldoende is."

"Een kattie rijst. Verdomme, dat vreten ze hier soms in geen twee dagen."

"En de afstand, 'n doro; ze zeggen dat ze vaak meer moeten afleggen dan geoorloofd is, en dat ze daardoor heel veel langer moeten werken."

"Praatjes! Vroeger wisten ze van die dingen geen zier. Nu zijn ze opeens zoo wijs. Wat duivel, hoe komen ze toch aan al die wijsheid?"

"Er is hier een procureur bamboe geweest, 'n doro, en ook moet er een geweest zijn in Herea. Die menschen stoken de wong tani [211] op om te klagen. Want zij moeten van zulke perkara's leven."

"Ja, dat verdomde volk is het. Als zoo'n kerel weer op het land komt, dan waarschuw je mij onmiddellijk. Ik zou wel's willen zien, wie hier een voet op Alas Bamboe zet zonder mijn toestemming. En die kerels zijn het zeker ook, die de lui opstoken om geen rijstcontracten te teekenen?"

"Voor een deel wel, 'n doro. Maar de meesten weigeren, omdat zij de rijst te mooi moeten leveren. En velen zeggen ook, dat ze te veel moeten leveren."

"H'm." Nederman voelde heel goed waar de koewoe op doelde: op de knevelarij van den landheer. En het was hem onaangenaam te moeten ontwaren, dat de man hem dit zoo, wel is waar bedektelijk, dorst toevoegen.

"Madja, die klagers moeten gestraft worden. Die menschen geven een hoop soesah en bederven de goede lieden. Er moet een voorbeeld gesteld worden, waarachtig, in het eigen belang van de lui. Maar hoe? Als ik ze straf, dan komt er perkara, want het gouvernement staat het niet toe. Ze begrijpen niet, dat het voor de lui zelf goed is."

Madja zweeg.

"En ook de menschen, die geen rijstcontracten willen teekenen. Ik ben waarlijk te goed voor ze. Nou denken ze mij te plagen met padi te leveren. Alsof ze daar niet zelf veel slechter mee weg zijn. Dan moeten ze veel te veel opbrengen. Neen, dat gaat niet. Ik ben geen bloedzuiger. Ze moeten rijst leveren, arme kerels. Maar breng ze dat nu maar eens aan 't verstand!"

Nederman was op dit oogenblik waarlijk in de meening dat hij een braaf mensch was. Madja zweeg nog steeds. De handen in den schoot, het hoofd gebogen, scheen hij het geheel eens met zijn meester. Toch trok heel even een lachje om zijn mond.

Daar hij bleef zwijgen, vervolgde Nederman:

"Zie je, Madja, je kent de lui voldoende. Als ze zien dat de mopperaars en de klagers door tjilaka worden getroffen, zeggen ze: het is niet goed wat zij doen ...?"

Nederman eindigde plotseling en keek den Javaan uitvorschend aan. Op diens gelaat echter vertrok geen spier. Hij was zichzelf volkomen meester. De administrateur kneep in nijd den pennehouder stuk, waarmee hij had zitten spelen.

"Ik moet die lieden kennen, Madja. Jij moet mij hun namen opgeven. Je hebt spionnen genoeg. En je kunt ze ook wel wat geld beloven, dat krijg je wel van me terug. En dan, eh ..."--Nederman weifelde.--"Madja, ik kan dit alles nu wel met jou bespreken, zie je. Jij begrijpt dat ik alleen het goede bedoel met de menschen. Maar de meeste koewoe's zijn domme desalieden. Breng jij hun dus maar over ... wat ik, eh ... wensch, begrepen?"

"Inggeh, 'n doro."

"Het is geen bevel, geen prentah, zie je. Ik verzoek alleen."

Madja had den blanke uitmuntend begrepen, zoo goed als deze het maar wenschen kon. Reeds den volgenden dag begon het spionnenwerk. En weldra had de administrateur een heel lijstje bijéén, dat haast elken dag groeide. Het bevatte de namen van de lieden, die waren gaan klagen te Telatiga of op andere wijze van hun ontevredenheid hadden blijk gegeven. En dat waren er zeer velen. De administrateur van het land Telatiga moest dan ook schrijven aan de eigenaren: "Dagelijks bijna trekken hier bij tientallen opgezetenen van Alas Bamboe naar de hoofdplaats om te klagen. Mijn opgezetenen hebben zich tot nog toe rustig gehouden."

De karbouw van Bapa [212] Kanidio van de desa Tjoeroeg was plotseling gestorven toen de oude op reis was naar Telatiga. En in de sawah van Sastrasemita van de desa Agoeng was veel padi gestolen, in den nacht nadat Sastra openlijk had verklaard geen rijst te zullen leveren. Nog grooter ongeluk had Wangsadiredja van Palasari getroffen. Wangsa had geweigerd heerendienst te verrichten, zich beroepend op zijn leeftijd. Den volgenden nacht ontstond plotseling brand in zijn woning. Nog was de oorzaak niet opgespoord. De brand was spoedig gebluscht, maar toch was ook Mah Djaja's huis mede verbrand.

Madja en zijn lieden hadden Nederman uitmuntend begrepen. Maar deze had zich vergist in het resultaat van zijn vernuftig plan. Want ook de opgezetenen begrepen dat de tjilaka geen bovennatuurlijke oorzaak had en de verbittering steeg.

Steeds meer lieden weigerden de vrijwillige overeenkomsten te teekenen; men waakte op de velden en men deed wachtdiensten bij buffelkraal en woning des nachts.

Een enkele maal ontving een spion van het verbitterde volk het loon zijner lage diensten, en de tjilaka verminderde wel. Maar toch bleef het Judasloon bespieders trekken.

In dezen tijd ongeveer was het, dat Pah Ran thuis had medegedeeld naar Telatiga te willen gaan om te klagen. Men raadde het hem af, men smeekte hem, liever te dulden. De oude was koppig als een ezel: hij zou en hij moest naar Telatiga. En hij ging. Zijn klachten waren gegrond, bewijzen had hij, dat de landheer meer diensten eischte van de opgezetenen dan waar hij recht op had, en meer tjoeké vorderde dan het 1/5 bedroeg. Bewijzen had hij bij stukken en brokken verzameld en hij kon zich beroepen op het getuigenis van zeer velen. Enkelen dezer waren met hem mede getogen naar Telatiga, de anderen hadden zich verbonden om tijdens hun afwezigheid te waken over hun haard en goed.

Te Telatiga waren Pah Ran en de zijnen op den raad van Pah Asriep niet weer naar den assistent-resident gegaan, maar zij hadden zich tot den president van den landraad gewend. En deze had wel nota genomen van hun klachten, die hij genotuleerd had. Laat in den avond waren de lieden bij hem gekomen en uren waren zij bij hem geweest, terwijl de ambtenaar een proces-verbaal van de klachten opmaakte.

Het scheen de klagers, dat zij ditmaal succes zouden hebben.

"Neen, mijnheer Nederman, het gaat zoo niet. Ik mag me uitputten in betoogen, het geeft me geen lor. De lui weigeren en blijven weigeren. Ik heb er nu al een paar honderd, die van het jaar geen rijst willen leveren."

Van Affelen zag geen uitweg meer en was bij zijn chef verslag komen brengen van het mislukken zijner pogingen.

Nederman ijsbeerde in zijn kantoor op en neer. Hij was gansch niet in stemming. In den laatsten tijd was de soesah niet van de lucht.

"Bij De Leeuw gaat het dan toch wel!" barstte hij opeens uit. "Hij weet zijn menschen toch wel te bepraten om de overeenkomsten te teekenen."

"Zooals hij dat doet, kan ik het ook, mijnheer," verdedigde de employé zich.

"Hoe bedoel je?"

"Wel, De Leeuw is in de eerste plaats een Indo, in wien de lui al dadelijk meer vertrouwen hebben. En dan, hij is te zacht voor het volk. Hij laat zich door hen ringelooren. Zijn taxaties zijn altijd te laag. Vergelijk u het aantal beplante bouws maar eens met de tjoeké in zijn afdeeling. En hij schenkt ze tjoeké kwijt bij de minste klacht dat het beschot is tegengevallen. Als ik op Alas Bamboe was, zou ik veel meer rijst binnenkrijgen ..."

"Wel mogelijk, Van Affelen, maar ik geloof het niet. Evenals in Herea zou je het moeten afleggen. Daar behoef je je nu niet al te zeer over op te winden. Het ligt niet zoozeer aan jou, als wel aan den geest, die er tegenwoordig onder het volk is. Daar doe je niets tegen. En alleen een kerel als De Leeuw kan zoo met het volk omgaan, dat het in toom gehouden wordt."

Geen van beiden begreep, dat ook zij op hetzelfde resultaat zouden kunnen wijzen, wanneer zij slechts rechtvaardig wilden zijn. Als er niet meer gevorderd werd van de bevolking dan hetgeen zij moest opbrengen, dan zou het in die eenvoudigen van geest niet opkomen zich te verzetten.

"Maar goed, wat dan? Wat denk jij er van?"

"Ik zou zeggen: laten wij diplomatiek zijn. Laten wij hun openlijk eenige concessies doen om de gemoederen wat tot bedaren te doen komen. Het verlies voor de eigenaren kan wel op andere wijze worden goedgemaakt, denk ik."

"Zoo, hoe dan?"

"In de pakhuizen. Maar hoe minder u daarvan weet ..."

"Je bent wel handig, Van Affelen, en misschien ook erg politiek. Maar, jongen, die dingen zijn gevaarlijk. Je bent nog niet lang genoeg op het land, om je rekenschap te kunnen geven van de lessen der geschiedenis, Van Affelen."

"Ik beken dat ik niet recht vat, waar u op doelt, mijnheer."

"Ik bedoel de volwassen picols."

"Hoe zegt u: de volwassen picols?"

"Ja, die van 106 katties."

"Ik begrijp niet ..."

"Kijk eens, Van Affelen, een goede vijf-en-veertig jaar geleden werd hier en ook op Telatiga de rijstheffing ingevoerd. Toen werd de tjoeké niet gewogen, maar gemeten. Nou, door de een of andere onnauwkeurigheid zal ik maar zeggen, was het gewicht van een zoo picol gemeten rijst zes katties meer dan een picol van 125 pond. Later is de tjoeké altijd gewogen. Maar men had de datjins [213] gelijk gemaakt aan het gewicht, volgens de oude maat verkregen, begrijp je wel? Een picol was dus zes katties te zwaar."

"Maar dan zijn er toch altijd overwichten verkregen?"

"Natuurlijk, natuurlijk, maar och hoe gaat dat, hé? De eigenaren hebben van het bedrijf geen flauw benul. Och, als die lui hun winst maar binnen krijgen, hoe meer hoe liever, dan wordt er verder niets gevraagd. Vooral vroeger niet. En dan, die overwichten werden behoorlijk verantwoord. Ik zou je nog wel oude, gele staten kunnen laten zien, met onder aan de bemerkingen: overwichten zooveel, overwichten zooveel!"

Van Affelen lachte.

"Die lui waren slimmer dan ik. Overwichten verantwoorden bij rijstbereiding, dat lap ik 'm niet. Onderwicht ja, natuurlijk, er is altijd onderwicht, uit den aard der zaak; bij de bereiding gaat wat verloren."

"Ja, het was vrij stom. Maar verantwoorden is nog niet verklaren, hé? Enfin, in '87 heeft de administrateur van Telatiga daar een eind aan gemaakt. En toen zijn wij jaren later gevolgd."

"Intusschen zal er aardig wat overwicht geweest zijn in al dien tijd."

"Een slordige zestigduizend picols, geloof ik. Dat is te zeggen; van '56 af."

"Een half millioen waarde, ongeveer."

"Ja, om en bij."

"Maar, u zei daar net: het was gevaarlijk?"

"Nou, het heeft een haar gescheeld, of wij waren er bij geweest als muizen. Stel je voor, dat ik naar de Bank te Batavia een paar gantangs [214] zend, met verzoek om bij een zekeren Chinees, die meer geleverd had, nog een paar van die dingen te bestellen. En wat doen ze me daar, die domooren? Het merk van den ijkmeester was er niet op, hé? Nou, daar sturen ze me die dingen naar het ijkkantoor. Kun je je voorstellen! De poppen aan het dansen! De ijkmeester legt beslag op de bullen. Maakt er een zaak van. Jongens, een heele consternatie. Dadelijk nieuwe maten besteld, met ijktjap."

"En hoe is de perkara afgeloopen?"

"Getoetoept." [215]

"Dat gaat hier nog al makkelijk in Indië."

"Och ja."

"Maar, ziet u, zoo'n verkeerde maat kun je ook niet loochenen. Dat is dadelijk een corpus delicti. Maar het kan wel anders. Terwijl je weegt, even de pink omlaag. Nou dat geeft de balans een onmerkbaar zetje. Of een groote spijker aan de datjins. Dat geeft dadelijk groot verschil. Niet waar, product van afstand en gewicht ..."

"Ja, pas maar op, pas maar op! En erg mooi kan ik het nu ook niet juist vinden."

"Mooi, mooi! Waarom zouden de lui ons een loer mogen draaien en waarom zouden wij dan niet daarop gewapend mogen zijn? Neen, mijnheer Nederman, ik doe niet aan sentimentaliteit. Daar eet je niet van. Ziet u, en daarom zeg ik, geef ze openlijk eenige concessies."