Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 16
"Welke?"
"Laat 's kijken. U kunt de levering van gonnizakken vrijschenken. Dat is bovendien erg mooi, want die filantropen met een gevulde maag, zeggen immers dat dat ook niet mag?"
"Nou, eigenlijk hebben ze dan toch gelijk, hè?"
"Erg veel beteekent die concessie wel niet, maar de lui zullen, dunkt mij zoo, de daad apprecieeren."
"Ja, dat is zoo. Nou, ik heb geen bezwaar; voor mijn part kunnen ze die zakken dan aan het land verkoopen. Op Telatiga gebeurt dat al eenige jaren, zooals je weet."
Die gonnizakken-levering was eigenlijk voor de bevolking een directe belasting, te hatelijker wijl zij geheel onrechtmatig geheven werd. De opgezetenen waren namelijk verplicht de vezels te verzamelen in de bosschen van Zuid-Alas Bamboe. Nog voor eenige jaren hadden ook de opgezetenen van Telatiga het recht om daar gonnivezels te verzamelen. Dit recht was in de acte van scheiding der beide landen gestipuleerd. Als de vezels thuis gebracht werden, moesten de zakken door de vrouwen geweven worden. Daarna werden zij aan het land geleverd, waarvoor 33 cents te goed gedaan werd. Maar zij, die niet in de gelegenheid waren vezels in te zamelen, en dat waren de meesten, kochten de zakken op tegen een doorsneeprijs van f 0.39 à f 0.40. Er werd dus verlies geleden. Toch duldde de bevolking ook deze knevelarij, omdat zij zooveel duldt en verdraagt. Zij duldde deze belasting nu reeds ruim een halve eeuw.
"Toch geloof ik, Van Affelen, dat je wel zult doen om je niet te veel illusies te maken van de uitwerking van dergelijke concessies. Je kunt desnoods nog vrijstelling geven van vischtjoeké ook. Maar heusch, het zal weinig geven. Neen, wij moeten dat anders aanpakken, geloof me, anders voorzie ik dat we van het jaar voor driekwart padi in de pakhuizen krijgen."
"Maar dan nog, mijnheer Nederman, is dat zoo in het nadeel van het land? Het zou de moeite loonen, dunkt mij, dat nog eens te becijferen. Ik heb me wel laten vertellen ..."
"Dat becijferen kun je veilig nalaten, man. Dat is al lang en breed overwogen, van alle kanten bekeken en bezien. Wacht 's, ik heb er nog wel correspondentie over met de eigenaren. Dat kan ik nog wel vinden, denk ik."
De administrateur opende een boekenkast, zocht een oogenblikje en haalde onder een stapel papieren een bundel oude, geel geworden brieven voor den dag.
"Juist. Hierin zal ik nog wel het een en ander kunnen vinden."
Hij sloeg het boek open. "Ja, nu moet je weten, dat aan het slot van al dat gewrijf en geschrijf een der eigenaren zoo naïef was op te merken dat de bevolking dan toch eigenlijk werd benadeeld. Ja, stel je 's voor, we zouden hier aan filantropie doen! 't Gevolg zou niet anders zijn dan dat diezelfde naïeve mijnheer een scheeven snuit zou trekken als de winst kleiner werd."
Hij bladerde weer even, terwijl Van Affelen de wijsgeerige opmerking maakte dat de meeste menschen eerst weldadig zijn als ze een volle beurs hebben.
"Hier heb je al iets: 4 Juli 18 ., een brief van de Bank aan den administrateur: "In overleg met de firma Biederman en Van Lochem--je weet dat zijn de hoofdadministrateurs van Telatiga--en naar aanleiding van door genoemde firma ontvangen inlichtingen, moet erkend worden, dat, waar bij beschadigde velden de rijstlevering in het nadeel der bevolking is, enzoovoorts ..." en hier, veertien dagen later, 19 Juli: "de rijstlevering is dus alleen voordeelig voor de bevolking, wanneer de opbrengst per bouw aan natte padi ongeveer 325 picols of meer bedraagt ..." Het is niet eens waar ook."
Hij bladerde nog een poosje.
"Neen, meer vind ik niet, maar dat is uit den aard der zaak. In mijn copieboek vinden we meer."
Uit een lade van de schrijftafel haalde Nederman een half uiteen hangend copieboek te voorschijn. Er waren losse bladeren in, ezelsooren en scheuren en het boek droeg niet de sporen van een zorgvuldige behandeling. Het scheen wel of Nederman meermalen de betrekkelijke passages onder de oogen had gehad, althans hij vond zeer spoedig de plaats waar ze stonden.
"Je moet zoo verdomd voorzichtig zijn met je uitlatingen tegenover de eigenaren. Vandaar dat ik die rommel zoo'n beetje bij mekaar gelegd heb. Brieven van mijn voorgangers over de kwestie, nota's, en nog meer paperassen. Zeg je ze, dat er te veel geheven wordt, dan heet het al gauw: nou, we kunnen wel een beteren administrateur krijgen. Als je den schijn maar redt, zie je. De bedoeling is: voortgaan op den ouden voet, maar verklaren dat je in het belang van de bevolking werkt.--Ja, ja, 't is maar een weet. Ik heb dan ook zelden ronduit gesproken, dat is veiliger. Hier: 25 Nov. 18 .. laat 's kijken: "ik ben de eerste," schreef ik, "om te erkennen dat een heffing van 1/5 der padi-opbrengst of 1/10 der bruto-rijstopbrengst van sawahs een zware heffing is. Willen de eigenaren, nou ja, enz.""
Hij sloeg een bladzijde om.
"Hier heb je een tjoeké-staat. Zoo'n ding lijkt verbazend onschuldig. Maar als er eens een gerechtelijk onderzoek komt, dan kunnen die tjoeké-staten, registers en boeken de eigenaren nog heel wat kwaad doen.--Hier heb je een brief, nog van recenten datum, 4 Maart 19 .. , die de hoofdadministratie weinig plezier gedaan heeft. Ik schrijf hier: "de oningewijde zou hieruit--uit dien tjoeké-staat namelijk--opmaken, dat de heffing mild is. Dit nu is een verkeerde voorstelling, want de heffing bedraagt meer dan 1/5, terwijl tevens het stamploon niet hier bij is inbegrepen, zonder buitendien in rekening te brengen prijzen en verschil in gebroken korrel."
"Jezus," zei Van Affelen, "zoo'n erkentenis is nog al gevaarlijk."
"Ja, maar er is later een beroep op te doen. Wij hebben het dan al gezegd, zie je.--O, en hier is een ander vermakelijk ding. Die eigenaren hebben niet het minste benul van het reglement. Je weet van de weigering van Arabieren en Chineezen op Telatiga om grondhuur te betalen, hé? Dat moet je nog weten; 't is nog van jouw tijd. (Van Affelen knikte.) Nou, daar schrijft me een van die heeren uit Holland, dat als die dingen ook hier gebeuren, ik het best zou doen er onmiddellijk een civiele zaak van te maken. Ja, die is goed. Ik heb geantwoord: "... daar zij bekend zijn gesteld met de bedoeling van het reglement dat erfpachters van sawahs geen grondhuur behoeven te betalen, hebben zij geweigerd verder die belasting te voldoen. Wijl de menschen in hun recht zijn, kunnen zij civiel-rechterlijk niet vervolgd worden."
"Wat is dat?" vroeg Van Affelen, wijzende op een blad vol berekeningen, waarboven stond: "Rijstheffing op Telatiga," met een dikke roode streep er onder.
"Dat is de nota van den administrateur van Telatiga aan de eigenaren. Ik was toen eens bij hem en hij liet mij de berekening zien, die ik toen meegenomen heb om te zien of wij ook op resultaten konden wijzen voor Alas Bamboe. Daar moet nog een brief over zijn--wacht's, ja, hier is hij, dato: 31 Maart 19 .. aan de eigenaren. Je kunt snappen dat ze nijdig waren, toen die nota met berekening van te veel geheven tjoeké inkwam. Ik merkte het dan ook uit het antwoord. Het was nog al kribbig. Nou, ik schreef maar weer terug,--hier is het: "ik heb mij de moeite getroost te berekenen, dat sedert 1870 de bevolking circa 7 ton meer heeft opgebracht dan zij moest op Telatiga, en nog heel wat meer op Alas Bamboe, enz."--Welja, hé, als het hard tegen hard gaat ... Nou, en hier heb je dan die padilevering; de berekening ervan, in dezelfde nota; nou moet je maar eens luisteren, dan zul je wel tot andere gedachten komen dan daarnet.--Ze hadden mij gewezen op een uiteenzetting van een van mijn voorgangers. Alsof dat nou bewijs is! "Zeker, schrijf ik, in 1886 is berekend dat padilevering meer product in rijst leveren zou dan rijstlevering. Doch hiermede wordt nog volstrekt niet aangetoond dat de rijstlevering billijk is." Dan komen een hoop cijfers, waarin ik dit aantoon. Dat zal ik maar overslaan. Maar hier: "Padilevering zou volgens eenvoudige berekening oogenschijnlijk voordeeliger zijn voor de eigenaren, dat is, wanneer slechts rekening wordt gehouden met de hoeveelheid rijst. Immers nemen wij het oogstjaar 19 .. Berekend tegen 335 kattie rijst per picol padi--maar dit is nog te bezwarend, Van Affelen, en je weet dat de verhouding door ons geëischt nog veel ongunstiger is voor de lui,--zouden wij hebben binnen gekregen 35457,18 picol tjoekérijst en 86302,80 picol padi. Door de rijst zou een waarde vertegenwoordigd zijn, tegen f 195 per kojang [216], van f 256079,80. Uit de padi heet men 54 procent rijst te krijgen, hiervan 70 procent eerste en 30 procent tweede soort, bij eigen bewerking.--Je weet dat wij tot 87, 88 en 89 procent eerste soort eischen, hé?--Dat is zooveel picols tweede soort, totaal 46603,51 picol rijst. Eerste en tweede soort gemengd kost f 185 per kojang van 27 picols, dat maakt dus een waarde van f 319319,25; maar waarvan het maalloon à f 0,10 per picol nog afmoet of f 8630,28. Rest dus f 310688,97. Dat zou dus met padilevering een voordeel opleveren van f 54629,12."
"Zeker, dat zou het dunkt mij toch ook," viel Van Affelen in de rede.
"Nou, het is zoo niet. Want die berekening deugt niet, zie je. Of juister, er worden verschillende factoren in genegeerd. Ik heb het ze duidelijk genoeg gemaakt. In de eerste plaats hebben we geen pakhuisruimte als padi wordt ingeleverd. 't Transport wordt veel duurder door het grooter kwantum." ...
"Ja, dat is waar."
"Een fabriek wordt noodig, en dus uitbreiding van personeel."
"Ja, dat is ook waar."
"Met de vrijwillige overeenkomsten komen natuurlijk klachten nog steeds voor, maar wij hebben de macht in handen. En bij padiheffing zijn wij verplicht om ook ketan [217] en padi-tjiré [218] te ontvangen, niet waar?"
"Ja, nu kunnen wij daar de lui zelf mee laten zitten."
"Nou, dat is nog zoo erg niet. Ze vreten het toch. Maar voor den export is ze niet te gebruiken."
"Ja, daar heb ik niet zoo gauw aan gedacht."
"Juist, en dan moet je niet vergeten, dat, als we niet in de kwaliteit van de te leveren padi door de kerels bedot willen worden, van elken sawahbezitter bij den proefsnit de padisoort genoteerd moet worden. In regenachtige jaren krijg je uit die padi veel breuk of vooze korrel, in droge jaren veel schrale bossen."
"Ja, ja, dat is zoo."
"En nog iets: het voornaamste punt. Bij padilevering zijn wij verplicht de padi te ontvangen, zooals het uitvalt. Bij rijstlevering heeft keuring plaats van het geleverde."
"Waarachtig, mijnheer Nederman, dat is een cardinaal punt!"
"O, zoo!"
"Ja, en ik moet erkennen, dat ik nog geen machinaal bereide rijst heb gezien, die mooier was dan de rijst, door de bevolking geleverd."
"Natuurlijk niet, dat haalt niet bij elkaar. En dan zeg, laten we mekaar nou geen Mietje noemen. Maar Van Bern, van Telatiga, heeft onlangs aangetoond in een gedrukte nota dat de practijk ook een woordje te vertellen heeft. De bevolking van Telatiga, rekent hij uit--en er is geen speld tusschen te steken--brengt per jaar bijna zes en twintig duizend pop te veel op. Nou, hier op Alas Bamboe is het nog wel een beetje meer ook."
"De eigenaren waren niet erg tevreden met Van Bern, heb ik gehoord. Hij was er toch al een heelen tijd, op Telatiga."
"Ja, ik geloof zooiets van dertig jaar, waarvan vijftien of nog langer als administrateur. Maar als je de de lui dan gaat dreigen met publiciteit ..."
"Wat zegt u?"
"Ja, dat heeft hij gedaan. Wel, hij was de slechtste niet, en kende zijn menschen door en door. Maar toen kwam er eens wat met de eigenaren; hij wou meer salaris hebben, geloof ik, en toen hij het niet kreeg, begon hij te dreigen. Nou, de rest laat zich denken. Ik geloof tenminste zeker dat dàt de eigenlijke reden is van zijn ontslag."
"Och kom?"
"Ja, hij zei ze, dat ze er dankbaar voor mochten zijn dat de klagers en de krantenmenschen--die zitten overal met hun neus in--niet bekend waren met de werkelijke wijze van rijstheffing en de nadeelige factoren ervan voor de bevolking, en dat ze daarom tot dusver nog op geen andere onbillijkheden konden wijzen, dan dat de heffing niet in overeenstemming is met artikel 11 van het reglement."
"Maar, ik zou zoo denken, dat een beschuldiging tegen de eigenaren dan toch ook op den administrateur terugvalt."
"Pardon, dat ben ik niet met je eens. Die rijstheffing bestond al jaren voor 1837 en is geen maaksel van den tegenwoordigen administrateur. Die heffing werd door de eigenaren vastgesteld, in elk geval goedgekeurd en gehandhaafd. Wat is nu een administrateur? Niets meer dan de gemachtigde van de eigenaren. Hij ontvangt de tjoeké, namens de eigenaren; namens de eigenaren voert hij de administratie volgens hùn inzichten. En dus worden die administrateurs, om het nou eens te zeggen in dezelfde woorden, die Van Bern gebruikte, door de eigenaren geplaatst in een rijstcomplot. En dan moeten die daarvan dan ook maar de verantwoordelijkheid dragen. En nog iets, het lijkt mij nu heelemaal niet in het belang van de eigenaren om den administrateur op zijn aandeel in dat rijstcomplot te beknibbelen."
"Neen, dat is het zeker niet."
"Het gebeurt toch en nog slimmer: ze hebben Van Bern beschuldigd de heffing te hebben verzwaard. Dat is ongerijmd. Van Bern heeft juist de onbillijkheid van de rijstheffing aangetoond en een mildere voorgesteld. Ik kan me dan ook best voorstellen dat hem de gal overliep. Nou en toen heeft hij ze gedreigd: ontsla me maar, maar ik zal een boekje van jullie opendoen."
"Is die bedreiging dus openlijk uitgesproken?"
"Waarachtig. En in antwoord kwam de vraag van een van de eigenaren: "Waarom vragen wij niet integraal 2 1/2 picol rijst eerste soort per bouw, zooals vroeger?" Waaraan je dus kunt zien, dat het vroeger nog een beetje erger was, met minder irrigatie en meer inkomsten. Maar wij dwalen af. We hadden het over die rijstheffing. Nou, ik dank je er voor om padi te ontvangen. Weet je wat, ik ga overmorgen naar Telatiga. We moeten tot een oplossing komen. Het is daar al niet anders dan hier."
Van Affelen en Nederman bleven nog een heele poos samen praten. Eerst zeer laat ging de employé heen. Hij bleef den nacht bij Zevenaer over en den volgenden morgen vroeg vertrok hij weer naar Herea.
Siman was reeds gewoon geraakt aan de gevangenisomgeving. Na zijn veroordeeling was hem een andere cel aangewezen, dien hij deelde met een lotgenoot, veroordeeld tot drie maanden wegens een vechtpartij, waarbij de ander een oog kwijt geraakt was. Sarpan, zoo heette Simans celgenoot, was een brutale duivel, en behoorde tot een categorie menschen, waarmede de eenvoudige desaman nog niet in aanraking was geweest. Sarpan was het type van den boaja [219], die in de steden leeft van bedrog, oplichterij en diefstal, die niet werken wil, maar teert op zijn medemenschen. Hij was een nog jonge kerel met een vrij gunstig uiterlijk en had een diepen indruk gemaakt op Siman. De jonge Soendanees keek waarlijk met ontzag tegen hem op en luisterde met groote aandacht naar de voor drievierde verzonnen verhalen, welke de ander hem opdischte. Die verhalen openden een geheel ongekende wereld voor hem. Een wereld van weelde, waarin volop de middelen te vinden waren om zich een onbekommerd bestaan te verzekeren, een wereld van avonturen, die prikkelend werkten op de gedachten van den binnenlander, een wereld van genot en pleizier, onbekend aan millioenen. Sarpan kon 's avonds onder het rooken van een kaoeng-strootje, dat hij, tegen het strenge verbod in, natuurlijk wel had weten machtig te worden, heele verhalen doen van zijn avonturen, die hem reeds vaak met de rechters in aanraking hadden gebracht; maar telkens was hij er weer doorheen geslipt. Een paar keeren was hij op heeterdaad gesnapt, en daarom had hij nu ook voor een onbeduidende kloppartij drie maanden gekregen. Ze wilden zich nu eens wreken op hem, omdat hij ze meest te slim af was. Sarpan sprak altijd met groote geringschatting over de justitie, over de bestuursambtenaren en over allerlei andere dingen, waarvoor andere menschen diep ontzag plegen te hebben. De politie deed je niets, zeide hij, als je maar zorgde dat je een gevulden buidel had, om ze oogen en ooren dicht te stoppen. Nou, en gebrek aan geld had hij hoogst zelden. Zijn laatste veroordeeling was bepaald kluchtig geweest. Hij was twee dagen in de gevangenis, toen hij zich loskocht. Alleen had hij zich moeten verbinden om elken avond terug te komen. 's Morgens heel vroeg ging hij er alweer uit. Hij was toen voor de politierol gestraft. Aan die geschiktheid om zich overal tusschen uit te draaien had hij zijn bijnaam van Si-Lindoeng [220] te danken, onder welken hij het meest bekend was. Och, het was maar de manier, waarop je zulke dingen aanvatte, hé?
Hij ging, zelfs in de gevangenis, met eenigen zwier gekleed, werkte overdag zoo goed als niets en had een air over zich van luchthartigheid en neerbuigendheid jegens de bewakers, waar Siman jaloersch van was. De avonduren kortte hij met zijn verhalen, waarin hij ferm opsneed over zijn geluk bij de vrouwen.
Siman leerde weinig goeds van hem. Maar och, de gevangenis is de plaats niet, waar goede eigenschappen worden ontwikkeld!
Toen Si-Lindoeng heenging, na drie maanden, had Siman nog twee maanden voor den boeg. Een week ongeveer bleef hij alleen in zijn cel, die hem toescheen nog te weerklinken van de spot- en minneliedjes van Si-Lindoeng. Daarin was deze een baas geweest. Siman had den lotgenoot de gebeurtenissen medegedeeld, welke hem in de gevangenis hadden gebracht en de ander had hem een beetje spottend aangezien, onderwijl opmerkend dat Siman een volgenden keer wel wat handiger zou zijn. Hij had overigens wel deelneming getoond met Siman en in die drie maanden waren beiden, in dat donkere, vochtige gevangenislokaal, bepaald goede vrienden geworden.
"Als je later 's soesah hebt, zoek je mij maar op, hoor. Ik zal je wel helpen. Vraag maar naar Si-Lindoeng; iedereen kent Si-Lindoeng op Sapekan."
Na een groote week was een andere celgenoot gekomen, een stille kerel, van wien Siman niet kon te weten komen, wat hij eigenlijk had misdreven. Maar in enkele buien van woede vloekte de nieuwe tegen de rechters en de menschen, tegen de toestanden en tegen alles, waarmede zijn gedachten zich bezighielden. Toen deze ongure gast in de cel kwam, werd Siman getroffen door een onaangenamen geur, die het vertrek vulde, een inzoete lucht, die je hoofdpijn bezorgde. Zij kwam van den medegevangene. En later begreep Siman dat de man een opiumschuiver was.
Deze gevangene bleef maar heel kort en werd vervangen door een zakkenroller met een gemeene tronie. Ook die ging weer spoedig heen, en na hem kwamen nog een tweetal lieden, welke geweigerd hadden heerendienst te verrichten, recidivisten. Die allen gingen weer heen, vóór Siman. Hij telde de dagen, die hem nog scheidden van zijn invrijheidstelling. Het pijnigde hem dat hij nog steeds zijn wraak niet kon koelen. Heimwee naar huis kwelde hem niet. Och neen, Djiah was er niet en de kleine Rekso zou wel goed bezorgd zijn. Wel verlangde hij zeer naar den kleinen jongen en stelde hij zich voor, hoe groot die reeds zou zijn. Zoo lang al had hij hem niet gezien. Het was al bijna een jaar geleden, dat hij gearresteerd werd.
Over dag was hij werkzaam in de timmerafdeeling. Alle gevangenen moesten werken en Siman, die niet lui was, had genoegen in den arbeid, welke hem vaak de kwellende gedachten aan huis verdreef. Maar beter werd Siman in dat jaar niet. Integendeel. Hij had al den tijd er over te denken hoe hij zijn wraakplannen zou volvoeren, wanneer hij maar eerst weder vrij was. Neen, bij God, hij zou niet weer missen!
Nederman was een dag lang bij Versnoek geweest, den administrateur van Telatiga. Lang en breed hadden de waardige mannen geconfereerd. En men was tot het besluit gekomen gezamenlijk naar den assistent-resident te gaan om dezen te verzoeken hen te steunen tegen de opgezetenen.
Versnoek was zeeofficier geweest; misschien een goed officier--dit weet ik niet. Maar als administrateur over een land met een bevolking van zeventig à tachtig duizend zielen was hij niet op zijn plaats. Bovendien had hij het al zeer slecht getroffen. Toen hij de administratie van zijn voorganger overnam, was zich reeds een geest van verzet beginnen te openbaren, ook op het land Telatiga. Hij was toen zoo tactloos geweest, den oudsten opzichter zijn afscheid te geven en toen, nadat ook de mantri's, die onder dezen gewerkt hadden, ontslagen waren en ontevredenheid stookten onder het volk, tegen hun vervangers voornamelijk, die niets anders waren dan spionnen van den administrateur,--toen zij bewerkten dat de onrustige geest onder de opgezetenen zich begon te uiten in daden, was een gegageerd onderofficier van de marechaussee, een Duitscher, benoemd tot opzichter. Die zou er wel orde onder houden. De man kreeg bedektelijk te verstaan dat van hem verwacht werd dat hij rust en orde zou weten te handhaven. Ook bij marine en leger waren onhandelbare sujetten, die men tòch klein kreeg. Zoo noodig moest à la Atjeh worden opgetreden.
Maar zulk "energiek" optreden kan in verschillende streken van den Archipel verschillende uitwerking hebben. En op Telatiga was het resultaat anders dan Versnoek gewenscht had. Hiervan droeg hij evenwel voorloopig nog geen kennis en hij leefde in den waan dat hij den juisten weg had ingeslagen, wijl in den laatsten tijd minder van strubbelingen met de bevolking werd vernomen.
Wij menschen staan altijd klaar met goeden raad aan anderen, wanneer wij met het geven daarvan onze eigenliefde kunnen streelen.
"U moest dien De Leeuw bij u daar op Alas Bamboe wegdoen, mijnheer Nederman," had Versnoek zijn gast geraden. "U weet niet half, welk een kwaden invloed het op de bevolking heeft als het vergelijkingen gaat maken tusschen den employé en den baas. Ik heb mij om die reden genoodzaakt gezien hier Muller bij me te ontslaan. De man was niet kwaad voor zijn werk, och neen, en zelfs had hij heel veel kwassa bij het volk, maar hij was te lankmoedig, te gemakkelijk, te goed. Hij liet zich al heel gauw bedotten door een beroerden snuit en wat gejank. Nou, dat gaat niet, ziet u. De lui zijn dan al gauw klaar met vergelijkingen. De baas is hardvochtig, maar de ziender, daar kun je mee opschieten. En het gevolg is dat ze meer gaan voelen voor den laatste en uit lust tot weerspannigheid, want iets anders bezielt de lui niet, den administrateur pesten en sarren, wat ons nu niet bepaald het leven veraangenaamt."
"Je kon wel 's gelijk hebben, Versnoek." Nederman herinnerde zich, dat hij zelf De Leeuw "te week" vond, en zijn gedachte van Versnoek's intelligentie was een zeer gunstige.
"Ja zeker, het is zoo. Ik zeg maar: ik ben de baas en de employé's doen nu precies zoo als ik het wil of anders kan ik ze niet gebruiken. Sic volo, sic jubeo."
Die Latijnsche kranigheid kwam er expresselijk achter, omdat Versnoek heel goed wist dat Nederman's taal- en letterkundige ontwikkeling niet heel ver ging. Hij kon zich bij dezen man dus al heel goedkoop een reputatie van buitengewone kennis verwerven.
Nederman zei weinig terug. Hij was moe van de lange reis en den drukken dag.
Den volgenden dag waren beiden bij den assistent-resident in diens woning te Telatiga. Men kon daar meer op zijn gemak praten dan op het kantoor, meende de heer Van Dam. En zoo zaten zij daar in de luchtige, gezellige voorgalerij der ruime assistent-residentswoning, achter een stevige whisky-en-soda, een geurige havana in den mond. O, zij gevoelden zich zeer op hun gemak; het lichaam eischte in het geheel niets; materieele zorgen kenden zij niet; zoo dadelijk zouden zij de maag, voordat die nog knorde, kunnen bevredigen aan den welvoorzienen disch des heeren Van Dam, die hen genood had bij hem het middagmaal te nuttigen. Zoo, voldaan naar alle behoeften van het fysiek, zouden zij maatregelen beramen om de bevolking te noodzaken hen niet te plagen met zorgen des geestes.