Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 23
Ik geloof niet dat ik ten opzichte van deze punten nadere toelichting behoef te geven. De toestand is als ik afschilderde en van geen eerlijk man, die weet dat ik de waarheid spreek, zal tegenspraak te verwachten zijn. Ik ben veertien jaren op het land werkzaam geweest en heb den tijd gehad om me heen te zien. In het bovenvermelde heb ik dus aangetoond dat te zware diensten worden gevorderd.
Rest mijn inzicht te motiveeren, dat die diensten onwettig worden geheven.
Hoe zijn de rechten van heerendienstheffing ontstaan? Omtrent de landen Alas Bamboe en Telatiga heb ik de volgende gegevens weten te vinden:
In de koopakte dan, waarbij door het Engelsche tusschenbestuur het land Alas Bamboe aan den heer Henry Barker Melville werd verkocht d.d. 30 December 18.., staat uitdrukkelijk gestipuleerd dat niets anders verkocht was dan het recht tot belastingheffing tot het bedrag van 1/5 van het padigewas van de opgezetenen van het land, met bepaalde uitsluiting van alle heerendiensten en gedwongen leveringen.
Bij de codificatie van de rechten en verplichtingen der eigenaren in 1836 zijn in art. 61 van het reglement op de particuliere landerijen de speciale voorwaarden van verkoop in stand gehouden.
Bij gouvernements-besluit van den 1en October 18.. werd desalniettemin het recht van heerendienstheffing geschonken aan de eigenaren van Telatiga en Alas Bamboe (deze beide landen waren bij de acte van 26 October 18.. uit het land Alas Bamboe ontstaan.)
De oud-resident J. Kan schreef omtrent de onwettigheid zijns inziens dezer gunstbetooning:
"Bij art. 2 § 4 van de bekendmaking van November 18.., welk artikel in art. 61 van St.bld. 1836 no. 19 gehandhaafd is, waren de heerendiensten uitdrukkelijk afgeschaft. Sedert den afstand in 18.. en na de publicatie van 18.. waren zij ook nimmermeer gevorderd. In spijt daarvan evenwel werd vergund heerendiensten te vorderen en hiermede riep de regeering in het leven een belasting in arbeid ten behoeve van particulieren, in strijd met art. 60 van het toen vigeerende regeeringsreglement (Staatsblad 1836 no. 48) luidende: "Geene belastingen mogen voortaan in N. I. geheven worden, dan op een publicatie van den gouverneur-generaal na daartoe vooraf onder gewone omstandigheden verkregen te hebben de toestemming des konings."
De regeeringsbeginselen, ook thans nog, eischen de goedkeuring van den koning op de invoering van nieuwe belastingen, wanneer geen voorafgaande machtiging daartoe is verleend.
Tot de uitvaardiging van het besluit van .. Maart 18.. no. 10 werd die goedkeuring des konings niet verkregen, toen niet en later niet. Zoodat bedoeld besluit nietig is naar den inhoud en onwettig naar den vorm, wijl het niet bij publicatie werd afgekondigd, zoodat zelfs de betrokken bestuursambtenaren er geen kennis van droegen. Bovendien zou een koninklijke goedkeuring van deze belasting ten behoeve van particulieren nooit verkregen zijn.
Ook is volgens den heer Kan duidelijk dat hier een gunst bewezen werd aan de landeigenaren ten nadeele der ingezetenen, immers aan de eigenaren van de andere, gelijktijdig met die landen en op dezelfde voorwaarden, krachtens dezelfde bekendmaking, verkochte landerijen werd een gelijke gunst niet toegekend, toen niet en ook evenmin daarna.
Een nog treffender bewijs van de onregelmatigheid, hierboven bedoeld, vond Kan in het feit: dat toen in 1857 de eigenaar van een der landen in het Semarangsche de Regeering verzocht heerendienst door de bevolking van zijn land te mogen doen verrichten, hem dit "op grond der verkoopvoorwaarden van 5 November 1812" werd geweigerd! Al evenzeer wijst op die onregelmatigheid de tot op dezen dag gehandhaafde clausule in alle acten van overschrijving, zoowel als in de openbare registers, in verband met de beide particuliere landen "dat de eigenaren van de bevolking geen heerendiensten mogen eischen."
Men zou een ander, en wellicht het krachtigste bewijs van het feit dat gedurende ruim zestig jaar onrechtmatig heerendiensten werden gevorderd, kunnen vinden in het gouvernementsbesluit van den .. April 18.., waarin de regeering beslist erkent de onwettigheid van het heffen van heerendiensten op de beide bedoelde landen.
Welnu, ik kan niet anders dan mij volkomen aansluiten bij de meening van den oud-resident Kan. Men zal mij allicht tegenwerpen dat het Polynesisch recht den souvereins-grondbezitter toekent het recht van de opgezetenen te vorderen een belasting in arbeid buiten een deel van de opbrengst der door die bevolking gecultiveerde gronden. Dat derhalve de koopers der particuliere landerijen een zeker adatsrecht kunnen doen gelden op de heffing van heerendiensten. Dat de regeering vòòr het Engelsche tusschenbestuur, en deze tusschenregeering zelf, te weinig waarde heeft gehecht aan het adatsrecht.
Ik heb hierover nagedacht. Krachtens deze stelling zou de belasting in arbeid het karakter verliezen, dat de heer Kan haar overeenkomstig art. 60 van het regeerings-reglement van 1836 toekent, en behoefde de verleening, jaren later, van dit belasting-recht, waarvan sedert den koop geen gebruik meer was gemaakt, niet te worden afgekondigd als bij bedoeld art. 60 R. R. 1836 voorgeschreven, n.l. bij publicatie. Ten overvloede zou dan nog kunnen worden aangevoerd dat bij jarenlang bestaand gebruik dit daarom wordt geacht afgekondigd, d. i. wettig te zijn.
De erkenning van de onwettigheid der heerendienstheffing, opgesloten in het raadselachtig gouvernementsbesluit van -- April 18--, zou dan evenzeer als een gebrek aan rechtskennis bij de adviseurs der toenmalige regeering moeten worden aangemerkt.
Dit alles schijnt logisch in elkander te sluiten.
Echter heb ik een bedenking. Het wil mij--maar ik heb geen juridische opleiding gehad, en het is mogelijk dat ik daarom wat meer gevoel voor recht heb--het wil mij dan voorkomen dat bij deze argumenteering over het hoofd gezien wordt, dat door de rechtmatige beschikkers over den grond geenszins verzuimd is rekening te houden met het adatsrecht; dat zij integendeel bij het uit handen geven van den grond eens en voor al, het ontstaan van misbruiken uit een niet te controleeren rechtsmacht hebben willen voorkomen, weshalve bij den verkoop de uitdrukkelijke voorwaarde werd gesteld dat de grond vrij van heerendienst zou overgaan in andere handen. Van een tekortdoening in rechten kan onder deze omstandigheden geen sprake zijn, wijl de kooper geheel vrijwillig de voorwaarde aanvaardde. Het Engelsche tusschenbestuur heeft juist, zeer practisch, met het ondeugdelijke, tot velerlei misbruiken aanleiding gevende adatsrecht in dit bijzondere opzicht voor immer gebroken, waarvoor het nu nog lof verdient. Het heeft juist met één bepaling een eind gemaakt aan juridische sofisterijen van later. Is dit, mijn inzicht, juist--waarvan ik overtuigd ben--dan wordt nu reeds sedert ruim zestig jaren onwettelijk heerendiensten geheven op Alas Bamboe en Telatiga.
Mij wil het daarom voorkomen voor eigenaren een plicht der menschelijkheid te zijn, aan het bestaande onrecht ten spoedigste een eind te maken. Ik wijs er bovendien op, dat de verbittering onder het volk tot gisting is overgegaan. En waarlijk geen wonder! Veiligheid van persoon of goed bestaat eenvoudig niet. Moreel is het stelselmatig gedemoraliseerde volk gedwongen te doen wat eigenaren wenschen, op poene van vergaan. Het voedselgebrek verdient reeds den naam van hongersnood. Klachten hebben niet het minste effect. Of weigerde niet in 18..--om het meest sprekende voorbeeld aan te halen--het bestuurshoofd der residentie de klachten aan te hooren, welke de bevolking eerst te Telatiga, later op zijn standplaats, waarheen een deputatie hem gevolgd was en waar de lieden creveerden aan koortsen, bij hem inbracht? Hoe begreep die hooge ambtenaar den plicht, hem opgelegd in art. 55 R. R. 2e al.: den inlander overal gelegenheid te geven vrijelijk klachten in te dienen? Natuurlijk is dit bestuurshoofd op zijn tijd beloond met het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw. Virtus nobilitat!
Van dezen beschermer der bevolking hebben de eigenaren van Alas Bamboe en Telatiga geen menschelijkheid kunnen leeren. En in 18.. werden zij straffeloos verklaard door een gouverneur-generaal, die zijn "eersten plicht" niet kende ...
Ik dring zeer ernstig aan op prijsgeving, althans zeer groote verzachting, van het z.g. "recht" van eigenaren tot heffing van een belasting in arbeid.
De opzichter van de districten Alas Bamboe en Goenoeng Malang van het land Alas Bamboe, DE LEEUW.
Nederman vouwde in gedachten het geschrift dicht.
"Ik zal het opzenden," mompelde hij. "Het is wel eens goed, dat hun de waarheid gezegd wordt. Des te beter als ik het niet behoef te doen. Om den drommel geen domoor, die De Leeuw!--maar het zal hem een douw geven."
Het gàf hem een douw!
De hoofdadministrateuren waren ten zeerste ontstemd. Zij schreven dat zij den eigenaren zeer zeker in kennis zouden stellen met het schriftuur, komende van een werknemer, en dat op zijn minst de betiteling van zeer eigenaardig verdiende. In den brief werd overigens op zeer hoogen toon aan den employé te verstaan gegeven dat men in den vervolge niet gediend zou zijn van uitingen van zijn overdreven en ziekelijke filantropie en gaarne een wat meer te waardeeren vorm van zijn werkzaamheden op het land zou zien.
De Leeuw was woedend. Zonder tijd van beraad--hij zou ook zeker niet op zijn besluit zijn teruggekomen; daar was hij te koppig voor--schreef hij Nederman dat hij zijn ontslag nam. Hij gaf den administrateur veertien dagen tijd om een anderen employé te engageeren en zwichtte voor geen overreding tot blijven, noch van den administrateur, noch van de collega's.
"Wat dachten ze wel van 'm, verdomme ...!"
Hij ging heen, met de bedreiging van een open aanklacht tegen eigenaren en hoofdadministrateuren in een dagblad, ten bate van het geknechte, geestelijk gedegenereerde volk.
Hij hield woord. Een goede kennis van hem was journalist. Dien lichtte hij in. Tegelijk kwamen uit Telatiga berichten in de persorganen omtrent den nijpenden hongersnood. De publieke opinie begon zich met het drama bezig te houden. Er werd aangedrongen op een regeeringsonderzoek. Maar de weken verliepen en groeiden tot maanden ... De bevolking van Alas Bamboe en Telatiga creveerde van gebrek en honger, of verliep naar de gouvernementslanden en het alarm der pers bleef de stem van den roepende in de woestijn. De regeering bleef zwijgen, als altijd.
Toen kwamen betere tijden. Langzaam, heel langzaam begonnen de landen zich te herstellen van de doorgestane ellende. Toch heerschte nog allerwege nijpend gebrek. Nog had een onderzoek veel rots aan het licht kunnen brengen.
En de regeering besloot, bijna te laat, een hoofdambtenaar uit te zenden om een officieel rapport uit te brengen over den nood. In de keuze van haar dienaar was de regeering niet gelukkig. De hoofdambtenaar was meer dan eens ... onbetrouwbaar gebleken, steeds bezield van een geheel verkeerd begrepen esprit de corps.
Men wachtte het rapport af.
De regeeringscommissaris reed in snelle vaart per postwagen van Telatiga over een gedeelte van het district Sikarang naar de woning van den administrateur Nederman. Hij werd er met schuimende champagne ontvangen. Eenige uren bracht hij in zeer opgeruimde stemming door in de gastvrije woning, deed enkele vragen, teekende eenige inlichtingen op, en verwijderde zich toen weder per postwagen. Het onderzoek was zoo degelijk dat de regeeringscommissaris zelfs niet opmerkte de opzettelijk zichtbaar te werk gestelde mannen en vrouwen in de sawahs en langs den weg, dien de inspecteerende en rapporteerende hoofdambtenaar zou afleggen. Deze lieden waren uitgezocht. Het lijkt een sprookje: de meest welvarend uitziende menschen uit de desa's hadden van het bestuur, door tusschenkomst van den controleur der naaste contrôle-afdeeling, de prentah aloes ontvangen "zich te kleeden als op lebaran"; de rest der kampongbevolking, de magere, armoedige lieden "zich niet buiten de desa te vertoonen, aan den weg des hoofdambtenaars."
De mystificatie, hoe grof ook, had geen effect: de hoofdambtenaar stelde geen onderzoek in. Niets zag hij van hetgeen men hem had willen laten zien, van wat hem als het ware werd voorgezet. Hoeveel zal hij gezien hebben van hetgeen verborgen werd gehouden! Hoeveel zal hij vernomen hebben uit den mond der desalieden, die hij niet sprak! Trouwens, de mededeelingen van den administrateur waren volmaakt voldoende. Zoo onderzoeken intègre, bekwame, hoogbezoldigde hoofdambtenaren wel meer in Indië.
Het logenachtig rapport verscheen: de nood werd ontkend! Wel was er een zware tijd geweest, maar het volk was weder aan den arbeid; het product was weder in den grond. Hij, rapporteur, had streek en bevolking gezien; bijzondere maatregelen waren niet noodig; de landeigenaren waren de bevolking, waar noodig, krachtig te hulp gekomen. De palawidja was goed geslaagd; hij produceerde er cijfers van. Hoe kwam hij aan die cijfers, waar geen aanteekening gehouden wordt van de tweede gewassen, wijl er niets van "geheven" wordt? Waren die cijfers verzonnen of hem verstrekt door den administrateur?
Nuttelooze vragen. Het regeeringsgeweten was gesust. Daar was het om te doen, niet waar?
De rapporteur schermde met groote getallen: de rijstproductie; nam een rijstcoëfficient aan van 0,50, op niets berustend ... Wat deed het er toe? Wie, die hem controleeren zou? Enkele persorganen! Nou ja--maar officieel bestond de nood niet.
Een knipsel uit een der Java-bladen:
J'accuse!--Over den welhaast geleden hongersnood op de particuliere landerijen Alas Bamboe en Telatiga bereiken ons, in spijt van de officieele ontkenning van zijn bestaan, nog zeer treurige berichten. Is het nog noodig deze berichten na onze uitvoerige mededeelingen van gisteren, eergisteren en vorige dagen, weken achtereen, mede te deelen? Wij gelooven niet; alle jobstijdingen zijn samen te vatten tot deze eene stelling, door machtiger pen dan deze der Indische regeering, der Nederlandsche natie in het aangezicht geslingerd: De Javaan wordt mishandeld!
Hieronder onze akte van beschuldiging. Wij weten dat hier in Indië met de belachelijke wetten op de drukpers geen recht te krijgen is voor tienduizenden; dat artikel 282 e.v. van het drukpersreglement misdrijf in de hand werkt, en strijd tegen onrecht straft met vrijheidsberooving. Evenwel, wij doen een beroep op onze aanstaande rechters en noodigen hen uit een enkele maal den moed te hebben af te wijken van de geschreven wetten; te gelasten dat een onderzoek worde ingesteld naar de waarheid van wat wij zullen zeggen; ons te vergunnen te bewijzen de gegrondheid der door ons uit te spreken beschuldigingen. Wij kunnen bewijzen dat wij de waarheid dienen. Of wij mogen bewijzen, hangt van onze rechters af. Welnu, wij noodigen hierbij onze rechters uit den moed te hebben recht te doen.
Het zij hier zonder hoogmoedige vergelijking gezegd: "Hier staan wij; wij kunnen niet anders."
Wij beschuldigen de eigenaren van de particuliere landerijen Alas Bamboe en Telatiga, stellende hen verantwoordelijk voor het in hun naam gevoerde en door hen goedgekeurde beheer op genoemde landen, om het even of de rechtsgeleerden zullen glimlachen om deze beschuldigingen van het rechtsgevoel, om het even of de overtredingen, vergrijpen en misdrijven al dan niet vallen in de termen der geschreven strafwet, van:
1e, overtreding van art. 10 van het Reglement op de particuliere landerijen bewesten de Tjimanoek (Staatsblad 1836 no. 19) wegens het als regel heffen van meer dan het een-vijfde gedeelte van de opbrengst;
2e, overtreding van art. 11, 2e al. van v.z. Regl. wegens het doorloopend uitoefenen van moreelen dwang op de bevolking bij het sluiten van de "vrijwillige overeenkomsten" tusschen bevolking en eigenaren tot levering van tjoeké in rijst;
3e, overtreding van art. 13 van vz. Regl. wegens het weigeren rekening te houden met de hoegrootheid van de opbrengst, bij mislukking van het gewas buiten de schuld des erfpachters;
4e, overtreding van art. 26 van vz. Regl., wegens het niet verstrekken van behoorlijke voeding aan de heerendienstplichtigen;
5e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. wegens het vorderen van meer dan één dag onbetaalden arbeid in de week;
6e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. wegens het niet betalen van twee cents voor elken paal afstands boven den afstand van vijf palen tusschen de plaats der werkzaamheden en de woningen der heerendienstplichtigen;
7e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. paragraaf c wegens het vorderen van heerendiensten van hen, die volgens de inlandsche gewoonten (adat) vrij zijn van persoonlijken arbeid;
8e, overtreding van artikel 26 van vz. Regl., laatste alinea, wegens het niet onder den onbetaalden arbeid rekenen van den tijd, benoodigd voor het komen en gaan van de heerendienstplichtigen van en naar hun woningen;
9e, overtreding van artikel 29 van vz. Regl. wegens het bezigen der opgezetenen tot het verrichten van diensten, nadrukkelijk door bedoeld artikel verboden;
10e, overtreding van artikel 32 vz. Regl., wegens het aanleggen en instandhouden van dammen en doorgravingen, het verleggen en verstoppen van bestaande rivieren, waarbij het gouvernement en gouvernementsonderdanen belang hebben, zonder vergunning, zelfs tegen het protest der plaatselijke autoriteiten in;
11e, overtreding van artikel 40, eerste alinea van vz. Regl. wegens het tot stand brengen van alle zulke ondernemingen, welke de landeigenaren voor eigen profijt, risico en rekening aanvangt, met de hulp der landsopgezetenen, zonder zich van die hulp door het aangaan van vrijwillige overeenkomsten te verzekeren;
12e, het nemen van woekerrenten op de in geld of padi verstrekte voorschotten aan de bevolking;
13e, het eischen van verpakkingsmateriaal (gonnizakken) tegen minder betaling dan door de opgezetenen vaak werd uitgegeven om dat onwettig geëischte materiaal in hun bezit te krijgen;
14e, het meten en wegen met valsche maten en gewichten bij de ontvangst der heffing-contingenten padi of rijst, ten nadeele van de opgezetenen;
15e, bedrog bij de ontvangst der sub. 14e bedoelde contingenten door verzwaring der, later geijkte, gewichten, dan wel door moedwillige onjuiste weging, ten nadeele der opgezetenen;
16e, contractbreuk ten nadeele der bevolking door moedwillige overschrijding van de bevoegdheden, den eigenaren bij de vrijwillige overeenkomsten toegekend;
17e, opzettelijke misleiding van een door de regeering uitgezonden ambtenaar, wien opgedragen was een onderzoek in te stellen naar de toestanden op de particuliere landerijen;
alle welke feiten, herhaaldelijk of doorloopend gepleegd, daarstellen de misdrijven: kwade trouw, afpersing, diefstal, knevelarij en misbruik van gezag, strafbaar gesteld bij de ongeschreven wetten van het rechtsgevoel;
onder aanteekening dat als zeer verzwarende omstandigheden moeten worden aangemerkt de bewustheid van het plegen dier misdrijven, blijkende deze immers uit de erkenningen en uit de op de landerijen aangehouden boeken, registers en statistieken.
Wij hebben gesproken, belangeloos, zonder mandaat van, niet gekend zelfs door de duizenden daarginds, die nog steeds wachten op recht.
Die lieden, uitgezogen, gekneveld, bedrogen, bestolen, mishandeld, vragen geen gunst, noch ook eischen zij vergelding voor hun pijnigers, al hebben zij tot eischen recht.
Zij hopen slechts dat in den vervolge niet méér van hen gevorderd worde, dan waartoe zij verplicht zijn.
Zij eischen niets, zij hopen en verzoeken ...
De geestkracht, noodig om, bij bewustzijn van hun recht, ook te dwingen tot erkenning van dat recht ontvliedt den menschen, als de honger hun lichaam pijnigt.
Lang reeds is dus de geestkracht van de bevolking daar ginds, honderd en vijftig duizend zielen, gevloden.
Die honderd en vijftig duizend zielen doen jaar op jaar, en jaar op jaar te vergeefs, een beroep op het plichtsgevoel der ambtenaren.
Hoe hebben de ambtenaren verantwoord, den smaad op hen als dienaren der Nederlandsch-Indische regeering geworpen, door ons, die streden met open vizier, ongestraft te hebben gelaten?
Zij zwegen, en met hen de eigenaar ...
Aan onze rechters van morgen de taak hen te dwingen tot spreken ter verdediging, hen te gelasten verantwoording te geven van hetgeen zij gedaan hebben met de bevolking, die hun werd toevertrouwd, die recht heeft op den grond, welken zij bebouwt en vruchtdragend maakt, en die in goede tijden het recht mist van elk levend schepsel: dat van verzadigd te zijn ...
Moeten de feiten voor hen antwoorden, wanneer de tijd daar is, dat de bajonet op de geweerloopen gezet wordt om de "rust" te herstellen?
Opgejaagd, zonder verblijf, verdierlijkt door de ellende, verzwakt naar het lichaam door gebrek, gedemoraliseerd naar den geest, gekweld door zelfverwijt, had Siman rondgezworven. Zijn geld was hij kwijt. Op zijn beurt had men hem bestolen; familieleden van Kario hadden hem hardnekkig vervolgd; hij was uitgeweken, en weergekeerd, wijl hij te zeer verlaagd was door gebrek, te zeer verstompt door opium, om zich een nieuw bestaan te scheppen ginds. Zijn lichaam was uitgeput, voedsel had hij in dagen niet genuttigd; de onmogelijkheid om opium in handen te krijgen had hem een soort dilirium bezorgd; koortsen sloopten zijn gestel ...
Hij had zich voortgesleept naar den boschrand, daar was hij neergezegen, krachteloos, stervend ...
Daar hongerde hij dood.
De slechte gevolgen van den hongersnood werden voor de eigenaren eenigszins goedgemaakt: de rijstprijzen stegen.
Tegen den redacteur van het blad, waarin de felle beschuldiging tegen de eigenaars had gestaan, werd, op hun aanklacht, een strafgeding aanhangig gemaakt. Hij had niets mogen bewijzen en werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens "laster" ...
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] kaoengstrootje, sigaret gerold van zeker soort blad.
[2] desa, dorp.
[3] lebaran, einde der vasten, tevens begin van 't nieuwe jaar der Mohamedanen, dat steeds feestelijk gevierd wordt.
[4] kotta, stad.
[5] tjilaka, ongeluk.
[6] goeroe, godsdienstleeraar.
[7] botja angon, kleine veehoeder.
[8] legi, naam van een der 5 dagen van de Mohamedaansche week.
[9] bahoe, oppervlaktemaat.
[10] njai, huishoudster.
[11] assistènan, huis van den assistent-resident.
[12] patjol, spade.
[13] padi, 't Indische koren.
[14] pending, metalen buikband.
[15] giwangs, oorknoppen.
[16] toessoek kondé, haarspeld.
[17] padjeg, belasting.
[18] wedana, Javaansch bestuursambtenaar, tevens belast met politiezaken.
[19] sawah, rijstveld.
[20] walang sangit, hama mentek, insecten, die schade aanrichten in 't te velde staand gewas.
[21] menir, inferieurste kwaliteit rijst door gebroken korrel.
[22] poesaka, erfstuk.
[23] djimat, talisman.
[24] soeling, fluit.
[25] kawedanan, woning van den wedana.
[26] kambodja, boomsoort, die bijna uitsluitend op Javaansche kerkhoven geplant wordt.
[27] djoeroetoelis, schrijver.
[28] emper, afdak.
[29] kadjang, wand van gevlochten bamboe of van gedroogde palmbladeren.
[30] sambal djeroek, toespijs van Spaansche peper en citroen.
[31] sajoer, sausje.