Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 24
[32] reboeng, bamboespruit, als ze pas boven den grond uitkomt en nog eetbaar is.
[33] tikar, mat.
[34] tegalan, veld, weide.
[35] merang, stoppels van de padi.
[36] galangan, berm.
[37] arit, sikkelvormig grasmes.
[38] bandjir, overstrooming.
[39] kandjeng regent, Z.E. de regent. Kandjeng is 'n titel voor hoogwaardigheidsbekleeders en staat gelijk met excellentie.
[40] toean besar, groote heer; in dit geval: de administrateur.
[41] toean ziender, opzichter.
[42] oentoeng, geluk, zegen.
[43] kwassa, macht.
[44] oedjan'mas, gouden regen ('n Javaansch lied).
[45] panajagan, gamelanslager, bespeler van 't Javaansche muziekinstrument, de gamelan.
[46] ketoek, kromong, kempoel, ronde koperen bekkens van verschillende grootte.
[47] kendang, trom.
[48] rebab, viool.
[49] bendeh, plat koperen bekken.
[50] go-ong, gong, koperen muziekinstrument.
[51] sarons, metalen staven, op koorden over 'n houten bak gespannen en waarop met 'n hamer gespeeld wordt.
[52] lagoe blenderan, wijs die gespeeld wordt bij aankomst van hooge gasten.
[53] giroh, krijgsmarsch.
[54] koewoe, dorpshoofd.
[55] pendopo, open galerij.
[56] demang, ondergeschikt Javaansch politiebeambte.
[57] tandakken, dansen.
[58] boré, geele verfstof, waarmee Javaansche mannen en vrouwen zich bij feestelijke gelegenheden wel plegen te blanketten.
[59] kondé, haarwrong.
[60] gendi, aarden waterkruik.
[61] paso, aarden kom.
[62] tjobek, aarden bord.
[63] tempajan, martavaan, aarden watervat.
[64] slametan, feestmaal.
[65] oentoeng, geluk, zegen.
[66] printah, last; hier: bevelschrift.
[67] prang Atjeh, oorlog in Atjeh.
[68] pedatti, kar.
[69] boenkoesans, bundel.
[70] parang, hakbijl.
[71] golok, kapmes.
[72] penghoeloe, Mohamedaansche priester.
[73] setoe, stroompje, vijver, poel.
[74] atap, dakbedekking van kokosbladeren.
[75] sasaks, wanden van gevlochten bamboe.
[76] baleh, bank, bed.
[77] klamboe, gordijn.
[78] tjoeké, belasting aan den grondeigenaar, bestaande in 'n deel van den oogst.
[79] padjeg, belasting.
[80] galangan, berm.
[81] picol, 60 K.G.
[82] kwee-kwee, gebak.
[83] traté, waterplant, waarvan de bladeren gebruikt worden om koopwaar in te pakken.
[84] palawidja, tweede gewas, het gewas dat na afloop van den rijstoogst op de velden verbouwd wordt.
[85] boedjang, ondergeschikte.
[86] petah, stuk sawahgrond.
[87] doekoen, vroedvrouw.
[88] pidjitten, masseeren.
[89] menjan, wierook.
[90] panèn, oogsttijd.
[91] rameh, vroolijkheid.
[92] kattie, 't honderdste gedeelte van 1 picol.
[93] Mas, titel, die ieder beschaafde Javaan, welke 'n gouvernementsbetrekking bekleedt, met toestemming van 't hoogste bestuurshoofd, voeren mag.
[94] koelit langsep duidt 'n kleur aan overeenkomende met die van de schil van de langsep (Jav. vrucht).
[95] tjemara, hier: valsche haarvlecht.
[96] radènajoe, Javaansche vrouw van adellijke geboorte.
[97] kétèh, aap.
[98] kandjeng gouvernement, 't Gouvernement. 't Woord "kandjeng" ervoor duidt eerbied aan.
[99] blanda's, Hollanders.
[100] tjodot, vleermuis.
[101] seneng, rustig, naar den zin.
[102] kang, oudere broer.
[103] doekoen, Javaansch dokter, ook wel: vroedvrouw.
[104] rantja, moerassig terrein, met hoog gras en klein struikgewas begroeid.
[105] hama oeret en hama poetik zijn insecten, die schadelijk zijn voor het gewas.
[106] Pjoe! uitroep van minachting.
[107] slendang, katoenen of zijden sjerp, die Javaansche vrouwen over den schouder dragen als zij uitgaan.
[108] katjang, boonen.
[109] rawah, moeras.
[110] rantja, als voren.
[111] obat, medicijn.
[112] ikan gaboes, 'n soort visch.
[113] sedekah, feestmaal.
[114] nasi koening, gele rijst.
[115] sambalans, gekruide toespijzen bij de rijst.
[116] wadjik, 'n Javaansche taart.
[117] assamkoekjes, tamarindekoekjes.
[118] adat, gebruik, gewoonte, zede.
[119] ikan sepat, 'n soort visch.
[120] sajor lodé, 'n sausje, toespijs bij de rijst.
[121] soendoeng, 'n korf of haak van bamboe, waarin gras of ander veevoeder geklemd wordt.
[122] anak sawah, letterlijk: kind van 't veld; kind, dat op 't veld geboren werd.
[123] tani, landbouwer.
[124] gendi, aarden waterkruik.
[125] Bapah-moe 'ntenni, je vader wacht je.
[126] Loh, uitroep van verbazing.
[127] Slamat, gelukgewenscht.
[128] Oentoeng temen, groot geluk.
[129] palita, olielampje.
[130] bilik, gevlochten bamboe.
[131] besaran, administrateurswoning.
[132] Halo, Soerja, toean besar doeloe, Hallo, Soerja, eerst de administrateur.
[133] jongos, anggoer, bawah anggoer, jongen, breng wijn.
[134] bendy, tweewielig rijtuig.
[135] tani's, boeren, landbouwers.
[136] akals, listen, streken.
[137] gé-gé, of G. G., Gouverneur-Generaal.
[138] hormatcirculaires, bedoeld worden de circulaires over de afschaffing van eerbetoon van de Javanen aan de overheidspersonen.--hormat, eerbetoon.
[139] soedah is 'n woord dat moeielijk in 't Hollandsch is over te zetten. 't Kan beteekenen: "laat maar blijven" of "ik wil er niet meer van hooren" of "genoeg daarover".
[140] ge"rold", voor de politierol gebracht.
[141] ringgit, rijksdaalder.
[142] stali, 'n kwartje.
[143] loemboeng, rijstschuur.
[144] gobang, halve stuiver.
[145] djakat, belasting aan de geestelijkheid.
[146] mandiën, 'n bad nemen.
[147] pasang lampoe, steek de lamp aan.
[148] zienderan, huis van den "ziender" (opzichter).
[149] warong, Javaansch kruidenierswinkeltje.
[150] tjilepoek, 'n uil, die volgens 't Javaansche bijgeloof onheil voorspelt.
[151] tjilaka, ongeluk.
[152] loerah, dessahoofd.
[153] katjang, boonen.
[154] ketan, ook 'n graansoort, wat vetter en machtiger dan rijst.
[155] karangs, brokken koraalsteen.
[156] djagong of djagoeng, maïs.
[157] kalong, vliegende hond.
[158] tjodot, vleermuis.
[159] pantoen, volkswijze, melodie.
[160] ilmoe, kennis, kunde, gave.
[161] kafirs, ongeloovigen.
[162] ramih, vezelplant.
[163] pesoeratan, de man, die de brieven van de onderneming naar 't naaste postkantoor brengt en omgekeerd.
[164] orang tani, landbouwers.
[165] bamboe petoeng, zeker soort bamboe.
[166] kedelé, ook een soort boon, evenals de katjang.
[167] ketella rambat, knolplant, die zich over den grond uitbreidt.
[168] gadoe of gadoeng, knolgewas, dat veel in de bosschen groeit en in tijd van hongersnood de bevolking tot voedsel dient.
[169] dokters djawa, Javaansche geneesheeren.
[170] nènèh, hier: oud besje; soms: grootmoeder.
[171] toekang, arbeider, werkman.
[172] boedjang, bediende, knecht.
[173] perkara, zaak.
[174] perloe, urgent, dringend, van belang.
[175] orang Selam, mohamedaan.
[176] rampok, roofpartij.
[177] gekampakt, afgeleid van 't woord kampak (bijl), beteekent met 'n bijl neerslaan.
[178] prentah kasar, strenge order, last, bevel.
[179] roesoe, wanordelijkheden.
[180] procureur bamboe, is iemand die niet gestudeerd heeft, maar zich genoeg op de hoogte gesteld heeft van 't recht om den minderen man van raad te dienen, ten einde er zijn eigen voordeel mee te doen, ja, zelfs met dit doel de bevolking wijst op rechten, die zij kan doen gelden.
[181] trang, klaar, helder, duidelijk.
[182] garok, heerendienst.
[183] Astaga is 'n uitroep.
[184] roegi, verlies.
[185] djaksa, Javaansch politiehoofd.
[186] Noon inggeh, kandjeng, Ja, heer. (Hoog Javaansch).
[187] sobat, vriend.
[188] garok ketjil, kleine heerendienst.
[189] 'Mboh, zoo spreekt de Javaan 'n oudere vrouw aan. 't Woord beteekent feitelijk: tante.
[190] tlèdèk, danseres.
[191] koekoesan, peperhuisvormige mand, waarin de rijst gestoomd wordt.
[192] dandang, pot van aarde of metaal, waarin de koekoesan past en waarin 't water kookt, dat voor 't stoomen van de rijst noodig is.
[193] gobang, halve stuiver.
[194] oedit, buikband.
[195] gebedakt, geblanket.
[196] koetang, onderlijfje.
[197] dagang, koopman.
[198] kassian, uitroep van medelijden.
[199] Toelong ... amok, Help ... moord.
[200] doro, meester.
[201] Koerang priksa, doro. "Ik weet 't niet meester." Letterlijk: "Ik heb 't niet onderzocht," wat in 't Maleisch beleefder gezegd is dan: "Ik weet 't niet."
[202] aloon-aloon, groot plein, waarop meestal de regentswoning uitziet.
[203] anaks, kinderen, in dit geval: jonge pisangboompjes, die om de moederplant heen uit den grond opschieten.
[204] lawoe of laboe, klimplant, waaraan eetbare vruchten komen.
[205] Pasoendan, naam van een landstreek; 't woord heeft 'n meervoudig begrip.
[206] talang, waterleiding.
[207] prentah aloes, zacht bevel.
[208] in silo-houding, in zittende houding, de beenen onder 't lichaam gekruist.
[209] 'n doro of doro, afkorting van bendoro, meester.
[210] siraman, gieter.
[211] wong tani of orang tani, landbouwers.
[212] bapa, bij verkorting: pah, vader.
[213] datjin, unster.
[214] gantang, inhoudsmaat, waarvan er 10 in 'n picol gaan.
[215] toetoepen, in de doofpot stoppen.
[216] kojang, feitelijk 'n gewichtsmaat, ofschoon men toch spreekt van 'n prauw met 'n inhoud van 10 of 20 kojangs.
[217] ketan, 'n graansoort, die veel overeenkomst heeft met rijst, en ook wel "kleefrijst" genoemd wordt.
[218] padi-tjiré, minderwaardige rijstsoort.
[219] boaja, (letterlijk: krokodil), leeglooper.
[220] lindoeng, aal.--si is 'n voorvoegsel.
[221] tempo doeloe, de oude tijd.
[222] pasangans, beteekent hetzelfde als ophitsing.
[223] Soedah matti, al dood.
[224] Ambil itoe portefeuille itam di atas medja toelis, Haal de zwarte portefeuille op de schrijftafel.
[225] badoet, clown.
[226] klambi, lijfje, baadje.
[227] koetang, onderlijfje.
[228] adoe, uitroep van pijn.
[229] madat, opium.
[230] ada, in dit geval: hier is 't, ik heb 't.
[231] koempoelan, verzameling.
[232] boepati, regent.
[233] barang, goed, bezittingen, eigendommen.
[234] lempoeng, klei.
[235] bajem, eetbare plant, overeenkomend met spinazie.
[236] sembah, groet, waarbij de Javaan de beide handen met de palmen tegen elkaar naar 't gezicht brengt.
[237] boeboer, pap.
[238] pagger, haag; ook wel: omheining van bamboe.
[239] spen, huisknecht.
[240] Siapa? Wie is daar?
[241] Siapa kowee? Wie ben je?
[242] Dari mana, maoe apa? Waar kom je vandaan, wat wil je?
[243] Dari Gatok. Ik kom van Gatok.
[244] ketrangans, ophelderingen, bewijzen.
[245] titiran, instrument van bamboe, waarmee men, door er op 'n bepaalde manier op te slaan, in de desa bekend maakt, dat er 'n moord gepleegd is en de moordenaar nog niet gevonden is, de desabewoners uitnoodigende, naar hem te helpen zoeken. Ook andere signalen worden op de titiran geslagen, b. v. "brand" en "verzamelen."