Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 22
Zoo kwam hij bij Satima. De slet hield op haar manier van den jongen, en nadat ze genoeg op hem gescholden had om het ontvreemden van haar pending en sarong, was de vrede hersteld. Satima had bovendien een bijzondere reden om Siman nu niet te boudeeren: zij had hem noodig om haar wraak te koelen op ... Kario. En de gelegenheid was zelden gunstiger geweest dan juist nu. Satima had hem gezien, Kario, hier te Herea, niet later dan gisteren. Als Siman nu wilde, de kans was zoo mooi .... Kario was teruggekomen, omdat hij op Telatiga geen werk kon vinden en honger leed, hier had hij vermogende familie ...
Maar Siman, hoewel een oogenblik geprikkeld door den dorst naar wraak, verviel weer in zijn indolentie.
"Ik heb ook honger ..."
"Je hebt net al wat ik nog had opgevreten."
"Het was nauwelijks genoeg."
"Vreetzak! Ben jij een man?--Bah! Denk om je eed ..."
"Eed, wat voor eed...?"
"Je hebt gezworen dat je hem zoudt dooden ..."
"Vroeger, nou ja, nu heb ik honger,--vandaag of morgen ga ik zelf dood. Waarvoor zou ik hem opzoeken; als ik hem nou ineens zie, dat is nog wat anders ..."
"Je bent een lafaard geworden, een spion ..."
"Scheld maar, hoor, scheld maar."
"Van mij heb je gevreten, al dien tijd--je pens is er rond van geweest; opium schuif je. Dat kun je, maar als het er op aan komt, hè, dan ben je een beroerling, een ... een ..." Satima stikte in haar woorden. Maar het had geen uitwerking op Siman. Het leed had hem verstompt, niet verbitterd, ten slotte. De zucht naar opium, naar geld, om geen honger meer te hebben, nooit meer, was nu sterker dan het wraak-gevoel ....
"Jij bent nooit in een gevangenis geweest, Satima."
"Het zou me niets kunnen schelen. Als ik een man was, dan zou ik hem dooden ..."
"Doe het maar!"
"Als jij niet durft, dan doe ik het."
Siman zweeg.
"Ik zal hem opzoeken, hem van nacht hier brengen ... net als dien eenen avond, toen jij kwam ...."
"Dat lukt je nou niet meer; je vel is gerimpeld van het opium, je vleesch is hard."
"Smeerlap, jij wil dat vleesch nog wel, hè?"
"Nou, probeer 't met hem."
"Bah, wat ben jij een ellendeling!--'t Kan je niks schelen hè, dat hij met me slaapt ..."
"Wel nee, hij zou de eerste niet zijn ..."
"Net zoo min als bij Djiah!"
Toornig keek Siman haar aan. Eindelijk, dacht Satima, eindelijk heb ik hem. Maar ze vergiste zich. Siman deed niets, verzonk in gedachten. En even later, het was al donker, verliet hij de woning.
Hij slenterde de desa door, doelloos. Kon hij nu maar opium krijgen, om de martelende gedachten te verdrijven, die Satima weer bij hem opgewekt had! De oude wonden deden hem weer pijn. Hij liep te mijmeren: Rekso zou zijn moedertje wel mededeelen, dat de verstoorder van hun geluk, de schender van haar eer, de veroorzaker van haar dood, nog steeds in leven was ...
Opeens ving Siman eenige woorden op, toen hij langs een troepje jonge lieden ging. Het was Prawira, die gesproken had: "Ja, ik heb daarnet vijfhonderd gulden gebracht aan den ziender, ... te weten dat de lui crepeeren van honger ..."
Siman was haastig doorgeloopen. Hij schaamde zich voor Prawira, nu hij een spion was, een vijand van het volk. Maar de woorden klonken hem na in de ooren: vijfhonderd gulden, vijfhonderd. Welk een som! Als hij die had ... als hij ze weghalen kon ... die stukken zilver ... Was het zilver? ... Papier, misschien ... Dat was nog gemakkelijker ...
Hij slenterde door; de gedachte liet hem niet met rust: vijfhonderd gulden ...
In de verte zag hij het licht der opzichterswoning. Hij ging er heen, kijken; hurkte naast de pagger [238], aan den weg. Van Affelen lag op een luierstoel in het kleine voorgalerijtje te lezen. Een bittertje stond naast hem. Hij rookte.
Het begon te regenen, met fijne straaltjes. Siman voelde het niet dadelijk, zoo verdiept was hij in de beschouwing van Van Affelen. In de nevenkamer had hij door het raam een ledikant gezien: de slaapkamer. Dus daar zou hij het geld wel geborgen hebben: vijfhonderd gulden ...
Het was de krankzinnige zucht van den aan opium verslaafde, die hem opdreef langs het erf met haastigen tred. Achter de bijgebouwen poosde hij, zich schuttend voor den zachten regen onder het afdak. Van hier uit verkende hij den omtrek. Het was stil; eenige krekels piepten. In het door de bamboe-omwanding schijnend licht van het vuur in de keuken zag hij een vrouw bezig. Hij gluurde door een reet: de keukenmeid schepte eten op eenige schalen, die de huisjongen had gebracht. Zij praatten samen, de spen [239] en de keukenmeid ... Siman zag de dampende aardappelen, het malsche vleesch ... hij voelde dubbel zijn honger ...
Zich nauw rekenschap gevend van wat hij deed, sloop Siman naar de achtergalerij. De spen kwam uit de keuken--een hevige schrik beving den indringer. Door een deur op zij drong hij snel de slaapkamer in, onder het bed ... Het duurde lang voor zijn bonzend hart tot rust kwam. Hij kromp van schrik ineen toen Van Affelen in de kamer kwam. Hij zag den blanke plaats nemen aan de tafel. De maaltijd duurde niet lang. De jongen ruimde het servies af, blies de lamp uit. Van Affelen ging weer vòòr zitten lezen; de regen, die een oogenblik hard had doorgezet, siepelde na.--Al die kleine bijzonderheden nam Siman met martelende nauwkeurigheid waar. Zou hij niet heengaan, langs den weg, dien hij gekomen was? ... Hij durfde zich niet verroeren ... Van Affelen kwam weer in de achtergalerij, vloekte omdat hij in het donker tegen een stoel stiet; toen hoorde Siman den sleutel van de achterdeur in het slot knarsen.--Nu kon hij niet meer weg ... Hij wachtte een uur en langer. Van Affelen zat nog steeds te lezen, lui liggend in den langen rottan-stoel.
Plotseling keek hij op. Onhoorbaar was een ineengedoken gedaante tot bij de stoep genaderd, waar zij neerhurkte buiten den lichtkring. Van Affelen legde het boek op de tafel, richtte zich op, keek scherper: het was een vrouw.
"Siapa? [240]" vroeg hij zacht. Een avontuur?
De hurkende gedaante antwoordde niet.
Van Affelen stond op, naderde de vrouw. Ze was doornat en huiverde van koude. Haar gelaat, omlaag gebogen, werd overschaduwd door een doek, dien zij over het hoofd geslagen had.
"Siapa kowee? [241]" fluisterde Van Affelen, zich bukkend, met nauw bedwongen opgewondenheid.
"Mariam", klonk het gefluisterd terug.
Van Affelen herinnerde zich den naam niet.
"Dari mana, maoe apa [242]?"
"Dari Gatok [243] ..."
Gatok! Een intense vreugde doortrilde den blanke. Vol verwachting herhaalde hij zijn vraag:
"Wat wil je?"
Mariam zweeg. Het wàs Mariam. Gevlucht van huis, toen Pah Ran verdwenen was, weggegaan in stilte; niemand wist waarheen. Hij had de drie meisjes achtergelaten, prijsgegeven aan ellende, gebrek en honger. Alles was verteerd. Toen had Pah Roesmi zich ontfermd over Ipah, die zijn bruid had kunnen zijn, als de tijden beter waren geweest. Maar Pah Roesmi was zelf niet rijk en het was hem onmogelijk om alle drie de meisjes te onderhouden. Djirah had een onderkomen gevonden bij een rijken gebuur, wiens vrouw ziekelijk was. En Mariam was weggevlucht van Gatok, dat haar te benauwd werd. Een groote angst voor hongerlijden had haar voortgedreven. Waarheen, bedacht ze eerst onderweg. Van Affelen zou haar wel helpen en wel bewust was ze zich, tegen welken prijs ... Maar beter huishoudster bij een blanke, en een weelderig bestaan, dan ellendig omkomen van den honger, zonder schande ...
"Wat wil je hier?"
Van Affelen had haar aangeraakt, het hoofd omhoog getild. Droeve, maar nog vurige oogen blonken hem tegen. Hij moest zich bedwingen ...
"Ik heb honger ... ik ben bang ... help mij ..."
"Kom binnen," hijgde de jonge man.
Maar Mariam aarzelde, keek naar de lamp.
Van Affelen begreep haar beschroomdheid, draaide de lamp heel laag; zij dreigde uit te gaan. Toen nam hij haar bij de hand, trok haar de kamer in, sloot de deur. Mariam was in een hoek neergehurkt, het gezicht in de handen verborgen.
Van Affelen richtte haar op, wilde haar ontdoen van het natte goed. Mariam verzette zich met de laatste kracht van maagdelijke kuischheid.
"Eerst geld, ... je hebt het beloofd ... eerst geld, ik moet eten ... ik heb honger ... ik kom terug ..." Ze hijgde benauwd.
Van Affelen moest wel toegeven. Met koortsachtige haast opende hij de geldkist, op het gemetselde muurtje vastgeschroefd, nam een bankje uit een trommeltje, een groen papiertje van tien gulden. Mariam greep het aan, hield het krampachtig in de vuist en wilde heengaan. Van Affelen hield haar tegen, sloeg de armen om haar heen, kuste haar op het klamme gezichtje ...
"Neen ... neen; ik kom terug ... ik wil eerst eten ..."
Maar Van Affelen wilde haar niet laten gaan; ze zou niet terugkomen, vreesde hij.
"Je kunt hier eten,--kom mee ..."
En hij nam haar bij de hand, bleef haar vasthouden, als vreesde hij dat ze plotseling zou verdwijnen. Hij opende de dispenskast: "Daar, eet zooveel je wilt."
Hij zette de borden op de tafel, vleesch, rijst.
Mariam at, de hand in den rijstbak stekend, leunende tegen den wand. Van Affelen had het nachtlampje op de tafel gezet, beschouwde in het zwakke licht het meisje; hij kon zich nauwelijks meer bedwingen; van ongeduld brandend, vatte hij haar aan, kuste haar, nog eens, nog eens ... ze at door, gulzig smakkend ... Maar hij trok haar mee, scheurde haar half de kleeren van het lijf, in wilden hartstocht ...
Zij worstelde tegen, heel zwak; ze had 't immers gewild?
"Mag ik ... bij je blijven ... als huishoudster? ik ben zoo bang."
Van Affelen beloofde alles ...
Siman was gedwongen getuige geweest van het geheele tooneel. Toen hij zijn zuster de kamer zag binnenkomen, was plotseling de lust in hem opgekomen, zich te vertoonen, Mariam te redden van haar lot. Maar hij reageerde niet meer op impulsen. Zijn geestkracht was lang reeds weg. De doorgestane ellende had alle gevoel van waardigheid, van ridderlijkheid in hem gedood. De dorst naar het geld, door de betrekkelijke veiligheid weer ontwaakt, en door het opengebleven geldkistje--dat hem den weg zou ontsluiten naar het opium, slaaf die hij was van dit verfoeilijk genotmiddel--was sterker prikkel voor zijn bijna verdierlijkt gemoed, dan de schande, getuige te zijn van de schending zijner zuster. Zoo diep gezonken was hij, dat hij met ongeduld wachtte op het oogenblik dat Van Affelen en Mariam, uitgeput, in elkanders armen zouden inslapen. Het geldkastje stond nog steeds open ...
Maar uren gingen heen, voordat het rustig werd in het vertrek. Het was lang na middernacht. Nog wachtte Siman een lange poos, voor hij zijn schuilplaats verliet. Hij kroop naar de deur, draaide geruischloos den sleutel om. Dan ging hij terug naar de geldkist. Ook het trommeltje stond nog open; er lag papier en wat zilver in. Met haastige, bevende handen ledigde de dief het. Op de teenen verwijderde hij zich, zorgvuldig de deur achter zich dichtdrukkend. Onder het gaan trapte hij op Mariams natte kleederen. In het bed lag zijn zuster, naast van Affelen, zijn maîtresse ...
Weer vluchtte Siman weg van Herea. Steeds verder voerde hem zijn vlucht. Hij moest een grooten afstand hebben tusschen zich en Herea. Al maar naar het zuid-westen ging hij. Even voor het aanbreken van den dag eerst zette hij zich neer op een galangan, een donkere stip op het kale, grauwe land om zich heen. Hier telde hij den buit na: ruim vier honderd en zeventig gulden. Het was hem een genot al dat geld bijéén te zien. Nooit was hij zoo rijk geweest. Wat zou hij er mee doen? ...
Eerst opium, dan eten, veel en goed eten. Die gedachte dreef hem voort. Met het eerste morgenkrieken was hij in de desa Tjakoeng. Aan een stalletje, waar een oude vrouw voor eenige centen kleine pakjes dampende rijst verkocht, zette hij zich neer. Hij at er zich zat. Toch was de rijst weinig meer dan menier. Ze zag grauw van vuil. Siman lette er niet op, spoelde het voedsel door met troebel water, hem uit een gore gendie geschonken.
Maar nu stond hij voor een moeilijkheid. Opium wenschte hij. En de vrouw vertelde hem dat hier in Tjakoeng geen opium te krijgen was. In Gatok wel, bij Tio Ang Sioe. Maar dat vond Siman toch àl te gevaarlijk. Tio Ang Sioe had hij eens bestolen, nog onlangs, en vermoedelijk wist deze wel wie de dief was. Dan liever terug naar Herea. Dom toch ook van hem, weg te loopen. Wie zou nu vermoeden op hèm hebben? Hij had rustig in de desa moeten blijven, bij Satima. Zeker, dat was het beste. Hij kon er zijn geld in niets-doen verteren. Welaan ja, het was verreweg het beste! Ze zouden een gouden tijd hebben, hij en Satima. Ze was toch nog een verduiveld knappe deern, en als hij haar maar eerst in de kleeren had gezet, zou ze nog heel wat lijken. Later konden ze naar Tjilamatang gaan. Hier was het toch altijd misère.
Welgemoed ging hij weer op weg. Hij voelde zich een heel ander mensch, krachtig en opgewekt. Ja waarlijk, een deel van zijn geestkracht kwam terug. Nu, met een gevulde maag en een buidel vol geld is het ook zoo moeilijk niet de wereld van een zonniger zijde te bekijken!
Tegen den avond bereikte hij Herea. De desa was in rep en roer. Overal werd de inbraak in de woning van den opzichter besproken. Siman toonde zich zeer belangstellend en vernam dat de desa-politie, ook Van Affelen zelf, aan het zoeken was, naar een spoor om eenige ketrangans [244] te krijgen. Dien morgen eerst was de diefstal ontdekt. Van Affelen was laat ontwaakt, maar had dadelijk het verlies gemerkt, omdat hij gelden moest verstrekken aan den koewoe, die hem reeds buiten wachtte. Een spoor van den dief was evenwel nergens gevonden.
Siman kwam bij Satima met een rijke hoeveelheid opium. Hij gaf haar geld om goed eten te koopen. Satima keek verwonderd, maar vroeg niets.
Onderweg ontmoette zij weder--Kario.
De gewezen mandoer sprak haar aan, vroeg haar, waar zij nu woonde. Satima snauwde hem af, schold hem uit. Onder het huiswaarts keeren bedacht ze weer hoe Siman er toe te krijgen dien ellendeling uit den weg te ruimen. Die vrouw was onverzoenlijk.
"Ik heb weer dien smeerlap van een Kario ontmoet."
Het waren haar eerste woorden tot Siman, toen zij thuiskwam. Siman sprong op:
"Waar?" vroeg hij, driftig.
Satima keek hem verwonderd aan. Hoe was Siman nu in eens weer een en al belangstelling? Ze begreep het verband niet dat er bestaat tusschen een bevredigd fysiek en een sterken geest. Siman had geld, eten en opium in overvloed: een deel van zijn geestkracht was weergekeerd.
Satima vertelde.
Siman zeide niet veel en trok er op uit. Waarlijk vond hij al dra den gezochte. De aanblik van dat gehate gezicht wekte weder zijn wraaklust op, in al zijn felheid. Hij omklemde het gevest van zijn kris. Maar daar, op de passer, ging het niet. Dat zou roekeloos zijn. Hij wilde niet weer missen ditmaal. Hoe hem dus weg te krijgen ...?
Siman dacht na. Satima moest helpen.
Hij ging snel terug naar huis.
"Satima, ik heb hem, maar je moet helpen. Troon hem mee, buiten op de sawah bij het bruggetje.--Zeg, dat je daar woont ... ik zal er zijn."
Satima had er weinig lust in. Ze wilde niet betrokken worden in een perkara. Maar Siman was al weg. En dus deed ze, wat haar gevraagd was.
Kario was reeds huiswaarts gekeerd. Maar Satima liep hem achterop.
"Sst! Kario!"
Hij bleef staan. De slet drukte zich tegen hem aan.
"Je bent een domme man; daareven sprak je me aan, en mijn man was vlak bij me;--hij is zoo jaloersch, weet je--maar ga nu mee ..."
Kario liep in den val.
"Waarheen?"
"Niet naar huis. Mijn man is thuis; ga maar mee, 'mboh Inten woont buiten, over de brug.--Wat ben je lang weggeweest, vent, ik heb erg naar je verlangd ..."
"Zoo waarlijk?"
Kario voelde zich gevleid. Verliefd keuvelend voerde Satima hem, met popelend hart, verder. Ze waren de desa reeds uit. De nacht was donker. Satima speurde rond, ze zag Siman niet. Als hij zich bedacht had ...
Nu waren ze op het bruggetje. Geen Siman ...
Toch was hij er. Achter een groot steenblok lag hij goed verscholen. Nauw waren beiden over het bruggetje of met een sprong viel hij Kario van achteren aan.
De man uitte een rauwen kreet. Simans kris was hem door den hals diep in de longen gedrongen. Hij zakte inéén, zonder meer geluid te geven. Satima, verschrikt, vloog terug naar de desa.
Siman bukte zich over zijn slachtoffer, dat nog zwak ademde. Zou er nog leven in zijn, zou de man weer aan den dood ontkomen, om tegen hem te getuigen voor den rechter ...? Siman zocht kalm de plek uit van het hart. En langzaam dreef de moordenaar het staal in het lillende vleesch.
Djiah was gewroken.
Kario's hulpkreet was evenwel gehoord door de desapatrouille en Siman had den tijd tot vluchten verzuimd. Hij zag drie donkere gestalten naderen, sprong op en zette het op een loopen, de sawahs over. Onder luid geschreeuw snelde de patrouille hem na. In de desa sloeg de titiran [245]. Het volk stroomde uit. Het werd een klopjacht, die met Simans arrestatie eindigde.
Geboeid werd hij in grooten optocht naar den koewoe gebracht. Bittere gedachten bestormden den moordenaar. Hij zag weer den avond van den eersten aanslag op Kario. Ook toen had men hem geboeid, ook toen was het volk te hoop geloopen, ook toen was hij voor den koewoe gebracht. En de gevangenis was gevolgd, toen de veroordeeling en de zes maanden gevangenisstraf. Zou hem dat weer wachten? Nu de wraak gekoeld was, werd het vooruitzicht, opnieuw van zijn vrijheid beroofd te worden, hem een marteling.
Hij werd opgesloten in het tijdelijk arrestantenhuis. Van Affelen was naar Sikarang, op hem diende gewacht te worden, alvorens een beslissing genomen kon worden.
Een boedjang van den koewoe bracht hem rijst met wat water, waar hij niets aan had, wijl zijn handen hem op den rug gebonden waren. Toen de bewaker wilde weggaan, riep Siman hem toe: "Vraag den koewoe, of hij hier wil komen, ik heb belangrijke tijding, die zeer perloe is."
Hij had een idee. Had Sarpan, zijn lotgenoot in de gevangenis, niet gezegd: met geld doe je alles, kun je ze allemaal omkoopen? Als je maar geld hebt, krijg je geen tjilaka. Het was te beproeven. Hij was nu rijk en den koewoe kende hij van vroeger als weinig scrupuleus.
De koewoe kwam.
"Wat wil je?"
"Weet je, waarom ik Kario gedood heb?--Is hij dood?"
"Ja, je hebt goed geraakt."
"En waarom heb ik 't gedaan?"
"Och, zeker die oude perkara; dom van je! Djiah is dood. Die kon je niet meer helpen."
"Maar was het verkeerd, dat ik dien schurk doodde!"
"Natuurlijk, je hangt er voor."
"Dat is geen bewijs dat ik ongelijk had. Ik moest hem dooden: ik had 't gezworen."
"Is dat alles wat je te zeggen hebt?"
"Neen, Kang, luister eens. Je bent arm, dat weet ik; je hebt 'n groote familie, die op jouw kosten leeft ..."
"Ja, en ...?"
"Ik kan je rijk maken."
"Jij? Wou je mij tot erfgenaam benoemen?"
"Neen, ik wil je geld geven, nu dadelijk, veel geld, zooveel als je nooit bij elkaar gezien hebt."
"Hoeveel centen?"
"Tweehonderd gulden."
"Tweehonderd gulden?! Waar zou jij die vandaan halen? Zeg, denk je soms dat ik gek ben? Ik heb wel wat anders te doen dan naar jouw praatjes te luisteren, versta-je?"
De koewoe wilde heengaan.
"Blijf nog even; ik houd je heelemaal niet voor den gek. Ik spreek in vollen ernst.--Je bent toch niet bang voor me, is het wel? Je bent gewapend, ik niet, en vastgebonden.--Maak mijn linkerhand los, dan zal ik je hier op de plaats tweehonderd gulden uittellen ..."
De koewoe keek Siman aan. Zou hij het nu meenen of was hij opeens gek geworden? Siman zag de aarzeling. Er moest gebruik van gemaakt worden.
"Met tweehonderd gulden kun je een heelen lap sawah koopen. Dat maakt je tot den rijksten tani van het heele district."
"Hoe kom je aan dat geld?"
"Dat is mijn zaak."
"Gestolen heb je 't natuurlijk."
"Wat doet dat er toe. Neem je 't aan?"
"En wat moet ik daarvoor doen?"
"Mij vrijlaten?"
"Ben je gek! Ik werd immers dadelijk ontslagen!"
"Ja, als je je laat snappen, maar dat is niet noodig. Maak één hand van me los en laat de deur open; morgen zeg je dat ik uitgebroken ben. Jou kan het niets schelen of ik hang.--Ik heb je vaak geholpen, dat weet je. Het is een kleinigheid, die ik nou op mijn beurt van jou vraag ..."
"Wat je een kleinigheid noemt, als je blieft."
"Zeker, jij hebt er geen soesah van, alleen pleizier!"
"Maar ik geloof je niet, zie je. Zeg mij eerst hoe je aan dat geld komt."
"Och, dat kan ik ook wel. Ik heb eergisteren avond ingebroken bij den opzichter ..."
De koewoe keek Siman met groote oogen aan. Toen sloot hij langzaam de deur.
"Voor tweehonderd doe ik het niet."
"Bedenk dat ik weg moet van het land, ik heb reisgeld noodig."
"Je hebt een heele boel meer. Vierhonderd moet ik hebben en anders ga ik weg."
Siman overlegde. De liefde tot de vrijheid was te sterk.
"Goed."
De koewoe maakte zijn handen vrij. Siman knoopte zijn broek los. Op het lijf droeg hij een gordel, waarin hij het gestolen geld geborgen had. Hij telde de afkoopsom uit: veertig papiertjes van tien gulden.
De koewoe stak het geld in een binnenzakje van zijn jas.
"En als ik je nu niet vrij laat, en het geld houd?"
"Daar heb ik om gedacht. Het zou je niets geven. Want ik zou je aanbrengen bij den opzichter en den rechter. Maar bovendien--je hebt er geen voordeel bij."
Veel werd er tusschen beiden niet meer gesproken.
"Ga nu niet dadelijk weg. Over een uur bijv. Ik zal de waker laten inrukken," fluisterde de koewoe. Buiten deed hij als sloot hij de deur af, maar draaide den sleutel weer terug ook.
Het was voor Siman een gemakkelijke vlucht. Sarpan had gelijk gehad. Ze waren allen omkoopbaar. Met geld deed je alles.
Den volgenden morgen rapporteerde de koewoe dat de gevangene ontvlucht was. Hij toonde een verbroken slot; het was zijn schuld niet.
Van Affelen vloekte. Dat was al.
Nederman las met volle aandacht de memorie van De Leeuw inzake de heerendiensten. Herhaaldelijk schudde hij het hoofd en meer dan eens mompelde hij: "Verkeerd aangepakt, zoo gaat 't er zeker niet in."
Het schriftstuk is waard in zijn geheel te worden weergegeven. Het luidde aldus:
Motiveering van mijn meening dat de zeer zware heerendiensten onwettig worden geheven.
"Ter voldoening aan een verzoek van den administrateur van Alas Bamboe, den heer N. Nederman, zal ik hieronder,--ter motiveering van mijne tegenover hem uitgesproken meening dat de op dit land geheven heerendiensten te zwaar zijn en dus in strijd met den geest en de bepalingen van het reglement van 1836, bovendien onwettiglijk worden gevorderd--ongereserveerd mij uitspreken over de toestanden op Alas Bamboe, te specialen opzichte van de heerendiensten.
De betreffende artikelen systematisch volgende, stuit ik op de volgende, welhaast tot adat geworden, overtredingen van wettelijke bepalingen:
Er wordt vaak meer gevorderd van de opgezetenen dan een dag arbeid in de week, en ook wordt niet één dag van elke week gevorderd, daarentegen vaak een reeks opvolgende dagen, zes of zeven of meer, welke gevolgd heeten te worden door evenzoovele weken vrij-af. Aan dit laatste wordt echter niet de hand gehouden.
Er wordt geen voldoende voedsel verstrekt aan de heerendienstplichtigen.
Ook personen, die beneden of boven de leeftijdsgrenzen zijn, worden vaak genoodzaakt heerendienst te verrichten.
Het is wel eens gebeurd--niet in mijn afdeeling--dat zieken in tijden van gebrek aan werkkrachten tot het verrichten van heerendiensten werden gedwongen.
Het komen en gaan van de opgezetenen van en naar hun woonplaats wordt nooit onder den arbeidsduur gerekend.
Nooit wordt twee cents per paal boven de vijf paal afstands tusschen werk- en woonplaats te goed gedaan.
De heerendienstplichtige moet zijn arbeid ook geven aan ondernemingen, voor uitsluitend profijt van den landeigenaar aangevangen.
Overeenkomsten te dezen aanzien worden niet gesloten.