Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 21
"Als die dan al rijp is! En dan, ik ken de palawidja-oogsten van Alas Bamboe. Dat geeft per hoofd geen week eten. Buiten denkt men wel dat die palawidja een inkomst van beteekenis is voor de lui, maar wij weten dat palawidja hier en daar op kleine schaal, en elders heelemaal niet verbouwd wordt. Wij houden er geen aanteekening van, omdat er niets van geheven wordt. En het loopt denzelfden kant uit, mijnheer Nederman, als het vorig jaar, en het jaar daarvoor, alleen nu een beetje erger. Dan krijgen wij weer onze "zware tijden," dat de bevolking zich voeden moet met klapperbast, boombladeren en pisangstammen om het gevoel van honger weg te nemen, zooals meer dan eens gerapporteerd is geworden."
"Maar meen je nou werkelijk, dat het verkeerd gaat?"
"Beslist, mijnheer Nederman! Met goeden wil en opofferingen is nog veel leed te verzachten, maar te redden is dunkt mij de positie niet meer. Trouwens, dat ligt niet in onze macht."
"Dus jij meent dat de bevolking reden had, om voortaan alleen tjoeké-padi op te brengen?"
"Natuurlijk had zij daarin gelijk, mijnheer Nederman. Alleen geloof ik dat u een andere oorzaak aanneemt dan ik. U gelooft waarschijnlijk dat de slechte vooruitzichten de menschen er toe gebracht hebben ..."
"Ja zeker, enne de ... hoe zal ik het zeggen ..."
"Juist, mijnheer, dat is de reden, de onwettige, veel te zware heffing. Komaan, wij weten allemaal wel dat er meer, veel meer gevraagd wordt dan een vijfde. En vroeg of laat, met of zonder misoogst en hongersnood, moest de bevolking tot het besef komen dat ze bedrogen werd ..."
"Jongens, De Leeuw, je moet met die dingen niet te koop loopen, man. Dat zou heel gevaarlijk zijn voor je carrière."
"Ah bah, carrière? Daar denk ik op zulke oogenblikken natuurlijk niet aan.--Maar ziet u, daarom heb ik uitgerekend, dat we met goed fatsoen niet meer mogen vragen dan 28 kattie per picol natte padi."
"Ja, de berekening is goed. Daar ontbreekt niets aan. Maar de toepassing is eenvoudig onmogelijk."
"Dat is wel jammer, want ik weet heel zeker dat het zou inslaan bij het volk. Gevoel voor billijkheid heeft het in hooge mate. En wat wilt u dan doen om ze tegemoet te komen in den nood?"
"Ja, dat ìs het juist: Wat moeten we doen?"
Het gesprek stokte.
"Je hebt gesproken over het herstellen van irrigatiewerken in betaalden dienst. Welke irrigatiewerken bedoel je?"
"Nou, kijkt u eens. Men zou er eindelijk toe kunnen overgaan om den dam bij Koeripan te leggen."
"Daar noem je zoo iets. Je weet dat het voorstel geketst is; om de kosten. De begrooting sloot met ruim een ton."
"Nou dan het plan-Haver, berekend voor de irrigatie van in totaal 9.000 bouws in de districten buiten Goenoeng Lawang."
"Ruim twee ton."
"Nou ja, die dingen kosten natuurlijk geld, maar ze werpen dan toch rente af ook. Hoeveel zou het ook weer zijn? 6 1/3 procent, geloof ik. Toch wel een aardige rente voor productieve werken, dunkt mij. Maar natuurlijk is dit plan ook al verworpen. Ook zonder irrigatie zijn de inkomsten ruim. Ja, hè? als wij eens Amerikanen waren! Hoe heette het ook weer in den brief van de Bank? "Meer en meer wordt bij eigenaren het besef levendig, dat welvaart en toename van bevolking nummer één zijn ... punt van voortdurende zorg ... desnoods alle jaren wat opofferen ..." Ja, ja het is mooi: meer en meer, voortdurend, desnoods. Le style c'est l'homme. Met recht."
"Ja, ik geloof niet dat we met die irrigatiewerken ver komen. Er zijn nog andere werken, maar allemaal hebben ze al even weinig kans op uitvoering."
"In spijt van de winsten: in 1899 190 mille, toen 210 mille; ja er zijn jaren geweest van twee en een halve ton, van ruim drie ton zelfs; dat was in 1897."
"Ja, ja, ja,--maar staat tegenover dat er in 1901 maar 16, in 1902 maar 60 mille zijn gemaakt."
"Wel een bewijs van de ellende, die er geheerscht heeft. En dit jaar wordt het nog slimmer.--Ja hé, als we dan nagaan twintig en dertig jaren geleden, met de rijstprijzen van f 300 tot f 315 de kojang. We halen tegenwoordig nauwelijks f 200. En contrôle was er toen heelemaal niet."
"Dat wil zeggen--de vrijwillige overeenkomsten moeten dan toch door den assistent-resident geregistreerd worden ..."
"Dat moest, zeker, maar het gebeurde niet. Sedert 1836 zijn er vijf en zestig jaren voorbij gegaan voordat het gebeurde. Vroeger werden die overeenkomsten gesloten met de desabesturen. 'n Mooie boel. Stel u voor dat ik over den verkoop van uw barang [233] met Zevenaer aan het bedisselen ging."
"Maar we dwalen af, De Leeuw; we dwalen altijd af als jij er bij bent. Je bent veel te rood, De Leeuw, geloof me; in je eigen belang zou ik je raden meer om je eigen beurs dan om die van anderen te denken--het is erg beroerd, dat 't in de wereld zoo geschapen is, zeker, toegegeven ... maar, hè, après tout, is het hemd dan toch nader dan de rok. Enfin, ik heb je laten komen om met je te beraadslagen wat er te doen is om eerstens de lui te helpen. Want geholpen moet er worden, dat ben ik met je eens; en ook moeten wij er zorg voor dragen dat de verbittering niet overslaat ..."
"Zeker, daar is kans op. Geen wonder trouwens, menschen in dien toestand ..."
"Natuurlijk, natuurlijk. En al was het dan alleen het volksverloop. Dat is ook een kwaad ding, 't gevolg is schrijverij met de eigenaren. Die denken, geloof ik, dat wij de menschen aan het land kunnen vastbinden. In de laatste drie jaren gaat het bevolkingscijfer toch al achteruit: 74000 zielen met 23000 bouws; gemiddeld sawahbezit dus van nog geen derde bouw. Op Telatiga is het nog minder."
"Nou, mijnheer Nederman, ik heb een heel program. Herstellen van de irrigatiewerken is dus geschrapt. Dan kunnen wij beginnen met voorschotten op den volgenden oogst te geven. Het geeft niet veel, dat heb ik al gezegd, maar 't is iets, dan reliefworks; dat is om ze te helpen, waarbij u dan ook kunt beginnen met minder te heffen in tjoeké."
Nederman krabde zich achter het oor.
"Dat is een netelige kwestie. Als je daarmee voor de heeren komt, is het donderen. Als wij wat minder heerendiensten vorderden ...?"
"Dat helpt in de eerste plaats ons. Een uitmuntend denkbeeld, mijnheer Nederman. Maar durft u dat dan wel aan?"
"Ja, ik zal het moeten motiveeren. Hongersnood alleen, zal niet gaan. Dat wil er bij de lui niet in ... maar wat dan?"
"Mag ik die kwestie motiveeren? Ik ben wel eens aan het nasnuffelen geweest. Nou en ik heb daar zoo mijn eigen idee van, ziet u. Om het ronduit te zeggen: al die diensten zijn onwettig."
"Hè?"
"Ja, ik weet heel zeker dat deze landen verkocht zijn vrij van heerendienst en dus ..."
"Hm! De stelling lijkt me niet onaanvechtbaar. Maar dat is goed. Maak jij de memorie dan maar op en stuur hem mij."
"Best. En dus kan ik beginnen met voorschotten ...?"
"Goed, maar met mate, met mate. Met een paar duizend pop doe je al een heele hoop."
De Leeuw zeide niet dat hij van een andere meening was, en dat "een paar duizend pop" voor eenige maanden, te verstrekken aan 71000 zielen, een alleszins onvoldoende tegemoetkoming is. Hij meende al wat gewonnen te hebben.
Den volgenden dag reeds liet De Leeuw in de desa's van zijn district bekend maken dat hij tegen mindere dan de gebruikelijke rente--toch tegen rente dus, want in rentelooze voorschotten had Nederman niet durven happen--voorschot wilde geven, aan wie dat wenschte.
In den tijd van vijf maanden werd achtereenvolgens op het geheele land, bij steeds klimmenden nood, ruim f 30,000 in voorschot aan de bevolking verstrekt. Een schijntje ...
De oogst was binnengehaald, een complete misoogst. De tjoeké was afgeleverd in de pakhuizen, onverminderd ... ja zelfs had men op beide landen, gebruik makende van de circulaire van den procureur-generaal de padi van hen, die weigerden rijst op te brengen, doen wegen op het veld, gelijk beraamd was. Het waren er betrekkelijk weinigen geweest, die padi leverden, maar de nadeelen daarvan voor het land waren toch reeds voelbaar geweest. De pakhuisruimte dreigde te klein te worden. Was het vorig jaar reeds een hoeveelheid padi binnengekomen, meest in Herea, die dagelijksche onkosten aan stamploonen voor de stampsters noodig maakten, thans moest een ongelijk veel grootere hoeveelheid in de pakhuizen tot rijst worden verstampt. Dagelijks gingen vrouwen het geld verdienen--vijf centen per dag voor het zware werk--in de pakhuizen op het land.
En overigens was bij de tjoeké-heffing geen rekening gehouden met de indroging der padi, noch met de rijstcoëfficient, het gewicht der stelen bij den snit, het stamploon, noch met weersinvloeden, ziekten en plagen in het gewas, die zwakke korrel veroorzaken, groot breukprocent of geringe witheid; noch ook met de breukverhouding bij zeer voorzichtige bewerking, of met den prijs der grofkorrelige rijst, noch ook met dien van de fijnere rijst. Neen, met dat alles was geen rekening gehouden, de tjoeké was onverminderd geheven, onverminderd ...
En de Honger deed zijn intrede op Alas Bamboe en Telatiga. De houtdiefstallen werden menigvuldiger, en gansche karavanen trokken naar de afdeelingshoofdplaats om aan de opkoopende Chineezen voor weinig geld het gestolene af te zetten. En zij, die niet konden kappen de zware stammen, noch ook na kapping deze zouden kunnen bewerken, braken de stijlen uit de woningen, als ze er waren, om die te verkoopen: den eenen balk na den ander. De huisjes verloren stut; men steunde dak en wanden met bamboes. De woningen konden niet meer, of niet goed meer, een veilige schuilplaats zijn voor de bewoners: wat gaf het? Te stelen was er niet. Bij de rijkeren werd het vee gestolen; hier en daar waren roofpartijen niet uitgebleven: Chineesche warongs meest, die men plunderde.
Een zwerm van Chineesche agenten kwam in de desa's en bood geld--weinig geld--voor den oogst van 't volgend jaar. Zij berekenden zware renten, 't is waar, maar het risico moest geneutraliseerd worden. Er konden velen sterven in den komenden tijd, velen zouden het land ruimen, wellicht stond ook voor het volgend jaar misoogst op het program; dat waren factoren, waarmede rekening gehouden moest worden, en de agenten der Chineesche opkoopers dreven de renten op, steeds hooger ...
De nood klom. Veediefstallen kwamen nacht aan nacht voor. Hier en daar werden de dieren niet eens meer verkocht. Men slachtte hen om dadelijk voedsel te hebben. Het land verstrekte meer voorschotten. En ook waren reliefworks in het leven geroepen, op zoo geringe, pietluttige schaal echter, dat zij weinig effect sorteerden. De bevolking begon weer met het zoo vaak beproefde middel om den honger te stillen, het middel, dat even vaak weer faalde. Men vulde de maag met de fijne tot stopverfachtig deeg inkokende menier, de allerfijnste, smerige brei leverend, opraapsel eigenlijk. En men kookte de menier op met boombladen om het gevoel van honger weg te nemen, als had het lichaam daar wat aan.
En nog steeg de nood. Ook de menier was verbruikt; pisangstammen, jonge klappertoppen, boschknollen, nauw eetbaar, schadelijk de meesten, kwamen ervoor in de plaats. De onrijpe palawidja, wat er dan nog stond, werd uit den grond gehaald om te dienen als voedsel. Meer voorschotten werden verstrekt, meerdere ondersteuningswerken in het leven geroepen. Roof en diefstal werd gepleegd op helderen dag. Reeds stierven er lieden door gebrek aan leeftocht ...
Immer steeg de nood. Het volksverloop begon. Als de huizen verkocht waren, alle hout en al wat er meer te verkoopen viel, wat niet veel was, trok men weg, het erf latend voor wat het was gemeenlijk, want in dezen tijd waren de koopers schaarsch. Vele duizenden waren het, die wegtrokken, de meesten naar het westen, weg van Alas Bamboe. En die van Telatiga trokken naar de gouvernementslanden, gefolterd door de heete stralen van de koperen zon, die droog het lijden aanzag.
Velen reeds stierven als het lichaam ten slotte uitgeput was door nutteloos verteren van boombast, schors en bladeren, zwarte klei, lempoeng [234], en jeukknollen. Men bedelde, men stal en roofde. Op de hoofdplaats Telatiga hielpen Europeesche en Chineesche ingezetenen zooveel zij konden: het was zoo bitter weinig.
Nog altijd breidde de ellende zich uit. Ouders verlieten hun kroost; de zuigelingen stierven schreiend aan de ingedroogde borsten. Moeders verkochten haar kinderen.
Siman had in dagen niet gegeten. En het opium, dat hij gestolen had te Gatok van Tio Ang Sioe, Nedermans zoon, had niet voortdurend den honger kunnen verdrijven. Hij woonde niet meer samen met Satima; elk moest maar voor zichzelf zorgen. Op een nacht was hij weggegaan, toen Satima in looden opiumslaap lag. Hij had haar koperen pending meegenomen, een sarong en een toessoek-kondé van een paar dubbeltjes. Meer waarde was er niet. Dat alles had hij voor vijftien centen verkocht te Tjakoeng. Het geld was op en Siman had in dagen niet gegeten.--Dien nacht stal hij een karbouw. Het was lichte maan en hij werd gesnapt door een spion van den koewoe. Het gestolen dier moest in den steek gelaten worden en met de uiterste inspanning slechts gelukte het hem, zijn vervolgers te ontloopen.
Al maar voort rende hij, in een wanhopigen angst opnieuw te worden gevat en opgesloten in de gevangenis. In den morgen eerst kwam hij tot rust. Hij had de desa's gemeden; geen kieken, geen vrucht had hij weten machtig te worden; zijn maag knorde van den honger; hij was uitgeput van vermoeienis. Toen legde hij zich neer aan den kant van een slootje om te slapen; maar de slaap bleef weg. De honger gaf geen kamp. Lang reeds lag hij daar, overdenkend zijn ellende. Hoe vele dagen reeds was hij niet te Gatok geweest. Hoe de toestand daar wel zou zijn? Maar lang denken kon hij niet: zijn maag liet hem niet met rust. Hij kauwde op een takje bajem [235], dat hij afgebroken had, en werktuigelijk slikte hij het door; het smaakte afschuwelijk, zoo rauw. Als hij het maar koken kon. Toen op eens zag hij aan den anderen kant van het slootje een derkwak. Hij hunkerde er naar, den ranken watervogel te hebben om hem te verslinden, om den honger te stillen ... hij nam een steen op, en wilde naar het dier gooien. Maar hij hield den worp in. De vogel had een klein vischje in den bek gevangen en verdween daarmede in het riet van den oever. Siman hoorde het kirrend geluid van jonge vogels. Hij kroop de sloot in, heel voorzichtig. Met luid geschreeuw vloog opeens de derkwak op. Maar Siman liet zich niet storen: hij zocht het nest met de jongen. Hij vond het ook. Drie kleine, nog naakte vogels sjilpten van onbestemden angst. De Soendanees draaide ze den hals om. Krijschend vloog de moeder om.
Nog half rauw verslond de hongerige den buit. Hij had zich niet den tijd gegund te wachten totdat het kleine grasvuurtje de kleine, tanige, onsmakelijke vogels voldoende had geroosterd.
Hoe weinig ook, het voedsel deed hem goed. Hij kon nu slapen. En hij sliep ook, een korte poos.
Toen hij ontwaakte, was de zon op. In de verte zag de zwerver een desa. Het kon slechts Kalapa Aloes zijn, berekende Siman. Hij kende de omgeving. Hij was hier eens geweest. En plotseling dacht hij aan Pah Asriep. Die woonde te Kalapa Aloes. Siman sprong op. Langzaam ging hij naar de desa toe, over de galangans der rijstvelden. Hij kende den weg in de desa en even later stond hij voor de deur van Pah Asrieps woning. De oude deed open en herkende zijn jongen vriend dadelijk.
"Wat is er, Siman? Je ziet er bezorgd uit."
"Geef mij eerst eten, Pah; ik heb al in vijf dagen geen behoorlijk voedsel gehad."
"Ik heb nog wel wat, kom mee."
Er was rijst met sambal. Meer niet. Siman at, groote brokken tegelijk slikkend, ze telkens met een slok water doorspoelend. De oude keek hem aandachtig aan. Toen zijn jonge gast voldaan was, zei hij:
"Je hebt veel soesah. Ik weet van veel, van Kario, van Djiah. Wat is het nu?"
"Er is niets meer, Pah, geen oogst, geen voedsel. Ik weet niet wat er te Gatok gebeurt--het is een harde tijd ..."
"Ja, ik heb reeds veel geholpen, maar de honger van honderd wordt door één niet bezworen. Als de hongersnood nog lang duurt, ben ik een arm man, even arm als de anderen.--'t Doet er niet toe; ik ben al oud, heb kind noch kraai. Als ik dood ben, heb ik aan al mijn goederen niets. En jij, wat doe jij?"
"Ik heb willen werken, timmeren kan ik. Maar nu heeft niemand mij noodig. En mijn hand beeft in den laatsten tijd ..."
"Zoo jong reeds? Opium?"
"Ja, Pah."
De ander zweeg op deze zacht gegeven bekentenis. Hij keek Siman meewarig aan, schudde het hoofd.
"Je hebt Kario niet meer ontmoet?"
"Neen, Pah. Maar, geloof me, ik heb hem gezocht--tot zelfs op Telatiga."
"Je zult hem nog eens ontmoeten, Siman. Schuif geen opium meer. Opium is slecht voor ons volk. Het maakt ons tot verachtelijke slaven van den blanke. De moeder van je zoon is nog altijd niet gewroken, Siman. En wraak is niet weggelegd voor den slaaf."
Siman boog zwijgend het hoofd.
"Je moet werken."
"Wat?"
"Aan de ondersteunings-werken te Sikarang, bijv."
"Ik ben te zwak. Nou gaat het niet meer."
"Het moet; zoek dan wat anders."
"Er is niets. Ik denk dat ik wegga. Ik kan visscher worden."
"Hoe ben je hier gekomen?"
"Je hadt het mij gezegd: kom, als je groote soesah hebt. Ik hèb groote soesah, Pah."
"Kom je daarom alleen?"
"Ik werd vervolgd."
"Gestolen?"
"Ja, Pah."
Weer stokte het gesprek.
"Stelen is slecht, Siman. Al hebben zij, die je besteelt, meer dan jij. Waak tegen diefstal, dat is beter. Dan ben je nuttig en je kunt je voeden met het loon voor het waken."
"Moet ik spion worden, Pah? Dat meen je niet."
"Geen spion. Geef den armen menschen, die nemen van anderen, van wat je zelf hebt. Dat is een goed werk; de koran gebiedt het."
Pah Asriep was altijd leerstellig en rechtzinnig geweest. En daarom zeker de slechtste niet.
"Maar hoe kan ik dan zelf leven, Pah?"
"Je kunt je verhuren bij elken koewoe om nachtelijken dienst te doen. Deze tijden zijn zeer onveilig en de bezitters zullen graag wat betalen voor waakdiensten. Je hoeft de verdoolden, die stelen uit gebrek, uit honger, niet op te brengen voor den koewoe. Je moet slechts zorgen dat er niet gestolen wordt. Daarmede verdien je het levensonderhoud voldoende ... Ik zeg dit omdat ik te doen heb met je. Niet stelen, niet schuiven. Werken, totdat betere tijden komen. Arbeid is nooit schandelijk."
De oude kon gelijk hebben, dacht Siman; hij peinsde er over na; waarom zou hij den raad niet volgen? De arbeid was niet zwaar, hij zou geen honger meer lijden ...
Van Affelen was in de desa Gatok op inspectie. Hij moest op de hoogte blijven van den toestand en vooral Zuid-Herea was door den nood geteisterd. De sterfte onder de bevolking was groot; meest onder de kinderen, wier zwakke lichaampjes het hongeren minder verdroegen.
Hij kwam langs de woning van Pah Ran aan het einde van het dorpje. De deur stond open. De oude Ran zag den employé. Aarzelend volgde hij hem. Van Affelen bleef staan:
"Wat is er, Pah?"
Pah Ran hurkte, maakte de sembah [236].
"Wij hebben niets meer te eten, kandjeng doro, help ons! Al dagen hebben wij niets meer gegeten, dan gadoe ... Mijn kleinkind ligt op sterven ... help ons, kandjeng ... help ..."
Van Affelen was getroffen door den toon van smart. Hij zeide niets, keerde op zijn schreden terug, ging de woning binnen. Ipah liep rond, op en neer, den kleinen Rekso sussend. Het ventje snikte zachtjes, nauw hoorbaar, krachteloos. 't Uitgeteerde lichaampje schokte van koorts. Wanhopig zag Ipah 't aan. Op de balé zat Mariam, stom, bewegingloos, een beeld van ellende.
Van Affelen werd aangedaan door dat tooneel voor zijn oogen. Hij grabbelde in den zak; haalde wat klein zilvergeld te voorschijn, dat hij Pah Ran gaf:
"Hier, gauw, koop eten."
Pah Ran dankte zelfs niet. Zoo snel zijn beenen het toelieten, rende hij den weg op en even later was hij terug met rijst en wat boeboer [237] voor Rekso. Hij zelf gaf het zachte kostje zijn kleinkind in den mond. Maar de kleine was te zwak om te slobberen. Heel weinig slechts kwam hem door het keelgat. Hij wentelde zich om en om, kreunend van koorts en honger. Met onuitputtelijk geduld was Pah Ran met hem bezig. Ipah en Mariam hadden zich verwijderd met de rijst in het pisangblad. Spoedig was de jongere zuster terug, beduidde Pah Ran naar den keuken te gaan, opdat ook hij zich te goed kon doen aan de rijst. Zij nam hem de taak om Rekso te voeren uit de handen. Maar ook zij slaagde niet. Toch eindelijk viel de kleine in een onrustige sluimering. Mariam legde hem neer op zijn matrasje op den vloer.
Van Affelen kon zijn oogen niet van het meisje afwenden. Al had het leed zijn stempel op haar gelaat gedrukt, de geheele verschijning van het meisje, het fijne gezichtje met de vurige oogen, de halfgeopende volle mond, de nog ronde vormen van die toch slanke gestalte--het was een bekoorlijk beeld. Djiëm was juist weg ...
"Word mijn njai", fluisterde hij haar opeens in het oor, terwijl hij zich tot haar bukte, waar zij nog bezig was met den kleinen zieke. "Dan heb je nooit meer gebrek, alles volop, en je familie ook."
Mariam boog beschaamd het hoofdje. Geen verontwaardiging welde in haar op; meer droefheid. Zij zweeg. Van Affelen, wat met z'n figuur verlegen, ging heen.
Dienzelfden avond stierf de kleine Rekso van honger ...
Een week later ongeveer kwam Siman te Gatok. Slechts Ipah vond hij thuis. Als dreef hem een voorgevoel viel hij dadelijk uit: "Waar is Rekso?".
"Dood."
Siman wankelde achteruit, viel tegen den wand. Hij wreef zich met de hand over de oogen, zweeg. Lang keek hij Ipah aan, wie het bang te moede werd onder dien blik. Toen ging hij waggelend heen, zonder een woord te zeggen.
Gebroken, geheel gedemoraliseerd door zijn bedrijf van de laatste weken, strompelde hij weg, jammerlijk overblijfsel van vroegeren jeugdigen overmoed, gezondheid en kracht. Ipah staarde hem na. Hij ging den desaweg af. Een heele poos nog volgde Ipah hem met den blik. Toen verloor zij haar broeder uit het oog. Zij weende niet. Haar oogen hadden te veel geweend de laatste dagen, na den dood van hun aller kleinen lieveling.
Siman liep steeds door, naar Herea. Hij was nu geheel down; hij dacht aan niets anders dan zijn dooden jongen. Paal na paal legde hij af, ten laatste niet meer denkend. Het warrelde hem in het hoofd; het schemerde voor zijn oogen: zijn eenig kind, zijn Rekso, dood! En hij had den kleinen jongen in het geheel niet meer gezien ... Dood ... zijn jongen ...
In zulk een toestand van martelend, tot waanzin voerend lijden bereikte hij Herea. Hij was er in lang niet geweest. Zijn spionnendiensten te Sikarang eischten bijna al zijn tijd. Siman was nu heel laag gezonken: hij was een spion van den koewoe van Sikarang, een verrader van zijn eigen volk. Het was er wel van gekomen. Pah Asrieps raad was goed geweest voor een, die sterk was van geest als de oude zelf. Maar voor iemand, die hongerde en verslaafd was aan opium, was de verleiding der extra-belooningen voor het aanbrengen van vee- en houtdieven, van anderen, die het voorschot niet gebruikt hadden om te doen wat zij er mede doen moesten, n.l. nieuwe padi in den grond te brengen--was die verleiding te groot geweest. Hij was steeds lager gezonken, was nu een gemeene sluwe spion, gehaat door de anderen, die hem niet openlijk aandurfden, wijl hij een gunsteling was van Madja, den koewoe.
En toch ook nu nog leed hij honger. Geld had hij niet meer. Het opium kostte hem telkens meer en meer. Eerst daaraan, dan aan voedsel werd zijn vrij ruim Judasloon besteed. Maar nu was het geld verbruikt; opium bezat hij niet meer. Dubbel leed.