Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 20
"De eerste keer, hij is nog misselijk. Ik zal hem helpen--hij komt wel terug." En ze begon hem te wrijven over de heupen, langs de dijen in rhytmische, gelijkmatige bewegingen. De slapende werd rustiger, een zware zucht ontsnapte hem, toen werd zijn slaap kalm en vredig, en wellust-droomen kwamen over hem ...
Het was al laat dag, toen zij weer ontwaakte en Siman wekte. Hij stond op, wreef zich het hoofd. Hij voelde zich nog loom, maar had toch een vage herinnering aan oogenblikken van een zeker geluk, door gedachtenloosheid. Toen herinnerde hij zich weer: hij had opium geschoven.
Hij trok zijn kleederen aan. Satima kwam terug van de put, waar zij zich gewasschen had. In een opwelling van teederheid en wellust drukte hij de deern tegen zich aan.
"Ik kom weer, Satima, mijn hart; nu moet ik weg naar Gatok."
"Kom je gauw?"
"Ja, waar is mijn kris?"
"Hier ... wees voorzichtig ..."
"Geen nood,--ik zal niet missen. Maar je zwijgt, begrepen? Als je praat, zal ik je dooden."
"Wees maar niet bang--ik haat hem."
Er was groote koempoelan [231] te Sikarang. De kandjeng toean assistent-resident was gekomen. Daags te voren reeds was door alle koewoes in het district den lieden, die geweigerd hadden de vrijwillige overeenkomsten te teekenen en die den opzichters hadden doen weten dat zij padi zouden leveren, aangezegd zich te verzamelen op de besaran, om de prentahs van den kandjeng toean assistent te vernemen. En velen waren te Sikarang gekomen, enkelen uit nieuwsgierigheid, de meesten echter uit onrust. Want zij wilden weten, welk vexatie hun nù weder te wachten stond.
Voor het landhuis hadden de lieden zich opgesteld, eenige honderden. Ook de koewoes waren er en de opzichters van de districten. Die zaten in de voorgalerij.
Toen kwam uit het landhuis de heer Nederman naar buiten; naast hem ging de assistent-resident en achter die beiden werd de gestalte van den boepati [232] van Telatiga zichtbaar. Angst voor de komende dingen bezielde de honderden, die daar gehurkt nederzaten. De administrateur stelde de employé's voor aan den assistent-resident en den boepati.
"Wat een volk, mijnheer Nederman," merkte de heer Van Dam op. "Dat is tegen de afspraak. U weet dat ik u verklaard heb, niet de minste pressie te willen uitoefenen op de plannen van het volk."
"Houd mij ten goede, waarde heer Van Dam. Dat het volk bijéén is, is een heel toevallige omstandigheid. Ik ben gewoon zoo van tijd tot tijd als ik iets te zeggen heb, het volk, alleen maar uit dit district, bijeen te doen komen. Dat geeft wat plechtigs aan de vertooning, ziet u, en dan blijft het wat langer bij. Het spijt mij zeer dat zoo'n koempoelan toevallig moest plaats hebben tijdens uw aanwezigheid hier. Maar Versnoek heeft mij uw komst eerst gisteren medegedeeld en toen was het te laat om de koempoelan weer af te lasten. U zult mij niet euvel duiden dat ik een oogenblikje den rol van gastheer verruil tegen dien van administrateur, niet waar?"
"Oh, als de zaak zoo zit, dan heb ik geen bezwaar; ga gerust uw gang."
"Nou, dat heeft zoo'n haast niet. Laat ik u eerst welkom heeten, hier te Alas Bamboe. Het is ons allen waarlijk een genoegen u in ons midden te zien. En het is geen frase, mijnheer Van Dam, als ik u hier, ongetwijfeld, ook namens de andere heeren, de verzekering geef dat wij u gaarne nog vaak hier zullen begroeten."
"Daar gaat-ie!"
Een bediende had champagne voorgebracht. De glazen werden geleegd en weer gevuld. En het gesprek werd algemeen.
Buiten zaten de inlanders nog steeds gehurkt. Opzettelijk: zij moesten getuigen zijn van de plechtige ontvangst. Eindelijk kwam de heer Nederman naar de stoep. Hij gaf een wenk aan de employé's, die de geheele komedie natuurlijk heel goed begrepen. Zij kwamen bij hem staan.
"Ziet u nou eens, mijnheer Van Dam," riep de administrateur zijn gast toe, "of het volk van Alas Bamboe er welvarend uitziet. Ze zitten allesbehalve sjofel in de plunje, zooals u ziet, en bepaald hongerlijdersgezichten ziet u er toch ook niet onder."
Hij gaf een wenk aan de koewoes om naderbij te komen. Hurkend schoof de menschendrom een pas of tien vooruit. Van Dam was uit hoffelijkheid opgestaan en kwam achter Nederman staan om te voldoen aan zijn uitnoodiging tot zien.
Hij begreep in zijn naïeviteit niet dat hij gebruikt werd als onmisbare figurant in het drama; ook niet dat de toeschouwers daar, die menschenmenigte, order hadden bekomen in feestdos te verschijnen.
Nederman deed, als gold het een gewone beleefdheid, een stap achteruit. Hij stond nu tusschen den assistent-resident en den boepati in. Toen begon hij het volk toe te spreken:
"Ik heb met leedwezen vernomen, dat gij allen, menschen van Sikarang, geweigerd hebt om de vrijwillige overeenkomsten te teekenen en dat gij volhardt in uwe weigering om de tjoeké in rijst op te brengen, en dit verkiest te doen in padi. Ik kan en ik wil u ook niet dwingen om te doen wat ik in uw belang zou wenschen; gij zijt geheel vrij. Gij kunt dus padi leveren, gelijk gij verkiest. Maar de tijd is ver achter ons, dat dit op Alas Bamboe geschiedde. Uw vaders waren niet zoo stijfhoofdig en verblind als gij en zagen in, dat rijstlevering voordeeliger was voor hen. En zoo zullen de gebruiken, die gij in acht hebt te nemen bij padilevering, u niet meer bekend zijn. Daarom heb ik u bij elkander doen komen omdat ik u deze gebruiken in herinnering wil brengen, opdat gij, in uw eigen belang, geen soesah zult ondervinden. Ten eerste dan zal de padi bij het snijden gewogen worden, en ook wordt de tjoeké-padi gewogen in de pakhuizen, opdat ik zal kunnen nagaan of gij wel levert wat gij schuldig zijt aan het land.
"Dan moet gij er voor zorg dragen dat op den dag zelf, dat de padi wordt gesneden, het 1/5 gedeelte in de pakhuizen wordt afgeleverd. Zooniet, dan zal ik verplicht zijn u te bestraffen. Wijl nu eenige desa's verre gelegen zijn van de pakhuizen en ook met het oog op den weg over zee van andere desa's, zullen de pakhuizen voor die desa's tot één uur des nachts open blijven.--En anders heb ik u niets te zeggen. Denkt na over hetgeen ik u hier medegedeeld heb, en bedenkt wel hoe gij uw eigen belang het best zult dienen."
Op een wenk van den spreker dreven de dorpshoofden de inlanders uitéén.
Nog lang werd deze koempoelan in de desa's besproken. De administrateur, zoo zeide men, had het bestuur vòòr zich. Als men nu, na deze officieele proclamatie, nog weigerde te voldoen aan den wensch van den landheer, zou men veel soesah hebben. En er waren er niet velen meer, die het waagden bij hun weigering te volharden. Nederman had prachtig munt geslagen uit de aanwezigheid der bestuursambtenaren te Alas Bamboe. Hij was vergenoegd en toonde zich voor den verderen duur van het verblijf van den heer Van Dam, een fideel en royaal gastheer. De heer Van Dam bracht een zeer aangenamen indruk van zijn uitstapje naar Telatiga mede terug.
Het liep mis met den oogst. Dat was duidelijk te bespeuren. En overigens, wie dit niet vermocht in te zien, zou, als hij dààrvoor oog had, aan tal van teekenen hebben kunnen bemerken, dat de bevolking niet gerust was op de toekomst. De regens hadden den landman in den steek gelaten en met de droogte hadden de insecten in het gewas gewoekerd, geholpen door muizen en engerlingen. Er was stagnatie geweest in den groei, hama dedet noemt de inlander dit.
En reeds was men overgegaan tot het planten van gadoe, 'n ruwe plant, nauw eetbaar product leverend, maar die zelfs uit het woestijnzand voedsel in zijn wortels zou kunnen trekken.
Toen eerst--te laat--waren de regens gekomen. Overmaat van ramp. Het water kon toen niet dienstig meer zijn, ja erger: het schaadde. Er kwam veel water; hier en daar werd de aanplant bedorven. En na de wolkbreuken kwamen de walang sangits. Neen waarlijk, de oogst dreigde zeer, zeer schraal te worden.
En, onbedriegelijk verschijnsel van komenden nood, de buffeldiefstallen namen dagelijks toe.
De landen Alas Bamboe en Telatiga zijn berucht om de buffeldiefstallen. Er is gebrek aan ploegvee in de geheele afdeeling Telatiga, maar het wordt eerst recht voelbaar op de beide particuliere landen. En gevolg van dit afwezig zijn van ploegvee is patjolbewerking der sawahs voor een zeer groot deel.
Alles grijpt in elkander: gevolg van patjolbewerking is dat de sawahs minder deugdelijk en intensief bearbeid worden bij grooter tijdverlies. En de afdeeling is groot. Negentig duizend bouws zijn er in cultuur gebracht; op die geheele uitgestrektheid wordt rijst verbouwd.
De Koloniale Verslagen geven elk jaar een achteruitgang van den veestapel aan, een achteruitgang van 34.5 procent in elf jaren tijds! Het totaal buffelbezit der bevolking is van 41.000 stuks op 27.000 teruggeloopen. Deze achteruitgang is te wijten aan diefstal, zelf een gevolg van voedselgebrek. De raderen grijpen onverbiddelijk in elkaar. Verdrietig is het te constateeren, dat niet door veeziekten, hoe treurig ook, noch door levendigen uitvoer, die winst geeft, de veestapel aldus onrustbarend vermindert. Diefstal is de oorzaak, onvoldoende bescherming van het bezit der bevolking, onvoldoende, slecht georganiseerde, niet tegen haar taak opgewassen politie, afwezigheid van wettelijke bepalingen, die den landheeren moesten kunnen dwingen tot bescherming van have en goed de opgezetenen.
Verdrietig is het ook te weten, dat het bestuur zich den stand van zaken wel bewust is: 't tegenovergestelde zou hoop geven op eventueele verbetering. Die bewustheid manifesteerde zich, maar met betreurenswaardige impotentie, nu eenige jaren geleden, in het uitvaardigen van een bepaling, waarbij bevolen werd dat de buffels van een desa in eenzelfde kraal moesten worden bewaakt tegen dieven. De diefstal verminderde toen, dat is waar, maar het middel bleek een lapmiddel en welhaast even noodlottig als de kwaal. Want de desaman kon zijn dieren niet bij zich houden, hun verzorging kon hij niet geheel op zich nemen; hij zag hoe de jongere en zwakkere dieren leden door de sterkere; de paring vermocht hij niet meer te regelen, en de geboorte van buffels kwam minder tot haar recht. De desaman verkocht toen zijn vee...
En men kon of wilde niet inzien dat het mangelde aan de politie, oordeelde dat de inlander, in zijn domheid, het oogenblikkelijk geldelijk voordeel van den verkoop verkoos boven het productief bezit van den buffel. Maar stelselmatig roerde men het punt niet aan dat er te weinig weideplaatsen waren voor de buffels, van den tijd der sawahbewerking tot den snijtijd. De buffeleigenaar was dan genoodzaakt gras te snijden, wat tijd en arbeid kostte. En de sterfte onder de slecht gevoede dieren nam toe: De desaman verkocht dus zijn vee, niet uit hoop op dadelijk geldbezit, maar wijl hij vreesde spoedig ook dat niet meer te zullen krijgen.
En zie, geldt dit al de voor de gansche uitgestrekte afdeeling, schriller wordt het beeld, wanneer de particuliere landen op zich zelf beschouwd worden. Op Telatiga nam de veestapel in negen jaren af met 46 procent, in de volgende jaren was de achteruitgang nog grooter. Op Alas Bamboe is nog geen twee derde gedeelte overgebleven van den veestapel van vóór de veepest.
De buffeldiefstallen namen dus weer toe op Alas Bamboe en met deze de houtdiefstallen. Ook dit is een veeg teeken. Het voorspelt eveneens het aanbreken van slechte tijden. En het verschijnsel komt vaak voor.
Er zijn vele djatibosschen op de landen en in slechte--ja vaak ook in normale tijden--is diefstal van hout regel. Over deze houtdiefstallen is veel geschreven, en de ware oorzaak is vaak verbloemd. Men vreest in slechte tijden zoo voor verbittering van het gebreklijdend volk dat geen houtdieven met geweld worden aangehouden. Men laat ze vrij gaan, en het misbruik is bijna tot adat vergroeid. Op klaarlichten dag, in gansche karavanen, trekken de boschdieven met hun buit voorbij de woningen der geëmployeerden: balken en stammen, het hout voor woningen, stijlen en palen, gaan zoo in openlijk transport over den grooten weg naar de afdeelingshoofdstad. Ook dit is een middel om in het leven te blijven.
Een derde middel is emigratie. De Javaan is vruchtbaar. Java's bevolking verdubbelt zich in dertig jaren tijds. Hoe komt het dan dat daar op die landen het zielental vaak stationair blijft, ja, dat er jaren zijn dat teruggang van het zielental is na te wijzen? Men huldigt er geen Malthus-leer; en ook is het niet allèèn aan kindersterfte te wijten, dat op volkstoename van beteekenis niet te wijzen is.
Het volk verloopt. De armsten beginnen bij oogstmislukking den exodus, naar Tji-lamatang in de naburige residentie, waar veel vruchtbare grond is en waar de belastingdruk, relatief gesproken, zeer licht is.
Wie nu, die Javaansche toestanden kent, zal gelooven dat geen dringende oorzaken den Javaan nopen zijn woonplaats te verlaten, de desa, waar hijzelf, zijn vader, en diens vader leefde, waar hij huwde, waar zijn kinderen geboren werden? Ook aan gering verloop moet reeds groote beteekenis worden toegekend. Het wijst onloochenbaar op verarming van de bevolking. En zie, ik heb een lange lijst vòòr me, in drie rubrieken verdeeld: het jaartal, het zielental, het aantal picols tjoeké van het volgende jaar; een statistiek van beide landen. En het is met wiskunstige zekerheid aan te toonen, ver terug, tot in het begin der vorige eeuw, 1818, 1820, dat op verminderde tjoekéopbrengst achteruitgang in bevolking volgt. Hoe minder opbrengst, hoe grooter verloop, hoe nijpender nood. Er zijn jaren geweest dat de bevolking verminderde met 5, 6, 8 en 10 procent. Er is een reeks van drie jaren geweest, 1845--1848, gedurende welke de bevolking verminderde met 26 procent. En uit die statistiek kan ik de periodiek wederkeerende hongerjaren aanwijzen, zoo dadelijk, zonder aarzelen of vrees voor vergissing.
De tijd liet zich slecht aanzien op Alas Bamboe. Het was ook voor de Europeanen geen geheim meer, dat een buitengewoon slecht jaar voor de deur stond, slechter nog dan het jaar te voren, toen eenig gebrek, slechter ook dan het jaar daarvoor, toen groot gebrek heerschte.
En weer was het De Leeuw, die zich, als oudste geëmployeerde, genoopt voelde zijn chef den toestand bloot te leggen, opdat zoo noodig maatregelen genomen konden worden in het belang van de bevolking.
Hij begreep dat het beter was schriftelijk verslag te doen. Dat bleef bewaard, er kon naar verwezen worden zoo noodig.
Hier is het de plaats er naar te verwijzen; het zijn slechts grepen, want het geheele rapport besloeg vele vellen schrift.
"Er staat misoogst te wachten, hoofdzakelijk door watergebrek, het vroegtijdig ophouden van de regens en den slechten staat der Soemboel-batoeleiding, zoodat de sawahs in Zuid-Sikarang, welke door deze leiding bevloeid worden, onvoldoende of geen water kregen. Op de fouten van bedoeld waterwerk wees ik U den 15en Februari van het vorige jaar reeds. Het loopende jaar, dat in den beginne zich goed liet aanzien, belooft thans evenmin een oogst van eenige beteekenis. Een hevige walangplaag heeft vooral Zuid-Sikarang en Herea geteisterd. De westerdistricten leden vooral van de droogte. Na de laatste achtereenvolgende misoogsten in een streek, waar de bevolking geheel van den rijstbouw leeft, waar geen ander middel van bestaan is, vermeen ik U niet meer behoeven te wijzen op den hachelijken toestand voor een groot deel der bevolking. Hetgeen zij bezat, is verbruikt of zal weldra verbruikt zijn voor de sawahs van den volgenden oogst.
De hoeveelheid verstrekte voorschotten is te gering per landbouwer om ook maar eenigszins te helpen tot den aanstaanden oogsttijd. Weder-verstrekken van voorschotten acht ik niet goed, keur ik zelfs af, omdat de bevolking dan nog meer in schuld komt... M.i. moeten de vele slechte waterwerken in vrijen arbeid worden hersteld. Zoo is voor de bevolking gelegenheid wat te verdienen. Zij komt niet méér in schuld en de waterwerken komen er door in beteren staat. Momenteel heerscht in Sikarang en Herea reeds schaarschte, om geen ander woord te gebruiken. Velen verlieten reeds in October en November van het vorige jaar het land. Officieel is dit niet gerapporteerd en met cijfers is het ook moeilijk te bewijzen. Teekenend voor den toestand is het feit dat in den laatsten tijd de buffelverkoop weer zeer groot is. (Vide maandrapporten der districten.) Als het volk zijn ploegvee verkoopt, is de toestand hachelijk. Ik hoop dat hulp voor de bevolking niet zal uitblijven.
De bevolking van Alas Bamboe gaat nog steeds hard achteruit. Telde zij vijf jaren geleden bijna 77.000 zielen, twee jaren daarna was zij tot 74.750 zielen verminderd; met de intrede van dit jaar telde zij nauw meer dan 71.000 zielen."
Nederman was zeer geprikkeld door dit ongevraagde rapport van De Leeuw.
"Vervelende vent", bromde hij, "ware ongeluksprofeet. En als hij zich nu maar vergiste, maar neen--de kerel heeft altijd gelijk. Ik zal hem 's laten komen. Dan moet hij maar uitpakken over wat hij denkt dat gedaan kan worden."
Hij schreef een kattebelletje aan zijn employé en gelastte dit naar Oeroettan te brengen. Een desaman werd er mede belast: in heerendienst natuurlijk.
Siman was zeven dagen weggeweest. Te Gatok wist men niet waarheen. Hij was van Herea thuisgekomen, had zijn zuster om geld gevraagd, nagenoeg het laatste dat er was, en was weer vertrokken. Men had hem niets durven vragen. Siman was buitengewoon prikkelbaar, kon om een kleinigheid opstuiven; voor het werk behoefde men voorloopig niet op hem te rekenen. Veel arbeid was er trouwens niet. Men diende af te wachten het magere beschot van den overslechten aanplant. Pah Ran had wat gadoe in den grond gebracht en men begon zich weer te oefenen in hongerlijden, of juister, men begon zich te oefenen nog meer tijd dan tot dusver tusschen twee opvolgende maaltijden te laten verloopen.
Siman was naar Sapekan gegaan, op Telatiga. Maar zijn reis was vergeefsch geweest. Kario was niet meer te Sapekan en men wist hem ook niet op te geven waarheen de gewezen mandoer vertrokken was. Teleurgesteld, moedeloos, zonder geld meer, was Siman te Gatok teruggekomen. Nu moest hij het toeval maar overlaten zijn weg dien van Kario te doen kruisen. Hij wilde de hoop niet opgeven den gehaten vijand nog eens te ontmoeten. Het was het eenige wat hem op de been hield. Maar te Gatok hield hij het niet uit. Hij verlangde naar Satima, maar of het haar lichaam alleen was, dat hem bekoorde?...
Siman had na dien eersten keer nog eens en weer eens opium geschoven. Hij begon er naar te verlangen. Maar voor zijn huisgenooten schaamde hij zich nog. En bij Satima kon hij aan dubbele begeerte voldoen. Hij ging naar Herea, waar hij leefde met Satima, en schuiven kon. Maar zich vergiftigen is een duur genot. En hoe aan geld, telkens weer aan meer geld te komen? Nog was niet alle gevoel in hem gedood: hij bood zich aan als timmerman en hetgeen hij als gevangene had moeten leeren, kwam hem nu te pas. Hij verdiende zeventien cent per dagtaak. Satima verkocht zich, waar ze kon, om opium te kunnen koopen; meer dan eens reeds had ze zich aangeboden aan den Chineeschen opiumverkooper zelf ... voor opium. Maar steeds was grooter dosis noodig om het genot te brengen en meer verdienen konden zij niet.
Op een nacht was Siman niet thuis gekomen. En ook den volgenden nacht kwam hij niet bij Satima. Den derden nacht verscheen hij weer, gejaagd, angstig. Maar hij had veel geld bij zich, bijna twintig gulden. En het duurde niet heel lang of Satima wist dat hij de dief was geweest van den karbouw van pah Arsad, waarover voor eenige dagen zooveel te doen was geweest in de desa. Na dien tijd ging het gemakkelijker. Siman werkte niet meer. Er was bovendien niet altijd werk, en werd hem al door Van Affelen een of andere karwei opgedragen, dan deed hij het werk met tegenzin: het bracht zoo weinig op. Men maakte meer met het kappen van djatiboomen en het verkoopen daarvan op Telatiga. 's Nachts had deze klandestiene handel in hout plaats. Siman ging er niet mee naar de hoofdplaats: de afstand weerhield hem. Hij bracht het hout even over de oostgrens van Alas Bamboe. Hij wist er een Chinees wonen, die alle hout opkocht. Wel kreeg hij niet zooveel als hij te Telatiga ontvangen zou hebben, maar hij kreeg het eerder. Dat was hoofdzaak. Als hij geld had, kon hij weer geestelijken en zinnelijken wellust genieten bij het opium en bij Satima.
Van Kario vernam hij niets meer. Ook had hij de energie verloren om te zoeken. Er waren nu zelfs vaak oogenblikken, dat hij niet aan Kario dacht. Zijn wraaklust zelfs begon te sluimeren onder den invloed van de papaver.
Om hem heen werd de toestand steeds slimmer. Het armere volk begon te trekken, naar het westen, voor een appel en een ei het nog niet gesneden product te velde latende aan gelukkiger en rijker desagenooten; buffeldiefstallen waren aan de orde van den nacht.
Toen brak de oogsttijd aan, een ìn-treurige tijd.
--"Nou, vooruit nu, ongeluksprofeet! Neem er je tijd nu voor om me lang en breed te vertellen, wat je van de toekomst denkt, en wat je dan noodig oordeelt om de vooruitzichten te verbeteren.--Je weet heel goed dat ik apprecieer je kennis van de toestanden, je kijk op de dingen, je tact om met de lui om te gaan. En ik wil je ook volstrekt niet verbergen, dat je voortdurende waarschuwingen mij verontrusten. Ik geloof niet dat je noodeloos zoudt alarmeeren, zie je, en..."
"Daar hebt u gelijk in, mijnheer Nederman."
Het was een zoele avond. De Leeuw, door Nederman ontboden, zat met den administrateur in diens kantoor. Het was voor den employé niets bijzonders, dat zijn chef hem raadpleegde. Reeds in den tijd, toen Nederman oudste geëmployeerde was op Alas Bamboe, placht hij vaak het advies te vragen van zijn jongeren collega, die zoo bewonderenswaardig met de bevolking wist om te gaan. Toen Nederman tot administrateur was benoemd, was er in den omgang wel minder vertrouwelijkheid gekomen, maar het was toch heel vaak gebeurd dat, evenals dezen avond, chef en ondergeschikte over zaken en toestanden op de onderneming spraken. Nederman vertrouwde geheel op De Leeuw. Deze mocht ruw en onbehouwen zijn, de opvoeding die hij genoten had, kon dan een zeer elementaire zijn, De Leeuw paarde aan een goed hart een groote mate van gezond verstand en een uitmuntend geheugen. Hij was een eerlijk, nauwgezet geëmployeerde, op wien men zich verlaten kon, en Nederman deed dit ook. Hij was eerlijk genoeg om voor zich zelf te bekennen dat De Leeuw meer van de zaken afwist dan hij; in booze luimen ergerde hem dit zeer, maar hij was gewoonlijk wel nuchter genoeg om te beseffen dat hij er slechts bij verliezen kon, zich van den plichtvervullenden jongen man te scheiden.
"Nu dan--wat denk jij van den oogst?"
"Niets."
"Hé?"
"Niets, mijnheer Nederman, niets. Als ik eigenaar was van Alas Bamboe, dan zou ik op enkele uitzonderingen na, geen tjoeké willen ontvangen."
"Maar dat is immers dwaasheid, man! Het land is er toch in de eerste plaats voor de eigenaren, dunkt mij."
"De lui zullen geen korrel kunnen missen."
"Kom, kom, dat zie je te donker in, veel te donker. Ik geloof ook wel niet, dat we van het jaar op een mooien export behoeven te rekenen, maar..."
"Wat ik u brom, over drie maanden heerscht er hier hongersnood, nijpender dan die wij beiden van acht jaar geleden nog kennen."
"Wel neen, dat geloof ik niet."
"Ik ben elken dag op de sawahs, mijnheer Nederman. Het gewas staat er om bij te huilen. Er komt ruw gemiddeld geen tien picol nat per bouw af. Nou, daar blijft voor de bevolking zelf zoo goed als niets van over, dat weet u. Twee maanden verder en alles is opgegeten. En wat dan?"
"De palawidja."