Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid

Part 19

Chapter 193,953 wordsPublic domain

Er was door dezen een onderzoek gelast. En het gevolg van dit onderzoek was, dat tegen den administrateur bij requisitoir van den officier van justitie te Batavia rechtsingang werd verzocht. Van Wetten had zich, en niet alleen als rechter, zeer voor de zaak geïnteresseerd. Nu bracht hem het tijdschrift de resultaten van de ingediende klachten, en het was hem een zeer onaangename verrassing geweest te moeten vernemen, dat, blijkens het artikel, zoowel door den raad van justitie te Batavia als door het hooggerechtshof was uitgemaakt, dat tegen de in artikel 37 vermelde handelingen in de thans vigeerende strafwet geen bepaalde straffen zijn bedreigd, zoodat dit artikel niet meer kan worden toegepast.

"Dat wil dus zeggen," bromde Van Wetten bij zich zelf, "dat de inlander met een beroep op de wet niet gewapend is tegen knevelarij en misbruik van gezag. Het is mooi."

Hij wilde dat artikel 37 dan toch nog wel eens inzien. En de zaak had zoozeer zijn aandacht, dat hij uit zijn gemakkelijke houding opstond, uit de boekenkast een deel van de rij Staatsbladen nam en aan zijn schrijftafel nasloeg Staatsblad 1836 no. 19, artikel 37.

De sigaar was uitgegaan.

Het stond er duidelijk, meende Van Wetten: "Landeigenaren, die andere, meerdere of hoogere opbrengst en diensten van hunne opgezetenen vorderen dan bij dit reglement uitdrukkelijk zijn toegestaan, of die verzuimen om op den voet, bij hetzelve bepaald, ten opzichte van hunne opgezetenen te handelen, zullen naar exigentie van zaken door het plaatselijk bestuur op den voet, bij artikel 60 aangewezen, bestraft, dan wel voor den rechter, terzake van knevelarij en misbruik van gezag, vervolgd worden."

"Wat duivel, "ter zake van knevelarij en misbruik van gezag"--dat laat toch geen twijfel?"

Hij nam het tijdschrift weer ter hand en herlas:

"De raad van justitie te Batavia verleende den verzochten rechtsingang niet, wijl hij oordeelde dat de feiten niet vallen onder het bereik der strafwet."

Tegen deze beslissingen was de officier van justitie in verzet gekomen.

"Goed, maar de overwegingen," mompelde Van Wetten weer.

De raad van justitie had den rechtsingang geweigerd op de volgende gronden:

dat die feiten opleveren het als eigenaar van een particulier land van de opgezetenen vorderen van andere en meerdere diensten dan bij stbl. 1836 no. 19 uitdrukkelijk zijn toegestaan; en art. 37 van dat staatsblad bepaalt, dat zij die zich daaraan schuldig maken naar exigentie van zaken door het plaatselijk bestuur op den voet, bij art. 60 aangewezen, bestraft, dan wel voor den rechter terzake van knevelarij en misbruik van gezag vervolgd worden;

dat art. 37 alzoo schept delicta sui generis en voor de daarop gestelde straffen verwijst, behalve naar genoemd art. 60, naar de gewone strafwetgeving omtrent "knevelarij en misbruik van gezag," tegen ieder van welke misdrijven verschillende straffen zijn bedreigd, bij "knevelarij" afhangende van den ambtelijken rang van den schuldige en bij "misbruik van gezag" van het karakter der gepleegde handelingen;

dat alzoo tegen de in meergenoemd art. 37 vermelde handelingen in de vigeerende strafwet geen bepaalde straffen bedreigd zijn, zoodat het artikel niet meer is toe te passen nu door het in werking treden van den in art. 26 der algemeene bepalingen van wetgeving en later in art. 88 van het Regeerings-Reglement afgekondigden regel, niemand tot straf vervolgd of daartoe veroordeeld mag worden, dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien.

De officier van justitie voerde tegen deze beslissing aan:

1e. dat vermits in het vigeerend strafwetboek, tegen "knevelarij" en "misbruik van gezag" straffen zijn bedreigd, en er geen enkel bezwaar bestaat om die straffen toe te passen, indien in rechten het bewijs wordt geleverd dat de landeigenaar zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten, in art. 37 bedoeld;

2e. dat de rechter, die weigert dit artikel toe te passen, het voorschrift van art. 386 van het Wetboek van strafrecht voor Europeanen overtreedt.

Het hof nu overwoog dat het O.M. zonder de alleszins juiste hoofdstelling van den raad aan te tasten "dat toepassing van genoemd art. 37 alleen dan mogelijk is wanneer in de vigeerende strafwetgeving "bepaalde" straffen tegen de daarin genoemde handelingen zijn bedreigd," verzuimt aan te geven welke straffen dan in elk concreet geval op hem, die zich aan de bedoelde handelingen schuldig maakt, moeten worden toegepast;

dat immers gemeld art. 37 niet aangeeft wanneer de behandeling als "knevelarij" en wanneer zij als "misbruik van gezag" moet worden bestraft en dat, zelfs al zou men bij de meest rationeele uitlegging van het artikel willen aannemen, dat "knevelarij" ziet op het onrechtmatig vorderen van "opbrengsten" en "misbruik van gezag" op het onrechtmatig vorderen van diensten, een enkele blik op art. 124 tot en met 131 van het Strafwetboek voor Europeanen reeds doet zien, dat met geen mogelijkheid is uit te maken onder welke strafbepaling de geïncrimineerde feiten dan zouden vallen;

dat al evenmin 's Raads stelling wordt omvergestooten door het argument dat in lagere stukken van wetgeving naar strafbepalingen in het Wetboek van strafrecht wordt verwezen, omdat de Raad niet beweert, dat de poenale sanctie niet in een ander stuk van wetgeving mag worden neergelegd dan waarin het strafbaar feit is omschreven, doch alleen dat naar die strafbepaling, wil zij niet in botsing komen met art. 88 van het regeerings-reglement, op zoodanige wijze moet zijn verwezen, dat omtrent de op het delict gestelde straf geen onzekerheid bestaat;

dat de beslissing evenmin een overtreding kan zijn van art. 386 van het Wetboek van strafrecht voor Europeanen, omdat slechts dan in strijd met dat art. zou worden gehandeld, wanneer de toepassing van de in dat artikel bedoelde wettelijke verbindende verordeningen werd geweigerd, terwijl die toepassing in verband tot de latere wetgeving mogelijk is, immers daarmede niet in strijd komt, hetgeen in casu op grond van het hierboven overwogene het geval is.

Ten slotte overwoog het hof dat het betoog van den procureur-generaal, hetwelk ten doel heeft aan te toonen, dat ook zij die geen ambtenaar zijn, zich onder vigueur van het in 1836 geldend strafrecht aan "knevelarij" konden schuldig maken, ter zake niet afdoet, omdat het in casu niet de vraag is of de in art. 37 genoemde handelingen inderdaad naar ons thans heerschend strafrecht de elementen van "knevelarij," dan wel van "misbruik van gezag" opleveren, doch alleen of de strafbepalingen, waarnaar dat artikel verwijst, nog toepassing kunnen vinden; een vraag welke het hof, met den raad, ontkennend beantwoordt.

"Erg mooi, prachtig, maar ketterij. Want de gepleegde knevelarij en het gepleegde misbruik van gezag blijven ongestraft. En daar komt het dan toch maar op aan, dunkt mij."

Van Wetten ergerde zich over deze theoretische nonsens, die geen rechten waarborgt en onrecht sanctioneert. Hij sloeg in een teug zijn bittertje naar binnen en beval den jongen het eten op te brengen.

"Waarachtig," zeide hij, het tijdschrift toe slaande, "het heet met heel veel recht: "Het "Recht" in Indië." Maar hij kon het niet voor zich houden. En na den eenvoudigen avondmaaltijd kwam hij bij den assistent-resident oploopen.

De heer Van Dam had juist gedaan met eten en lag klimaat te schieten in de voorgalerij.

Van Wetten viel met de deur in huis.

"Nou moet u toch eens deze juridische ketterij hooren, mijnheer Van Dam."

En hij deed hem het heele relaas.

"Het lijkt wel erg gek," meende Van Dam.

"Gek? Dat is er heelemaal het woord niet voor; het is cynisch, vind ik, om den durf te hebben je zoo ... zoo ... angstvallig te houden aan de doode letter van de wet. Wâ-bliksem, zoo'n uitspraak is gevaarlijk. Ze kunnen nu gaan knevelen naar hartelust, want ze staan nu, zich beroepende op die prachtige uitspraak, buiten het bereik van de strafwet. Dàt is 't. Neen, waarachtig, als ìk dat kluifje in handen gehad had, zou het anders geloopen zijn, dat beloof ik u!"

"Ze doen tegenwoordig meer rare dingen, daar op Batavia; daar kan ik ook van meepraten."

"Zoo, hoe dat?"

"Ik heb een circulaire ontvangen van den procureur-generaal; het is een heele geschiedenis, en zonder inleiding zul je het niet goed begrijpen."

Van Dam verhaalde van het bezoek van Nederman en Versnoek, maar niet uitvoerig genoeg om Van Wetten gelegenheid te geven hem te waarschuwen voor de onedele, baatzuchtige bedoelingen der landheeren, die de rechterlijke ambtenaar zeker wel doorzien zou hebben.

"Maar ik ben nog altijd niet op de landen geweest. Het is nou ruim twee weken geleden, maar telkens komt er wat tusschen. Enfin, deze week zal ik er toch heengaan, denk ik, ook in verband met die circulaire van den procureur-generaal. Nou, na wat ik er u van verteld heb, zult u de strekking ervan beter begrijpen. Die landheeren hebben natuurlijk naar Batavia geschreven en een van de vertegenwoordigers daar heeft de belangen der eigenaren bepleit bij den procureur-generaal. En nou lijkt het mij wel dat er gevaarlijke dingen in dat ding staan, waar de bevolking weer de dupe van zal zijn.--Och, kijk 's, den procureur-generaal is het natuurlijk niet kwalijk te nemen, hè, dat hij van al die détails van het bedrijf geen kennis heeft, en ..."

"Mag ik die circulaire zien, of is ze geheim?"

"Welneen, was dat maar waar. Ik moet afschrift zenden aan de beide landheeren--Wacht 's ... Oppas!"

"Kandjeng," haastte zich de oppasser te antwoorden.

"Ambil itoe portefeuille itam di atas medja toelis [224]!"

"Kandjeng."

De oppasser was schielijk terug. Van Dam sloeg de portefeuille open. Boven op een stapeltje papieren lag de circulaire, die hij zijn bezoeker toereikte. Deze las zeer aandachtig:

No. 1638.

Batavia ...

Naar aanleiding van door den heer J. P. Paulette Vlaming, lid der firma Biederman & Van Lochem alhier, mij gevraagde inlichtingen omtrent de bevoegdheid van den eigenaar van een particuliere onderneming om het op het veld afgezonderde 1/5 aandeel voor den landheer in de opbrengst van door opgezetenen van zijn land bebouwden grond af te wegen, heb ik de eer UEd. G. mede te deelen:

dat art. 28 juncto artikel 11 van Staatsblad 1836 No. 19 niet verbiedt dat de gemachtigde van den landheer het op het veld afgezonderde den landheer toekomend 1/5 aandeel in de opbrengst afweegt, teneinde bij de aflevering in de pakhuizen te kunnen constateeren of aan de bossen padi niets veranderd is;

dat daarvoor dan ook niet de toestemming van den erfpachter wordt vereischt;

dat deze weging niet met zich brengt het in ontvangst nemen der padi, daar dit ook reeds gezegd zou kunnen worden van het nemen van 1 bos uit elk der op het veld uitgelegde rijen van 5 bossen padi;

dat de landheer dus noch door het nemen van de hem toekomende bossen, noch door het afwegen dier genomen bossen geacht kan worden te zijn geworden bewaarder van het hem toekomende 1/5 aandeel padi, totdat het den erfpachter behaagt, die padi naar de pakhuizen te vervoeren.

De Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië. VAN VLISSINGEN.

Aan den Assistent-Resident Telatiga.

"Ik begrijp niet goed ..." begon Van Wetten.

"Begrijpt u niet?" Van Dam was blijde zijn helder inzicht te kunnen demonstreeren. "Wat treft u hierin? Dit, niet waar: De padi wordt op het veld gewogen. Wanneer, wordt niet bepaald en de landheer doet het dus,--wel, wanneer denkt u?"

"Dat is dunkt mij het zelfde."

"Zeer zeker niet. De padi wordt gewogen dadelijk na den snit."

"Ik begrijp nog niet, wat hiervan het gevolg is."

"De indroging, Van Wetten, de indroging! Als de padi in het pakhuis geleverd wordt, droog natuurlijk, want de landheer zal niet nat willen ontvangen, dan heet het: nee, mannetje, ik heb meer gewogen dan je brengt. Maar hier is toch geen bedrog gepleegd; het gewichtsverlies komt door de indroging!"

"Ah, zoo; ja juist. Maar de lui leveren toch rijst."

"Nou en wat zou dat? Ik zal u eens wat zeggen. Deze circulaire is een geducht wapen in de hand van den landheer. Want de belasting wordt er met een vijfde ongeveer door verzwaard. En alleen die lui, die de vrijwillige overeenkomsten teekenen, en volgens deze bijvoorbeeld veertig katties opbrengen per picol natte padi, ontloopen die verzwaring. De anderen, al leveren ze rijst, moeten die rijst dan toch stampen uit droge padi, niet waar? En nu, weet je, geloof ik al dat er een beweging onder de lui gaande is om alleen maar padi te leveren ..."

"Nu u me dit alles zegt, treft me een andere passage in de circulaire, deze: dat de landheeren zonder toestemming van de erfpachters kunnen laten wegen en dan toch niet geacht worden onmiddellijk na de weging eigenaar te zijn geworden van de padi. Die passage is fnuikend voor de bevolking. Dat begrijpt iedereen."

"Behalve dan de procureur-generaal, naar het schijnt ..." Van Dam schrok zelf van dezen oneerbiedigen uitval en haastte zich er aan te voegen: "Maar, zooals ik zei, hem kan men het eigenlijk niet kwalijk nemen."

"Zoo, en wie dan wel?"

Van Dam antwoordde hier niet op. Wat zou hij hebben kunnen antwoorden? Den heer Van Vlissingen was indertijd door een journalist lauwheid en onverschilligheid verweten ten opzichte van de telegrafisch tot hem gerichte klachten van de bevolking der particuliere landen. Die publicist wist van het bestaan van bovenmedegedeelde circulaire niet af; hij wist dus niet van de medeplichtigheid van den procureur-generaal aan het vexeeren van de bevolking.

Drie dagen later schreef Versnoek een kattebelletje aan Nederman, dat per specialen bode werd overgebracht. Het luidde:

Waarde heer Nederman,

Morgen, Zaterdag, komt Van Dam hier, blijft tot Maandag. Gaat dan door naar Alas Bamboe. Houd U geprepareerd.

Wat zegt U van de circulaire van den P. G.? Fijn, wat? 1/5 meer op de markt!

Vale!

t. à. v. Versnoek.

De dood zijner moeder had Siman heel diep getroffen. Het gemoed van den mystiek-aangelegden inlander zocht bovenaardsch verband tusschen dat sterven op den dag van zijn terugkomst en de gebeurtenissen, die volgen zouden.

Mah Ten was in allen eenvoud begraven. Nadat het lijk uit de woning was gedragen, was er eenige moeilijkheid ontstaan omdat Pah Ran weg wilde. Het was een soort étiquette, dit hem drong. Hij vond het strijdig met den adat, samen te wonen met ongehuwde meisjes, ook al bleef Siman bij hen. Intusschen wist hij niet waarheen te gaan en voorloopig kon hij nog niet weg ook, want Siman was den dag na den dood zijner moeder heengegaan, zeggende dat hij Pah Asriep wilde opzoeken in Kalapa Aloes.

Dit nu was de waarheid niet geweest. Siman was naar Herea gegaan. Wat hem dreef, behoeft geen nadere uitlegging: hij zocht Kario.

Maar zijn reis was vergeefsch geweest, want, waar hij den mandoer ook zocht, hij vond hem niet. In 't pakhuis was een ander, dat had hij terloops vernomen, en vragen durfde hij niet, uit vrees zijn plannen te verraden door de vraag alleen. 'Mboh Sima had hij willen opzoeken, maar ook zij was niet meer te Herea.

Een groote teleurstelling trof Siman. Hij zag het doel, waarvoor hij nog leefde, onbereikbaar. Want wie zou hem kunnen zeggen, waar Kario was? Had hij daarvoor zijn kris zoo scherp geslepen? Hij bleef zoeken, wilde niet opgeven. Hij vertoonde zich op de passer: Kario was er niet. Hij ging naar de woning van den mandoer, maar hij kon duidelijk merken dat andere bewoners daar hun intrek genomen hadden.

Toen de avond viel, was hij nog even wijs. Op de passer was een tandak-partij tot meerderen luister van het huwelijk van de dochter van een Chineeschen tokohouder. Een jonge dansmeid stelde er haar bekoorlijkheden half ten toon tusschen de walmende lichtjes der olielampen. Een dichte drom menschen stond er om heen te genieten en lachte om de grappen van den badoet [225]. Het schelle gezang van de tlèdèk trok Simans aandacht, als vanzelf ging hij naar de groep. Misschien ontmoette hij er een goede bekende, wien hij vragen kon ...

Een oogenblik had hij staan kijken in een der achterste rijen, toen hij zich voelde aanstooten. Hij keek om.

Een nog jonge vrouw, wat verlept, maar toch mooi, keek hem met twee vurige oogen brutaal in het gezicht. Die oogen spraken duidelijk genoeg: dezelfde taal, die zij reeds tot zoovelen, dien avond echter nog vergeefs, gesproken hadden. Zij deed eenige stappen achteruit en stond toen geheel buiten den lichtkring. Toen wenkte zij Siman, die haar nog steeds aanzag, met de hand. Siman gaf gehoor.

"Vin-je tlèdèk mooi?" fluisterde de vrouw. Siman antwoordde niet.

"Ik weet wel wie je bent: Siman van Gatok," ging zij op denzelfden toon, snel pratend, voort. "Je bent pas weer vrij, hè? Pas? Hoelang?"

"Twee dagen!" antwoordde Siman werktuigelijk.

"Wat doe je hier, te Herea?"

"Niets, maar wie ben jij?"

"Dat doet er niet toe. Ik zal het je wel zeggen, straks. Kom maar eerst mee. Ik heb je veel te vertellen." Zij wilde hem meetrekken, maar Siman volgde niet.

"Ben je in de gevangenis onbeleefd geworden, Siman? Je hebt om een vrouw Kario willen vermoorden. Ik vraag je alleen om mee te gaan."

Ze drukte zich tegen hem aan, haar warme adem streek hem langs het gelaat en bracht een rilling in zijn bloed. Hij voelde het nog mollige lichaam tegen zich aan ... Een woeste begeerte ontwaakte. De gevangenistijd was lang geweest ...

"Ga mee", hijgde hij, "ga mee," en hij trok de deern mee.

Ze stapten vlug voort. De weg was niet lang. In een armoedig huisje stapte de vrouw binnen; Siman volgde haar niet.

"Ik ken dit huis. Wie ben je toch?"

"Kom eerst binnen. Je hebt me maar eens gezien, heel kort, daarom herken je niet."

Ze had de deur gesloten en was op de balé gaan zitten, trok Siman naast zich neer. Toen deed ze de klambi [226] uit. Ze stond in haar strak gespannen koetang [227], de gevulde armen bloot.

Siman greep haar aan. Zij worstelde tegen.

"Eerst geld, geef op," hijgde zij.

Hij greep naar zijn gordel, gaf haar dien. Zij zocht naar het geld, zes dubbeltjes. Meer was er niet. Nu, ze had meest minder gehad ....

Siman zat naast de deern op de balé.

"Zeg nou, wie ben je?"

"Satima."

"Satima? Satima? Ik weet niet ..."

"Den avond, dat je Kario gekrist hebt ..."

Maar hij herinnerde zich nog niet.

"Je bent een domkop. Waarom heb je hem niet doodgestoken, dien smeerlap ...!"

"Heb je zoo het land aan hem?"

"Hij heeft mij er uitgezet, uit het pakhuis. Ik verdien niets meer, ik heb elken dag honger. Als er geen man bij me slaapt, heb ik niets, geen eten, geen kleeren. O, die ellendeling, die schurk, maar ik zal me wreken, ik weet waar hij is ..."

"Waar is hij?" riep Siman en hij greep de vrouw ruw bij den pols.

"Zeg op, waar is hij?"

"Laat los, je doet me pijn, laat los!"

"Waar is hij?"

"Ik zal het je zeggen, maar laat los, adoe [228]!"

Siman liet los. Satima wreef zich den pols.

"Wat wil je doen?"

"Dat gaat je niet aan. Is hij hier, te Herea?"

"Neen, hij is ver weg. Ik weet niet waar ..."

"Je liegt, je weet het wel."

Satima vloog overeind om weg te komen, ze was bang voor de uitdrukking van haat in de oogen van Siman, maar hij greep haar nog net bij tijds bij de kondeh. Hij rukte haar omlaag, zij viel, dwars over zijn knieën.

"Satima, zeg het mij. Waarom wil je 't verzwijgen?"

"Ik heb zoo vaak geen geld; ik heb alles verpand, Siman, heb medelijden," jammerde de slet. "Geef geld, Siman ... het is je veel waard, ik weet wat je wilt doen, Siman, ik weet het ... ik weet het ... geef mij geld ..."

"Ik heb niets meer, ik heb alles gegeven." Hij liet haar los. Ze stond op, naakt, het haar los. Toen ging ze liggen op de balé, trok hem naar zich toe.

"Ik wil niet, zeg eerst waar hij is. Ik zal je later geld geven, later, ik heb nu niets."

Zij zuchtte.

"Zal je 't me heusch geven, zal je dikwijls komen ...?"

"Ja, ja, ja, maar zeg op ... Je maakt me driftig ..."

"Op Telatiga is hij--op de besaran."

Een trek van vreugde ging over het gelaat van Siman.

"Te Sapekan--ik zal hem vinden."

Satima schoof naar hem toe.

"Neem drie dubbeltjes, Siman, ga naar den Chinees, de warong, bij den grooten waringin--je weet wel--koop madat [229] voor mij ..."

"Hé? ... schuif jij ...?"

"Het doet de zorgen vergeten, Siman; ik heb veel soesah ..."

Siman kreeg medelijden met de ongelukkige.

"Moet je niet doen," zeide hij, "wat heb je er aan, het is slecht, en je wordt er mager van en leelijk, en dan verdien je niets meer ..."

"Ik kan het niet laten, loop dan ... gauw, Siman, nu heb ik weer geld ..."

"Ik wil niet, ga 't zelf halen."

"Zal je dan niet weggaan? Je kunt nu toch niet weg. Ik ben zoo bang, buiten. Het is al laat. Maar niet weggaan, ik ben dadelijk terug."

Onder het spreken had ze zich aangekleed, de sarong boven de borsten opgebonden, het zware, vette haar in een wrong bijeen geknoopt, de klambi aangeschoten.

Toen snelde ze heen, door de begeerte van den opiumschuiver voortgejaagd.

Siman bepeinsde wat haar gedrongen had hem te bidden en te smeeken te blijven. Hij kon het niet gissen en legde zich neer op de balé, de handen onder het hoofd, nadenkend.

Ze was spoedig terug, een klein pakje in de vuist geklemd.

"Ada [230]", fluisterde zij gejaagd, "ada."

Ze verdween in het eenige kamertje. Siman volgde haar. Ze lag op een rustbank, stopte met beverige vingers een bolletje in de bamboezen pijp, hield deze boven het olielampje, nam een langen teug. Zoo bleef ze liggen, de oogen gesloten,--het was alsof ze sliep. Ze glimlachte, er kwam iets rustigs over haar gelaat.

Siman beschouwde met afgunst dien trek van vrede. Het was toch wel machtig, het opium. En waarom was het eigenlijk zoo slecht te schuiven? Men deed er niemand kwaad mee. En waarom, als je zorgen hadt, zou je die niet mogen bannen? Hij had geen vrouw meer! Zijn jongen? ... Nou ja, maar hij kon immers rooken, nu en dan, als de soesah hem kwelde. Natuurlijk moest je er niet aan verslaafd raken. Maar zoo nu en dan; dat kon toch geen kwaad ... Zie nu daar die Satima. Hoe lang lag ze daar nu al? En ze lachte maar. Het moest toch wel heerlijk zijn, niet te denken ... Er was nog een bolletje over ... Satima had aan één genoeg gehad ... Zou hij eens probeeren ...?

Hij nam de pijp uit de hand der vrouw, deed het bolletje er in, aarzelend. Toen nam hij blijkbaar plotseling een besluit, hield de pijp boven de vlam, en zoog den rook op.

Een gevoel van misselijkheid beving hem dadelijk, hij wierp de pijp weg, wilde braken. Hij werd duizelig, voelde zich allerellendigst en ging liggen naast Satima. Al spoedig viel hij in een loodzwaren slaap. Het opium had hem bedwelmd. Maar het waren geen aangename visioenen, die voor hem opdoemden. Zijn fysiek protesteerde nog te heftig tegen het gif.

Diep in den nacht ontwaakte Satima, loom en mat. Naast zich voelde zij Siman. Die aanraking maakte haar wakker. Ha, hij was dus niet weggegaan. Hij was er nog. Ze gleed de balé af, sloop zacht het vertrek uit. De deur der woning stond voor nog open. Ze schrikte even, trok haar dicht. Toen vond ze het baadje van Siman, op den grond,--ze grabbelde in de zakken ...

"Niets," bromde ze spijtig. Ze doorzocht de twee geldzakjes in den gordel. Er was niets meer in, ze had er alles uitgenomen. Hij had dus niet gelogen. Dan had hij ook wel heen kunnen gaan. Zou ze hem wekken? Och, waarvoor? ze zou hem laten liggen. Ze had nog een bolletje--waar was het ook weer? O, ja, bij het nachtlichtje. Maar ze vond het niet. Toen kreeg ze een ingeving, boog zich over den slapende heen, snoof den adem op, die tusschen de halfgeopende lippen ontweek ...

"Waarachtig, ik dacht het wel."

Ze dacht na. Siman wentelde zich onrustig op zijn leger.