Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Part 18
"Weet u wat de toestand in deze afdeeling zoo lastig maakt? Dat de lui altijd klagen over "dwang" bij de teekening van de vrijwillige overeenkomsten. Niet eens of tweemaal, maar constant door. Het is den menschen niet in het hoofd te praten dat zij toch ongedwongen bij mij komen om de overeenkomsten te laten registreeren. Neen, zeggen zij, tevoren zijn zij al bewerkt. Ze moeten wel. Maar argumenten kunnen zij niet aanvoeren. Wordt daar dan eens wijs uit."
"Och, dat moet u niet verwonderen, mijnheer Van Dam," zeide Versnoek. "Waar geen grieven zijn, daar moeten ze gemaakt worden. En dat gebeurt voornamelijk door de raddraaiers, luie kerels, die niet werken, geleerde proletariërs, die A. B. C. kunnen schrijven en dan desa-eminenties zijn, van die kwade elementen, welke men overal aantreft en tegen wien wij blanken eigenlijk veel te zachtmoedig optreden. Die lui zeggen aan de anderen: zeg maar, dat je gedwongen wordt om te teekenen, dat mag niet en dan krijg je wel gelijk. Nou, het tamme vee doet dat, maar den eersten den besten keer dat u wat dieper in de zaak doordringt en wilt weten wèlke dan die dwang is, blijven de motieven tot de beschuldiging weg, eenvoudig omdat die er niet zijn. Het is ook dwaasheid. Waarmede kunnen wij de lui dan wel dwingen? U zelf registreert de overeenkomsten in hun tegenwoordigheid. Onze bemoeienis gaat niet verder dan de vraag: wil je de overeenkomst of taxatie bij proefsnit? Een van die krantenschrijvers heeft gezegd: er wordt moreele dwang uitgeoefend. Moreele dwang? Nonsens! Wat is moreele dwang? Weet ù wat dat is? Je dwingt ze of je dwingt ze niet, zeg ik maar. Dreigen wij ze met gevangenis, boete of doodstraf? Het is belachelijk!"
Versnoek dronk zijn glas leeg, dat, na noodiging van den gastheer, opnieuw gevuld werd door den huisbediende.
"Met dat al," zeide de assistent-resident, "heb ik er de soesah van. Voor jaren al begonnen de lui te klagen over dwang, met het gevolg dat er een besluit geslagen werd met de opdracht aan den resident te zorgen voor naleving van het reglement."
"Dat is nog al gek. Er wordt toch een reglement uitgevaardigd om het op te volgen? Aansporingen om te zorgen dat dit gebeurt is een beetje--bizar, zou ik zeggen."
"Ja, dat is zoo. En het fraaist is, dat bijzonderlijk de nadruk wordt gelegd op het registreeren der overeenkomsten. Alsof dat niet altijd gebeurt! Die algemeene secretarie schrijft ook maar wat neer, voor vorst en vaderland weg."
"Hebt u het besluit bij de hand?"
"Ik denk wel, dat ik het uittreksel nog kan vinden."
Meteen stond Van Dam op en begaf zich in zijn kantoor. Het duurde een heele poos voordat hij terug was. Het stuk lag blijkbaar niet voor de hand.
Versnoek had alleen om inzage van het besluit gevraagd om Van Dam even weg te hebben.
Snel wisselde hij gedurende de afwezigheid van den gastheer eenige woorden met Nederman.
"We moeten in deze richting werken; hij zal er wel toe te brengen zijn. Maar wanneer kunt u hem ontvangen?"
"Deze week, als je wilt. Laat maar even weten, dan zorg ik thuis te zijn."
"All right!"
Van Dam kwam terug.
"Hier hebt u het. Dwaasheid!"
Versnoek las, voor den vorm met voorgewende aandacht:
No. 39.
Extract uit het Register der besluiten van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië.
Buitenzorg .....
Gelezen:
I enz.
II enz.
Is goedgevonden en verstaan:
Eerstelijk, enz.
Ten tweede: Den Resident van ...... op te dragen om zooveel noodig toe te zien, dat aan de naleving van de artikelen 7 en volgende van het reglement op de particuliere landerijen, gelegen ten Westen der rivier Tjimanoek (Staatsblad 1836 no. 19), bepaaldelijk ook voor zooveel betreft de registratie en goedkeuring door het Bestuur der overeenkomsten tusschen de landheeren en de opgezetenen omtrent de heffingen op de rijstvelden (art. 11, alinea 2), stiptelijk de hand worde gehouden.
Extract enz.
Accordeert met voors. register.
De Gouvernements-Secretaris
......
"Het is mooi. En," vroeg hij wat sarcastisch, "heeft dit besluit geholpen?"
"Och, wel neen. Integendeel: de lui begonnen te requestreeren, zooals de heeren wel weten zullen."
"O, ja, alles bekend. Requesten aan den gé-gé, deputaties zelfs, die bij mijnheer Kan zijn geweest, te Batavia. Als die ons maar kwaad kon doen ..."
"Het is mij intusschen niet recht duidelijk, wie de lui op het goede spoor heeft gebracht. Want wat wist de desaman nu eigenlijk van Kan, of dat hij te Batavia te vinden was?"
"Hebt u dan niet gehoord van dien raden Djakaria?"
"Djakaria, neen."
"Die is mantri of zooiets geweest hier op de landen. 'n Echte onruststoker, die zich in het hoofd gehaald heeft dat hij de lui moest helpen. Die kerel woonde te Batavia en heeft de deputaties den weg gewezen. Ten minste, dat werd mij uit Batavia geschreven," zeide Versnoek. "Gelukkig dat de autoriteiten zoo leep waren, zich aan dien belachelijken nonsens niet gelegen te laten liggen."
"Neen al die ophitserij en pasangans [222] hebben de lui geen stap verder gebracht. Trouwens, de grieven waren maar vermeende."
"Maar, mijnheer Van Dam, om nu niet af te dwalen: wij willen u verzoeken een bezoek te brengen op de landen."
"Waarvoor dat?"
"Och, kijk, in de eerste plaats zou u het bezoek als een inspectie kunnen beschouwen. Dat kan nooit kwaad. Er zou eens gevraagd kunnen worden of u wel eens de landen bezoekt, niet waar? Maar ook zouden wij u willen verzoeken om uw invloed aan te wenden ten einde de menschen te overtuigen dat ze verkeerd doen met te volharden bij padi-levering. Als u dan nog eenige inlandsche hoofden wildet mede ...."
"Neen, maar dat kan ik niet doen. Wel, neen, dat gaat niet. Men zou mij van buiten deze inmenging euvel kunnen duiden. Ik heb er immers niets mede te maken? Ik registreer alleen de overeenkomsten. Verder gaat mijn bemoeienis niet. Neen, dat kan niet!"
Van Dam schrok er van. Stel je eens voor als daar eens een verkeerde voorstelling van werd gegeven! En hij was heel beslist in zijn weigering.
De anderen begrepen dat zij op dit punt niet te zeer moesten aandringen, wilden zij geen argwaan omtrent de ware bedoeling van hun verzoek wekken.
"Ja, dat is waar," haastte zich Versnoek te antwoorden. "Daar dacht ik zoo gauw niet aan. U hebt gelijk, u hebt volkomen gelijk."
"Nietwaar?"
"Zeker, zeker. Enfin, dan moeten ze het maar zelf brouwen. Wij kunnen niet meer doen dan we doen. Maar u wilt toch zeker wel een kijkje nemen, want ik voorzie moeilijkheden en dan is het een geruststelling voor ons, ook tegenover de eigenaren, ziet u, wanneer wij naar u kunnen verwijzen in de verklaring, dat de wijziging der toestanden niet is te wijten aan slechte administratie of vexaties onzerzijds."
"O, zeker, dat wil ik u graag beloven. Ik was toch reeds van plan u te verzoeken mij bij u te ontvangen."
"Mooi, dat klopt dus prachtig. En mogen wij u dan de volgende week, laten we zeggen Woensdag, verwachten?"
"Woensdag, neen dat zal niet kunnen. Laat 's kijken: Wat dunkt u van Vrijdag?"
"Uitmuntend, het komt er voor ons op den dag niet aan. En zorgt u dan maar niet voor reisgelegenheid. Ik zal u het rijtuig wel hierheen sturen en mijnheer Nederman zal dan wel verder zorgen."
"Natuurlijk," zei Nederman.
"Ook goed. Dat is dus afgesproken."
"Maar dan is er nog iets. We moeten op alles voorbereid zijn, ziet u. En als de lui nou halsstarrig blijven bij den wensch om padi te leveren, dan moeten wij daarop rekenen. En het is noodig dat wij dan het aandeel padi van den landheer op het veld wegen. Anders is elke contrôle onmogelijk."
"Dat is begrijpelijk."
"Juist, en al zijn wij volkomen in ons recht daarmede, dit recht wordt ons niet uitdrukkelijk verleend in het reglement en natuurlijk zal men ons betichten van onwettige handelingen als we niet meer doen dan wat de wetgever natuurlijk bedoeld moet hebben. U zoudt ons daarom zeer verplichten met ons te machtigen de padi te wegen."
"H'm."
Van Dam zweeg en dacht na. Instinctief begreep hij dat hij aan het verzoek niet moest voldoen. De inkleeding kwam hem verdacht voor. Maar de drijfveer kon hij gissen noch raden.
"H'm. Ik geloof niet dat dit in mijn bevoegdheid ligt, mijnheeren."
"Niet?"
"Neen, ik zou u raden u te wenden tot den procureur-generaal. Dit is een justitie-zaak, ziet u, en competeert mij, bestuursman, niet."
"Maar het heeft toch absoluut geen beteekenis?"
"Neen, dat is wel mogelijk. Maar het gaat hier toch om een wetsuitlegging, hé? en daar houd ik mij liefst buiten. Waarlijk ik zou in uw plaats mij tot den procureur-generaal wenden."
Verder aandringen der bezoekers baatte niet. Van Dam wenschte zich niet in een wespennest te steken.
In den namiddag reden Nederman en Versnoek weer naar huis, na den rijken maaltijd bij Van Dam alle eer te hebben bewezen.
Dien avond en ook den volgenden dag bleef Nederman de gast van Versnoek. Dien tijd hebben zij benut met ongeveer gelijkluidende brieven te schrijven aan de hoofdadministraties te Batavia, de Nederlandsch-Indische Commercieele Bank en de firma Biederman en Van Lochem, waarin werd aangedrongen van den procureur-generaal machtiging te erlangen tot weging van de padi bij den snit.
Siman was vrij. Vrij om weer te gaan waarheen hij wenschte, vrij om zich te bewegen gelijk hij verkoos, om te doen en te laten wat hij wilde. Vrij om zijn wraak te koelen, een wraak, in de eenzame uren van zijn gevangenschap uitgegroeid tot een allesbeheerschenden hartstocht.
Dien morgen was de cipier hem komen mededeelen, dat hij kon gaan. En niet langer dan noodig was, had hij nog vertoefd te Telatiga. Hij ging weer gekleed in zijn oude plunje, die hij versteld had, en in zijn gordelband had hij het weinige geld, dat hem werd uitgereikt als zijn verdienste met gedwongen arbeid tijdens den gevangenistijd.
Hij was heen gestapt, voort naar het westen, al maar naar het westen, naar Alas Bamboe, naar Herea, naar Kario! Hij dacht in de eerste uren van zijn vrijheid niet aan eten of andere lafenis, niet aan rust. Hij liep maar voort, uur na uur.
Achter hem klapte een zweep en rolde een rijtuig: hij hoorde het niet. Eerst door een ruwen schreeuw van den koetsier schrok hij op en deed een sprong zijwaarts. Rakelings vlogen de wielen langs hem heen; de twee vurige Sandelwoods, schichtig geworden, trokken aan de teugels. Uit den wagen werd hem een scheldwoord naar het hoofd geslingerd:
"Minggir, asoe!"
Het was Nederman, die van Sapekan terug reed naar Alas Bamboe.
"Hond!" Ja, zoo was hij gescholden. Een schrijnende pijn ging Siman door het gemoed. Hij, een hond! Die blanke daar had hem een hond durven noemen! Wist die beul, die uitzuiger, dan dat hij uit de gevangenis kwam? Zou hij hem herkend hebben? Hij, die Europeaan, was ook schuld aan zijn leed, hij, die zijn ondergeschikten dwong om de bevolking te bedriegen en te bestelen. Zie, hoe schraal de sawahs weder stonden. Door de droogte! Dat was hier op Telatiga. Hoe zou het op Alas Bamboe zijn? En te Gatok? Hoe zou hij zijn oude moeder weer vinden en de zusjes, en zijn kleinen, lieven jongen? Wat zou die gegroeid zijn ...
En nog langen tijd peinsde hij zijn hersens moede, hoe het wederzien zijn zou? En de tijd, die hem nog scheidde van dat wederzien, leek hem langer dan de tien maanden, die hij in de gevangenis had doorgebracht. En toch weer, hoe zag hij op tegen de ontmoeting ...
Een onprettige verrassing wachtte Nederman bij zijn thuiskomst, wat hem dubbel onaangenaam stemde waar hij, moede door den langen rit in den wagen en gekweld door zorgwekkende gedachten, naar een oogenblik van verpoozing had verlangd. Het eerste, wat hij op zijn bureau zag liggen, was een brief van De Leeuw. "Spoed" stond er met groote, ronde letters op.
Nederman had bitter weinig lust om zich nu weer met zaken te occupeeren, maar hij begreep wel dat De Leeuw inderdaad dringende mededeelingen zou hebben. Hij opende de enveloppe en las. Aan zijn gelaatsuitdrukking was wel te zien dat het nieuws hem weinig aangenaam was. Het was dringend nieuws, dat De Leeuw mededeelde. En aan den datum zag de administrateur, dat de brief reeds twee dagen op zijn schrijftafel had gelegen, hetgeen door Karto, den huisjongen, ook werd bevestigd. De Leeuw, wetende dat de administrateur van het land was, had op schrift gesteld wat hij mondeling had willen behandelen, teneinde zijn chef zoo spoedig mogelijk te kunnen inlichten. En waarlijk, er was haast bij! De lieden van de desa Tegal Ombo hadden gezamenlijk geweigerd de vrijwillige overeenkomsten te teekenen: zij wilden padi leveren, niets anders dan padi, geen korrel rijst. De Leeuw, die vernomen had dat groote ontevredenheid onder het volk heerschte, had het noodig geoordeeld zich in de desa te vertoonen. Daar had hij de lieden voor zich doen verzamelen en van de oudsten van het dorp had hij vernomen waarom het ging. De aanleidende oorzaak van de plotselinge verbittering was weer de heerendienst geweest. De opgezetenen hadden weer meerdere en langere dagdiensten verricht dan waartoe zij rechtens verplicht waren. Enkelen hunner hadden geweigerd aan de prentah van den koewoe om uit te komen te voldoen en deze had toen een drietal doen opbrengen naar Sikarang, zooals steeds met weigerachtigen geschiedde. De koewoe wist niet dat de administrateur zich te Telatiga bevond; anders zou hij met de opzending wel gewacht hebben. Die arrestatie nu had kwaad bloed gezet.
Tegal Ombo is een desa, juist op de grens van de beide districten Alas Bamboe en Sikarang, en is bij laatstgenoemde afdeeling ingedeeld. De rijstvelden liggen evenwel voor het grootste deel in het district Alas Bamboe en het was wel vleiend voor De Leeuw dat de dorpelingen er op aandrongen dat de weigerachtigen naar zijn standplaats, Oeroettan, en niet naar Sikarang zouden worden gezonden. De Leeuw hoorde van een en ander, schreef op een velletje van zijn zakboekje een kort briefje aan Zevenaer te Sikarang, waarin hij hem ried de drie opgebrachten weder in wijsheid te stellen, wijl het er allen schijn van had dat zij onbillijk waren behandeld. Tevens meende hij Zevenaer den raad te moeten geven zich in persoon met de kwestie te bemoeien, wijl hier brandstof genoeg opgestapeld was om vlammen te veroorzaken. De ontevredenheid moest weggenomen worden. Voor het aanbreken van den dag nog werd De Leeuw, die weer naar Oeroettan teruggegaan was, uit zijn slaap gewekt. Er was roesoe te Tegal Ombo, zeide men. De koewoe was gevlucht; men had hem willen vermoorden. Dit nu was wel niet waar, maar de koewoe had het toch veiliger geacht zich onder de dadelijke hoede van De Leeuw te stellen, nadat hem de vijandige gezindheid van zijn dorpsonderhoorigen op zeer duidelijke wijze was gemanifesteerd. Met zijn geheele gezin was de koewoe in den nacht nog naar Oeroettan gekomen. Hij dischte vreeselijke verhalen op, om zijn eigen figuur te redden. Maar De Leeuw kende zijn volkje en bereidde het laffe dorpshoofd een warme ontvangst. Als de toestand bedorven moest worden, dan zeker was de vlucht van den koewoe daartoe de beste manier. Maar De Leeuw geloofde nog zoo erg niet aan een roesoe.
Toch was er al kwaad genoeg gesticht. Toen De Leeuw voor de tweede maal te Tegal Ombo kwam vond hij het huisraad in de woning van den koewoe vernield en diens beide paarden doodgestoken. Hij bleef in de desa om een voorloopig onderzoek in te stellen naar de daders van de gepleegde baldadigheid. Later op den dag kwam Zevenaer.
Nauw was De Leeuw te Oeroettan terug of hij moest een deputatie van desalieden te woord staan. Het waren menschen van Djampang Koelon, de oudsten van het dorp. Zij kwamen den opziener mededeelen, dat zij bezwaar maakten tegen den komenden oogst rijst te leveren als tjoeké; hoofdzakelijk omdat zij te groot percentage van de padi in rijst moesten opbrengen. De Leeuw maande hen aan, zich te bedenken; het gaf hun geen oentoeng wanneer zij soesah veroorzaakten. Het baatte niet. De vooruitzichten voor den komenden oogst waren zeer slecht, te slecht. Dat wist De Leeuw, evenals hij wist, dat de klagers gelijk hadden in hun klacht, dat ze te veel rijst moesten opbrengen.
Dit alles had De Leeuw in zijn brief aan den heer Nederman medegedeeld, zoo kort als hem mogelijk was. Tevens had hij den chef in overweging gegeven een ingesloten berekening voor de heffing van tjoeké-rijst op strikt billijken grondslag in te zien. Als deze heffing werd toegepast, zou, zoo meende de employé, bij genoegzame bekendmaking in de desa's, veel soesah voorkomen kunnen worden, veel verbittering weggenomen.
Nederman keek de berekening in.
Zij zag er aldus uit:
"Billijke Grondslag
voor een berekening van het door de bevolking op te brengen contingent tjoeké-rijst per picol natte padi.
Een picol natte padi levert bij indroging op 0.43 picol rijst. 0.80 picol, leverende bij verstamping tegen 54 % Hiervan af stamploon à 1/6 0.07 picol rijst. Rest 0.36 picol rijst. Witstampen: extrabetaling f 0.25 p. p., 2 X eten aan de stampsters, maakt tezamen f 0.40 p. p.; dat is voor 0.36 p. f 0.14. Marktwaarde: bij 50 % gebroken korrel f 5.-- 0.03 picol rijst. p. p. De door den tjoeké-plichtige uit te geven f 0.14 vertegenwoordigt derhalve de waarde van Rest 0.33 picol rijst. Deze rijst bestaat dus uit (± 50 %) 0.17 p. grof en 0.16 p. fijn. De tjoeké-rijst heeft een verhouding van grof tot fijn als van 4 tot 1. Derhalve in casu als van 17 tot ± 4, te zamen 0.21 picol. Blijft over fijne rijst 0.12 picol te 0.07 picol. gebruiken om in te ruilen tegen tjoekérijst. Marktwaarde van 0.12 picol fijn à f 3.50 p. p. = f 0.42. Marktwaarde tjoekérijst f 6.30 p. p., waarvan dus voor f 0.42 te krijgen is ongeveer Totaal 0.28 picol.
Dat wil dus zeggen, dat de bevolking redelijker wijze niet meer dan 28 katties tjoekérijst per picol natte padi behoeft te leveren."
"De berekening is prachtig, maar ik zal wel oppassen er in te komen. Dank je. Wij vragen nu veertig kattie en het zou dus een verlies beteekenen van een derde van den oogst. Jongens, ik zou de snuiten van de eigenaren wel eens willen zien, als ik ze dat kwam vertellen; neen, neen, alles goed en wel, De Leeuw heeft het grootste gelijk van de wereld, maar mij krijgt hij er niet toe!"
En hij lachte even om de naïeviteit van zijn employé. De Leeuw werd toch werkelijk lastig met zijn filantropie.
Nederman opende een brief van de hoofdadministrateuren Biederman en Van Lochem, door de post in zijn afwezigheid gebracht.
"Dat is grappig," zeide hij, "dat zal ik De Leeuw eens vertellen."
De hoofdadministrateuren schreven "dat de ontvangers der export-rijst over de qualiteit van het artikel begonnen te klagen, weshalve den administrateur in overweging werd gegeven de rijst nog wat witter en met minder percentage gebroken te doen leveren ..."
Siman was 's avonds laat te Gatok gekomen. Hij had zich schuil gehouden, uit schaamte. Het denkbeeld pijnigde hem dat al zijn dorpsgenooten hem met medelijden zouden nawijzen of met minachting zouden bejegenen. Daarom had hij het duister afgewacht om Pah Ran en de zijnen te ontmoeten.
Aarzelend, als met weerzin, kwam hij de desa in. Om niet het geheele dorp door behoeven te gaan, was hij buitenom over de galangans naar den zuidoostelijken ingang geloopen. Zijn huisje was bijna het laatste aan die zijde van den dorpsweg.
Hij zag in het licht der maan den staat van verwildering en verlatenheid, waarin nu de woning verkeerde, de woning, waar hij, zoo trotsch en gelukkig, zijn lieve, teere Djiah als zijn vrouw had ingeleid; waar zij korten tijd zoo gelukkig geweest waren; waar de kleine Rekso geboren was ... Die gedachten wondden hem en gaven nieuwe levendigheid aan zijn wraakzucht.
Toen kwam hij aan de woning van Pah Ran. Zouden de zusjes thuis zijn en z'n oude moeder? Hij waagde het niet de bamboezen deur open te duwen. Hij gluurde binnen door een reet, maar zag niets: in een der kamertjes slechts brandde een lichtje. Maar het was doodstil, en toch, hoorde hij niet snikken ...? Ja zeker, een vrouw schreide zacht. Zou hij binnen gaan? En als Pah Ran en de zijnen daar eens niet meer woonden? Maar waar zouden zij dan zijn? Waar zou hij zijn kleinen jongen dan moeten zoeken?
En, in de aandrift om te weten, klopte hij.
"Ja," riep een gesmoorde stem, "ik kom."
En achter de deur vroeg een vrouw: "Wie ben je?"
"Woont Pah Ran hier?" vroeg Siman terug.
"Ja, maar wat wil je?"
Siman had nu Mariams stem herkend.
"Ik ben Siman, Mariam."
Met een ruk werd de deur opengetrokken. Siman zag het droef gelaat van zijn mooi zusje, dat hem stil welkom heette.
"Ben je alleen thuis?"
"Neen, wij allen, alleen Djamin is er niet. Ben je nu vrij?"
"Ja, ik kom van Telatiga, regelrecht. Maar wat is er? Waarom huil je?"
"Moeder ... is ... stervende."
Siman zweeg.
Het was de straf des Heeren, die hem moest treffen, hem, omdat hij ook Djiah ... Neen, niet denken, niet zeggen. Zijn oude arme moeder ... ging ze naar vader? Zou ze waarlijk sterven? En de kinderen dan? Maar als zij hem zag, hem, Siman ...
Snel trad hij binnen; in het kamertje lag de oude vrouw op de harde balé, stil als was zij reeds een doode. Ipah steunde het magere, grijze hoofd in de handen, Djirah weende aan het voeteneinde. Pah Ran stond wat achteraf. Het was zoo stil, dat Siman de muggen om zich heen hoorde gonzen. De palita verlichtte slechts een kleine plek in het vertrekje. De aanwezigen keken nauwelijks op, toen Siman binnentrad. De stemming drukte hem. Hij keek rond, als zocht hij daar Rekso, zijn jongen. Die sliep rustig in het kamertje daarnaast. Toen ging hij naar de balé, knielde er bij neer, lei zijn hand op die der oude uitgeputte moeder ... Hij schrok. Die hand was koud, ijskoud ... Hij keek op, zag Ipah aan, verschrikt. Zij begreep, legde haar oor aan den mond der moeder,--zacht en voorzichtig lei zij het hoofd neer op het gore kussen. Toen luisterde zij naar den hartslag, schudde het hoofd ....
"Soedah matti" [223] zeide ze fluisterend.
Djirah begon luide te weenen.
De anderen bleven stom, buiten alleen schreide zachtjes Mariam. Toen ontwaakte Rekso; dringend schreide de kleine man en Ipah, het huismoedertje, nam hem op, suste hem, vergeefs echter. Siman nam hem van haar over, drukte het hoofdje tegen zijn wang, aaide en suste; de kleine bedaarde plotseling en lachte. Zou hij zijn vader herkend hebben? Maar Siman had weinig gedachte voor hem; hij was bedrukt en verstrooid. Dat was dus zijn thuiskomst ...
Hij lei den kleine weer in zijn wiegje, waar Rekso bleef doordreinen en drensen. De anderen bleven achter in het keukentje bij elkander zitten. Siman alleen was op de balé blijven zitten, zich overgevende aan zijn gedachten. Eerst toen de geburen kwamen, door Pah Ran gewaarschuwd, ging hij heen, naar buiten. Zij heetten hem welkom en dat drukte hem. Het weerzien was zoo droevig ...
Van Wetten zat met een aflevering van het tijdschrift "Het Recht in Nederlandsch-Indië" voor zich; hij had er in zitten lezen, lui in een langen stoel uitgestrekt. Vriendelijk brandde de groote kantoorlamp in het gezellige vertrekje. Een geurige sigaar lag, op het punt van uitgaan, op het aschbakje. Van Wetten zat stil na te denken over het gelezene. Het betrof de klachten van Pah Ran en de anderen, die, nu maanden geleden, bij hem geweest waren. Hij had die klachten geverbaliseerd; er waren, naar hem voldoende gebleken was, onrechtmatige handelingen gepleegd door den administrateur van Alas Bamboe, en met verwijzing naar artikel 37 van het reglement op de particuliere landerijen, had Van Wetten het proces-verbaal der klachten opgezonden aan den procureur-generaal.