Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Part 9

Chapter 93,548 wordsPublic domain

1e. De mensch is slechts vrij onder de voorwaarde van de ontwikkeling zijner geschiktheden; dientengevolge is elke verlenging van den arbeid, welke hem in deze ontwikkeling hindert, te veroordeelen als tegen-natuurlijk en als anti-sociaal. 2e. Van nu af beschouwen wij den arbeidstijd van 8 uren per dag als voldoende voor de voortbrenging van alle behoeften, die voor het leven noodzakelijk zijn. 3e. De associatie behoort alle pogingen in het werk te stellen om de tegenwaarde voor elke werkzaamheid te verzekeren, doordien zij een minimum van arbeidsloon voor een dienst bepaalt, die het individu aan de gemeenschap bewezen heeft.

Bij de behandeling van de kwestie van den vrouwenarbeid waren de fransche gedelegeerden wederom, geheel in de lijn van Proudhon,--die een zeer verwoed tegenstander van de vrouw als arbeidster was,--reaktionair. Zij oordeelden het noodig dat het Congres zich positief tegen elken vrouwenarbeid uitsprak, daar de vrouw niet in de fabriek maar in het huisgezin behoorde en zich aan het gezin en de opvoeding harer kinderen had te wijden. De vrouwenarbeid was, volgens de meerderheid van de fransche delegatie, "in physiek, moreel en sociaal opzicht een principe van ontaarding en een drijfveer van demoralisatie". Deze uitspraak ging een minderheid (Varlin en Bourdon) zelfs te ver.

Op het derde Congres, te Brussel gehouden (6-13 September 1868), waar de fransche delegatie de hulp van de eveneens door het Proudhonisme aangestoken belgische delegatie kon vinden, wist zij zelfs een lange resolutie aangenomen te krijgen, waarin het Congres, van de overweging uitgaande: "dat het heffen van rente een permanente bron van ongerechtigheid en ongelijkheid is" zich althans in beginsel uitsprak voor:

"De oprichting van ruilbanken, welke tot den kostenden prijs gedreven, de demokratiseering en de egaliseering (gelijkmaking) van het crediet ten doel zouden hebben en het verkeer tusschen producenten en consumenten vereenvoudigen, d.w.z. den arbeid onttrekken aan de heerschappij van het kapitaal en dit laatste zijn natuurlijke en gerechtigde rol zouden aanwijzen, die het als agent van den arbeid heeft."

Op het Congres van Brussel (5-11 September 1867) waren de fransche afgevaardigden, die zich op het vorig congres zelfs tegen de rationalisatie van mijnen, grond, spoorwegen etc. hadden verklaard, evenzeer in de Proudhonsche dogma's verstard. In het bijzonder was het de fransche afgevaardigde Tolain, die zijn leven trouwens als een zeer eerzaam Senaatslid geëindigd heeft, die de rechten van het individu verdedigde tegenover de "abstrakte gemeenschap". Hij betwistte deze in de eerste plaats het recht de hand op de arbeidsproducten van den individu te leggen als die zijn bijdragen en belastingen tot onderhoud van den staat geleverd had. Hij maakte er zijn tegenstanders op het Congres een verwijt van, de werking met de oorzaak te verwisselen, zoo dezen het eigendomsrecht als de oorzaak van de ellende der menschheid beschouwden. Hij meende dat men alle huurkontrakten in koopkontrakten moest veranderen, waardoor het eigendom in een bestendige cirkulatie gebracht zou worden en daarmede zou ophouden een schadelijke werking te hebben. Hiermede moest hand aan hand gaan een reorganisatie van het credietwezen, dan zou ieder misbruik van het privaat-bezit onmogelijk geworden zijn, zonder dat men tegelijk de vrijheid van het individu op eenigerlei wijze behoefde aan banden te leggen.

DESORGANISEEREND WERKEN.

De oppositie van de fransche Proudhonisten droeg over het algemeen een principieel karakter. Zij was een poging om de arbeiders-internationale den weg van een soort hervormingsarbeid op te drijven, die, binnen het raam van de kapitalistische produktiewijze blijvend, eerder nog de strekking had deze te conserveeren dan te revolutioneeren. Deze pogingen konden door de toenmaals vooral reeds in Engeland bestaande, praktische arbeidersbeweging genoegzaam bestreden worden. Reeds de werkelijkheid leerde toch met één oogopslag dat in eenigermate vergevorderde industrielanden een zoodanige terugkeer naar verouderde economische verhoudingen niet meer mogelijk was.

In 1869 betrad Bakoenine de kampplaats van de "Internationale" en aan zijn naam zou sinds dien het desorganiserend werken van een geestdrijverssekte verbonden zijn, die deze jonge plant weldra zoude doen verdorren.

De "Internationale" was min of meer een wereldbeweging geworden en hare roepstem had allerwege het proletariaat wakker gemaakt. Door haar en in haar was er beweging gekomen, proletariërsbeweging. Maar het spreekt van zelf, dat, gegeven de groote onklaarheid onder de arbeiders zelven, hier tevens een terrein was geschapen voor allerhande soort van sektegeest en demagogenlust, waaraan geen enkele jonge beweging in staat is te ontkomen.

Bakoenine wendde zich tot het Congres van Brussel eerst met het verzoek dat de "Internationale" zich zou verbinden met de "Liga voor Vrede en Vrijheid", een soort burgerlijk vredesverbond, bestaande uit een allegaartje van republikeinen en vrienden van den vrede; het Congres wees dit voorstel van de hand. Toen ging Bakoenine zelf naar de "Liga" en stelde voor dat haar Congres zich zou uitspreken voor de "economische en sociale gelijkstelling der klassen", waarmede hij echter in de minderheid bleef. Na aldus bij de burgerlijke heeren afgedaan te hebben, zocht Bakoenine het bij de arbeiders. Hij stichtte tegelijkertijd reeds aparte sekties van genoemde "Liga", die tevens sekties van de "Internationale" zouden kunnen zijn. Dat de Generale Raad van laatstgenoemde organisatie zich daartegen wel verzetten moest, spreekt van zelf. Het was de desorganisatie binnenvoeren. Toen begon Bakoenine een felle campagne tegen de bevoegdheden van den Generalen Raad, tegen diens centrale macht en dictatoriale aanmatiging, hij, die op het congres van Basel, dus kort te voren, nog van meening was dat de bevoegdheden van den Generalen Raad niet ver genoeg reikten en, met het oog op het internationale karakter van de Associatie, het noodzakelijk was, die bevoegdheden uit te breiden, gelijk hij dan ook voorstelde.

Den 22en December 1868 schreef Bakoenine aan Karl Marx een langen, plechtigen brief, in de meest vleiende, liefelijke bewoordingen vervat, waarin hij verklaarde, "sedert zijn afscheid van het (burgerlijk) vredescongres van Bern geen ander genootschap meer te zullen erkennen dan de Internationale." "De Internationale tot welker meest beteekenende oprichters gij behoort, is van nu af mijn vaderland. Gij ziet, mijn lieve vriend, dat ik uw leerling ben--en ik ben trotsch er op, dat ik het ben.--Dat is genoeg om u mijn positie en mijn persoonlijke gezindheid te verklaren".... [11]

Verder verklaart Bakoenine in dienzelfden brief dat hij het met Marx volkomen eens is, dat de uitdrukking van de "gelijkmaking van klassen en individuen" door hem op dat vredescongres gebruikt valsch was, maar dat hem die formuleering "was opgedrongen door de domheid en de eindelooze onervarenheid van ons bourgeoispubliek."

Niettemin, dit hier tusschen haakjes, verklaarde zijn eigen, eenigen tijd later, in 1869, opgerichte "Alliance" in paragraaf 2 van hare statuten eveneens: "Zij (de Alliantie) wil voor alles de politieke, economische en sociale gelijkstelling van de klassen." En dit nog wel in tegenstelling tot de zeer klare woorden, die het antwoord van den Generalen Raad der Internationale bevatte, dat: "niet de gelijkmaking van de klassen, die een logische tegenspraak was, maar veel meer de afschaffing van de klassen... het groote doel was van de Internationale Associatie der Arbeiders."

Bakoenine ging, terzelfdertijd dat hij Marx deze verklaring deed, reeds met de plannen rond, om de "Internationale" uiteen te doen springen. Hij zocht dat te doen door de stichting eener geheime Alliantie. Hij maakte zich meester van de romaansche sektie te Lachaux-de-Fonds, stelde toen aan den Generalen Raad bepaalde eischen, en toen die werden afgewezen, begon hij zijn campagne openlijk. Hij kreeg de federatie der Jura, de spaansche en de belgische federaties aan zijn zijde en bracht met zijn werken gedurende enkele jaren de Internationale zooveel schade in haar prestige toe, dat deze, èn door inwendige tweespalt èn nog meer door de caricatuur die hij van haar en hare beginselen, doel en taktiek maakte, wel niet lang meer leven kon. Bakoenine had haar voor een deel door sluipmoord ondermijnd, voor een ander deel zoodanig gecompromitteerd, dat haar leven onmogelijk werd.

Dit alles hoort hier thuis, omdat het de oorsprong van het anarchisme als beweging is geweest, de overplanting van op zichzelf onschadelijke en reaktionaire theorieën van enkelen, van eenlingen, in de arbeidersbeweging. Het was een zich bij elkander voegen van allerlei verwards, overleefds en kleinburgerlijk utopisch, dat zich natuurlijk in de arbeidersbeweging bevond en daarin, eveneens natuurlijk, naar uiting zocht.

Bakoenine verstond het, zeer zeker, aan al die verwarde voorstellingen, klein-burgerlijke vooroordeelen en utopische gedachten uitdrukking te geven. Zoo werd voor het eerst in de arbeidersbeweging het anarchisme geschapen, dat als een deel van die beweging voortaan zou leven. Door Bakoenine's werken in de theorie vooral kreeg deze chaos van dikwijls fel tegen elkander indruischende denkbeelden, dat mengsel van radikalisme en achterlijkheid, vasten vorm; hij kneedde er een theorie van, die echter veel meer taktiek dan theorie was. De taktiek was saam te vatten in hetgeen Bakoenine zelf in een zijner programs als het doel van de Revolutie omschreef.

"Wij vatten de revolutie op in den zin eener ontketening van al wat men heden ten dage de booze hartstochten noemt."

Was het wonder dat zijn tegenstanders in de arbeidersbeweging Bakoenine toeriepen: "Als gij geen betaald regeeringsagent zijt, dan is het toch wel zeker, dat geen betaald agent de beweging meer schade zou hebben kunnen doen dan gij!"

Het congres van de "anti-autoritaire" alliantie, de volgelingen van Bakoenine, besloot te St. Imier in 1872 tot deze regelen van taktiek:

1e dat de omverwerping van elke politieke macht de eerste taak van het proletariaat was;

2e dat elke organisatie eener zoogenaamde voorloopige en revolutionaire politieke macht, niets was dan bedriegerij en even gevaarlijk voor het proletariaat als die van de thans bestaande regeeringen.

Op het congres in 1872 te 's Gravenhage gehouden, werd tot uitsluiting van Bakoenine en dergelijken, op grond van dat desorganiseerend optreden besloten en de zetel van de "Internationale" naar New York verlegd, wat praktisch met een opheffing van de gansche "Internationale" gelijkstond.

Bakoenine's "Alliantie" leefde evenwel voort, nadat zij door hem zelven geheel en al met zijn geest van desorganiseerend, vernielend anarchisme was vervuld. Haar doel was overal den sociaal-demokratischen geest uit te roeien en in plaats van de organisch werkende taktiek van de arbeidersklasse, de catastrophe-taktiek te plaatsen, die vooral in Italië, Spanje en ook in België hare vernielende uitwerking op een normale ontwikkeling van de arbeidersbeweging niet heeft gemist.

Reeds bij de behandeling van Bakoenine's theorieën en van zijne propaganda hebben wij de herkomst van zijn anarchisme gezien. En het is alweer merkwaardig dat ook deze "theoreticus" van het anarchisme, die, evenals Stirner zijn vereerder in John Henry Mackay gekregen had, den zijne vond in een zekeren Dr. Max Nettlau, door de latere anarchisten van de school van Kropotkine nauwelijks meer wordt genoemd. De meester van het neo-anarchisme zelf gaat hem ook smadelijk voorbij. En toch, het moet worden geconstateerd, heeft niemand zooveel gedaan voor het anarchisme in de arbeidersbeweging, dan Bakoenine.

EEN BLOEITIJD.

Na den val van de Commune van Parijs in 1871 was de revolutionaire strooming onder de arbeiders, d.w.z. de revolutionaire strooming in den goeden en organisatorischen zin, vooral in de romaansche landen lam geslagen. De engelsche arbeiders vervielen wederom in hun oud isolement, waaruit zij door het werken en den onmiddellijken invloed van de "Internationale" losgerukt waren, en de oorlog tusschen Duitschland en Frankrijk had aan de arbeidersbeweging over het algemeen niet bizonder goed gedaan. De parijsche "Commune", dit moet hier even worden aangestipt, was geenszins een sociaal-demokratische beweging, maar een kleinburgerlijk-socialistische, in den zin van het Proudhonisme, in den utopischen zin des woords.

Bakoenine had er evenwel voor gezorgd, dat overal in de landen waar zijn invloed meer of minder groot was, terroristische stroomingen opkwamen, die langs den weg van het meest ruwe geweld de "revolutionaire aktie" poogden in het leven te roepen door middel van "de propaganda van de daad." Een van de sekties van Bakoenine's "Alliantie", die van de Jura, was inzonderheid de wieg van deze soort van revolutionaire aktie en haar onmiddellijke leider was Paul Brousse, de redakteur van de "Avantgarde" ("Voorpost").

Deze predikte aanslagen op den eigendom, oproeren etc., om de aandacht op de partij te vestigen; hij zelf trachtte later, na zijn verbanning uit Zwitserland, in Frankrijk een aparte socialistische partij te stichten, die der "Possibilisten", met het doel om de daar na 1878 opkomende sociaal-demokratie tegen te werken.

Als de anarchistische theoretici beweren dat geweld met anarchisme niets heeft uit te staan, ja, gelijk vooral de neo-anarchisten à la Kropotkine dat doen, het onmiddellijke, materieele geweld zelfs gladweg en met stalen voorhoofd verloochenen, dan dekt zich dat wellicht voor een groot deel met hun tegenwoordig werken, althans in het noord-westen en het midden van Europa,--in Spanje is het anarchisme nog wel degelijk terroristisch,--voor hun verleden geldt dat niet. En niet alleen niet voor het verre verleden, maar voor het anarchisme van de laatste vijf-en-twintig jaren zelfs is dat het geval niet.

Deze verloochening van zijn verleden is wederom kenmerkend voor de verbazende evolutie, die het anarchisme in de laatste kwart-eeuw onder de werking van de moderne arbeidersbeweging doorgemaakt heeft. Men kan inderdaad zeggen, dat de praktische arbeidersbeweging het anarchisme heeft getemd en er veel meer dan alle nationale en internationale politie bij elkander in is geslaagd om de zoogenaamde "revolutionaire aktie" door middel van de terroristische "propaganda" uit de wereld te helpen.

In de eerste jaren van 1870 evenwel beleefde dat terroriseerend optreden van het anarchisme in enkele landen zelfs triomfen. Opstanden en aanslagen, zij waren in landen als Italië en Spanje niet van de lucht, moord en brand werden ten slotte zelfs geliefkoosde wapenen van gansche benden, die in naam van het anarchisme den eigendom den heiligen oorlog te vuur en te zwaard hadden verklaard. Dat een taktiek, als door Bakoenine en zijn "Alliantie" aanbevolen en overal gepropageerd, tot dergelijke verschrikkelijke uitspattingen leiden moest, was wel te voorzien. Als men roof en plundering, ondermijning van elke goede trouw, list, leugen en bedrog tot grondbeginselen van taktiek maakt, dan zal men, spoediger dan men het zelf weet, een toestand geschapen hebben, waarbij men welhaast de principieele propaganda door de daad niet meer zal kunnen scheiden van den niet-principieelen diefstal, de plundering, de onderlinge bedriegerij en het wederzijdsch verraad.

En wat aangaat deze laatste manier, om een beweging tot op haren bodem te bederven, daarvan had Bakoenine door het prediken zijner allerdolzinnigste beginselen van taktiek het sterkste voorbeeld geleverd. Zoo heette het o.a. in den "Revolutionairen Cathechismus", die door den Generalen Raad van de "Internationale" naar aanleiding van een opdracht van het Congres van den Haag was gepubliceerd, en waarvan Bakoenine de opsteller was: "dat een revolutionair met alle middelen diegenen dient te exploiteeren, welke rijkdom, konnekties, invloed en macht bezitten; dat hij dezen in zijn strikken moet zien te vangen, om zich in het bezit van diens geheimen te stellen en hem zoo tot zijn slaaf te maken"... ("L'Alliance et la démocratie socialiste", pag. 93).

Aldus hadden Bakoenine en zijn waardige medestander Netsjayeff dan "school" gemaakt. Het is wel begrijpelijk, waarom Kropotkine e.d. naderhand hun best gedaan hebben om den ouden propagandist van de daad te doen vergeten!

Wij zien af van een schildering van al het geweldige kwaad, dat de "revolutionaire aktie" gebrouwen heeft en van de manier waarop deze taktiek de politie telkens de middelen aan de hand deed om de beweging in hare hinderlagen te lokken en de geschiedenis van dat half-krankzinnig, half politie-anarchisme zullen wij niet verder vervolgen, doch wij slaan een korten tijd over en naderen de tachtiger jaren. Het zijn de jaren van de groote aktie van het anarchisme dat, hoewel nog volkomen op den bodem van het Bakoeninisme staande, bezig is te pogen een deel van de arbeidersbeweging met zich mede te sleepen.

Behalve in Frankrijk, waarover aanstonds meer, was het anarchisme ook in Duitschland den kop gaan opsteken. Ofschoon van oorsprong duitsch in zijn Stirnerschen vorm, had het anarchisme op de door Lassalle gestichte arbeidersbeweging geen vat gekregen. Hoewel de Proudhonistisch-getinte socialisten Mozes Hess en Karl Grün op anarchistische wijze schreven, kon de anarchistische idee in Duitschland geen bodem vinden. De Duitsche arbeidersmassa's waren voor deze verwarringstichtende taktiek nooit te vinden geweest. Na de ontzaglijke vlucht van de politieke beweging in Duitschland omstreeks 1875, meende de geweldmensch Bismarck haar een vernietigenden slag te kunnen toebrengen door in 1878 zijn "socialistenwet" door te zetten. Aan de afkondiging van de wet waren twee aanslagen op keizer Wilhelm I voorafgegaan, een van Hödel en een van Dr. Nobiling, die men voor het gemak toeschreef aan den invloed van de sociaal-demokratische propaganda. Voor het gemak, want van Hödel moest geconstateerd worden dat hij eigenlijk niet toerekenbaar was en van Nobiling kon zelfs worden vastgesteld dat hij de vergaderingen van de nationaal-liberalen, in plaats van die der sociaal-demokraten bijgewoond had. Desniettemin was dit voor de Duitsche Regeering een aanleiding de wet van 1878 uit te vaardigen, waarbij de sociaal-demokratische propaganda geheel werd onderdrukt.

Van de groote verwarring die deze regeeringsmaatregel onder de duitsche arbeiders in den allereersten tijd deed ontstaan was het dat Johan Most, voormalig Rijksdaglid voor Chemnitz en bekend sociaal-demokratisch propagandist, gebruik maakte om te pogen de duitsche arbeidersbeweging in andere banen te leiden dan die waarin ze sedert Lassalle, en onder leiding van Liebknecht, Bebel en anderen tot nog toe zich had bewogen. Hij begon niet aanstonds, maar langzamerhand het anarchisme van de daad te prediken, het Bakoeninisme, de voorbereiding van de "sociale revolutie" door middel van het terroriseeren, het in angst brengen van regeering en bourgeoisie. Most werd langzamerhand in Europa de tweede apostel van het geweld in al zijn vormen, van "de glorieuze dynamietbom, die bestemd scheen te zijn de menschheid te bevrijden", gelijk hij het zelf uitdrukte in zijn blad Freiheit van Maart 1881, na den moord op czaar Alexander II.

Most had evenwel van zijn werken, onder duitsche arbeiders althans, maar zeer weinig pleizier. Uit Duitschland naar Londen gevlucht, poogde hij vandaar invloed uit te oefenen op den gang van de beweging in Duitschland. Maar hij deed dit zoo, dat men genoodzaakt was hem op het Congres te Wyden in 1880 uit de partij te zetten, daar het bleek dat hij in strijd met elke goede trouw handelde en kennelijk van geen andere bedoelingen uitging, dan om de duitsche sociaal-demokratie te discrediteeren en hare leiders te compromitteeren.

Met 1880 omstreeks komt de derde apostel van het anarchisme ten tooneele. Kropotkine doet zijn intrede en begon in de anarchistische beweging, gelijk die zich voornamelijk in Zwitserland concentreerde, een handelende rol te vervullen.

In 1880 vond een congres van anarchisten te Lyon plaats en het was aan alles te zien dat er voor het anarchisme in Frankrijk een tijdperk van bloei zou aanbreken. Groepen werden gesticht in Vienne, St. Etienne, Villefranche, Creuzot, Parijs, Marseille en Rijssel, twee bladen verschenen, de Droit Social in Lyon en de Révolution Sociale in Parijs. Elisée Réclus, een beroemd geograaf, Gautier en Kropotkine werden de meest op den voorgrond tredende leiders van de beweging. Deze laatste was nog overwegend terroristisch, d.w.z. stelde het onmiddellijke geweld op den voorgrond. Dat het anarchisme in Frankrijk in dien tijd zoozeer van zich deed spreken, kwam doordat het een nieuwen voedingsbodem vond. Er was door den geweldigen arbeid van fransche sociaal-demokraten, onder wie Jules Guesde en Paul Lafargue, voor het eerst na den val van de Commune weder een georganiseerde sociaal-demokratie gekomen en het anarchisme kreeg daardoor eigenlijk eerst recht den bodem waarop het zich ontplooien kon.

Het gevolg van het terroriseerend optreden van het anarchisme was een aantal persoonlijke aanslagen, zoowel op regeeringspersonen als op gewone bourgeois. Een reeks die geopend werd met den aanslag van Emile Florion, in October 1881, die eerst probeerde Gambetta te dooden, doch daar hij dien niet vinden kon, zijn schot op een zekeren Dr. Meymar, een onbekend persoon, loste. Daarna de opstand van Montceau les Mines, 15 Augustus 1882, waarna 23 mijnwerkers werden veroordeeld tot meer of minder zware straffen, "wegens plundering en brandstichting in gemeenschap gepleegd."

Den 14en Juli 1881 had een congres van anarchisten te Londen plaats, waarop o.m. ook ter sprake kwam het samenstellen van een program, het inrichten van de organisatie en het bespreken van de aktie. Men poogde daar een zekere verstandhouding te krijgen met die elementen uit de fransche socialistische beweging welke geenszins terroristisch waren, maar revolutionair in de Blanquistische beteekenis van het woord. De grondslag van dit program was dat van het congres der Bakoeninistische "Alliantie", in 1873 te Genève aanvaard.

Betreffende de taktiek werd deze resolutie aangenomen:

"Het Congres verklaart het volstrekt noodzakelijk, met alle mogelijke middelen door de daad de revolutionaire idee en den geest des opstands te verbreiden onder het grootste deel der volksmassa, die nog geen aktief deel aan de beweging neemt en zich nog illusies maakt over de moraliteit en de werkzaamheid van de wettelijke macht. Doordien wij het wettelijke gebied verlaten, waarop men tot heden in het algemeen is gebleven, om onze aktie op het gebied van de onwettelijkheid over te brengen, die de eenige weg der revolutie is, is het noodzakelijk naar middelen te grijpen, die met het doel overeenstemmen. De vervolgingen, waaraan onze publieke personen blootstaan, dwingen ons van nu af tot een geheime organisatie. De propaganda door de daad is op het land van nog grootere werkzaamheid dan in de stad.

Daar de technische en chemische wetenschappen bereids groote diensten aan de revolutionaire zaak bewezen hebben en voorbestemd zijn er nog meer te bewijzen, zoo beveelt het Congres alle organisaties en medeleden aan, groote waarde te hechten aan de studie en de toepassing dezer wetenschappen als een middel van aanval en van verdediging."