Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Part 10

Chapter 103,457 wordsPublic domain

Er volgde een zeer levendige agitatie van het anarchisme in Frankrijk; de bladen rezen als paddestoelen uit den grond op. Op het tweede anarchisten-congres van Genève, 12 Augustus 1882, was, in tegenstelling tot het vorige, geen sprake van eenige toenadering tot andere groepen van socialisten. Daar scheidde men zich juist weder van de overige partijen af en werd besloten tot het uitgeven van een manifest, dat helder zou zeggen wie en wat men was. Daarin komt dan ook deze verklaring voor:

"Als anarchisten, d.w.z. als menschen zonder regeering, bestrijden wij een ieder, die zich een of andere macht over anderen aanmatigt, zoowel den bezitter, den fabrikant, als iederen staat, ook den socialistischen.

Iedere gedachte aan autoriteit stuit ons tegen de borst, iedere wet is onze vijand. Ons doel is de vernietiging van iederen staat door een revolutionaire beweging; alle wettelijke middelen, ook het algemeen kiesrecht, verafschuwen wij. Daar evenwel de individueele vrijheid niet dan in vereeniging met andere vrije genooten bestaan kan, daar een ieder de ondersteuning van den ander noodig heeft, daar vervolgens ieder sociaal produkt een werk van het geheel is, waarvan aan allen een gelijk aandeel toekomt, daarom zijn wij ook kommunisten. Wij willen het gemeenschappelijk eigendom veroveren en verdedigen."

In October 1882 hebben te Lyon twee dynamietaanslagen plaats, een voor het militiebureau en de ander voor het café Bellecour; voor den laatsten aanslag wordt een jong anarchist, met name Cyvoct, aansprakelijk gesteld. Daarop volgt het groote anarchistenproces tegen Kropotkine met 65 anderen wegens hunne medeplichtigheid aan deze daden van geweld. Het was bij deze gelegenheid, dat Kropotkine in zijn redevoering Proudhon als den "vader van het anarchisme" aanwees. Kropotkine zelf werd tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld, van welke hij twee jaar later werd ontheven, waarna hij zich metterwoon te Londen vestigde.

Behalve voor Frankrijk was het ook voor het anarchisme in Spanje en Oostenrijk een zeer vruchtbare tijd.

In het eerstgenoemde land waren zelfs gansche benden plunderaars geruimen tijd bezig heel Andalusië te terroriseeren, de beruchte Mano Negra (zwarte hand) o.a., die van stad tot stad trok, om de oogsten te vernietigen, boerderijen en huizen in brand te steken, bommen in kerken te werpen, het vee te vergiftigen, rijke grondeigenaren te vermoorden, overal verwoestend, plunderend en vernietigend op te treden en gedurende twee jaren de schrik van de gansche provincie te wezen. [12]

De Spaansche regeering trad daarna ontzettend reaktionair op, met uitzonderingswetten en doodstraffen vervolgde zij al wie zij maar in hare handen kon krijgen. Zeven anarchisten ondergingen de doodstraf, honderden anderen werden tot levenslange of langdurige gevangenisstraffen veroordeeld.

Tengevolge van de "propaganda door de daad" dier Mano Negra, zag de voorzitter van het in October 1883 plaatshebbend anarchisten-congres te Valencia zich genoodzaakt te verklaren, dat de "Arbeidersfederatie," d.w.z. de federatie van anarchistische groepen in Spanje, was: "een eerbiedwaardig en nobel gezelschap, welks ideaal, zij het dan ook in meerdere of mindere mate droombeeldig, toch in elk geval een waardig en een verheven was." [13]

Er had daarna een scheiding plaats tusschen terroristische en principieele anarchisten eenerzijds en individualistische en communistische anarchisten anderzijds, doch daar zoowel de meest wilde anarchist van de daad als de gemoedelijkste aanhanger van de leer van Proudhon vervolgd werd door de Spaansche regeering, kon deze scheiding al evenmin leiden tot de normale oplossing waartoe de ontwikkeling van het anarchisme in sommige andere landen, waar het overheerschend was, geleid heeft. Voornamelijk het anarchisme, gelijk er dat door de propaganda der Bakoeninisten was inheemsch geworden, dat den revolutionairen opstand als het eenig afdoend middel beschouwde om de gemeenschappelijkheid van den eigendom te veroveren en dat elke politieke aktie niet alleen verwierp, maar ten scherpste bestreed,--dat soort anarchisme bleef er zijn vat op de massa behouden, voorzoover deze laatste over het geheel aan eenige aktie deelnam.

In Oostenrijk was eveneens in dien tijd een deel van de beweging onder leiding van de zich noemende "radikalen" gekomen, die, gelijk al de zoogenaamde "radikale" stroomingen in de arbeidersbeweging, begonnen met de politieke aktie en het ijveren voor arbeidswetgeving enz. niet "radikaal" genoeg te vinden en deze akties als voor de ontvoogding van het proletariaat van onwaarde te verwerpen, maar vervolgens met meer of minder duizelingwekkende snelheid de beweging naar den afgrond van het Bakoeninistisch anarchisme trokken.

Deels onder den invloed van de geschriften van Johan Most, die in Oostenrijk verreweg meer dan in Duitschland zelf aftrek vonden, anderdeels onder den invloed van russische terroristen, ontstond er in Oostenrijk een richting die weldra omstreeks 1883 de gansche vooruitstrevende oostenrijksche arbeidersbeweging in absoluut anarchistisch-terroristisch vaarwater sleepte.

Oprichting van geheime clubs en geheime drukkerijen, verbreiding van de meest bloedige vlugschriften, straatoproeren en het droomen van "opstanden", dat was wat men van dat oostenrijksch anarchisme, onder de leiding van Joseph Peukert en Fleuron, in overeenstemming met hetgeen te Londen in het eigenlijke anarchistische hoofdkwartier werd klaargemaakt, in het openbaar zag. In het geheim en meer individueel sloeg men ook daar over tot het bedrijven van een aantal gewone boevenstreken, diefstal, plundering etc., die dan natuurlijk door de officieele leiding werden verloochend, maar waarbij, gelijk in het beruchte Merstallinger proces, overtuigend bleek dat terroristisch anarchisme en boevenbedrijf eigenlijk nauw samenhangen en de boeventaktiek eigenlijk de laatste konsekwentie is van het terroristisch anarchisme. De jaren 1882-1884 waren voor de oostenrijksche arbeidersbeweging inderdaad zoo verschrikkelijk, dat het allengs niet meer mogelijk was den principieelen anarchist van den niet-principieelen, maar door de politie betaalden, geheimen opruier te onderscheiden.

De regeering, die dat anarchisme aanvankelijk zijn gang liet gaan, ja zelfs zijn vernielingswerk op de gansche arbeidersbeweging blijkbaar met welgevallen zag, was ten slotte wel genoodzaakt in te grijpen en onder den indruk van de aanslagen van Kammerer en Stellmacher, die hunne schelmenstreken onder het masker van anarchisme bedreven, vaardigde zij uitzonderingswetten uit, die van zoodanigen aard waren dat zij, gelijk overal in dergelijke gevallen, het geheele bestaan der arbeidersbeweging haast onmogelijk maakten. De politie kreeg de noodige macht en bevoegdheid om vereenigingen te ontbinden en het vergaderen onmogelijk te maken; kortom, de gansche vrijheid, die de beweging tot nog toe bezeten had, werd haar geheel en al ontnomen. De voornaamste anarchisten wisten te ontwijken, Joseph Peukert, naar men zegt, zelfs met geld van de politie. [14]

Nadat het de regeering gelukt was de beweging te vernietigen en het anarchisme anderzijds zichzelf volkomen onmogelijk gemaakt had, leefde een paar jaren later de oostenrijksche arbeidersbeweging onder een nieuwe, sociaal-demokratische agitatie weder op.

Ook in België had zich in dien tijd het anarchisme sterk weten te ontwikkelen; ook daar had het Proudhonisme en het Bakoeninisme, vooral in de mijnwerkersdistricten, vasten voet gekregen en ook daar hadden de denkbeelden van Most een niet geringen invloed gehad. De anarchistische periode was voor de belgische arbeidersbeweging evenwel een crisis die zij vrij spoedig wist te overwinnen en die zij reeds in het midden der tachtiger jaren weder te boven was.

Ten slotte moet hier nog aan den noodlottigen afloop der anarchistische agitatie in Amerika worden herinnerd, die haar treurig einde feitelijk in het beruchte proces van Chicago in 1886 gevonden heeft, waarbij acht blijkbaar onschuldige mannen door de politie als de daders van een dynamietaanslag op den avond van den 4en Mei werden gearresteerd. Gedurende het proces bleek reeds dat de politie zelf hier de hand in het spel gehad had. Desniettegenstaande werden zeven personen ter dood veroordeeld, van wie er drie deze straf inderdaad ondergingen, een in de gevangenis een einde aan zijn leven maakte, en de overigen zware gevangenisstraffen, tot 15 jaren toe, moesten ondergaan. Deze martelaren van Chicago worden nog altoos door de anarchisten herdacht; ten onrechte; voor het meerendeel waren het mannen die met de gansche aanslagenzaak niets te maken hadden en waren het voorstanders van een achturigen arbeidsdag.

DE TERUGDRINGING VAN HET ANARCHISME.

Tot dusver was de werking van het anarchisme, in die landen waar het vasten voet kon krijgen en zelfs daar waar het de tijdelijke heerschappij in de arbeidersbeweging bezat, overal nagenoeg dezelfde. Het werd, behalve in Spanje, gaandeweg in de verschillende moderne landen weer teruggedrongen tot de min of meer ongevaarlijke positie van een sekte met geheime clubs, waar de verschillende plannen tot omverwerping van de maatschappij konden worden uitgebroed. Langzamerhand kwam dan ook onder de anarchisten zelf meer een zoogenaamd vredelievende agitatie voor het communisme, altoos in den vorm van een vrije-groepen-communisme, naar den voorgrond en het Bakoeninisme week al meer en meer, door zijn eigen onzinnigheid onmogelijk gemaakt, naar den achtergrond.

Men werd meer algemeen communistisch-anarchist of legde zich op de propaganda van de "zuiver economische aktie" der vakvereenigingen toe, twee soorten van anarchistische vermomming, die wij afzonderlijk zullen behandelen.

In 1889 had weder het eerste internationaal congres van sociaal-demokraten uit alle landen plaats en was er weder een nieuwe internationale bodem geschapen voor den gemeenschappelijken strijd van het moderne proletariaat. Het anarchisme vertoonde zich evenwel niet, daar het in de verschillende landen nagenoeg geheel met machteloosheid was geslagen.

Reeds in 1887 had de duitsche sociaal-demokratische partij op haar Congres van St. Gallen bij monde van Wilhelm Liebknecht stelling genomen tegenover het anarchisme; de volgende resolutie werd met algemeene stemmen aangenomen:

"Het Congres verklaart de anarchistische samenlevingstheorie, in zooverre zij de absolute autonomie van het individu nastreeft, voor anti-socialistisch, voor niets dan een eenzijdige uitbeelding van de grondgedachten van het burgerlijk liberalisme, schoon zij ook in hare kritiek op de tegenwoordige maatschappelijke orde van socialistische gezichtspunten mag uitgaan. Zij is voor alles onvereenigbaar met den socialistischen eisch van de socialisatie der productiemiddelen en van de sociale regeling van de voortbrenging en loopt, als niet de produktie zou moeten worden teruggedrongen, op de dwerggestalte van het kleine handwerk, op een onoplosbare tegenspraak uit. De anarchistische verheerlijking en de uitsluitende toelating van de geweldpolitiek, berust op een grof misverstand omtrent de rol van het geweld in de geschiedenis der volken.

"Het geweld is even goed een reaktionaire als een revolutionaire faktor, het eerste zelfs vaker dan het laatste. De taktiek van de individueele toepassing van het geweld leidt niet tot het doel en is, in zooverre zij het rechtsgevoel der massa krenkt, positief schadelijk en daarom ook verwerpelijk.

"Voor de individueele gewelddaden van tot op het uiterste vervolgden en opgejaagden maken wij de vervolgers en opjagers verantwoordelijk en begrijpen de neiging daartoe als een verschijnsel, dat zich ten allen tijde onder dergelijke verhoudingen vertoond heeft en dat tegenwoordig door betaalde agents provocateurs (politieophitsers) voor de doeleinden der reaktie tegen de arbeidende klassen wordt benuttigd."

Deze houding werd ook in het vervolg door de sociaal-demokraten van alle landen aangenomen. Anarchisme en sociaal-demokratie werden, in elk land, onverzoenlijke tegenstellingen in de arbeidersbeweging en de laatste beschouwde het als haar plicht om het streven van het anarchisme, onder iederen vorm, den kop in te drukken.

Het was eigenaardig dat een zekere anti-politieke strooming, die in Duitschland omstreeks 1890 ontstond en onder den naam van de agitatie der "Jungen" een korten tijd de aandacht op zich vestigde, het sein tot eenige wederopleving van het anarchisme in de internationale arbeidersbeweging was. Eenigen tijd daarna werden ook in Nederland duidelijke sporen merkbaar van een toenemend anarchistischen geest, die, gelijk dat overal pleegt te geschieden, begon met twijfel te opperen aan de deugdelijkheid der strijdmiddelen, der taktiek van de moderne arbeidersbeweging, gelijk die zich historisch had ontwikkeld.

In 1891, op het Congres in Brussel, vond deze anarchistische geest reeds min of meer uiting, toen door de Nederlandsche afgevaardigden, te zamen met een meerderheid van de fransche delegatie en gesteund door een deel van de engelschen, de zeer utopistische resolutie verdedigd werd: "om een europeeschen oorlog te doen beantwoorden met een oproep aan de gezamenlijke volkeren om den arbeid neder te leggen", welke resolutie toen met groote meerderheid werd verworpen. Reeds op dat internationaal congres bleek dat een nieuwe aanval van den anarchistischen geest, om terrein te veroveren, te wachten stond.

Spreken wij hier van anarchistischen geest, dan bedoelen wij hiermede, zeer concreet uitgedrukt, de verwardheid die nog altoos in de hoofden van tal van arbeidersgroepen in de verschillende landen--wellicht Duitschland alleen niet--heerschte nopens het doel van de moderne proletariërsbeweging, maar nog meer nopens hare middelen van taktiek in den aanval op de kapitalistische maatschappij en in de verdediging van de rechten der arbeiders. Het was in Brussel te zien, dat deze geest nog niet was overwonnen.

Tusschen 1891 en 1894 was in Frankrijk weder een aanslagen-epidemie losgebroken, die, aangevangen met de schanddaden van een Ravachol, doorliep in een reeks van dynamietaanslagen waarvan die van Vaillant, Henry, Caserio de voornaamste waren. Maar inmiddels had in 1893 te Zürich het derde internationale socialisten- en arbeiderscongres plaats gevonden, alwaar de kwestie van de taktiek, waarop zich juist het anarchisme in onderscheidene landen geworpen had, scherp zou worden onder de oogen gezien.

Het was juist in zake de deelname aan politieke aktie en de omschrijving op welke wijze die deelname zou hebben te geschieden, dat het anarchisme of de met het anarchisme sterk sympathiseerende groepen konden worden aan den tand gevoeld. Daarom was een duidelijke uitspraak noodzakelijk, die dan ook in een resolutie gegeven werd welke ten slotte met algemeene stemmen, uitgezonderd die van de nederlandsche delegatie, aangenomen werd.

Zij sprak uit:

1o. dat de nationale en internationale organisatie der arbeiders van alle landen in vakvereenigingen en andere organisaties tot bestrijding van de uitbuiting een bepaalde noodzakelijkheid is; en

2o. dat de politieke aktie noodzakelijk is zoowel ten dienste van de agitatie en de onvoorwaardelijke propageering van de principes van het socialisme, als voor het doel van de verovering van dringend noodzakelijke hervormingen.

De anarchisten vergenoegden zich toen met een congres op eigen hand te gaan houden, waar natuurlijk precies het omgekeerde besloten of niet besloten, maar uitgesproken werd van wat op het socialistische congres was aangenomen.

Door die uitspraak in zake de taktiek was het anarchisme feitelijk uit zijn laatsten schuilhoek gehaald. Het was nu niet meer mogelijk om onder het masker van het communisme de bewuste arbeidersbeweging binnen te dringen en daar den verwarrenden arbeid voort te zetten; klaar en duidelijk was het na Zürich 1893, dat de moderne arbeidersbeweging in zake de taktiek, dus in de kern van hare aktie, het anarchisme officieel van zich had afgeworpen.

In 1893 ongeveer had de nederlandsche sociaal-demokratische beweging hare evolutie tot het anarchisme vrijwel volbracht. Van het program werd de door de verschillende internationale congressen tot sociaal-demokratisch gestempelde taktiek geschrapt.

Nu is het kenmerkend voor de zelfstandige klasse-beweging van het proletariaat, dat zij haar stuur kwijt is, zoodra zij de vaste basis van de sociaal-demokratische, principieele en organische taktiek verlaat. Dat is overal gebeurd en het zou ook in Nederland gebeuren met de beweging die onder de leiding van den heer Domela Nieuwenhuis stond.

Kon de taktiek niet meer sociaal-demokratisch zijn, zoo moest zij natuurlijk anarchistisch worden. Maar het anarchisme heeft al evenmin een taktiek als het een gesloten leer heeft. Het wil juist géén taktiek; het wil die niet zooals het ook geen of juist omdat het geen "politiek" wil. Taktiek onderstelt positief willen werken en het anarchisme had noch de beginselen, noch de lust, noch de kracht om positief te werken in zich.

Wat dan ook voor anarchisme doorgaat is òf oud-modische vakvereenigingspolitiek, òf utopisme vermengd met de lust tot "opstanden", d.w.z. opstootjes en straatkabaal, òf terrorisme. De nederlandsche landaard leende zich alleen maar tot de eerste soort "taktiek", men werd voorstander van "economische aktie" zonder politiek, en dit viel juist enigszins samen met de in die dagen onder de arbeiders eerst ontkiemende neiging, om den vakvereenigingskamp eenigszins ernstig georganiseerd te gaan voeren. Verder liefhebberde men in kabaal maken; droomen over den dag vàn en den dag nà de revolutie; op papier vervaardigen van dynamiet, dat nooit ontploffen kon etc. Maar aan pogingen om de beweging, die na 1894 geheel en al anarchistisch geworden was, in Bakoeninistisch vaarwater te leiden, heeft het ook niet ontbroken. Ten bewijze daarvan zullen wij hier geen couranten-artikelen aanvoeren, die door den een of ander onder den voorbijgaanden indruk geschreven zijn, noch redevoeringen, maar ons beroepen op een dokument van de hand van een der toenmalige voornaamste leiders der nederlandsche anarchisten, die met den heer Domela Nieuwenhuis geruimen tijd de leiding gehad heeft. Het is een vrij lijvige brochure waarin de "beginselen" en de "taktiek" van het "Revolutionaire Kommunisme" worden behandeld door den heer Christiaan Cornelissen. [15] De lezer moet niet denken dat de titel iets anders dan praktisch anarchisme beduidde; de anarchisten verstaan het, haast om den anderen dag van naam te verwisselen. En, gelijk uit de volgende passages zal blijken, heeft die schrijver de lessen van het anarchistische congres van Londen in 1881, waarbij de studie van de technische en chemische wetenschappen tot aanval en verdediging werd aanbevolen, nog al goed ter harte genomen. Hij "bestudeert" zelfs heel kalm de waarde van dynamiet, als een bruikbaar "wapen" in den klassenstrijd. Men luistere:

"Indien de bereiding van springstoffen binnen de periode, waarin de strijd tegen de bourgeoisie zich allengs moet voltrokken hebben, dermate wordt vereenvoudigd, dat een dezer stoffen met recht een proletariërswapen kan worden, te bereiden en aan te wenden zonder al te groot levensgevaar voor den gebruiker, en waarborgend de noodige zekerheid van treffen, dan zal deze nieuwe bewapening der arbeiders een rol kunnen vervullen voor de emancipatie van het proletariaat, zooals die in West-Europa het buskruit vervulde voor de bestrijding van de bevolking der middeleeuwsche steden. De bewapening onzer legers met geweren en kanonnen, de geheele kazerneering en oefening der troepen, waardoor het moderne militairisme een wapen kan zijn in de hand der heerschende klasse, verouderde dan evenzeer, als de zwaarden en hunne door wallen en grachten omgeven riddersloten veranderd zijn." [16]

Men bespeurt hier duidelijk den anarchistischen krijgskundige, technisch en chemisch onderzoeker naar de mogelijkheid van de fabrikage van dynamietbommen in vestjeszakformaat. Doch het dynamiet zou zich tot een vervaardiging op een dergelijk kleine schaal niet kunnen leenen. Dan moet de taktiek van het persoonlijk terrorisme maar gevolgd worden. Het geheime geweld en de list.

"De geschiedenis leert, dat een onderdrukt volk, in aantal machtiger, maar in bewapening en bedrevenheid in den oorlog zwakker dan zijn onderdrukkers, onvermijdelijk in den kamp voor zijn bevrijding of het behoud zijner onafhankelijkheid wordt gedreven tot een strijd in het duister, aanvullende daarbij door behendigheid en list, wat het in macht van wapenen tekort mocht komen."

Als er van "behendigheid" en van "list" hier, sprake kan wezen, dan is het alleen die waarmede de schrijver zich poogt te dekken tegen een eventueel verwijt, zijn revolutionair-kommunistische volgelingen tot geheime gewelddaden en toepassing van geniepige schelmenstreken te hebben aangespoord. Hij koos daartoe een zeer voorzichtigen vorm, door n.l. van een "volk" te spreken en de "geschiedenis" te pas te brengen. Ook dàt is Bakoeninistisch!

Met deze en dergelijke papieren sissers heeft het Nederlandsch terroristisch en Bakoeninistisch anarchisme gestreden.

Tot zoover de ontwikkeling van het anarchisme in de internationale beweging en zijn geschiedenis in vogelvlucht. Zij zijn leerzaam voor hen die meenen dat het anarchisme als aparte beweging bestaanbaar is, en evenzeer voor hen die gelooven dat de moderne arbeidersbeweging met het anarchisme iets uitstaande heeft. Het anarchisme, waar het als beweging iets te beteekenen wil hebben, moet trachten een stuk van de arbeidersbeweging te bemachtigen en het moet daarvoor zijn eigenlijke gestalte afleggen: het moet sociaal anarchisme worden, een contradiktie in zichzelve. Dat is het dan ook geworden en het heeft daarmede juist evenveel van zijn anarchistisch karakter ingeboet als noodig was om zich aan te passen aan het sociale karakter der beweging.

Het moest woekerplant worden en werd dit ook.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ANARCHISME EN KLASSENSTRIJD.

DE "ZUIVER-ECONOMISCHE" AKTIE.

"Tot de uitvoering van ideeën zijn de menschen noodig die hunne praktische macht daartoe leenen."

Marx, "Die Heilige Familie."

De eenige taktiek waartoe Bakoenine het heeft kunnen brengen, om invloed op de massa te krijgen, was die welke wij de puur-economische zullen noemen. De uitdrukking is minder juist en bedriegelijk tevens; zij drukt absoluut niet uit, wat eigenlijk de inhoud er van is. Economisch is elke taktiek van de moderne arbeidersbeweging in den klassenstrijd, zelfs hare politieke aktie onderscheidt zich juist van die der burgerlijke partijen, doordat zij economisch is, in zooverre zij er op uit is de ontwikkeling der maatschappij zelve, hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk, te bespoedigen. "Als twee hetzelfde doen, is dat nog niet altoos hetzelfde!" zoo luidt een oud spreekwoord; als de programma's der burgerpartijen lange lijsten van hervormingen bevatten, dan hebben deze daarop een geheel andere beteekenis dan wanneer de zelfstandige politieke arbeiderspartij sociale hervormingen verlangt. Voor de eerste zijn deze maatregelen doel, d.w.z. in zooverre zij der arbeidende klasse de pijn van den socialen nood daarmede een weinig verzachten willen. Voor de laatste beteekenen sociale hervormingen het bekorten van den weg dien de ontwikkeling van de maatschappij aflegt van kapitalistische naar socialistische produktiewijze. Een ontwikkeling, waaronder natuurlijk het proletariaat, als de onderliggende klasse, het mééste te lijden heeft.