Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Part 11

Chapter 113,384 wordsPublic domain

Werkte het dus reeds verwarrend een enkele aktie van het proletariaat naar den voorgrond te dringen en daarop alle licht te laten vallen ten nadeele en ten koste van de andere soorten van aktie, in dubbele mate stichtte die anarchistische taktiek verwarring die in de arbeidersbeweging ten slotte den vakvereenigingsstrijd als de éénig-mogelijke en voor de arbeidersklasse alleen aannemelijke aktie ging verklaren.

Het was van het anarchisme een poging om zich in de arbeidersbeweging te blijven nestelen. In zijn strijd tegen de veldwinnende sociaal-demokratie kon het niet langer enkel negatief te werk gaan, onder den invloed van de agitatie der "Internationale" werden overal de massa's arbeiders bij elkander gebracht en daarbij was van de abstracte philosophie en ideologie van het anarchisme niets te merken geweest. Waar proletariërsmassa's eenmaal bij elkander zijn, daar moet aan hunne gevoelens uiting worden gegeven en waar die drang bestaat, daar openbaart zich de klassenstrijd, zij het dan ook in zeer ruwen vorm. De politieke aktie vormde het eenige strijdperk waarop de massa's gezamenlijk elkander zouden kunnen ontmoeten, om met elkander den klassenstrijd te voeren. Het anarchisme zocht naar een andere manier, een andere methode om de arbeidersmassa's het strijden mogelijk te maken. Dat men daarbij zijn toevlucht moest nemen tot zeer ouderwetsche middelen, is duidelijk. De algemeene, politieke klassenstrijd was juist een overwinning van het engere vakstrijd-standpunt, waardoor de arbeidersklasse verdeeld werd in even zoovele gedeelten als er beroepen bestaan. Een algemeene bodem bestaat daar niet, tenzij men tijdelijke akties te zamen ging voeren, wat eigenlijk niets dan een zeer gebrekkige manier van het voeren van den politieken strijd is, gelijk wij nog de gelegenheid zullen hebben duidelijker te zien.

Het anarchisme moest, om de arbeiders de taktiek van de puur-economische, van de niets-dan-vakaktie te kunnen aanbevelen, zijn diepen weerzin tegen organisatie en tegen georganiseerde aktie tot verbetering van de verhoudingen tusschen kapitaal en arbeid, eerst overwinnen. Wij zagen reeds hier, hoe zeer deze ongeneigdheid om iets te bereiken dat naar verbetering dier verhoudingen zelfs maar zweemde, het anarchisme als het ware in het bloed zat.

Wij zagen dat Proudhon een verklaard vijand van vakvereenigingen en werkstakingen was; wij zagen welke opvatting Stirner had van de werkelijke verhoudingen tusschen het kapitaal en den loonarbeid en wij zagen ook hoe het aktief anarchisme eigenlijk ineenvloeide met den gedachtengang die in den aanvang van den strijd groote scharen van arbeiders vervulde: dat er geen verandering in de maatschappelijke verhoudingen kon komen alvorens de maatschappelijke ellende een zoodanig hoogtepunt had bereikt, dat de toestanden onhoudbaar waren geworden.

Alle anarchisten, van welke soort ook, baseeren eigenlijk geheel hun revolutietheorie op die ellende. Zij overdrijven daarmede de sociaal-demokratische opvatting van de maatschappelijke ellende onder het kapitalisme schromelijk, zooals de gansche sociale kern van het anarchisme op overdrijvingen berust: overdrijving omtrent de waarde van de persoon in de samenleving, overdrijving omtrent de verbitterende werking van het steeds ellendiger worden der massa, overdrijving omtrent de tendenzen van het kapitalisme zelf, wat wij nog wel gelegenheid zullen hebben uit de werkelijkheid aan te toonen. Men behoeft den invloed van het kapitalisme niet zoo bovenmatig overdreven voor te stellen als de anarchisten dat zoo dikwerf in hunne kritiek hebben gedaan, om den arbeiders duidelijk te kunnen maken dat zij uitgebuit worden door het stelsel aan welks instandhouding zij hunne beste krachten geven. Ook hierover op een andere plaats meer.

Waar het anarchisme nu poogde het strijdende proletariaat van de politieke aktie afkeerig te maken en het aldus zijn algemeenen strijdbodem te ontrukken, meende het een belangrijke nieuwe aktie daarvoor in de plaats te geven toen het de zuiver-economische aktie, vakvereenigingen zonder politiek en buiten elke staatsinmenging om, aanbeval als het eenige bevrijdingsmiddel van het proletariaat. Die nieuwe taktiek was echter een terugval in de denkbeelden van een afgestorven gildewezen, was afzondering der arbeiders van elkander in stede van tot-elkander-brenging.

TRADE-UNIONISME.

"Elke klassenstrijd is een politieke strijd."

(Kommunistisch Manifest.)

Engeland is het klassieke land van de vakvereenigingen en wordt door de anarchistische aanhangers van de zuiver-economische, d.w.z. niet-politieke vakvereenigingstaktiek, als eenig wapen in den klassenstrijd, meestal als illustre voorbeeld aangehaald.

Wij zullen dus hebben te onderzoeken in hoeverre in dat land deze taktiek de arbeidersklasse gebaat heeft in haren strijd tegen het kapitalistisch uitbuitingsstelsel; dan, of het waar is, dat de engelsche vakbeweging ten allen tijde een niet-politieke was; en vervolgens, welke soort politiek de arbeiders hebben toegepast in hunnen strijd en de waarde daarvan voor den algemeenen strijd van de arbeiders en het welzijn der gansche klasse.

Elke arbeidersbeweging is in zekeren zin: klassebeweging; de vorm waaronder zij zich openbaren zal, wordt door de eigenaardige verhoudingen van het land zelf bepaald. Is dit altoos een feit, het gold zooveel te meer in een tijd als waarin aan de engelsche arbeiders de klassenstrijd reeds werd opgedrongen door het kapitalistisch stelsel dat hun merg en bloed bezig was uit te zuigen, reeds in het eerste kwart van de negentiende eeuw.

Toen de groot-industrie in Engeland op zoo intense wijze de ontwikkeling der nijverheid aangreep, ontbraken daar in het algemeen de voorwaarden, die noodig zijn, om den arbeiders als klasse het onontbeerlijke inzicht in den gang der ontwikkeling en in hunne historische taak tegenover de bourgeoisie te geven. Het ontbrak er volstrekt niet aan het revolutionair sentiment, noch aan verzet tegen de uitbuiting en de verdrukking; maar het ontbrak in Engeland aan het noodige historische inzicht omtrent de rol van de beide belangrijkste klassen in de moderne maatschappij: bourgeoisie en proletariaat.

De bourgeoisie in Engeland had reeds vroeg hare revolutie tegen het absolutisme bevochten; zij had de overwinning door een algemeen en konsekwent doorgevoerd compromis met den adel gekocht. Adel en bourgeoisie zouden voortaan als bij stilzwijgende afspraak de klasseheerschappij deelen, waarbij kwam, dat de engelsche adel reeds vroeg van de kapitalistische produktiewijze zijn voordeel wist te trekken en deze niet op bekrompen wijze in hare ontwikkeling poogde te belemmeren.

Dit heeft in Engeland geleid tot een belangenharmonie van deze beide deelen der bezittende klasse: grondbezit en industrieel kapitaal, terwijl die beide deelen elders nog in scherpe tegenstelling tot elkander plachten te staan. Dat deze harmonie later ook in Engeland wel eens is verstoord, doet aan het algemeen verschijnsel niets af.

Nu kweekt de bourgeoisie door haar economische ontwikkeling een proletariaat, d.w.z. een bizondere klasse van arbeiders, die, gelijk wij te voren hebben uiteengezet, de bezitlooze bij uitnemendheid is, wier levensbezit slechts de levende arbeidskracht is en voor wie, in het groot genomen, de kans, om zich, althans binnen het raam van de bestaande produktie- en eigendomsverhoudingen, als klasse te kunnen opwerken, geheel is uitgesloten. Maar het is historisch van groote beteekenis, onder welke politieke omstandigheden zulk een proletariaat opkomt en gedijt en welke verhoudingen het vindt zoodra het tot eenige klaarheid van zijn positie komt. Het proletariaat trof bij zijn ontwikkeling in Engeland burgerlijke en geen absolutistische verhoudingen aan. Weliswaar vond zijn organisatie in den aanvang fellen tegenstand en werd het eerste pogen met tuchthuisstraf geboet, maar lang duurde die tegenstand niet. De bezittende klasse in haren specifiek-burgerlijken vorm, gelijk zij dien in Engeland voluit ontwikkelen kon, vond vrij spoedig den weg tot het gemoed van de proletariërsgroepen, die in verzet kwamen tegen de economische verhoudingen waaronder zij oogenblikkelijk te lijden hadden. De historisch verworven positie van Engeland op de wereldmarkt gedoogde, bij eenig nader inzicht, het toestaan van zekere afkoopsom door de bezittende klasse aan het proletariaat, in den vorm van hoogere loonen en korteren arbeidstijd, ten slotte ook van sociaal-politieke maatregelen, die de arbeidersklasse ten goede kwamen.

Onder deze verhoudingen nu kon zich in Engeland de arbeidersklasse slechts naar haar ééne zijde duurzaam ontwikkelen; naar die zijde n.l., waarbij in het algemeen binnen het raam van de bestaande produktie- en toeëigeningswijze weer kon worden opgebouwd, wat door een aanvankelijk alles vernielend kapitalisme was ontwricht en vertrapt. In en door de vakorganisatie, met beleid gevoerd en met succes bekroond, komt de arbeider uit de degradatie van den loonslaaf, waartoe het onbarmhartig, gevoelloos kapitalisme hem neerdrukte, als mensch weer boven. Zij is het herstel van de menschelijke persoon, die geheel-en-al in de vleeschelijke, maar over zijn eigen lichaam en geest geen beschikking hebbende meerwaarde-scheppings-machine was opgegaan. Dit nu is niet alleen niet onvereenigbaar met het kapitalistische stelsel van voortbrenging en toeëigening, het kan, onder zekere omstandigheden, die in Engeland zeer zeker in de helft van de negentiende eeuw aanwezig waren, zelfs tot nog sterkere bevestiging van die verhoudingen leiden. Eén dier omstandigheden is het ontstaan en de ontwikkeling van een arbeidersaristokratie, een zeker deel van het proletariaat, dat door den specialen aard van de industrie zich afscheidt, naar boven drijft en een aparten stand van "skilled labour" (geschoolden arbeid) gaat vormen, wiens doel en streven het wordt, de bevoorrechte positie in het bedrijfsleven zooveel mogelijk voor zich te behouden. Gaat de bourgeoisie, die dezen stand van arbeiden kunstmatig aankweekt, dan nog verder en verkregen deze groepen van "gezeten arbeiders" na eenig haspelen hun volledig politiek burgerrecht, dan zullen zij dat natuurlijk, gescheiden als zij zich gevoelen van het overige deel hunner klasse, zoodanig gaan gebruiken, dat hun speciale standsbelangen daardoor het beste worden gediend. Maar daardoor wordt dan ook meteen hun klassebewustzijn radikaal gebroken.

Men ziet dat onder bepaalde omstandigheden het verzet tegen de economische uitbuiting een verloop kan hebben dat voor de normale ontwikkeling der heerschappij van de bourgeoisie, economisch en politiek, niet belangrijk storend is. De engelsche arbeiders, die zich verzetten moesten tegen de uitbuiting, dus door de omstandigheden gedwongen waren den klassenstrijd te aanvaarden, konden dit, afgezien van tijdelijke stroomingen, die dan ook behoorlijk in het zand geloopen zijn, niet anders dan onder dien burgerlijken vorm doen, burgerlijk in zooverre de vorm van het verzet met het wezen der burgerlijke produktiewijze overeen te brengen was. Daarmede is niets kwaads gezegd van dien vorm, maar uitsluitend zijn economische en historische beteekenis gekenschetst.

Deze karakteristiek van het wezen der vakbeweging, gelijk zij zich in Engeland, als de eenig volgroeide vorm waaronder de engelsche arbeiders den klassenstrijd streden, ontwikkelde, brengt ons weder een stap verder tot het punt in kwestie. Alleen een zelfgenoegzame klasse kan vrede hebben met den vorm van klasseheerschappij waaronder zij leeft. De gedachte, dat het er weinig toe doet onder wèlk politiek régime men leeft, mits men maar rust heeft om geld te verdienen, is een bij uitstek burgerlijke, een burgerlijk-zelfvoldane. Nu kan zulk eene beschouwing ook tot gansche groepen van arbeiders overslaan, wanneer hunne verhoudingen niet die van de gansche klasse, maar van een gepriviligeerde minderheid uit die klasse zijn en dat privilegie door de bezittende klasse, als het ware met voordacht, wordt gewaarborgd. En ook dit is in Engeland gebeurd, de proletarische klassenstrijdvorm, eenmaal ingeperkt binnen het raam van de bestaande produktie- en eigendomsverhoudingen, heeft er althans voor een deel een politiek scepticisme gekweekt, dat slechts oog had voor allerlei onmiddellijke en tastbare politieke voordeelen, zonder tot het wezen van de politieke verhoudingen zelve ook maar een oogenblik door te dringen.

Die zelfgenoegzaamheid eener bevoorrechte minderheid, en de list van een scherpzinnige bourgeoisie, die liever uit eigen beweging enkele concessies doet als de oogen der arbeiders daardoor maar voor den wortel harer heerschappij gesloten blijven, dan door halsstarrigheid de bewustwording der arbeiders in de hand te werken, hebben onder een deel van de engelsche arbeiders jaren lang tot een bepaald systeem geleid, dat niets was dan een verburgerlijkte vorm van de arbeidersbeweging; een afdwaling van den normalen gang dier beweging; een verwording, in plaats van een gezonde ontwikkeling. Het was het systeem van de "enkel"-vakvereenigingstaktiek, de prediking onder de arbeiders van het geloof, dat zij zich slechts industrieel hadden te vereenigen en sterk te maken en, zonder zich met politiek in te laten, langs dien "zuiver-economischen" weg op het gebied van sociale verbeteringen konden bereiken wat zij wilden.

Men zal wel willen inzien, dat zulk een geloof voor de positie van de bourgeoisie uiterst genoegelijk was en het kon dan ook niet anders of een gansche reeks van burgerlijke heilsprofeten maakte zich op, om den engelschen arbeiders jaren achtereen systematisch de voordeelen dier taktiek haarfijn uit te leggen. In theorie werd deze taktiek de "self-help" genoemd. Niet het leunen op den staat, maar het steunen op "eigen macht" gaf de oplossing van de maatschappelijke kwestie. Nu het verzet van burgerlijke zijde tegen de vakorganisatie der arbeiders eenmaal niet meer hielp, was tenminste het aankweeken van politieke onverschilligheid onder hen nog een middel dat kon worden aangewend, om de arbeiders van den strijd tegen de burgerlijke klasseheerschappij af te houden.

Theoretisch werd deze simpele taktiek der groote massa van de engelsche vakvereenigingsarbeiders door burgerlijke staathuishoudkundigen verder verbreid. Praktisch werd zij aangekweekt door twee omstandigheden, die ook Engeland speciaal eigen waren, namelijk de reeds genoemde toestand van de nijverheid en het feit, dat krachtens historisch-geworden politieke verhoudingen in Engeland er maar voor twee groote partijen in de politiek plaats was; een partijformatie die, gegeven de geweldige macht die overleveringen in Engeland bezaten en nòg bezitten, zoo goed als onmogelijk te veranderen was.

Eensdeels een kracht, gebouwd op bizondere voorrechten eener gepriviligeerde minderheid ten koste van het overgroote aantal medearbeiders uit de "ongeleerde" vakken en vrije beroepen; anderdeels een zwakheid die historisch-geworden politieke verhoudingen niet vermocht te veranderen,--dàt waren de elementen waaruit het typisch-engelsche union-princiep is voortgekomen. En deze, dus onder bepaalde verhoudingen geboren taktiek,--van de zijde der bezittende klasse ten slotte niet het minst aangeprezen als het ideaal van arbeidersbeweging en aangewakkerd als het summum van arbeidersverstand en -overleg, was het, die men van anarchistische zijde dan eindelijk aan de arbeiders als het non plus ultra van "revolutionaire aktie" aanbeval!

DE TAKTIEK VAN "PRESSIE-UITOEFENEN."

Wij zullen nu, na den oorsprong en den conservatieven ondergrond van de enkel-vakvereenigingstaktiek te hebben leeren kennen, haar nog eenigszins verder vervolgen in haar historisch verloop.

"De politieke, zoowel als de industrieele zijde van de arbeidersbeweging zijn beide zulke noodzakelijke levensuitingen van het proletariaat, en zijn zoo innig met elkander verbonden, dat een verwaarloozing van de eene ten koste van de andere een abnormaliteit is, die slechts uit abnormale toestanden kan voortkomen, en die op den duur geen stand houdt. Overal dringt de arbeidersklasse op gelijke wijze naar industrieele zoowel als politieke aktie. Niets is bedriegelijker dan de van anarchistischen kant verbreide beschouwing, dat de engelsche vakvereenigingsmannen, in zooverre ze geen sociaal-demokraten zijn, van politiek niets wilden weten en dat zij al hunne resultaten bereikt hadden, zonder zich om de politiek te bekreunen. De engelsche vakvereenigingsmannen hebben altoos aan politiek gedaan. De kwestie was voor hen slechts deze, of zij hun doeleinden op politiek gebied het beste konden bereiken door middel van een bijzondere, onafhankelijke arbeiderspartij of door het verkoopen van hunne stem, tegen zekere concessies, aan eene van de heerschende partijen. Niet of zij aan politiek zouden doen, was en is voor hen een kwestie, maar of deze politiek een zelfstandige, dan wel een staart- en pressiepolitiek zou moeten wezen."

In deze treffende woorden heeft Karl Kautsky eenmaal duidelijk weergegeven van welken geest de engelsche vakvereenigingen steeds bezield waren en wat de drijfkracht was van hun handelen in politiek opzicht. Zuiver anti-politiek was de engelsche vakbeweging inderdaad nooit; doch de politieke aktie van de engelsche vakvereenigingen nam onder de specifiek engelsche omstandigheden zeer eigenaardige vormen aan. De engelsche arbeidersklasse heeft deze soort politieke aktie moeten aanvaarden, bij gebrek aan een anderen, duidelijker en meer tastbaren vorm van zelfstandige arbeiderspolitiek, omdat de gansche politieke ontwikkeling van een land als Engeland zich onder gansch bizondere en hoogst eigenaardige, historisch-noodwendige vormen voltrok.

Zij was en is nog de eigenlijke en eigenaardige klassenstrijdvorm waaronder het grootste deel van de engelsche arbeiders zijn kamp tegen het kapitaal voert.

Om duidelijk in te zien waarom de engelsche arbeidersklasse, in weerwil harer grootsche organisatie in vakvereenigingen, tot op den laatsten tijd geen eigen parlementair-politieke partij vormde, moet men er zich rekenschap van geven, dat zij tot het jaar 1867 het kiesrecht nog niet had en dat toen nog maar alleen de beter gesitueerde arbeiders het kiesrecht verkregen. Eén van de vele manieren van behandeling, die de engelsche bourgeoisie--de slimste zeker van alle landen--op de arbeidersbeweging toepaste en door middel waarvan zij de arbeidersbeweging steeds haar algemeen, dus ook revolutionair karakter wist te onthouden, is ook die broksgewijze uitbreiding van het kiesrecht geweest. Een definitieve kwam eerst in 1885. Maar eenmaal het kiesrecht verkregen hebbend, zelfs in den hoogst gebrekkigen vorm waarin de Reform-Bill van 1867 het haar verleende, begreep de georganiseerde arbeidersklasse, reeds op het vakvereenigingscongres van 1869, uiting te moeten geven aan den eisch eener zelfstandige arbeidersvertegenwoordiging; een eisch die sedert dien niet van de dagorde der engelsche vakvereenigingscongressen is verdwenen, alvorens een voorloopige oplossing te hebben verkregen in het voor enkele jaren opgerichte "Labour Representation Committee" (Comité voor Arbeidersvertegenwoordiging) door welks werken nu reeds twee zelfstandige vertegenwoordigers van de arbeidende klasse, William Crooks en D. Shackleton, in het Parlement zitting hebben.

Met dat al is het te begrijpen, dat de reeds zeer ver doorgevoerde taktiek van het uitoefenen van pressie op de burgerlijke partijen, ten einde hervormingen te verkregen, althans de beloften daartoe af te persen, waarvoor dan in ruil de hulp bij de stembus geboden wordt, een taktiek die bij sommige van de grootste vakvereenigingen een heele machinerie in het leven heeft geroepen, [17]--niet maar eensklaps door een andere kan worden vervangen. Zij was in hooge mate samengeweven met de politieke ontwikkeling van de engelsche arbeidersklasse zelve en met de politieke verhoudingen in het land over het algemeen.

Of de hervormingen, die aldus verkregen zijn, tot dien prijs niet te duur gekocht waren, is een vraag die van het positieve klasse-standpunt onbetwist bevestigend moet worden beantwoord, maar dat neemt niet weg dat het instinkt van de arbeidersklasse om den haar geschonken politieken invloed te gebruiken, de groote politieke partijen tegenover elkander te doen balanceeren,--een gevolg van de eigenaardige verhouding dat het grondbezit en het industrieele kapitaal in Engeland elkander historisch de plaats aan het staatsroer betwistten,--nooit heeft getuigd voor die politieke onverschilligheid, welke de propagandisten voor een anarchistischen weerzin tegen arbeiderspolitiek zoo gaarne ingang zouden doen vinden onder hunne volgelingen.

Over het geheel is een aktie als die van de engelsche arbeidersklasse slechts dan volkomen te begrijpen, als men haar psychologie in het oog weet te vatten. Het stuk klassebeweging dat zij in zich belichaamde, maakte natuurlijk verschillende veranderingen door, al naarmate de verhoudingen in het land zelve andere waren.

Arbeidersmassa's zullen, als zij georganiseerd te zamen gehouden worden, in gesloten gelederen marcheerend, nu eens een meer, dan eens een minder revolutionaire stemming toonen; zij kunnen niet altijd in dezelfde, gelijke spanning gehouden worden. Al naar de omstandigheden zullen zij aktief op den voorgrond treden, of meer passief zich verhouden en de dingen meer den loop laten nemen dien zij van zelf gaan. Het zal zijn nu een meer of minder sterk ingrijpen in den loop der ontwikkeling, dan weer een blijken van vermoeidheid en een daaruit voortvloeiende neiging om te trachten te oogsten wat vroeger gezaaid was. Dat geldt voor massabewegingen in het algemeen en in nog veel sterker mate voor de engelsche vakvereenigingsarbeiders, die nooit door groote principes werden geleid, maar door overwegingen van opportunistische, dus van "oogenbliks"politiek. Wat echter voor de massa een stemming is van meer of minder voorbijgaanden aard, kan en zal na verloop van tijd voor de leiders een formule worden, een zekere methode, waarop, gelijk in Engeland in belangrijke mate het geval is geweest, theorieën en principes van taktiek worden opgebouwd.

Het sterkst kwam dit uit in de groote periode van reaktie in de geschiedenis van het engelsche vakvereenigingswezen van 1875/85. Wat toen als leidend gezichtspunt der vakbeweging werd vooropgesteld en wat in dien tijd als de opperste sociaal-politieke wijsheid gold, dat is inderdaad niet te zacht gekwalificeerd als men het de geestelijke verstarring eener klassebeweging tot burgerlijke klassegeborneerdheid noemt. Hooren wij de Webb's in hunne "Geschiedenis" daarover maar eens: [18]

"De op den voorgrond tredende vakvereenigingsmannen waren bekeerd geworden tot het economisch individualisme, dat in dien tijd de liberale partij beheerschte. Een veelbeteekenend bewijs dezer onbewuste bekeering is te vinden in de eenstemmigheid, waarmede een congres van vakvereenigingsmannen kon aandringen op "hervormingen" als: klein grondbezit, de aankoop van arbeiderswoningen door de bewoners, het stichten van zich-zelf-regeerende werkplaatsen, het vermeerderen van patenten in handen van individueele arbeiders, en andere veranderingen, die den wortel van het vakvereenigingswezen en van alle gemeenschappelijk bezit der produktiemiddelen moesten aantasten....