Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Part 12

Chapter 123,563 wordsPublic domain

"In geen enkel ander punt evenwel komt de bekeering van de trade-union-leiders tot zuiver burgerlijke begrippen zoo helder aan het licht, als in hunne houding tegenover het roepen der arbeiders in zekere industrieën om wettelijke bescherming hunner levenspositie. Sedert ondenkbare tijden was de wenschelijkheid van de wettelijke handhaving van een minimum-levensstandaard der arbeiders een van de leidende principes geweest van het trade-unionisme en nog werd zij door twee beduidende sekties van de trade-unionwereld, door de vakvereenigingen der katoenspinners en die der mijnarbeiders, standvastig hooggehouden. Maar zoowel het Parlementaire Comité uit den tijd van 1875-1885 als den liberalen wetgevers leek elk voorstel tot wettelijke regeling van de arbeidsvoorwaarden een hoogst bedenkelijke uitzonderingsmaatregel, die alleen maar in gevallen van de uiterste hulpeloosheid en machteloosheid van de aanvragers gerechtvaardigd was."

En verder:

"De aanpassing van het politieke credo van de vakvereenigingsleiders aan dat van de officieele liberale partij was een zaak van oprechte overtuiging.... De geschikte en nauwgezette menschen, die in den tijd van 1875 tot 1885 met het leiderschap van de trade-unioncongressen belast waren, waren zonder eenige politieke theorie, die hun een anderen weg gewezen had, opgegroeid en hadden dientengevolge den afkeer van de inmenging van de wetgeving of het bestuur van overheidswege tot een absoluut dogma verheven.

"Het princiep van het laisser faire was (dus) de politieke en sociale geloofsbelijdenis van de vakvereenigingsleiders van dien tijd"....

De reaktie die in de engelsche vakvereenigingswereld gevolgd is op deze periode van verburgerlijking, leverde een door de invallende crisis in de nijverheid begunstigde levendige socialistische propaganda op en aan de andere zijde een nieuwen geest onder vele van de nieuwere vakvereenigingsleiders als: Tom Mann, John Burns etc., om zich het lot van de "ongeschoolde" arbeiders, van de verschoppelingen der groote Trade-Unions te gaan aantrekken.

DE ANARCHISTISCHE KARIKATUUR.

Gelijk wij zagen konden de engelsche arbeiders, georganiseerd als zij waren in groote, dikwijls zeer machtige vakvereenigingen, den bijstand van de politiek nooit geheel ontberen. De periode van 1875/1885 was wel typisch voor de gevolgen waartoe men komt, als men een gansche beweging verburgerlijkt en poogt te doen opgaan in conservatieve verstarring; maar zij was een abnormaliteit. Het is altijd het pech onzer anarchistische tactici, het abnormale voor het normale te houden. De engelsche vakbeweging heeft in hare bewogen tijden, ondanks het burgerlijk karakter waarmede hare leiders in vroeger tijd haar zoozeer besmet hebben, veel méér begrip voor de klasse-eischen van het proletariaat aan den dag gelegd, dan anarchistische onwetendheid vermoedt of zegt te weten. Wij zagen reeds, dat bij haar het systeem van pressie-politiek was uitgewerkt. En al was deze methode van politiek drijven een slechte in den grond, zij leverde tenminste het bewijs, dat de engelsche arbeiders, gegeven de eigenaardige politieke verhoudingen van de beide groote, machtige, elkander dikwijls aan de regeering afwisselende politieke partijen der bourgeoisie, geenszins van politiek afkeerig waren. Evenmin als zij ooit afkeerig waren van het te baat nemen der wetgeving in het belang van hunne economische verhouding tegenover het veel sterkere kapitalisme.

Direkt en indirekt hebben zij zich, wellicht op een enkele korte periode na, steeds bezig gehouden met de politieke aktie, en de politiek van het uitoefenen van pressie op de politieke partijen en de overheid, ten einde de hervormingspolitiek in een voor hun belangen voordeelige richting te leiden, was daarbij de eenig drijvende kracht. Men kan deze politiek een ware belangenpolitiek noemen, die zelfzuchtig uit het oog verliest dat de geheele klasse er nimmer door gebaat kan worden en enkel maar een bepaald gedeelte, maar men vergete dan toch niet, dat zij ganschelijk voortvloeide uit de z.g.n. theorie van het "self-help", die door de burgerlijke staathuishoudkunde den arbeiders als het non plus ultra van arbeidersbemoeiing aanbevolen werd.

Pressie-politiek te drijven evenwel is ook slechts mogelijk onder een voorwaarde, zonder welke zij onbestaanbaar is, namelijk het hebben van macht. Een arbeidersklasse die grootendeels van de uitoefening van het kiesrecht buitengesloten is, kan ook geen duurzame pressie-politiek voeren, omdat geen enkele politieke partij rekening houdt met elementen die geen politieken invloed hebben. Politiek is de uitdrukking van concrete, werkelijk bestaande verhoudingen in de maatschappij, en een groep belanghebbenden die daarin gekend wenscht te worden, heeft allereerst er voor te zorgen in die verhoudingen te kunnen ingrijpen.

Vandaar dat de engelsche arbeiders dan ook steeds geijverd hebben voor het bekomen van die machtsmiddelen welke hun de uitoefening hunner pressie-taktiek mogelijk zouden maken. Dit werpt al aanstonds het geloof omver, dat de anarchistische anti-politiekers zoo gaarne wenschen te verbreiden, als zouden de engelsche arbeiders hunne doeleinden hebben bereikt "buiten den staat om" of buiten de politieke aktie om. De engelsche arbeidersklasse is integendeel een politieke machtsfactor van voorname grootte. Alleen heeft hare staartpolitiek er toe geleid, dat nog pas onlangs, in een groote meeting van de gaswerkers-union, een conservatief politicus als Sir John Gorst de arbeiders er nadrukkelijk op heeft moeten wijzen, dat slechts een zelfstandige arbeidersvertegenwoordiging in het Parlement het succes kan hebben dat tot nog toe was uitgebleven.

Want dit is wel de beste illustratie van het feit dat een arbeidersklasse, die politiek zich niet zelfstandig kan of wil maken, ten slotte, ondanks alles, als het eenmaal spannen gaat tusschen de partijen, op sleeptouw genomen wordt, dat nòch de achturendag, waarnaar de engelsche arbeiders reeds een menschenleeftijd verlangen, nòch de in de laatste jaren zoo urgent geworden kwestie van de al-of-niet-aansprakelijkheid der vakvereenigingen, in casu van hunne kassen, bij proclamatie eener werkstaking, zonder dat daarvan zekeren tijd te voren den patroons kennis is gegeven, tot een voor de arbeiders gewenscht resultaat hebben kunnen komen.

Doch hoe dit ook moge zijn, een feit blijft het, dat het politieke verstand den engelschen arbeider nimmer in die mate begeven heeft, als de anarchistische propaganda voor de onverschilligheid ten opzichte van de politieke aktie het zelf schijnt te gelooven. En dat is het nu juist wat de gansche anarchistische taktiek van dat de vakvereenigingen zich buiten de politiek moeten houden, maar druk moeten uitoefenen op het parlement of de politieke partijen, tot een karikatuur maakt. Zij willen misschien het doel wel, maar zij minachten de middelen die naar het doel leiden.

Van anarchistischen kant wordt er vaak mede geschermd, dat de arbeiders in de vakvereenigingen op hun eigen terrein zijn en dat zij aldaar hun zaken "zelf doen," onafhankelijk dus van welke andere aktie ook, onafhankelijk ook van de parlementaire aktie.

Dat de vakbeweging inderdaad als georganiseerde beweging, die nooit de gansche klasse maar wel belangrijke deelen daarvan kan omvatten, het terrein is waar de arbeiders kunnen leeren hun eigen zaken en belangen te behartigen, spreekt evenzoo van zelf, als het tegen de anarchistische opvatting van de vakbeweging, gelijk zij in den regel gehuldigd wordt, pleit. Zeker kan niemand ontkennen dat waar het onmiddellijke belang ter sprake komt, de kwesties van loon, arbeidsduur etc., de arbeiders zelven de meest geroepenen zijn om te kunnen be- en veroordeelen.

Maar wie daaruit nu verder met de anarchistische zelfstandigheidsfanatici zou willen opmaken, dat juist de vakvereenigingsactie niet die kwaliteiten vereischt om te gedijen, als welke andere massale en duurzame aktie van het proletariaat ook, dat daar discipline en een bekwame leiding geen hoofdfaktoren zouden wezen voor een oogenblikkelijk en blijvend succes, die wordt schromelijk op een dwaalspoor geleid.

Het is een zotte verminking van het begrip, dat de arbeiders hunnen strijd tegen het kapitalisme en hunne ontvoogding van het juk der loonslavernij zelven moeten bewerken, wanneer men dat zoo uitlegt dat dit moet gebeuren langs den weg van een aantal sekten en sektetjes van arbeiders, die, geïsoleerd werkend in aparte vakjes, van geen andere inmenging dan die van eigen vakgenooten iets zouden mogen willen weten. Dat is de slaapmutsen-traditie van de aloude gilden, gekleed in het harlekijnspak van den pseudo-revolutionair, die alleen "den werkman met de vereelte vuist" toegang wil verleenen tot het terrein van de arbeidersbeweging. In het algemeen is het juist de karaktertrek van de moderne arbeidersbeweging die haar zelfs van de engelsche vakbeweging onderscheidt, dat zij de arbeidersklasse leert hoe zij haar zaken zelf heeft te doen. En enkel de sociaal-demokratie heeft de arbeiders in staat gesteld een eigen principe, geheel afgescheiden van de burgerlijke wetenschap, een eigen theorie, eigen inzichten, een eigen maatschappelijk standpunt en een eigen politiek te hebben. Zooals zij den arbeiders de metaphysieke vereering van de wetenschap, als wetenschap, heeft pogen af te leeren, zoo heeft zij hen ook pogen te leeren breken met de phrase dat de arbeid in het bizonder, d.w.z. de zuivere, ruwe handenarbeid een heilige is. Hoofd- en handenarbeid te vereenigen en te doen samengaan, dat juist heeft de sociaal-demokratie de arbeidersklasse geleerd.

Zoodra de vakorganisatie evenwel iets meer wil zijn dan een sekte van tot machteloosheid gedoemden, moet zij reeds beginnen met het zelf-doen in den betrekkelijken zin van het woord op te vatten. De ontwikkeling van de kapitalistische produktiewijze maakt haar dat werk allesbehalve gemakkelijk. De bedrijven worden hoe langer hoe samengestelder en, hoezeer de concentratie in de nijverheid voortschrijdt--wat nota bene door de anarchistische theoretici bovendien wordt ontkend--zoo snel gaat deze werkelijk niet dat de verspreiding van het bedrijf over het land bijv. niet reeds moeielijkheden van bizonderen aard oplevert voor de organisatie en de totstandkoming van de eischen die de organisatie bloot op vakgebied durft stellen.

Het is recht gemakkelijk voor den buitenstaander, die ten opzichte van werkelijk beteekenende vakorganisatie nimmer de handen uitgestoken heeft, om den arbeiders den raad van het "zelfdoen" te geven, in dien zin opgevat, dat van nu af niets meer aan "anderen" overgelaten mag worden. De zoogenaamde "action directe", die tegenwoordig in het anarchistisch-getinte deel van de fransche vakbeweging nog al eenigen opgang schijnt te maken, is niets dan een individualistische reaktie, waarin dan niet meer een persoon de baas zal spelen over zijn medearbeiders, maar een klein groepje een bepaald terrorisme zich aanmatigt, iets dat natuurlijk nog veel erger is. [19] Op een andere plaats zullen wij enkele meer concrete staaltjes geven van deze anarchistische groepstyrannie.

Er is onlangs zelfs een nieuwe strooming opgekomen onder een groep van duitsche arbeiders, die nog verder gaan en de vakorganisatie beschouwen als het terrein voor:

"de intellectueele en moreele ontwikkeling van den individu;

"de onafhankelijke organisatie van de consumptie en zoo mogelijk van de produktie;

"de aktie van de massa met de volle verantwoordelijkheid op ieder individu--werkstakingen, meifeest, boycott." [20]

Alle deze overschattingen van het wezen der vakvereeniging en hare aktie, van de grenzen die door de kapitalistische produktiewijze zelve daaraan worden gesteld, moeten tot de anarchistische karikatuur leiden, omdat deze, in theorie althans, een algemeenen strijd wil voeren tegen het kapitalistisch stelsel en tegen den staat, op een terrein dat daarvoor veel te klein is en dat, nog sterker, juist aan deze eigenaardige beperktheid zijn waarde ontleent. Immers niet de algemeenheid van het klassebelang der arbeiders, maar hare bizonderheid, het uiteenvallen in groepen en lagen is het, die het juist mogelijk maakt telkenmale, apart, een stukje te veroveren van het terrein der onmiddellijke kapitalistische uitbuiting. Dat afgebakend-zijn van de grenzen, deze zorgvuldige afzondering door de organisatie der bedrijven in het leven geroepen, verkleint in de vak-aktie het arbeidsveld en maakt het overzichtelijk; de arbeiders leeren daardoor eerst de groote belangen zien door het verkleinglas van de onmiddellijk voor de hand liggende kleine belangen.

Het is dan ook opmerkelijk dat waar de vakbeweging in handen van anarchisten is, dezen terstond hare aktie pogen te veralgemeenen, door er allerhande dingen bij te sleepen, die uitsluitend op het terrein van de algemeene, de zuiver-politieke arbeidersbeweging thuis behooren. Bijvoorbeeld: de aktie tegen het militairisme en die vóór de algemeene werkstaking. Het maakt door deze beide middelen de vakbeweging tot de karikatuur eener algemeene arbeidersbeweging met een zuiver-politieke basis, die 1e ten doel heeft op een der funkties van het kapitalistisch staatswezen, het moderne leger en zijn middelen, invloed uit te oefenen en 2e in nog meer uitgebreiden zin de idee in zich bevat, dat de arbeiders door een avontuurlijke poging de staatsmacht voor zich moeten zien te veroveren.

In beide gevallen dus: politieke aktie,--ziedaar waartoe de verwringing van de taak en het doel van de moderne vakbeweging in anarchistische handen, gesteld dat zij eenig succes had en in deze handen duurzaam bevestigd bleef, zou kunnen leiden.

"Den Teufel spürt das Völkchen nie, Und wenn er sie beim Kragen hätte!" [21]

Zoo spotte Mephisto. De anarchist verbeeldt zich niet aan politiek te doen als hij er tot over zijn ooren inzit! Dat is de ironie van het noodlot, die de onmogelijkheid van de anarchistische taktiek in de arbeidersbeweging haast bij iederen voetstap achterhaalt en haar beter illustreert dan welke afgetrokken stelling ook.

De afkeer van den werkelijken kleinarbeid, gelijk die juist bij de vakvereenigingsaktie absoluut onontbeerlijk is, de neiging tot het sektaire, die beide zijn daarvan hoofdzakelijk de oorzaak. Het anarchisme is een stemming; een gevolg van niet-kùnnen, dikwijls niet-durven; van de slapheid die nog in zoovele arbeiderskringen gevonden wordt en die het gevolg is van de achterlijkheid der ontwikkeling in bedrijfs-technischen en groot-kapitalistischen zin; van de traditie, die nog altoos in de hoofden van deze groepen arbeiders rondspookt en als "een nachtmerrie uit het verleden" over de handelingen in het tegenwoordige heerscht.

Daarom, of ook het anarchisme al vakvereenigingen zou willen--het kan de middelen om ze in het leven te roepen en om ze practisch te doen werken, krachtens den meest karakteristieken trek van zijn wezen--weerzin tegen iederen praktischen arbeid--niet willen. De afschuw voor de praktijk belet het overal verder te komen dan het voeren van een ruwe kritiek op de toestanden, aansporing tot organisatie wellicht, maar het vermogen om dien zeer kleinen, maar hoogst noodzakelijken arbeid aan te vangen en te volbrengen, tot den opbouw eener vakvereeniging vereischt, kan uit het anarchisme niet worden geput.

De idee van het anarchisme laat zich dan ook in de vakvereeniging allerminst verwezenlijken: geen plaats is er op het gansche terrein onzer moderne arbeidersbeweging, waar juist zoo weinig utopisme, waar zoo weinig ideologie te pas komt als in de vakvereenigingswereld. Daar is de strijd van iederen dag te voeren; daar komt het sterkst het standsegoïsme en het kleine eigenbelang van de verschillende categorieën van arbeiders aan den dag; daar is de plaats van het loven en bieden met de werkgevers; daar beperken zich denken en beweging maar al te dikwerf tot de kwesties van een halve of heele cent per uur loon meer en een half uur werkens per dag minder.

De anarchist die de vakvereeniging niet wil om haar eigen doel, maar om een aanknoopingspunt te hebben met de massa, ter propageering van zijn anarchistische ideeën, smaalt zoo vaak op die aktie, die hij "armoedige aktie" noemt; dat pleit, kan men zeggen, des te meer voor de feitelijke armoede van zijn anarchistische idee, die de menschen niet begrijpt en niet begrijpen kan. Een stelsel dat de persoon aanziet voor een abstraktie; dat de werkelijkheid als de verkeerdheid beschouwt; dat niet in de ontwikkeling van de beweging, maar in een reaktie van de maatschappij de toekomst ziet,--leent geen enkele zijner begrippen voor den moeizamen arbeid in de vakvereenigingen, die van precies de tegenovergestelde gedachten dient uit te gaan.

Een neiging tot détailleeren, tot in de allerkleinste onderdeelen afdalen, is juist de eigenschap van een praktisch goed vakvereenigingswezen; het scherpe gezicht op al het kleine, op de miniemste kleinigheid in de dagelijksche verhouding tusschen arbeider en ondernemer, tusschen arbeiders onderling, is voor den aktieven vakvereenigingsman een eerste vereischte. Hoe kan daar een anarchist voor deugen? Al de kracht zijner "idee" ontleent hij juist aan het zeer algemeene, aan het vage, aan het vervloeiende; zijn "idee" kent toch. geen grenzen; zij is onbegrensd. De anarchist wil noch partij, noch verband, hoogstens komt hij tot een "vrije" groep, waarin hij zelf de baas wil spelen over anderen, krachtens het recht zijner "autonome persoonlijkheid."

Gaan wij even verder, dan zien wij dat zijn "idee", voor wat zij nog aan tastbaars in zich bevat, ontleend is aan datgene wat juist aan den organischen groei van de beweging in den weg staat, aan den kapitalistischen, den op zijn privaat-eigendom rustenden, zelfzuchtigen individu. Niet op den gemeenschapsmensch, maar op den bizonderen, aparten, zelfzuchtigen mensch, die meent de spil te zijn waarom de gansche samenleving draait.

Het anarchisme moge in theorie tot vakorganisatie geneigd zijn, in zooverre altoos als het samenvalt met de onbewustheid van pas in de beweging getrokken lagen van het proletariaat, wier gedachten zich nog niet verder uitstrekken dan de grenzen van het bedrijf, dikwerf zelfs maar een onderdeel van het bedrijf; het moge zich in die kringen vertoonen, getooid met de veeren van een ruw-socialistische kritiek op de arbeidsverhoudingen en zich op die manier aanpassen aan de eischen van het oogenblik;--al te spoedig zal het zich, als er werkelijk gehandeld moet worden, weder uit deze organisatie terugtrekken--ten ware de personen van de anarchisten niet al van te voren, door het zaaien hunner persoonlijke gevoelens van haat etc., de splijtzwam daarin geworpen hebben.

Het anarchisme moge vakvereenigingen in theorie willen, het wil de organisatorische voorwaarden van het vakvereenigingswezen zeker niet. Het wil noch een centraal bestuur, noch een demokratische discipline, noch een gezaghebbende leiding. Het keert zich geheel van de werkelijkheid af, door de voorkeur te geven aan allerlei wilde en onoverlegde, z.g.n. spontane werkstakingen, die, gelijk van zelf spreekt, met het wezen van een goede vakorganisatie geheel en al in strijd zijn. Het kant zich tegen weerstandskassen, daar het de solidariteit van het proletariaat als een onbegrensde hoegrootheid opvat, als een zekere stilzwijgende "mutualiteit" van de arbeiders onderling, zonder een enkelen anderen grond dan de fantastische berekening van het-zal-wel-lukken.

Het anarchisme heeft dan ook wellicht nergens zoo velen van het anarchisme bekeerd, als juist in de vakvereenigingsaktie. Doch ook daarmede heeft het soms nog veel kwaads gebrouwen, door dan van sommige zijner bekeerlingen geen strijders, maar een soort sceptische egoïsten te maken, voor elk idealisme van nu af verstompt.

Ook waar het tot schipbreuk leidt is het anarchisme voor hen die het eenmaal besmet heeft, niet zonder gevaar. Men overwint het anarchisme in zichzelf, ook wanneer men bekeerd is van de voor de arbeidersbeweging ten eenenmale verderfelijke stellingen die het verkondigt, alleen door den praktischen arbeid der beweging in haar geheel.

Het spreekt van zelf, dat hier niets omtrent de bezwaren die aan het vakvereenigingswezen verbonden zijn, gezegd is. De sociaal-demokratische beschouwing die ten grondslag ligt aan deze gansche kritiek op het anarchisme in de beweging, brengt ook mede de opvatting dat de vakvereenigingsaktie altoos maar een onderdeel van het groote geheel der klassebewuste arbeidersbeweging van onzen tijd uitmaakt.

ZESDE HOOFDSTUK.

INDIVIDUALISME EN ARBEIDERSBEWEGING.

VRIJHEID EN GEZAG.

"In zooverre de geest alle dingen als noodwendig erkent, in zooverre heeft hij een groote macht over de affekten, of lijdt hij minder onder hen."

Spinoza, "Ethica".

De anarchisten, het is bekend, erkennen geen hun van buitenaf opgelegd gezag; daarom verzetten zij zich tegen den staat als autoritaire macht, daarom erkennen zij geen leiding, geen bestuur, geen discipline in de arbeidersbeweging; daarom bestrijden zij elke poging om de arbeiders als massa te vereenigen, politiek en economisch te scholen.

Van de persoon vormen zij zich te dien einde niets dan een fiktie (inbeelding) die nergens anders dan abstrakt bestaat en praktisch van geen waarde is. Daarin staan zij evenwel niet alleen. Ook de burgerlijke philosophie in hare sterkst op de spits gedreven uiting, kent deze fiktie van de "vrije persoon" wel. Wij bedoelen hier den "Uebermensch", dien Friedrich Nietzsche zich vormde, die "aan gene zijde van goed en kwaad", dus boven de werkelijke menschheid stond.

Ook Nietzsche meende dat die persoon in den staat een belemmering ondervond: "Daar waar de staat ophoudt, daar begint eerst de mensch die niet overtollig is." Maar in hoeverre een personen-cultus, als die waartoe de wijsbegeerte van Nietzsche leidt, zijn nauwe aanrakingspunten met de anarchistische levensbeschouwing in het algemeen bezit, moge hier verder onaangeroerd blijven. Van meer praktischen aard is, dat de anarchisten, de waarde van de persoon vooropstellende en haar mateloos overdrijvende, de opvattingen van gezag en vrijheid in de maatschappij, d.w.z. in het praktische leven, voortdurend verwisselen en daardoor zichzelf het juiste inzicht benemen dat hen zou kunnen leiden tot een meer redelijke waardebepaling van de verhouding van den individu tot de samenleving. Bijgevolg ook van den individu-arbeider tegenover de gemeenschap zijner klasse-organisatie.

De "individueelen" onder de anarchisten hebben de zaak wat makkelijker pogen op te lossen. Zij waren en zijn egoïsten, d.w.z. zij zochten steeds en in alles het eene criterium: hoe bevorder ik met dit of dat mijn eigen belangen. Dat vonden zij door, gelijk Stirner's "Eenling", zooveel mogelijk zelfstandig te blijven, afgezonderd van alle andere "eenlingen", als een geheel aparte cel in het maatschappelijk verband. Praktisch, wij zagen het bij Stirner zelven, was ook dàt eigenlijk onmogelijk door te voeren. Ook hij moest een val op aarde doen van uit den hemel zijner souvereine Ik-heid; hij moest een "Bond van Egoïsten" pogen op te richten.

Het is gewis zeer aangenaam zich als persoon een eigen wereldje te vormen, allen doen wij dat op onze beurt wel eens gaarne, maar de aanraking met de werkelijkheid doet ons heel snel zien, dat het maar een droombeeld was. Wij mogen ons "vrij" wanen, maar de maatschappelijke verhoudingen waarin we gedwongen zijn te leven, leeren ons juist het tegendeel. Zij leeren ons dat wij slaven van die verhoudingen zijn en hùnnen wil hebben te gehoorzamen. Daar ligt dus het criterium van onze persoonlijke vrijheid allerminst, waar wij, ons zelven boven anderen stellend, wanen dat het ligt.