Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging
Part 5
De "idee der mutualiteit," die de "gerechtigheid" zelf is volgens Proudhon, waarop berust zij? Op den "eerlijken ruil." Wat is eerlijke ruil? Een ruil waarbij gelijkwaardigs tegen gelijkwaardigs wordt gegeven, antwoordt Proudhon. En wat is gelijkwaardig: wat gelijke hoeveelheden menschelijken arbeid gekost heeft.
Aan groote woorden geen gebrek. Niet alleen dat Proudhon's "mutualiteit," die in den grond van de zaak niet verschilde van de produktieve associaties van Lassalle, zonder de hulp van den staat niet uitvoerbaar blijkt, eischt hij ook nog bovendien, dat de arbeiders zich aan de hun "beloofde gerechtigheid" bij voorbaat zullen onderwerpen. Men zou zeggen, of het ding nu Gerechtigheid of Staat heet,--als ik mij bij voorbaat reeds aan iets onderwerpen moet, dat ik niet kèn, is het een geen haar beter dan het ander. Van deze tegenspraken is het gansche "anarchisme" van Proudhon vol.
Nauw met het algemeen radikaal-burgerlijke standpunt van Proudhon hangt zijn standpunt tegenover de arbeidersbeweging samen, d.w.z. de beweging gelijk hij die in zijn tijd gekend heeft, n.l. de engelsche vakbeweging en die van de engelsche "chartisten." Hij is haar onvoorwaardelijk vijandig gezind. In dat opzicht verloochende hij geenszins den innerlijken aard van het wezen der fransche kleinburgers van zijn tijd voor wie de georganiseerde arbeidersbeweging een even radikale verschrikking was als zij zelf burgerlijk-radikaal van aard waren. Proudhon weet niet veroordeelend genoeg te spreken van arbeiderscoalities ten behoeve van loonsverhooging en verkorting van arbeidstijd. De arbeider individueel moge in elk geval, volgens Proudhon, zoo lang de "sociale gerechtigheid" hem het loon niet toekent waarmede hij tevreden behoort te zijn, probeeren zooveel als mogelijk is een goede betaling te verkrijgen of met andere arbeiders zich associeeren, om tegen de kapitalistische ondernemers te kunnen concurreeren, maar een associatie met medearbeiders om op de meesters eenigerlei druk uit te oefenen om hooger loon of korter arbeidstijd, dat verbiedt hem Proudhon, dewijl hij dat een zonde tegen de "sociale moraal" acht. "De wet welke de coalities veroorlooft", roept hij uit èn in zijn geschrift "Philosophie de la misère" en hij herhaalt iets dergelijks in zijn later geschrift "De la capacité politique des classes ouvrières," "is in den grond anti-juridisch, anti-economisch en tegen elke samenleving en elke orde in." "De werkstaking der arbeiders," zegt hij in "Philosophie de la misère", is onwettig en het is niet alleen het Wetboek van Strafrecht, hetwelk dat zegt, maar ook het economische systeem, de noodzakelijkheid van de bestaande orde."
Proudhon is hier ook al weder, gelijk in zijn gansche economische systeem, in de lijn der burgerlijke gedachte, die zeker niet scherper dan hij de werkstaking en de vakorganisatie veroordeelen kon. Hij gevoelt alleen maar iets voor één soort organisatie, n.l. voor de mutualistische en dat met het oog op het behoud van de middelklasse!
"Deze middelklasse," zegt hij, "in welker schoot de beter beradene arbeidersdemokratie voor een jaar geleden verklaarde geheel te willen opgaan, schijnt het niet dat men met een soort fanatisme er aan arbeidt, haar te willen vernietigen, haar tot de positie van loonarbeider te willen doen afdalen? Elken dag doet het bankroet groote scheuren in de rijen van de kleine burgers ontstaan en wat nog ondragelijker is, haar noodstand duurt voort, het leven van de hand in den hand, de geheime ellende decimeert haar. De arbeiders hebben slechts hun eigen lijden gezien, zij hebben in 't geheel geen begrip van de kwellende zorgen der bourgeois." Zoo vermaant deze "apostel van het anarchisme" volgens Kropotkine en John Henry Mackay de arbeiders van zijn tijd.
Toen Proudhon candidaat gesteld was voor de provisoire regeering van 1848, richtte hij tot zijn kiezers van het departement Doubs een manifest waarin o.m. deze phrase voorkwam:
"De sociale kwestie is gesteld. Gij zult haar niet kunnen ontgaan. Om haar op te lossen zijn mannen noodig, welke met den radikaalsten tegelijk den conservatiefsten geest verbinden. Arbeiders, reikt uwen principalen de hand, en gij arbeidgevers, stoot niet de tegemoetkoming van diegenen terug, die uwe loonontvangers waren."
Hoe scherpzinnig ook dikwijls, hoe snijdend in zijn oordeel over het monopolie van den eigendom, Proudhon kon nooit uit den cirkel van de klein-burgerlijke redeneering komen. De arbeid die naar "de volle opbrengst harer waarde" geruild zal moeten worden, is volgens Carrard Auban in Mackay's "Anarchisten," de steen der wijzen in de sociale hervorming van de toekomst, de spil waarom het gansche individueele anarchisme van dezen literairen fantast draait. Het moge zoo wezen. Maar de wederzijdsche garantie van den gelijken ruil, van de "volle opbrengst van het arbeidsprodukt" is een economische phrase, die wel radikaal klinkt, maar maatschappelijk nooit te verwerkelijken was, noch in praktijk te brengen kan zijn. En voorzoover zij een inhoud heeft, is zij zeer na verwant aan de samenleving van den vrijen ruil, die den geheel zelfstandigen voortbrenger en den zelfstandigen ruiler tot voorwaarde heeft, met den "vrijen individu," die daarvan het middenpunt uitmaakt. Dit "ideaal" is geen nieuw, maar een zeer ouderwetsch en lang overwonnen ideaal, al spookt het nog in onze dagen in de hoofden van zoo menigeen rond.
3. BAKOENINE; HET VERWOESTEND ELEMENT.
"So ist denn Alles, was Ihr... Zerstörung... nennt, Mein eigentliches Element!"
(Mephistopheles, Faust I.)
Toen de "Internationale" van 1864 gesticht was, traden tot haar allerlei elementen toe, die dit door de arbeiders zelven geschapen terrein gunstig voor zich achtten om er hunne eigen, persoonlijke denkbeelden te propageeren en het voor hunne bijzondere bedoelingen te exploiteeren.
Het is van genoegzame bekendheid dat de "Internationale" niet als een sociaal-demokratische, maar allereerst als een algemeene arbeidersbeweging bedoeld was, een terrein waar arbeiders van uiteenloopende richting, mits op den algemeenen bodem van den klassenstrijd staande, konden samenstrijden. Het is een niet minder bekend feit, dat Karl Marx zelf, die door zijn groote geestesgaven, maar niet minder door zijn enorme kennis van landen en nationale eigenaardigheden, in zulk een beweging wel het overwicht moest krijgen, desondanks geenszins de sociaal-demokratie in haar naar den voorgrond bracht. Marx wist en begreep veel te goed, dat de taak der "Internationale" was: leven te wekken onder de arbeiders van vele landen, hen aan te zetten tot het eerste wat noodig was, tot organisatie.
Maar het spreekt van zelf, dat een beweging als de "Internationale" van 1864, die spoedig een wereldbeweging werd, ras personen tot zich trok, die haar wenschten dienstbaar te maken aan eigen inzichten en ook tal van onklare, verwarde elementen in zich moest opnemen, die eerder tot hare ontbinding dan tot hare versterking konden medewerken.
De uitdrukking van het laatste element is gedurende eenige jaren Michaël Bakoenine geweest. En het is niet om zijn persoon, maar om de rol die hij enkele jaren achtereen in de zich nauwelijks ontwikkelende, jonge internationale arbeidersbeweging vervuld heeft, dat wij hem karakteriseeren kunnen als de vertegenwoordiger van het vernielend element daarin te zijn geweest.
Bakoenine was een Rus, die uit zijn land verbannen, gelijk zoovelen zijner landgenooten, daar een hevigen strijd had moeten voeren tegen het absolutisme. De russische toestanden en verhoudingen van vóór het midden der 19e eeuw te schetsen is hier niet doenlijk, maar men zou zich eerst een goed denkbeeld daarvan moeten vormen, om het sociaal en politiek milieu te kennen waaruit een figuur als die van Bakoenine is voortgekomen.
Het spreekt van zelf, dat iemand die geboren en getogen is in een land als Rusland, het Rusland van voor een driekwart eeuw terug; toen daar nog de lijfeigenschap in vollen bloei was; toen daar nog de paleis-revoluties heerschten en zoo goed als het gansche volk, op een handvol intellectueelen na, neerlag in volle demoralisatie, in doodslaap, en de gansche toestand politiek en economisch volkomen aziatisch was,--dat zoo iemand, in het west-europeesch milieu verplaatst, vreemd moest zijn aan het eigenlijk karakter van die omgeving.
De europeesche arbeidersbeweging, vooral de internationale, moest dit russische element al dadelijk in zich opnemen, omdat zij natuurlijkerwijs alle oppositioneele elementen tot zich trok. Maar zij heeft daar, over het algemeen genomen, niet veel genoegen van gehad. En het feit, dat in dien tijd toen alles zoo geheel onklaar, zoo geheel verward was, doel en middelen slechts weinigen duidelijk voor oogen stonden, voornamelijk het russische element voor een overwegend deel niet opbouwend maar afbrekend werkte, is daaruit te verklaren, dat dit in den west-europeeschen strijd van zelf moest overbrengen een deel van zijn eigen opvattingen omtrent strijdwijze, methode en inzichten in de economische en politieke verhoudingen, gelijk die zich aan hen opgedrongen hadden in en door den strijd in het eigen land. In Rusland--en hier is nog steeds sprake van het Rusland van toenmaals--was geen sprake van een strijdwijze die begon met den opbouw van een klasse die door hare doel-bewuste organisatie de wig moest worden, die eenmaal in het organisme van de burgerlijke samenleving gedrongen, daarin de politieke ontbinding zou bespoedigen, welke de economische zelf-ontbinding en zelf-ontwrichting van het kapitalistische produktiesysteem, als het ware ondergronds, bezig waren te volvoeren.
In Rusland moest verstoord, vernield en afgebroken worden; daar--en bij de toenmalige afwezigheid van een moderne kapitalistische ontwikkeling was dit zeker zoo--moesten door het geheel afbreken van het bestaande (zoo geleek het althans) de voorwaarden voor een moderne ontwikkeling in economisch en politiek opzicht worden geschapen.
Een figuur als die van Michaël Bakoenine was te zeer een specifiek russische, gedreven door de felle haat tegen de toestanden en verhoudingen in het land zijner geboorte en zijner jeugd, om niet de volle maat daarvan over te brengen op de west-europeesche verhoudingen waarin hij zich daarna is gaan bewegen. Het vernielen was bij hem de karaktertrek van zijn agitatie en propaganda geworden; niet het vernielen nu juist in materiëelen zin, maar het vernielen als philosophisch grondprinciep, de absolute beschouwing dat het sociaal-nieuwe er niet kon komen zonder dat het sociaal-oude tot den grond toe afgebroken was.
Die zucht naar het absolute was Bakoenine, gelijk reeds hiervoren is opgemerkt een scholier van Hegel, door middel van het absolute idealisme der Hegelsche school in het philosophisch bloed gevaren, zooals het bij Stirner tot de absolute persoonlijkheid en bij Proudhon tot de absolute noodzakelijkheid van den persoonlijken eigendom geleid heeft. Eerst moest alles afgebroken wezen: privaat-bezit, eigendom, staat, familie, godsdienst enz. en dàn eerst zou op de puinhoopen van dat alles de nieuwe toestand van zelf verrijzen. Deze mechanische wereldbeschouwing ziet in elke historische periode van de samenleving louter in zichzelf afgesloten en absolute, krachtens zijn eigen idee zich verwerkelijkende phasen, die evenzoo los van de aan haar voorafgaande zijn, als de menschen aan de werkingen dier idee geheel onderworpen, de menschen die niet anders dan de levende werktuigen zijn, welke die idee tot hare verwezenlijking gebruikt.
Dat elke maatschappij haar eigen wetten van produktie en verdeeling en diensvolgens ook van politieke en juridische constellatie kent, leert ook de historisch-materialistische geschiedenis-opvatting. Maar zij leert niet minder dat die phasen in de geschiedenis niet absoluut zijn, zij leert dat er een zekere organische ontwikkeling is, dat produktievormen zich uit elkander ontwikkelen, historisch in elkander overgaan en dat juist de door allerlei immanente faktoren veroorzaakte ontwikkeling van den voorafgaanden produktievorm, de voorwaarde wordt voor het ontstaan van den opkomenden produktievorm. Deze beschouwing is dus ook revolutionair, zoo goed als die welke de vernieling alleen tot haar uitgangspunt maakt, maar zij is het in den eenig-wezenlijken en niet-utopischen zin van het woord. Zij vat steeds de beide kanten van de werkelijkheid in het oog, het afbreken door opbouwen. Zij is, gelijk men het philosophisch noemt: de dialektische beschouwing.
Zoo had de beschouwing van Bakoenine, die zich reeds uitte in een zinsnede van een artikel dat hij lang voor zijn werkzaamheid als "revolutionair" al-vernieler onder den naam van Jules Elizard schreef, getiteld "Die Reaktion in Deutschland" en in 1842 opgenomen in de Deutsche Jahrbücher van Ruge,--de zin luidde: "de lust tot verstoring is een scheppende lust,"--niets dan het sophistische, het valsch-philosophische uitgangspunt, dat uit niets iets geboren kan worden. In dat opzicht was hij, die Stirner gekend heeft en zijn boek weder aan de vergetelheid had ontrukt, diens zielsverwant.
Bakoenine had evenwel in de "Internationale" niet die rol vervullen kunnen, die hij vervuld heeft, als daar niet een belangrijk element te vinden ware geweest waarop hij steunen kon. En dat vond hij in het romaansche element, namelijk in die organisaties welke grootendeels door landen als Italië en Spanje werden geleverd. Landen die nog geenszins door de moderne kapitalistische ontwikkeling waren aangeroerd, maar waarin tal van revolutionaire krachten leefden, die door de verschillende, hier reeds vroeger opgesomde, achterlijke omstandigheden en verhoudingen van economischen, politieken, religieuzen aard werden gevoed. Dezen vatten de "Internationale" niet anders op dan als een geschikte gelegenheid om alles in Europa onderste boven te gooien, omdat zij alleen in een omkeering van alle verhoudingen in Europa en niet in de evolutie van de toestanden in hun eigen land, het middel zagen om aan de ellenden van hun eigen nationale achterlijkheid en algemeene verstomping te ontkomen.
Bakoenine heeft voor zijn agitatie en propaganda in de eerste internationale arbeidersbeweging die elementen handig voor zijn doeleinden weten te exploiteeren: hij zette het romaansche tegen het germaansche element op. Hij wist de toentertijd nog scherp in het oog vallende verschillen tusschen den germaanschen geest van organisatie en geleidelijken groei en den romaanschen geest, waarbij alles op de spontaneïteit van de daad en het oogenblikkelijk initiatief berustte, persoonlijk aan te blazen. De strijd die tusschen Marx en hem om de leiding in de "Internationale" uitbrak, drie jaren geduurd heeft en in 1872 op het Congres van den Haag met zijn nederlaag, maar tevens ook met de feitelijke verdwijning van de "Internationale" zelve eindigde, was door Marx volstrekt niet gewild. Marx moest ten slotte wel de "Internationale" verdedigen tegen de vernielende pogingen van een philosophischen sophist en een agitatorisch-politieken woesteling als Bakoenine bleek te zijn, wilde hij haar niet prijs geven aan de proefnemingen van den man die in zijn politiek programma van die dagen zeide: "Wij vatten de revolutie op in den zin van de ontketening van al datgene, wat men tegenwoordig de booze hartstochten noemt."
Bakoenine was eigenlijk ook geen anarchistisch theoreticus, evenmin als de voorafgaanden; een systeem is in zijn werk moeielijk te ontdekken, hij was de gelegenheidsopposant, die in tijdschriftartikelen, manifesten etc. zijn gedachten uitte. Het eenige geschrift van hem waarin min of meer eenheid te bespeuren valt, is het kleine boekje over "God en de staat", dat wezenlijk door niets uitmunt, noch door oorspronkelijkheid van gedachte, noch door diepte van inzicht, noch door eenig historisch begrip van de stof zelve. Bakoenine heeft een tijd lang zichzelven een scholier van Marx genoemd en door hem is het "Communistisch Manifest" in het russisch vertaald. In "God en de staat" zegt Bakoenine o.m.: "Ja, de geheele geestelijke en zedekundige, staatkundige en maatschappelijke geschiedenis der menschheid is een spiegelbeeld van hare staathuishoudkundige geschiedenis," waaruit blijkt, dat hij onder den invloed van het historisch-materialisme stond. Wie evenwel het geschrift met het noodige critische onderscheidingsvermogen weet te lezen, hetgeen bij de lectuur van de anarchistische schrijvers meer dan ergens broodnoodig is, bespeurt dadelijk hoe dun er dat op zit: de godsdienst en de staat beiden worden er tot de uitgangspunten eener woedende oppositie gemaakt, waardoor Bakoenine zich terstond als de ideoloog bij uitnemendheid ontpopt, ofschoon hij tegen ideologieën als geloof en gezag op geweldige wijze te velde trekt.
Bakoenine was de eerste anarchistische agitator in den zoogenaamd grooten stijl. Zijn woelen in de arbeidersbeweging ging van tweeërlei standpunt uit: het ondergraven van èlk gezag, hoe ook genaamd, en het proklameeren van de absolute persoonlijke vrijheid en de absolute negatie van den staat. Dit bracht natuurlijk met zich mede het voortdurend aansporen tot den ononderbroken opstand tegen het bestaande, niet in den organisatorischen, maar in den omverwerpenden zin; voorts bracht het de verwerping van elke politieke aktie met zich. Bakoenine was daarmede de eerste theoreticus geworden van het anarchisme, dat de arbeidersbeweging in haar geheel zoo veel en zoo groote schade gedaan heeft, de theoreticus van de destructie, van het omverwerpen als stelsel, om de omverwerping zelve. Zoodat eenmaal terecht van Bakoenine gezegd werd: "hij zou zijn eigen stelsel, ingeval het zegevieren kon, zelf het eerst omverwerpen!"
Noch het bloote verzet tegen den staat, zonder meer, het aanzetten om hem zoogenaamd te verstoren, noch het donderen tegen God en het Godsgeloof, abstract gedreven als het door Bakoenine geschiedde, doen beide "fundamenten" van de burgerlijke maatschappij beduidend wankelen. Elk verzet tegen beide moet een inhoud hebben, anders is het een leege santekraam van phrasen, waaraan men zich bij gelegenheid wel bedrinken kan, maar die de grondvesten van de burgerlijke samenleving onaangetast laten.
Als ik tegen den godsdienst ageer, dan ageer ik tegen een ideaal dat historische brieven bezit, omdat het de menschheid eeuwenlang een opheffing en een troost was; en eerst van het oogenblik dat de godsdienst het middel eener klasse werd, die hem ging gebruiken tot onderdrukking eener andere klasse, is hij een ongeluk voor den vooruitgang geworden. Ik moet dus dit ideaal zeer wezenlijk weten te vervangen en vooral hen, die de meeste behoeften daaraan hebben: de groote massa, die zich niet door dichtkunst of wetenschap aesthetisch kan opheffen, daarmee weten te doordringen. Ik moet dus allereerst hun blikken van de hoop op het hiernamaals afwenden naar het werkelijk-aardsche en de hoop die zij koesteren op verlossing uit hun lijden in een onzienlijke wereld, leiden naar de werkelijke verlossing in de praktische wereld. Voor het schijn-idealisme moet ik het werkelijk idealisme in de plaats stellen. Ik bereik daar echter niets van als ik, den godsdienst opvattende als een spook, gelijk Bakoenine, tegen spoken vecht, en al onttroon ik dan God, gelijk Bakoenine dat eenige malen op een bladzij doet, dan zal deze niet zeer in zijn autoriteit daardoor geschaad worden.
Niet veel anders staat het met de agitatie tegen den burgerlijken staat. Bakoenine was als leerling van Hegel te zeer gehecht geraakt aan absolute formules om de historische wording en de ontwikkeling van den burgerlijken staat te kunnen onderscheiden. Voor Hegel zelf was die staat trouwens het eindpunt van idealistische ontwikkeling in politiek-socialen zin. En het was begrijpelijk dat de staat, aldus abstrakt opgevat, gelijk de scholieren van Hegel alles plachten te abstraheeren van zijn eigenlijken, werkelijken voedingsbodem, voor Bakoenine een even groot spook werd als God en het Godsgeloof dat waren.
Zooals Bakoenine in het leven elk gezag dat hem "opgedrongen" werd, zeide te verwerpen, de wetenschap alleen dan erkende wanneer zij zichzelve maar voortdurend bleef negeeren, kwam hij er als anarchist toe, evenals een gansche burgerlijke generatie van staathuishoudkundigen, staatslieden en filosofen dat gedaan hadden--en dat konsekwenter dan hij--elk ingrijpen van den staat in de sociale verhoudingen absoluut en ten eenenmale te veroordeelen en te verdoemen.
Men heeft reeds gezien waaruit de burgerlijke oppositie tegen den staat eigenlijk voorkwam. Bij anarchisten als Bakoenine worden deze motieven karikaturaal overdreven en, als zij aldus de arbeidersbeweging binnengebracht worden, vinden zij daar nog genoegzame resten van de burgerlijke beschouwingen, die nog onder het proletariaat heerschende zijn, om, vermengd met allerlei gevoelens van zwakheid en van eigen geestelijke onmacht, tot een arbeiderseditie te worden van de burgerlijke, z.g.n. oud-liberale "manchester-politiek."
Men ontbindt den staat niet door er holle redevoeringen tegen te houden en hem in den politieken ban te doen. De staat bemoeit zich met ons leven, met ons doen en laten op ieder gebied. De staat, abstrakt genomen, is een leeg begrip, het is een juridische fiktie, niets anders. Wat er wezenlijk aan is, dat is de staatsmacht van de heerschende klasse, die in parlementair geregeerde landen schijnbaar de uitdrukking van den volkswil is, maar inderdaad door middel van de grondwet, het parlement, het kiesrecht, de bureaukratie, de justitie, het strafrecht en burgerlijk recht, het leger en de instandhouding van de bestaande orde, den wil van de bezittende klasse aan de niet-bezittende met geweld opdringt. En dat te drukkender, naarmate de sociale verhoudingen een gansch anderen vorm van maatschappij-inrichting reeds lang en dringend hebben aangetoond.
Wie dus den burgerlijken staat vernietigen wil, die moet hem eerst zien te veroveren. Wie gelijk Bakoenine in den staat een zuivere afspiegeling ziet van de economische verhoudingen, voor dien zal het genoeg wezen hem eerst economisch te revolutioneeren, d.w.z. de eigendomsvormen waarop hij berust eerst weg te vegen en die heeft, aldus redeneerende, gemakkelijk zeggen, dat elke deelname aan politieke aktie, "hetzij met of zonder algemeen kiesrecht", verwerpelijk en uit den booze is.
Evenwel, de zaak ligt toch eenigszins anders dan Bakoenine met zijn sofismen en zijn gebrekkig historisch inzicht het heeft doen voorkomen, en alle anarchisten, tot op den geleerden Kropotkine toe, het zich maar voortdurend blijven verbeelden. De staatsmacht van de bezittende klasse is een economische macht, die gansch niet in de lucht hangt, die zeer wezenlijk is en op de hierboven aangegeven faktoren berust, die tevens de elementen van haren inhoud vormen. En nu heeft in het ontwikkelingsproces der ontwrichting van de burgerlijk-kapitalistische samenleving de arbeidersdemokratie, d.i. de sociaal-demokratie, eene zeer belangrijke, historische, dus onafwijsbare taak, n.l. die macht aan de bezittende klasse te ontwringen om haren inhoud te veranderen overeenkomstig de nieuw-geworden behoeften van de zich inmiddels wijzigende produktiewijze.