Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Part 6

Chapter 63,594 wordsPublic domain

Bovendien, ook hierop is reeds gewezen, op een gegeven moment in het bestaan van den burgerlijken staat is deze zich reeds gaan bemoeien, moest zich gaan bemoeien met de economische verhoudingen der burgers. Doch onder het absolutisme, waaronder de bourgeoisie vóór het tijdstip harer onbeperkte macht evenzeer als het proletariaat leed, was dit haar niet zoo merkbaar. Toen zij zelve evenwel de macht in den staat kreeg, was--ondanks hare theorie dat de staat een "contract" is, een vrije overeenkomst tusschen burgers van hetzelfde land, en uit het verlaten van "den natuurlijken toestand" voortkwam, gelijk bij de christenen uit den zondeval van het menschelijk geslacht--haar eigen staat van het zich bemoeien met economische verhoudingen evenmin af te houden. En dat juist te meer naarmate door hare, door niets meer gebreidelde, volle ontplooiing van de maatschappelijke concurrentiekrachten, er een toestand van sociale anarchie geschapen werd, die juist in het belang van een instandhouding der burgerlijk-kapitalistische samenleving zelve, voornamelijk wel in het belang van de voorwaarde van haar bestaan, een produktieve arbeidersklasse, een bemoeiend, d.w.z. een regelend optreden van den kant van den staat noodzakelijk maakte. Hierdoor werd dus aan de arbeidersklasse als van zelf het zich op hare beurt bemoeien met de wijze waarop men zich met haar meest direkte levensbelangen, de gezondheid en het voortbestaan van hare kinderen, vrouwen en mannen bemoeide, historisch en categorisch opgedrongen. Als men zich toch met onze gezondheid, ons leven, de verhoudingen waaronder wij arbeiden, wonen, eten en voortplanten moeten, etc. gaat bezighouden, welke gegronde reden kan er dan zijn, om dit te laten doen buiten ons om en buiten onze medewerking. Liefst zouden wij het zelf doen; maar omdat wij dat nu niet kunnen, zou het daarom beter zijn het maar geheel aan anderen over te laten?

De kwestie is inderdaad van een bizondere eenvoudigheid, doch in den ideologischen kop van een Hegeliaan als Bakoenine weerspiegelden zich de staat en de wetgeving als twee abstrakte en van de economische en politieke werkelijkheid afgezonderde begrippen, een fata morgana, die de menschen zichzelven schiepen. De theorie dat de staat altijd aan die klassen ten goede moet komen, welker werktuig hij vroeger eenmaal geweest is, dat de wetgeving altijd slechts voor de uitbuitende minderheid tegenover de belangen van de overgroote meerderheid der "geknechten" van nut kan wezen, gelijk het bij Bakoenine in de verhandeling over den staat heet, valt dan ook geheel ineen als men niet, gelijk Bakoenine en met hem zijn volgers, aan de idee vasthoudt dat, hoe de maatschappij ook moge zijn samengesteld, hare natuurwetten toch altijd dezelfde zijn en met dezelfde absolute macht heerschen. Daardoor komt men dan van zelf tot de inbeelding, dat de mensch zich van die op hem drukkende idee, welke hem in zijn vrije doen en laten, in zijn "persoonlijke vrijheid" belemmert, te ontdoen heeft, zich van de idée staat, of van het "étatisme", gelijk Bakoenine zich eenmaal heel leelijk uitdrukte, heeft te emancipeeren om een waarlijk vrij mensch te worden. Deze opvatting is trouwens niets dan de burgerlijke, maar met een kronkelgangetje er in, dat dienen moet om den argeloozen den indruk van een geweldig radikalisme te geven. Wie den staat de macht toekent om met zijn wetten als orgaan der minderheid een overgroote meerderheid te onderdrukken, maakt zich aan de meest belachelijke sophisterij schuldig als hij in denzelfden adem die meerderheid bezweert of haar verdoemt, als zij hare handen naar dit erkende machtsmiddel wil uitstrekken.

Vraagt men Bakoenine naar de verwerkelijking van zijn idee van communisme, dan heeft hij een zeer gemakkelijk antwoord daarop. "Door de macht der omstandigheden," zegt hij ergens in zijn "Program de la section slave à Zürich," "zal de onbegrensde privaat-eigendom verdwijnen."

Gemakkelijker kan het niet, en, het is wel eigenaardig, Bakoenine staat hiermede nog verre beneden de vooruitstrevende burgerlijke staathuishoudkundigen, die de verdwijning van dien onbegrensden privaat-eigendom niet van de omstandigheden, maar van een ingrijpen van de organen der gemeenschap: staat, gemeente etc. willen laten afhangen. Dat is tenminste een verwachting die te realiseeren is, maar Bakoenine doet als de aarts-conservatieven, die ook alle hervormingen maar liever van een verandering der "omstandigheden" dan van een werkelijk ingrijpen van den staat etc. zouden doen afhangen.

Na de vernietiging van den staat, die dan plaats moet hebben zonder de staatsmacht te veroveren, maar gelijk Bakoenine het zich voorstelt, "door het veroorzaken van het staatsbankroet, het ophouden met het betalen van belastingen, de ontbinding van het leger, van de gerechtshoven, van de bureaukratie, de politie en de kerk, de afschaffing der officieele justitie, het verbranden van alle eigendoms... papieren" (Bakoenine is niet zóó gewelddadig als hij er uitziet!)" akten van erfenis, van verkoop, van schenking en van alle processen, van alle juridische en civiele paperassen" (Bakoenine had in zijn leven misschien nog al het land aan archieven e.d. gekregen!), na heel deze vernietiging van ouden papierenrommel dus, moest er toch iets gebeuren! Welnu, zegt Bakoenine, na al dat bloedigs en branderigs zal de "natuurlijke solidariteit" de nieuwe toestanden in het leven roepen.

Dit is óók een deun, die alle op Bakoenine volgende anarchisten, voornamelijk de communistische anarchisten, hem tot op den huidigen dag nabauwen, zelfs de geleerde Kropotkine. Trap eerst maar den heelen boel in mekaar, en dan zult ge zien, dan knapt het volk alles zelf wel op; het "solidariteitsgevoel van de massa" is ons de vaste waarborg, dat het zelf dan de nieuwe, nota bene communistische samenleving--als Jupiter, die kant en klaar ontsproten is aan het Minerva-hoofd--even kant en klaar zal weten in het leven te roepen. Behalve nu dat het een ontzettende dwaasheid is hier alweer uit het vernietigde, d.w.z. uit niets, iets te willen doen voortkomen, berust deze meening op een enorme overschatting van het solidariteitsgevoel, waaraan trouwens de anarchisten in 't algemeen ziekelijk laboreeren, en op den utopischen waan dat het solidariteitsgevoel van zelf ontstaat en niet onder den druk van bepaalde omstandigheden en verhoudingen. Dat dit solidariteitsgevoel, hetwelk inderdaad in zekeren zin de basis van een andere en beter ingerichte samenleving belooft te zullen worden, evenwel op zichzelf een inhoud moet hebben, solied genoeg om er een gansche nieuwe, op gemeenschappelijke produktie en consumptie berustende samenleving op te kunnen grondvesten, spreekt van zelf. Maar voor Bakoenine en de anarchisten na hem hoeft dat niet. Dezen stampen op het moment dat alles als een puinhoop in elkander ligt, deze "natuurlijke solidariteit" uit den bodem. Zij overtroeven met dit utopisme nog verreweg dat van de oude socialistische utopisten, die tenminste begrepen dat een beter ingerichte samenleving uit economische noodzakelijkheid moest geboren worden.

Is het naïveteit of fantazie, onbewustheid of volksbedrog? Men weet het niet. Maar hoe ook, één ding is zeker: dat een maatschappij-inrichting waarin persoonlijk belang en algemeen belang te zamen vallen, en zoo te zamen vallen dat haar voortbestaan verzekerd is, niet maar op papier is te formeeren, noch den dag nà de revolutie, par ordre de mufti, te decreteeren is. Zij moet organisch groeien. En de mogelijkheid tot dien organischen groei is het juist die de anarchisten, met Bakoenine aan de spits, verworpen hebben en nog verwerpen: de klassebewuste organisatie met demokratische zelf-discipline, die de ondergeschiktheid van het deel onder het geheel, de zelfverloochening van den persoon onder de gemeenschap, tot allereerste voorwaarde heeft.

Zoo absoluut nietszeggend Bakoenine is waar het er op aankomt zich uit te spreken over den weg die gevolgd moet worden om de nieuwe maatschappij te bereiken, zoo burgerlijk-ideologisch is hij in alles wat den aard der door hem gefantazeerde nieuwe samenleving aangaat.

Vraag hem bijv. naar den grondslag zijner communistische maatschappij en hij zal niet u trachten te overtuigen van hare economische noodzakelijkheid, die uit het wordingsproces van de zich ontbindende kapitalistische maatschappij met dwingende noodzakelijkheid zich aan de menschen zal moeten opdringen èn in het belang van de menschheid zelve (ethisch) èn in dat van de produktie (technisch-economisch), maar hij zal u zeggen dat de "gerechtigheid der nieuwe wereld ten grondslag moet dienen." De "eenvoudige, menschelijke gerechtigheid," gelijk het dan met den noodigen omhaal heet, alsof er een ingewikkelde en een niet-menschelijke gerechtigheid ware!

Vraag hem ook hoe en waardoor de "natuurlijke solidariteit," dat wondermiddel, zich zal moeten manifesteeren en Bakoenine zal u, gelijk het in de statuten van zijn "Alliance internationale de la démocratie socialiste", een bond tegenover de Internationale door hem opgericht, luidt, zeggen, dat "wij" (d.w.z. de permanente revolutie) "een soort van revolutionairen generalen staf" organiseeren moeten. Deze moet bestaan uit "mannen van toewijding, energie, intelligentie" en vooral "oprechte vrienden" moeten het zijn, geen "eerzuchtigen of ijdelen" en zij moeten in staat wezen "tusschen de revolutionaire gedachte en de volksinstinkten als bemiddelaars op te treden." Bakoenine zelf had ze natuurlijk eerst wel willen keuren of ze zuiver op de graat zijn.

Doch men ziet, wat er terecht komt van de radikaal schijnende phrase, dat men zich geen enkel gezag, ook niet dat van het algemeen kiesrecht, ook niet het meest demokratische ter wereld, moet laten welgevallen. Als het er op aan komt, vindt men, om zich uit de penurie te helpen, een aantal mannen uit die, zonder dat iemand weet waar ze gods ter wereld vandaan moeten komen, den boel wel voor het volk zullen opknappen. Het is eigenlijk niets anders dan het gewone praatje van het cesarisme, dat ons hier als de radikaalste revolutieleer wordt opgedischt.

In de statuten van de "Internationale" luidde het dat "de onderwerping van den arbeider onder het kapitaal de oorzaak van alle politieke, moreele en materieele knechtschap is," en dat derhalve "de economische emancipatie van den arbeider het groote einddoel is, waaraan elke politieke beweging als middel ondergeschikt moet worden gemaakt."

Dit is zoo klaar als de dag en mits men het woord "economisch" niet geheel opzettelijk verdraait en den zin demagogisch vervalscht, is het de grondtoon van elk sociaal-demokratisch program. Niet aldus voor Bakoenine. De economische is de onmiddellijke, definitieve en volkomene emancipatie der arbeiders; zij beteekent economische gelijkheid, wat zeggen wil de volkomen teruggave van het kapitaal aan den arbeid, met andere woorden de sociale likwidatie van de kapitalistische maatschappij. En elke politieke beweging, die dat niet als het meest onmiddellijke doel beoogt, is een bourgeoisbeweging. Ergo: in de statuten van de Internationale werd de politieke aktie, dus het eischen van algemeen kiesrecht, het ijveren voor sociale hervormingen, het gebruik maken van het kiesrecht voor proletarische klasse-doeleinden veroordeeld. Niet alleen Bakoenine heeft dit politieke boerenbedrog uit die statuten gedistilleerd, maar de papegaaien van allerlei anarchistische pluimage hebben het nagezegd.

Ten eerste nu is in de statuten van de Internationale sprake van "elke politieke beweging als middel"; er wordt dus in erkend dat politieke bewegingen der arbeidersklasse wel degelijk middelen zijn, waarvan alleen, en dit zeer terecht, geëischt wordt dat zij aan het groote doel, de economische bevrijding enz., ondergeschikt zullen worden gemaakt. Gelijk dan ook alle sociaal-demokraten de politieke aktie etc. als een middel tot het doel en niet als het doel zelf opvatten, propageeren, beschouwen en in praktijk brengen.

Ten tweede is hier van economische bevrijding sprake als van een historisch bepaald proces in de ontwikkeling en geenszins van de bijna idiote opvatting, als zou de "volkomen teruggave van het kapitaal aan den arbeid, de economische gelijkheid" bedoeld zijn. Beide begrippen stammen uit de klein-burgerlijke levensbeschouwing en als zij doorgevoerd zouden kunnen worden, zouden zij de produktie tot het peil van het oude handwerk terugdringen.

Deze versimpeling van het begrip economische emancipatie leidde dan ook bij Bakoenine ten slotte tot het aanbevelen van een "wezenlijk economische" taktiek, daar hij genoopt was de massa's iets te geven, maar zich nu eenmaal te diep in de begripsverwarring had gewerkt om er met fatsoen uit te komen. Zoo begon hij dan ook de taktiek der engelsche trade-unions aan te bevelen; voor economische, lees hier: industrieele en agrarische verbeteringen moesten de arbeiders enkel pressie uitoefenen op de parlementen en afwachten of de heeren bourgeois daarbinnen wel zoo goed zouden willen zijn te doen wat de arbeiders verlangen. De politiek van zich op sleeptouw te laten nemen, die in Engeland sedert een halve eeuw de arbeidersklasse juist van elke revolutionaire aktie totaal vervreemd en haar voor klassebewuste aktie ten eenenmale verstompt had, was het laatste taktische redmiddel van den zeer radikaal-revolutionairen, alles vernietigenden Bakoenine. Sancta simplicitas! mag men uitroepen, ware het niet dat achter dien eenvoud zich het grijnzend gelaat van den demagoog verborg wiens doel het scheen in de pas opkomende arbeidersbeweging de rol te spelen van vernieler en verwarringstichter.

Bakoenine verwierp het individualisme in de beweging; hij kon het echter nimmer geheel kwijt raken; hij zwenkte steeds tusschen het individualisme dat den waren anarchist kenmerkt en het socialisme. Zoo vaag als zijn gansche stelsel, zoo half was zijn persoonlijkheid op den duur geworden. Hij was de uitvinder van het "libertaire socialisme" en noemde zich ten slotte zelf "anarchistisch collectivist." Dit tusschending, een tegenspraak in zichzelf, te hebben geschapen is de verdienste van Bakoenine geweest; maar het bewijst ook hoezeer de oorspronkelijke bodem van Stirner en Proudhon was verlaten. Met Bakoenine trad dan ook een zeer tweeslachtig anarchisme de arbeidersbeweging binnen; een monster met een Januskop, een dat organisatie op de lippen, maar desorganisatie in het hart had; een ding dat visch noch vleesch was, maar dat daarom zooveel te gevaarlijker werd voor de arbeidersbeweging, omdat het van nu af de parasiet op die beweging werd, die als een vampier haar het levende bloed uitzoog. Sinds Bakoenine was de weg gebaand voor den tusschenvorm van communistisch anarchisme, de vorm waarin het anarchisme de arbeidersbeweging binnen kon dringen. Het is een zonderling mengelmoes. Het heeft den individualistischen afkeer tegen de socialistische opvatting van den klassenstrijd, ja tegen dien klassenstrijd in het algemeen behouden, maar het heeft er zooveel van om met het einddoel te kunnen sympathiseeren. Het heeft, doordien het in de arbeidersbeweging vasten voet kon krijgen, daar veel meer verwarring aangericht dan welk anarchistisch beginsel ook. Het is lauw en laks voor den eigenlijken strijd, hoopt en verwacht nog altijd alles van de revolutie, philosopheert steeds druk over "den dag daarna" en leidt inmiddels dáárdoor de arbeiders van den strijd in het heden af, om ze met een twijfelachtigen wissel op "de" revolutie af te schepen.

4. KROPOTKINE; DE TUSSCHENVORM.

"Ik wil trachten te bewijzen, hoe onvereenigbaar verschillend de wereldbeschouwingen zijn van communisme en anarchie, ook in al hunne gevolgen."

(Carrard Auban, "De Anarchisten," pag. 156.)

Geen enkel anarchistisch schrijver heeft meer dan Peter Kropotkine aanspraak er op gemaakt, een "wetenschappelijk" anarchisme te leeraren. Geen als hij heeft er in al zijn werken over anarchisme meer den nadruk op gelegd, dat het anarchisme hetwelk hij voorstaat, een overwinning op de sociaal-demokratie, geestelijk althans, beteekent.

Er gaat van het werk van Kropotkine zekere bekoring uit en ook een zekere suggestieve kracht, omdat niemand sterker dan hij weet te manipuleeren met allerlei soort van termen. Als natuurphilosoof van groote belezenheid en studie, werkt hij bij tal van gelegenheden in maatschappelijke kwesties met natuurwetenschappelijke stellingen. Daardoor krijgen sommige uitspraken den schijn van wetenschappelijk te zijn, terwijl zij inderdaad geheel aan de oppervlakte bleven en het hart der kwestie niet raken. Het bloot overbrengen van natuurwetenschappelijke formules op maatschappelijke verschijnselen is niet wetenschappelijk, reeds hierom niet, wijl de menschelijke samenleving essentieel iets zeer aparts is en van de dieren- of plantenwereld in den grond te veel verschilt. De menschen maken, onder zekere omstandigheden, en gebonden aan bepaalde verhoudingen, hun wereld, d.w.z. het sociaal milieu waarin zij leven, zelven; zeker niet planmatig en bewust genoeg, maar in ieder geval met een van dieren- of plantenwereld hemelsbreed verschil in bewustheid.

Kropotkine is waarschijnlijk in de laatste jaren te zeer bezig geweest met allerlei dergelijke natuurstudie om in te zien, dat het niet waar is wat hij zegt "dat het persoonlijk en sociaal leven van den mensch evenzoo goed een natuurverschijnsel is als de groei van een bloem of de ontwikkeling van het samenleven onder de bijen of mieren" ("Moderne wetenschap en Anarchisme", pag. 12 der duitsche uitgave). Opdat men deze hypothese zou kunnen aanvaarden op gezag van Kropotkine, zou zij met meer bewijzen moeten worden gestaafd dan hij er voor geeft. Voorhands blijven wij gelooven dat de menschelijke samenleving niet enkel door hare technisch-mechanische inrichting, gelijk een bijenzwerm of een mierenhoop, maar ook door hare historische inrichting wordt bepaald.

Kropotkine zegt ook in bovengenoemd werkje, dat de anarchisten de dialektische methode verwerpen; een methode welke "wij evenzoo min erkennen, als de natuurwetenschappen haar erkennen" (p. 52). Dat gelooven wij wel! Hoe zou iemand die de natuurphilosophische beschouwingen gewoonweg op de menschelijke samenleving overbrengt, ooit daarbij de dialektische methode kunnen gebruiken! Dit is juist het verschil, dat Kropotkine in weerwil zijner geleerdheid niet begrijpt dat de menschelijke samenleving, het gansche ontwikkelingsproces, dat de geschiedenis tot op heden heeft doorgemaakt en nog doormaakt, een dialektisch proces is van tegen elkander inwerkende, met elkander strijdige economische en politieke krachten.

"De vraag nu," zegt Kropotkine (p. 54), "die zich het anarchisme stelt, kan volgenderwijze geformuleerd worden: Welke vormen des socialen levens verzekeren een gegeven samenleving en verder ook de menschheid de grootste som van geluk en bijgevolg ook de grootste levenskracht. Welke vormen der samenleving zijn er het meeste toe geëigend, een bestendig groeien en ontwikkelen van dit geluk, in kwantitatief en kwalitatief opzicht, te waarborgen, d.w.z. dit geluk tot een steeds volkomener en veelzijdiger te maken?.... De mensch, de ontwikkeling in deze richting te bevorderen, bepaalt de werkzaamheid van de anarchisten op sociaal, wetenschappelijk en artistiek gebied" (p. 54).

Dit is dus het resultaat van Kropotkine's ontwikkeling: het onderzoek naar de "beste der maatschappijen" en naar die welke de grootste som van geluk voor het grootst mogelijke aantal waarborgt. Als Kropotkine, die zoo ontzettend belezen is, nu maar toegeven wil dat noch die kwestie zelve, noch de wijze waarop hij haar stelt, een haartje nieuws bevat, dat zij reeds door alle sociaal-philosophen, die den weg voor de burgerlijk-liberale levensbeschouwing gebaand hebben, in het Frankrijk van de 18e eeuw veel juister gesteld was en met veel meer reden, dan is het ons goed.

En als dit resultaat nu gewonnen heette te worden langs den weg dien de natuurwetenschappelijke methode pleegt te volgen, dan blijkt daar uit, dat deze methode, althans in den vorm waarin Kropotkine haar gebruikt, niet deugt voor een strijdende arbeidersbeweging, wier kracht niet juist is, dat zij zoekende is naar een maatschappij vorm die geschikt is om te voldoen aan zekere vooraf gestelde eischen, maar de wetenschap dat de maatschappij die komende is in den schoot van de tegenwoordige wordt uitgebroed.

Het is overigens maar een zeer mager beestje, dat er van het stoutmoedige anarchisme is overgebleven, gelijk men ziet. De ontwikkeling van de sociologie was reeds met Auguste Comte veel verder gekomen. Niet verder dan een onderzoek naar de beste der maatschappijen het te kunnen brengen, is niets dan een teruggang tot het oude zwak van de utopie, die dat ook deed, zonder de sterke eigenschappen aan het socialistisch utopisme eigen, dat althans door de kritiek op de bestaande samenleving sterk stond.

Met deze verklaring van de taak en het doel van het anarchisme heeft de "revolutionair" in Kropotkine's anarchist geheel plaats gemaakt voor den burgerlijken utopist, voor den onschuldigen sociaal-philosoof, die zoekende is naar de "beste" maatschappij.

Deze laatste phase van Kropotkine als anarchist behoeft geenerlei verbazing te wekken; geen die ooit meer utopist is geweest dan hij. Trots allen schijn van wetenschappelijkheid is het Kropotkine niet gelukt van het anarchisme een wetenschappelijk stelsel te maken. Het communisme in de eigenlijk anarchistische, d.w.z. anti-organische, absolute beschouwing omtrent maatschappij, staat, produktie enz. te hebben ingevoegd, is op een verwringing van het oorspronkelijk anarchisme uitgeloopen. Het anarchisme is bij Kropotkine geen zier communistischer geworden; d.w.z. de voorwaarden, die de beweging naar een communistische maatschappij bepalen, de ontwikkelingsgang van de arbeidende menschheid, zijn in de uiteenzettingen van Kropotkine even vaag en nietszeggend gebleven, als zij bij de werkelijke anarchisten duidelijk afwijzend zijn. Dezen zeggen: wij maken uw ontwikkeling naar het socialisme of communisme niet mede; alles in uw toekomst gaat tegen de ontwikkeling van de "vrije persoonlijkheid", van den "souvereinen individu", het middenpunt van de wereld volgens ons, zoo dwaas in als het maar kan.

Kropotkine betuigt anarchist te zijn, aan de vrijheid van de persoon, de zelfbepaling, de souvereiniteit van den individu vast te houden, maar als hij over het communisme van zijn toekomststaat spreekt, is hij de eerste die deze souvereiniteit loslaat en in de plaats van de personen de "vrije groepen" stelt. Dit is nu wel Proudhonistisch, maar het is niet logisch. Welken waarborg heeft men dat "den dag na de revolutie", die bij Kropotkine evenals bij alle phantasten uit de lucht moet komen vallen, die "vrije groepeering" plaats zal vinden? Deze, hoogst eenvoudige vraag wordt door Kropotkine nergens beantwoord. Alleen een zeer optimistisch vertrouwen op de massa helpt hem uit de moeielijkheid.

Van zelf zijn wij hier gekomen tot een van de meest typische werkjes die Kropotkine geschreven heeft in zijn z.g.n. revolutionaire periode, toen hij de "natuurwetenschappelijke" methode nog niet gelijk tegenwoordig hanteerde. Het is "De verovering van het Brood", een werkje dat indertijd onder arbeiders veel gelezen is en dat, afgezien van de hoofdstukken, die goed studiemateriaal bevatten, de zuivere afspiegeling is van de klein-burgerlijk utopische gedachte die meent, dat een "betere verdeeling" een nieuwe maatschappij maakt.

In "De verovering van het brood" is niet alleen de gedachtengang over de toekomst utopisch, maar ook de andere hoofdgedachte, n.l. dat de revolutie zal komen als gevolg van de ellende van het proletariaat. Twee, met elkander strijdige houdingen beheerschen dit gansche werkje, die kenmerkend zijn voor de methode van het "wetenschappelijk" anarchisme van Kropotkine en zijn volgelingen.