Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging
Part 14
De mogelijkheid voor de arbeiders om zich te organiseeren was er eerst, en soms vrij lang, nadat de noodzakelijkheid er kwam. De behoefte van de arbeiders om zich te vereenigen werd reeds gevoeld toen bij groepjes arbeiders het eerste bewustzijn zich voelbaar maakte van verzet tegen de àl te groote uitbuiting. De mogelijkheid ontsproot niet alleen uit het scheppen der voorwaarden tot het bijeenbrengen der massa's, maar ook uit het tot op zekere hoogte gelijkmaken van hunne sociale situaties.
Marx zegt in hetzelfde werk:
"De economische verhoudingen hebben het eerste de massa van de bevolking in arbeiders omgezet. De heerschappij van het kapitaal heeft voor deze massa een gemeenschappelijke situatie, gemeenschappelijke belangen geschapen. Zoo is deze klasse bereids een klasse tegenover het kapitaal, maar nog geen klasse voor zich-zelve. Na dien strijd treft deze massa samen, constitueert zich dus als klasse voor zich-zelve. De belangen die zij verdedigt worden klasse-belangen. Maar de strijd van klasse tegen klasse is een politieke strijd."
Dien zeer moeitevollen strijd welken Marx hier schetst, de noodzakelijkheid voor het moderne proletariaat om zich te constitueeren als klasse; een klasse met een eigen kritische beschouwing van de maatschappij en hare ontwikkeling, een eigen politiek en een eigen inzicht in de economische feiten,--dien strijd heeft iedere proletariërsklasse, van welk land ook, moeten doormaken en is zij nog bezig door te maken. Want dat werk is slechts de voorbereiding die het moderne proletariaat noodig heeft om de erfenis van de bourgeoisie te kunnen aanvaarden.
Hierom is discipline voor het proletariaat in alle uitingen van den klassenstrijd een noodzakelijke voorwaarde. Zonder dat zal het nooit kunnen overwinnen.
De organisatie van het proletariaat is, naar men ziet, geen toevallige, of een die vandaag zus en morgen zoo kan zijn, zij is een vaste, een blijvende, die juist door hare vastheid en haar blijvend karakter wordt tot wat zij wezen moet: het orgaan van de revolutionaire klasse, die de leiding van de produktie voor zich veroveren moet.
Het individualisme dat zich nog steeds in de arbeidersbeweging poogt staande te houden, dat demokratische discipline "gezag" noemt, dat de "vrijheid" om de des-organisatie hoog te houden als zijn eenig geloofsartikel beschouwt, is een rem tegen de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in den bovengeschetsten, eenig-mogelijken zin.
Een arbeidersklasse, die niet is een zoo sterk mogelijk, gesloten geheel, mist de economische macht die de voorwaarde is van haar optreden. Het is merkwaardig--juist die anarchisten, welke in den strijd dien zij zeggen mede te willen voeren tegen het kapitalisme, zoo zeer den nadruk plegen te leggen op de economische macht en niet op de politieke, belemmeren door hun sektairisme, door hunne eindelooze en tot in het belachelijke doorgedreven "groeps"-splitsing, het opkomen van die economische macht van het proletariaat.
Er zijn in de wereld twee beginselen, Gezag en Vrijheid, volgens Domela Nieuwenhuis. [29] Hoe men begrippen, opvattingen, die steeds wisselden van beteekenis en van inhoud, beginselen kan noemen waarnaar de wereld geleid werd, moge anarchistische wijsheid zijn, historische wijsheid is het zeker niet. Even goed kan men zeggen: er zijn in de wereld twee beginselen: Geloof en Ongeloof, wat de anti-revolutionairen e.t.q. beweren.
De zaak is, dat in een op klassetegenstellingen berustende maatschappij, met de steeds stijgende mate van arbeidsverdeeling, het gezag, d.w.z. de onderwerping van menschen aan andere menschen voor het bereiken van zekere doeleinden, historisch even noodzakelijk is geweest, als de erkenning, dat dit gezag niet meer noodig was een historische noodzakelijkheid is geweest. De strijd tegen gezag in het algemeen, namelijk het gezag van groepen menschen over de massa, ving eerst aan toen dit gezag zichzelf overleefd had, de menschen tot de erkenning van zijn overbodigheid waren gekomen.
Zulk een gezag oefende de geestelijkheid bijv. in het begin van de middeneeuwen uit, het gezag dat toen noodzakelijk was, omdat bij den clerus was te vinden de intellectueele kracht die de toenmalige menschheid noodig had. Zulk een gezag had de adel, toen hij nog de verdediger van de veiligheid van de maatschappij was, nadat na de groote volksverhuizing de menschen weer hokvast werden. Zulk een gezag, al duurde dit ook ontegenzeggelijk heel veel korter, had de bourgeoisie, de klasse die bestemd was slechts een overgang te zijn van de feodale tot de socialistische maatschappij, de bestemming had de maatschappelijke produktiekrachten te ontketenen en tot in het fabelachtige te doen stijgen, om daardoor de mogelijkheid van een gemeenschappelijke produktiewijze te kunnen scheppen.
Dit alles was noodwendig gezag, maar dat met de erkenning dat het overbodig was geworden, zijn economische noodzakelijkheid had verloren. Zoo is de organisatie van het proletariaat een economische noodzakelijkheid en het "gezag" daarin, als men wil, even noodzakelijk. Is het nu niet merkwaardig dat de anarchisten het eenige correctief, dat de klassebewuste arbeidersbeweging kent tegen het gevaar dat het gezag ontaardt in tyrannie, de demokratie namelijk, verwerpen? Immers, hoe ge ook wilt organiseeren, besturen, leiden, de demokratie zal toch altijd uw eenige grondslag moeten zijn, de meerderheid zal toch altijd moeten beslissen en de minderheid zich moeten onderwerpen, al splitst ge tot in het oneindige toe.
Waarop komt dus deze "vrije groepeering" van de anarchisten neer? Op een moedwillige verzwakking van de arbeidersklasse zonder dat er een enkel ander voordeel tegenover staat.
Een ander "libertair" stelt omtrent de kwestie van de verhouding van den individu tot de arbeidersbeweging eenigszins andere regelen op, die eveneens zeer bedenkelijk zijn voor de eenheid van het proletariaat. Hij verdedigt het recht van... de minderheden. Men luistere:
"Wat de overheersching betreft die de meerderheid eener organisatie op de minderheid zou kunnen uitoefenen, kunnen de werklieden slechts de vrijheid van uittreden uit de organisatie en van zelf handelen voor de minderheid verdedigen"... [30]
Welk principieel verschil er bestaat tusschen de feitelijke tyranniseering van de meerderheid in een organisatie door een koppige minderheid, en die van personen, is ons een raadsel. Waarom een individu niet mag, wat deze "libertair" aan een verzameling van individuen als een recht toekent, zal wel niemand met gewoon verstand begrijpen kunnen. Alleen, het is verklaarbaar van het standpunt van den anarchist, die onder welken naam hij zich ook verkappe, altoos anarchist blijft.
INDIVIDUALISTISCHE UITINGEN.
"En zijt gij niet willig, zoo gebruik ik geweld!"
Goethe, Erlkönig.
Het is het noodlot van het anarchisme, dat het niet tot daden kan komen of het zijn daden, die het onmiddellijk zelf gedwongen wordt af te keuren. Dat is het noodlot van èlke theorie, van ieder beginsel, dat niet het gevolg is van een logische éénheid, maar van tweeslachtigheid. Het anarchistische uitgangspunt is in alle opzichten een tegenspraak. Het wil geweld, maar het leidt tot verzwakking. Het wil de vrijmaking van den individu, maar de individu werpt zich door zijn optreden op tot rechter over andere individuen en verheft plotseling zichzelf tot de opperste autoriteit. Het wil verheldering van de massa, maar het sticht onder haar de grootste verwarring. Het begrijpt zichzelf niet.
Inderdaad, de gewelddaad of de "propaganda van de daad," zij moest wel het credo worden van het anarchisme, het middel bij uitnemendheid of liever de laatste toevlucht. En allerlei soort "artisten," letterkundigen en journalisten kwamen zich onder de anarchisten mengen en het waren niet voor het minst deze "dekadenten" (vervalsmenschen), die een zeer levendig aandeel in het propageeren van de daad hebben genomen, haar hebben aangewakkerd en, vooral toen er nog geen straf op stond, haar hebben verdedigd.
Het type van deze soort van verdediging leverde de dichter Laurent Tailhade, die, na den aanslag in het hôtel Terminus uitriep: "Wat komt het aan op de offers, als het gebaar maar mooi is!"
"Het gebaar" moest het voor dezen dekadent dus doen. Niet de offers en het resultaat, maar de mensch die den moed bezit, zich aan het ongeluk prijs te geven; niet het praktisch nut, maar de mensch, de dader boezemt dergelijke soort dekadente dichters de vreugde in die zij over zulke gevallen voelen.
Overigens was deze gansche bommenwoede en met haar de "propaganda van de daad" spoedig genoeg dood. Zij was het nog spoediger geweest, als de burgerlijke regeeringen in de verschillende landen haar niet nog lang kunstmatig hadden aangekweekt met hun geweldige vervolging van al wat zij meenden dat zich anarchistisch noemde, met hun systeem van geheime ophitsing door middel van "mouchards." Sedert hoort men weinig of niets meer van de geweldige resultaten die deze propaganda zou moeten hebben. Zij is verstomd, die stem!
En of nu nog eens een enkelen keer weder op zekeren dag een of ander half of heel waanzinnige den een of anderen minister of koning of grootwaardigheidsbekleeder zal pogen te dooden; of nu ook nog een of andere dwaas voor een huis een bom zal nederleggen--vooropgezet dat zulk een daad niet is geprovoceerd door de politie of rechtstreeks van de politie zelve stamt,--dat zal aan het onweersprekelijke feit niets afdoen, dat "de propaganda van de daad" óók van het anarchistisch programma geheel is geschrapt.
Daarom behoeven wij er niet lang bij stil te staan. Deze dolzinnige zijde van het anarchisme is door zijn eigen dolzinnigheid, kan men zeggen, nu wel overwonnen. De "theoretische" anarchisten, die vóór het tot werkelijke daden kwam, nooit gewaarschuwd hebben, althans nooit principieel, tegen de vreeselijke gevolgen van een dergelijke propaganda, en nooit gewezen hebben op de krankzinnige konsekwenties waartoe zij moest leiden, namen dan ook nà de verschillende aanslagen, welke in Frankrijk vooral elkander met een snelheid, die op een zekere stelselmatigheid wees, opvolgden, allen een afkeurende en afwijzende houding aan.
Kropotkine, Grave, Faure, Réclus, zij waren allen dadelijk geneigd om daden van geweld, dynamietaanslagen en moorden van de rekening van het anarchisme af te voeren. Wie en wat dan wèl de verantwoordelijkheid voor deze daden te dragen had; welk soort van theorie dáár dan wèl voor aansprakelijk gesteld moest worden, dat heeft geen van deze mannen ons ooit gezegd. Het anarchisme niet! Meer niet. Maar dat is niet genoeg, dat is zeker niet genoeg als men hun tegemoet kan voeren, dat geen hunner vóór dat de periode van aanslagen geopend werd, ooit rond en openlijk, zonder omwegen, er voor is uitgekomen dat deze gansche "propaganda van de daad" een afschuwelijk soort propaganda was niet alleen, maar in zijn wezen een allermisdadigste propaganda, die niet alleen tengevolge moest hebben een geweldige reaktie naar buiten, maar eveneens een onoverzienbare verwildering van de arbeidersbeweging naar binnen. Het is geen bewijs van zedelijken moed, om eerst nàdat een zekere propaganda tot zulke geweldige onheilen geleid heeft, dat iedereen er tegen in opstand kwam, zijn handen openlijk weg te trekken en te zeggen, dat men er niets mede te maken heeft! Of om, gelijk E. Réclus, te verklaren, "dat de anarchisten van de daad, die dynamietaanslagen pleegden, niet goed begrepen wat er met de propaganda door de daad werd bedoeld"!
Men wist dat jaren lang, vanaf Bakoenine, reeds het misdrijf werd aangeprezen, als een van de middelen om het kapitalisme te ondermijnen, de bourgeoisie te doen sidderen en het revolutionair verzet onder de massa aan te kweeken. Waarom een dergelijke propaganda nooit belet?
Deze en meer dergelijke vragen kwamen aanstonds op, toen men na de aanslagen las, dat Kropotkine, Jean Grave, Sebastien Faure en Réclus elke aansprakelijkheid ervoor van zich en ook van het anarchisme afwierpen. Hebben zij dan nooit gelezen of gehoord, wat Bakoenine en zijn edele vriend Netchaieff in het bizonder, voor misdadigs in naam van de anarchistische taktiek hebben gepropageerd, als revolutionaire middelen van den eersten rang? Waren zij dan waarlijk zoo onbekend met de dingen, die het Congres van Londen bedoelde, maar niet openlijk aanwees als "middelen van aanval en verdediging", die men aan de "technische en chemische wetenschappen" moest ontleenen? Wel degelijk wisten zij dat allemaal héél goed. Maar het was hun gebrek aan zedelijken moed om de massa de waarheid te zeggen, omdat men daarmede zijn populariteit inboeten kan, die hun er toe bracht de dingen zoo voor te stellen, dat zij later gerechtigd schenen de verantwoordelijkheid van zich af te werpen voor de misdadige "propaganda van de daad," die in naam van het "anarchistisch ideaal" bedreven werd, en door het publiek,--geheel terecht--op rekening van het anarchisme werd gesteld.
Hier raken wij een punt dat niet voorbijgegaan mag worden; het is de zedelijke verantwoordelijkheid van de leiders, niet voor daden van den éénling, maar voor de propaganda in haar geheel en hun overwicht op de massa.
Liebknecht zeide eenmaal, geen middel van aktie of propaganda te kennen of te willen aanbevelen, waarvan hij zelf de verantwoordelijkheid tot op het laatste toe niet zou kunnen helpen dragen. Dat is het standpunt wat de leiders van een massa altijd moeten innemen. Dat is het moreele steunpunt van een massabeweging, waarin noodwendig steeds personen gevonden worden, die een of andere uitdrukking licht zóó kunnen opvatten, dat zij het tegenovergestelde bij hem wakker roept van wat de spreker bedoelde. Tegen het laatste kan niemand zich wapenen; dat zal steeds wel blijven gebeuren. Maar daarom moet men zich ook altijd kunnen beroepen op eigen ondubbelzinnige woorden.
Het is een van de afwijkingen, van de abnormaliteiten in de anarchistische propaganda uit den roerigen tijd geweest, dat dit moreele begrip: hoe men propageeren moet om niet noodeloos slachtoffers te maken, gaandeweg begon uit te slijten, zoodat de leiders en sprekers het zelfs gansch verloren. Dat hing natuurlijk samen met de zucht om het publiek te behagen, de jacht op succes die iedere demagogie kenmerkt. Zoo heeft de verwerping van de demokratie in het anarchisme, dat op de massa wilde blijven vat houden, regelrecht tot een wilde demagogie geleid, die haar wederga alleen bij het politieke anti-semitisme in vroeger dagen in Duitschland en tegenwoordig bijv. in Oostenrijk kan vinden.
Het ophitsen tegen personen, het beleedigen en verdacht maken van menschen, kortom niet de principieele, maar de persoonlijke bestrijding, het omlaaghalen van de tegenstanders in hun private leven,--ziedaar de wapenen van iedere en speciaal van de anarchistische demagogie.
De propaganda van de daad steunde op tweeërlei: het kapitalisme vernietigen en de bourgeoisie schrik aanjagen. Beide zijn het gevolg van een hopeloos verwarde beschouwing over de rol van het kapitalisme in de maatschappij en over die van de bourgeoisie. En waarvan gaat geheel deze beschouwing eigenlijk anders uit dan van het burgerlijke begrip?
De burgerlijke staathuishoudkunde heeft geleerd, dat het kapitaal is een macht in handen van menschen, die zich door "sparen" dat "eigendom" hebben "verworven"; aan welk eigendom door niemand de hand geslagen mag worden. De leer van den persoonlijken eigendom dus, die onaantastbaar was. Wat is het kapitaal evenwel in den loop van de kapitalistische ontwikkeling geworden? Een sociale macht; een macht, niet van personen over dingen, maar van dingen over personen. De burgerlijke staathuishoudkunde kan dit natuurlijk niet toegeven, omdat daarmede feitelijk de grondslag wegvalt, waarop zij de heerschappij van het privaatbezit heeft trachten te bouwen. Vervolgens: de bourgeoisie wordt eveneens door hare geleerden, de verdedigers van de bestaande orde gelijk men het noemt, als de klasse beschouwd die niet alleen de leiding van de produktie heeft, maar die haar ook houden moet. De bourgeoismaatschappij, de bourgeoisstaat, zij zijn het einde van alle menschelijke sociale wijsheid.
In deze denkbeelden heeft de bourgeoisie niet alleen haar eigen kinderen, maar nog veel sterker die van het proletariaat opgevoed. Doch daar zijn er onder de laatsten voornamelijk, die met eenige scherpzinnigheid uit deze theorieën verdere konsekwenties zijn gaan trekken.
Ten eerste deze: als het kapitaal een persoonlijke macht is, dan vernietig ik ook kapitaal als ik een of meer bezitters daarvan dood. Ten tweede: als de bourgeoisie de klasse is die niet alleen de leiding der produktie, dus de macht heeft, maar deze ook houden moet, omdat er geen andere toestand mogelijk en denkbaar is, dan blijft er voor mij, die onder dien toestand lijd, die deze macht ben gaan haten omdat ik haar als een mij steeds vervolgenden vijand tegenover mij zie, geen ander middel over, dan geweld tegen haar te gebruiken. En kan ik haar niet geheel vernietigen, dan kan ik althans hare bezitters een oogenblik doen vreezen. Dit laatste is dan ook eigenlijk niets dan een ander uiterste van de beschouwing waarvan de utopisten zijn uitgegaan, nl. dat men de bourgeoisie moet trachten te overtuigen dat zij goedschiks hare macht, als klasse, uit de handen zou moeten geven. De anarchist van "de daad" weet alleen maar dat het niet "goedschiks" gaat; hij probeert het dus kwaadschiks gedaan te krijgen. Het is hier enkel maar een verschil in toepassing, het grondbeginsel blijft hetzelfde.
Wij zullen niet zeggen, dat iedere anarchist die daden pleegde van het gehalte als Vaillant, Henry, Caserio, van een dergelijke redeneering is uitgegaan, maar in den grond leidt de anarchistische levensbeschouwing onvermijdelijk daartoe.
Wij zijn in de burgerlijk-liberale en in de anarchistische beschouwingswijze slechts losse individuen, ieder is een brokje maatschappij. Licht men er zulk een brokje uit, zoo is de redeneering, dan wordt daardoor reeds een deel van die maatschappij ontredderd.
Deze redeneering, die het toepassen van individueel geweld logisch billijken moet, kan zich niet dekken met de rol die het geweld vervuld heeft in de geschiedenis. Overgangen in de samenleving voltrekken zich nooit geleidelijk, dat wil zeggen, zonder letsel aan personen. Dat heeft de bourgeoisie wel het sterkst getoond, toen zij hare revoluties maken moest en genoodzaakt was deze tot in het uiterste door te voeren. Zij moest tegen het absolute koningschap bloedig te werk gaan, en wat haar aan feodalisme in den weg stond, moest, gelijk in de jaren 1791 tot 1793, door de guillotine worden verwijderd.
De anarchist evenwel, die een bom werpt in het parlement, gelijk Vaillant, die een president van de republiek doodt, gelijk Caserio, of een ministerpresident, gelijk Angiolillo, een onnoozelen koning, gelijk Bresci, of een nog onnoozeler keizerin, gelijk Luccheni, grijpt in geen enkel opzicht in het organisch ontwikkelingsproces van de maatschappij revolutioneerend in. Hij berooft een individu van het leven, wiens werkzaamheid in sociaal opzicht òf niet hooger zich verhief dan die van elken kantoorbediende of bode van een ziekenbus, en wiens ledige plaats slechts een verlies voor de familie oplevert. Of, in het geval dat hij een of anderen gehaten staatsman treft, verzwakt bij de eene burgerlijke politieke partij ten gerieve van de andere. Dus politieke aktie!
Dergelijke persoonlijke daden van geweldsoefening zijn volstrekt niet op één lijn te stellen met het uit den weg ruimen van hinderpalen, zooals de ontwikkeling der maatschappij aan klassen wel eens heeft opgedrongen, die voor het feit stonden zoo te handelen op straffe van anders niet tot hun doel te geraken. Want in dat geval bewijzen de logische noodzakelijkheid en de onafwendbaarheid van het middel reeds van zelf het historische recht. Daden als de onthoofding van Karel I van Engeland door de zeer vrome Puriteinen of de onthoofding van Lodewijk XVI door den derden stand in Frankrijk, waren geen individueele, maar sociale daden, die door de onvermijdelijke omstandigheden aan een groote meerderheid van het volk opgedwongen werden in den strijd tegen een betrekkelijk kleine groep, overgebleven uit een economisch en politiek geheel overwonnen tijdperk. Daarom kan geen revolutionaire klasse het recht op geweld vrijwillig opgeven, zonder daarmee tegelijkertijd op te houden als revolutionaire klasse te bestaan.
Maar dàt geweld is niet alleen, gelijk wij hebben aangetoond, van een andere orde, dan dat waarop de anarchistische "propagandisten door de daad" zich beroepen; het anarchistische middel is eenvoudig een omkeering van het geschetste beginsel. De individu maakt zich hier tot rechter over verhoudingen en personen, stelt zich dus eigenmachtig en eigengerechtigd in de plaats van de objectieve verhoudingen en de klassen die te richten hebben.
Dat is geen historische daad, dat is persoonlijke willekeur, die van niemand te dulden is. Persoonlijke willekeur, die de vertegenwoordigers, de machthebbende personen van een regeerende klasse dikwerf toegepast hebben op menschen, wier werk of wier aanwezigheid in de maatschappij hun onwelgevallig was, maar dáárom nog in geen enkel opzicht het karakter van persoonlijke willekeur verloren heeft.
Er heerscht dus in zeer hooge mate hier begripsverwarring, die de logische noodzakelijkheid van een klasse om beletselen uit den weg te ruimen, welke hare ontwikkeling verhinderen, vereenzelvigt met de willekeur van een anarchistische, individueele gewelddaad. Het zedelijke recht om te rechten ligt niet, kan niet liggen bij individuen, het ligt slechts bij klassen en het ontleent zijn waarde aan de noodzakelijkheid van een gegeven klasse om in een gegeven historisch tijdvak, in het belang van de maatschappij (in het algemeen belang is de term die de historie daarvoor kent) de leiding van de produktie te aanvaarden, voor den groei van de intellectueele ontwikkeling ruimer banen te scheppen, de rechtsinstellingen naar de inmiddels veranderde omstandigheden te wijzigen enz. Kortom, de noodwendigheid van de vervanging der eene klasse, die aftreedt, door eene andere, die voortaan besturen zal.
Het is het verschil in uitgangspunt tusschen sociaal-demokraten en anarchisten dat ook hierin aan den dag komt. Bij de anarchisten wordt steeds het zwaartepunt, de doorslag in de historische ontwikkeling van de klasse, bij den individu gelegd; de sociaal-demokratie kent geen doorslaggevenden, met zijn geweld in den gang der ontwikkeling ingrijpenden individu, maar enkel de klasse en hare economische en politieke machtsontwikkeling.
Gaan wij na in hoeverre dergelijke persoonlijke geweldsdaden de arbeidersbeweging in hare ontwikkeling hebben gebaat, dan zien wij, dat zij in stede van ontwikkelend, slechts remmend, slechts reaktionair gewerkt hebben. Reaktionair niet in den zin van contra-revolutionair, maar in den zin van de ontwikkeling belemmerend. Dat kan ook niet anders. Een te sterk aanzetten van revolutionaire energie kan reaktie bij de nog bovendrijvende klasse verwekken. Als zelfs een deel van de arbeidersklasse tegen de bourgeoisie met een grooter machtsontwikkeling optreedt dan met hare wezenlijke kracht in overeenstemming is, kan zij, de nederlaag lijdend, reaktie bij de bourgeoisie verwekken. Maar dan kan deze alleen het gevolg zijn van een veel sterker krachtsinspanning van de bourgeoisie dan voorheen en uit deze daad kan de onderworpen arbeidersklasse weder nieuwe krachten putten. Een kamp tegen de reaktie bij de bourgeoisie kàn zelfs een geheel nieuwe phase worden in de ontwikkeling van de arbeidersklasse, zelfs zoo zij pas overwonnen is, en opnieuw tot scherping van haar revolutionaire energie medewerken. Zooals Marx het zeide van de contra-revolutie in Frankrijk in 1848: