Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Part 15

Chapter 153,593 wordsPublic domain

"Niet in zijn tragi-komische veroveringen brak zich de revolutionaire vooruitgang baan, maar in de voortbrenging van een gesloten, machtige contra-revolutie, in de voortbrenging van een tegenstander, door wiens bestrijding eerst de revolutionaire partij rijpen kon." [31]

Zoo iets evenwel kan een individueele gewelddaad, zelfs een opvolging van zoodanige daden, niet alleen niet ten gevolge hebben; doch de reaktie die zij opwekt, leidt niet tot een abnormale krachtsinspanning bij de bourgeoisie, maar tot hare al te gemakkelijke krachtsvermeerdering. En geen wonder: de daad of daden zijn niet het gevolg van de kracht maar van de zwakheid der arbeidersklasse, van haar gebrek aan historisch inzicht, dat haar niet doet inzien dat de klasse langs heel andere wegen te bestrijden is en bestreden moet worden. De bourgeoisie daarentegen ziet zich onmiddellijk versterkt in de publieke opinie; haar onrecht van bestaan, dat door hare ontwikkeling als kapitalistenklasse zich aan het bewustzijn van breede middenlagen der maatschappij opdringt, wordt weder voor een tijd recht; zij is de aangewezen klasse om de bedreigde "orde" te handhaven. Het bloed wordt haar opnieuw toegevoerd naar de plaats waar het bezig was weg te stroomen, de plek van hare strafwetgeving: het middel ter bewaking en bescherming van de rechtsorde bij uitnemendheid. Justitie en militairisme, de twee machtigste stutten van de bourgeoisie, worden versterkt en de arbeidersbeweging betaalt het gelag; uitzonderingswetten worden gemaakt, waarmede de regeerende klieken anderen dan juist anarchisten pogen te treffen; zelfs vindt de bourgeoisregeering in niet weinige gevallen aanleiding om het recht van vereenigen en vergaderen, den sterksten steun voor de ontwikkeling der arbeidersklasse, de coalitievrijheid en de persvrijheid aan banden te leggen.

Dat zijn altoos de eenige gevolgen van deze propaganda van de daad geweest; en dat waren de wrange vruchten die het proletariaat, vooral in de romaansche landen, van deze soort propaganda heeft mogen plukken.

Vergissen wij ons niet, dan was zij eigenlijk niet anders dan het uitwoeden van die individueele aktie, die door het romaansche anarchisme jaren lang gepredikt is en die haren aanvang in de propaganda van Bakoenine vond. Als zoodanig was zij ook een noodzakelijkheid, al was het dan ook een zeer treurige, voor de arbeidersbeweging van deze landen. Het beste bewijs dat zij verouderd is, vormt het feit dat geen enkel anarchist openlijk meer iets van haar weten wil.

Een eigenaardig standpunt neemt bijv. Domela Nieuwenhuis in, die den aanslag niet "direct goedkeurt," maar ze "begrijpelijk" vindt. [32] Zeker is iedere handeling te begrijpen, als men de motieven kent die er toe geleid hebben, maar daar gaat het hier volstrekt niet om. Hier geldt het de beoordeeling of het een middel is dat de arbeidersbeweging kan dienen. Het "begrijpelijk" maken kan hoogstens een criterium opleveren voor de rechters die over zulke misdrijven te oordeelen hebben, maar niet voor hen die zeggen de arbeidersbeweging te dienen. Domela Nieuwenhuis beschouwde ze als een propagandamiddel voor het anarchisme; deze anarchist, die zegt het "gezag" van menschen niet te erkennen, erkent wèl het "gezag" van een bom.

HET LIJDELIJK VERZET.

In de laatste jaren voornamelijk hebben wij nog een anderen vorm van "persoonlijke aktie" zien geboren geworden, die, hoewel van veel minder schadelijken aard naar buiten, in den grond evenwel van hetzelfde anarchistische gezichtspunt uitgaande en de waarde van persoonlijke daden evenzoo overschattende, voor de arbeidersbeweging van even weinig nut en voor de enkelen die er zich door aangetrokken gevoelen, ook van schadelijke uitwerking is. Wij bedoelen hier den passieven weerstand of het lijdelijk verzet van individuen, wat ten onzent in den laatsten tijd vooral hierop neerkomt, dat men zijn militairen dienstplicht weigert. In beginsel richt zich deze aktie meer tegen den staat, van wien men zich het geweld laat welgevallen, maar wien men daartegenover zijn persoonlijke diensten weigert. Zij komt ook wel vermengd voor met de christelijke beschouwing, op grond van christelijk-ethische bezwaren, dat men zich niet leenen moet om de wapens te dragen, geen eed moet doen enz. enz.

Konsekwent zag men tot nog toe deze persoonlijke aktie nergens doorgevoerd; immers hare konsekwentie zou verlangen dat men weigerde belasting te betalen, dat men zich aan geen politieverordeningen stoorde, dat men iedere aanraking met de staats- of gemeentevoorschriften ontweek en weigeren zou aan de verplichtingen, daarin opgelegd, te voldoen. [33]

In deze halfheid ligt dan ook de veroordeeling van het middel als werkzaam oppositiewapen tegen den gehaten staat opgesloten. Een middel dat zijn doel hoogstens maar van één kant kan treffen, is geen middel. Want nog sterker veroordeeling ligt in het feit, dat niemand zijner aanhangers het zelfs ook maar voor de helft of voor een kwart openlijk durft aanbevelen. Dat veroordeelt het reeds moreel; maar nog veel meer treft het die veroordeeling als middel in den klassenstrijd.

Het moge een zekere ethische waarde hebben--ook dat evenwel lijkt ons zeer betwistbaar--om met zijn persoon te staan tegen hetgeen men in strijd acht met zijn heilige overtuiging; voor wat men er mede bereikt is het middel evenwel te duur.

De taktiek van de arbeidersbeweging in den klassenstrijd strekt om met zoo weinig mogelijke persoonlijke offers een zoo groot mogelijk resultaat te bereiken. Zoo er al in den strijd offers van persoonlijken aard moeten vallen, dan staat toch bij iedere wèl overlegde handeling, bij elken beraamden stap van het proletariaat, deze gedachte voorop, om het kapitalisme, hetzij op economisch, hetzij op politiek terrein op zoodanige wijze afbreuk te doen, dat de minst mogelijke persoonlijke offers te betreuren zijn. Anders is deze aktie van den passieven tegenstand, die juist het gansche zwaartepunt--precies als bij de propaganda van de daad--van uit de beweging naar den individu verlegt en als het ware door deze leidende gedachte wordt beheerscht: hoe doen wij de kapitalistische instellingen met de grootst mogelijke hoeveelheid offers van persoonlijken aard, de geringst mogelijke afbreuk! Iedere daad in deze aktie vordert de eindelooze opofferingsgezindheid van de gansche persoon; gegeven de eisch, dat de daad eenig effekt hebbe, dan is toch hetgeen er mede op zijn hoogst kan worden bereikt, niets dan een ethische veroordeeling van de dwangmiddelen, waarover de staat beschikt, in de oogen van enkele burgerlijk- of christelijk-ethisch aangelegde menschen.

De bizondere schadelijkheid die deze aktie van het passieve verzet heeft, hare uitwerking op sommige groepen van arbeiders, doet ons bij haar nog enkele oogenblikken stilstaan. Want zou zij zich alleen tot de bourgeoisie richten, aan haar "ethisch gemoed" trachten te appelleeren, allicht zou niemand er zich om bekreunen. Maar zij wendt zich tot de arbeidersklasse, en zij meent deze te moeten voorhouden, dat "geweld niet door geweld vernietigd kan worden," theorieën die natuurlijk de uitwerking hebben, dat zij de arbeiders moedeloos maken en hen van het werk dat zij hebben te doen, hun klasse mede bevrijden, afhouden. [34]

Tolstoï's vermeend logische stellingen zijn een samenstel van sophismen, al is hij in zekeren zin de meest konsekwente onder de anarchisten, waar hij de eischen van de moderne cultuur gladweg verwerpt, omdat zijn reaktionair ideaal zich daarmede niet vereenigen laat. Tolstoï haat onze beschaving, onze fabrieken, onze groote steden, onze manier van werken en leven [35]. Hij roept luide om een teruggang tot den allerprimitiefsten vorm van het leven in de natuur. Maar ook dat is niet nieuw; voor meer dan anderhalve eeuw heeft Jean Jacques Rousseau het al der menschheid als ideaal voorgehouden, dat zij meer tot de natuur terugkeeren moest.

Voor iemand, die als Tolstoï klassetegenstellingen loochent, is het natuurlijk heel gemakkelijk om in het kapitalistisch stelsel een uiting te zien van persoonlijk onrecht en geweld. Doch het kapitalisme is, in onzen tijd, niet eens meer een persoonlijk geweld. Er is geen eigenlijk persoonlijk geweld meer, dat de arbeiders dwingt om zich te laten exploiteeren. De menschen worden in onzen tijd van hooge kapitalistische ontwikkeling door de produktie beheerscht, en aldus is het "geweld" van het kapitalisme niet eens persoonlijk meer bestrijdbaar. Elk arbeider die in onzen tijd op de wijze van Tolstoï zou willen strijden, d.w.z. niet-strijden, slaat in de lucht, raakt niets en niemand. Tolstoï ziet een maatschappij-inrichting, waarin elkeen, zelfstandig, voor zijn maatschappelijke daden verantwoordelijk is en het is op dat, vermeende, gevoel dat hij een beroep doet.

Het spreekt van zelf, dat iemand die, gelijk Tolstoï e.d., in het kapitalisme niets dan een groote ontaarding ziet, in alles wat hij waarneemt als de uitingen van dat stelsel, barbarisme zal zien. En dan heeft hij een probaat middel meenen te ontdekken om aan het geweld een einde te maken, n.l. er niet aan deel te nemen. Hij vordert dat van de arbeiders ook, de arbeiders die in geen enkel opzicht aansprakelijk zijn voor het geweld van de bourgeoisie en zich als de onderliggende klasse hebben te onderwerpen aan de wetten die hun opgelegd worden door de macht van de bezittende en dus ook wetgevende klasse! Het is alsof men een gevangene aansprakelijk stelt voor den toestand waarin zijn cel verkeert.

Overigens miskent ook dit anarchisme niet minder dan dat van de daad, van het feitelijke geweld dus, de noodzakelijkheid van organisatie en is dus voor de arbeidersbeweging a priori veroordeelenswaardig.

Van ieder middel dat in den klassenstrijd door de moderne arbeidersbeweging wordt gebruikt, moet kunnen gelden dat wat één doet, allen kunnen, en wat allen doen, ook één kan doen. Martelaarschap van persoonlijken aard is een ongeoorloofde krachts- en machtsverspilling, die de arbeidersbeweging, van wier strijd juist samentrekking van àl hare krachten een voorwaarde is, niet dan schadelijk kan wezen. Doch men zal het steeds zien, waar de beweging uit haren aard zwak is, daar zullen deze en dergelijke persoonlijke daden altijd het hoogst worden aangeslagen. Het is alweer het kenmerk van een zwak inzicht of van algeheele afwezigheid van inzicht in het wezen van den strijd tegen de politieke machtsinstellingen van den klasse-staat, dat ieder voor zich en ieder op zijn eigen wijze meent daartegen den strijd te kunnen voeren. Dit zal dáár het sterkst zich openbaren, waar men òf zich niet in staat ziet een massabeweging op de been te brengen, òf men geenerlei kans ziet haar behoorlijk te scholen en haar die wapens te doen aanwenden waarmede zij op den duur de machtsinstellingen van den bourgeoisstaat behoorlijk kan bekampen.

In beide gevallen wordt uit zwakte, bij gebrek aan een uiting van de massa, allengs de persoon naar den voorgrond gedrongen en wordt het terrein voor de persoonlijke aktie geëffend. Deze draagt echter, juist om hetgeen haar wezen uitmaakt, de kiemen der ontbinding reeds bij hare geboorte in zich; zij treft hoogstens in een enkel geval, bij een enkel persoon doel, en ook daar nog gaat ten slotte het effect van de daad verloren, omdat èlk persoonlijk martelaarschap in onzen niet-romantischen tijd, op den duur vervelen gaat.

Uit dien hoofde is de aktie van den passieven weerstand een reaktionaire aktie te noemen, alhoewel, en dit heeft zij overigens met zoo menig strijdmiddel van het anarchisme gemeen, zij op het oog nog al radikaal lijkt.

Dat zij zoogenaamd de verantwoordelijkheid van den strijd van uit de beweging naar de persoon verlegt, geeft haar, zoo men den maatstaf van het effectieve aan de strijdmiddelen der arbeidersbeweging aanlegt, bovendien geen moreel, maar een immoreel cachet. De verantwoordelijkheid van de daad berust maar voor een deel bij de personen die haar verrichten, terwijl een voornamer deel dier verantwoordelijkheid thuis hoort bij hen, die haar wel slechts zijdelings propageeren, maar toch terdege propageeren door haar een doeltreffend middel te noemen.

TERUGVAL IN HET UTOPISME.

... "Wat is het anarchisme in den grond anders dan een nieuwe vorm van het zuivere revolutionisme als methode, met klein-burgerlijke idealen als doel?"...

Werner Sombart.

In vergelijking met een vroegere phase, is het anarchisme zoowel in zijn politieke als in zijn literaire uitingen, tegenwoordig hoogst mak en gedwee. Men kan zeggen dat, naarmate het eenigszins terrein is beginnen te winnen in de arbeidersbeweging, het aan revolutionair élan tamelijk wel alles heeft ingeboet. Hoogstens eens hier en daar nog sporen van de oude wildheid, hier of daar verspreid nog wel eens een enkele aanslag, maar voor het overige is het doodstil geworden in zijne gelederen. Ja, wie de tegenwoordige geschriften van de "wetenschappelijke" anarchisten nagaat, zal daarin niets anders vinden dan een voorkeur voor de uiterste vredelievendheid. Noch van revolutionisme, noch van terrorisme meer eenig spoor; de taktiek van het geweld wordt tegenwoordig als niets met het anarchisme uitstaande hebbend, verworpen.

"Zoolang menschen over andere menschen heerschen of heerschen willen, was er geweld: oorlog, moord, aanslagen. De wereldgeschiedenis wemelt ervan, zij is zelfs daaruit samengesteld. Maar altoos kwam het geweld van boven af.... Het anarchisme... is geen bevorderaar van het geweld; integendeel, het is zijn doelbewuste vijand. Waar ooit een anarchist van een misdaad, van geweld beschuldigd werd, daar was het niet het anarchisme, die hem tot dit geweld verlokt of gedreven had, maar... de tot in haar binnenste geschokte menschelijke natuur, die uit toorn of vertwijfeling geen anderen uitweg zien kon dan dood en vernietiging".... [36]

Hoe dit nu verder ook moge wezen, een feit is het, dat de eigenlijke "revolutietaktiek" blijkbaar is afgezworen; dat de methode om door middel van "de bestudeering der technische en chemische wetenschappen"--gelijk het vroeger listig heette, waar men openlijk niet durfde aansporen tot het werpen van dynamietbommen--te trachten de burgerlijke maatschappij te terroriseeren en op hare grondslagen te doen wankelen, als ondoeltreffend is verlaten. Wie eens goed wil zien, hoezeer het anarchisme, in den "wetenschappelijken" zin althans, zijn karakter geheel heeft veranderd en zich tot de meest vredelievende en meest zoetsappige "leer" van de wereld "ontwikkeld" heeft, moet maar eens Kropotkine's "Paroles d'un révolté" (Woorden van een opstandige) uit het jaar 1885 vergelijken met hetgeen door hem tegenwoordig over de methode en de taktiek van het anarchisme geschreven wordt.

Vroeger geheel de wilde romantiek van den Blanquistischen opstandeling; thans niets dan de resultaten van dikwijls heel belangrijke, maar, wat originaliteit betreft, gansch onbeteekenende onderzoekingen van een kamergeleerdheid, die wel iets van pedanterie heeft en naar de lamp riekt. De korte inhoud van het hoofdstuk over de "taktiek van het anarchisme," in Kropotkine's allerjongste wetenschappelijke geschrift, munt door niets bizonder methodisch', noch door iets bizonder taktisch' uit. Het is samen te vatten in den raad aan de anarchisten om te "studeeren" en speciaal om de geschiedenis eens te "bestudeeren," wat natuurlijk op zichzelf niet bijster revolutionair is. Deze studie zou nog tot revolutionaire resultaten kunnen leiden, mits daarbij niet de methode gevolgd worde, die Kropotkine speciaal op het gebied der geschiedenis gebruikt, want deze is allesbehalve revolutionair, integendeel in hooge mate spitsburgerlijk.

Dit neemt evenwel niet weg, dat het eigenlijk anarchisme, als deel van de sociale beweging van de laatste dertig jaren, geboren is uit de wederopleving van twee tendenzen die het moderne socialisme overwinnen moest en meerendeels dan ook overwonnen heeft. Het zijn de romantiek in de voorstellingen van de ontwaakte arbeidersmassa en de sporadische neiging om telkens in het oude utopisme terug te vallen.

Daardoor werd het anarchisme, gelijk het zich voornamelijk in de romaansche landen demonstreerde, een renaissance (wedergeboorte) van het haken naar de revolutie en het verlangen om de maatschappelijke ontwikkelingsphase van het kapitalisme, die nog komen moest, óver te springen en met pak en zak liefst dadelijk in den communistischen hemel te vallen. Nà de storm- en drangperiode van de bommenwerperij, nà de bittere ervaring, dat langs dien weg niet anders dan de zeer wrange vruchten van de reaktie te oogsten waren, ontstond op dien bodem een uitgebreide anarchisten-litteratuur, die, met Kropotkine's "Verovering van het Brood" ingeleid, door Grave, Faure, Malato, Malatesta etc. werd voortgezet. Deze literatuur is een uiting van dekadentie (verval).

Wij zagen reeds bij eene voorafgaande behandeling van het communistisch anarchisme, gelijk het zijn ontstaan aan zijnen vader Kropotkine te danken heeft gehad, welk een voorstelling dit zich maakt van de eigenlijke verovering van de communistische maatschappij en wij zullen thans de gelegenheid hebben om dezen gedachtengang nog wat nader te ontleden.

De kinderlijke voorstellingen, hoe de revolutie er eigenlijk zal komen en hoe die revolutie zal moeten leiden tot de communistische maatschappij, zijn het eerste kenmerk van dat revolutionaire utopisme geweest. Wij zullen zoo straks zien wat er van is overgebleven.

Over de "komende revolutie" te redeneeren, te discuteeren en er gansche vertoogen over te houden, was in het algemeen eenmaal het kinderspel van de pas-geboren arbeidersbeweging. In de hoofden van hén die pas revolutionair werden, d.w.z. het gevoel van verzet tegen de heerschende toestanden in zich voelden ontwaken, weêrspiegelde zich de gansche arbeidersbeweging als een bloedige herleving van de revolutiegedachte, die niet het minst in Frankrijk een sterk klein-burgerlijk idealistische traditie had. Over het algemeen kwam dit redeneeren over de "naderende" revolutie voort uit een geweldige overschatting van de gevolgen die de door het kapitalisme onder de massa der menschen veroorzaakte sociale ellende zou hebben. Het was de karikatuur van de socialistische kritiek op de kapitalistische maatschappij, samengevat onder den meer bekenden naam van de "Verelendungstheorie", die natuurlijk iets geheel anders zegt.

Het is het meest kenteekenend voor deze literatuur, dat zij ten tijde van perioden van crisis in de nijverheid is ontstaan, en aan de eigenaardige gevoelens, die de massa, welke niet sociaal-demokratisch is opgevoed en geschoold, in zulke tijden van ellende geheel beheerschen kan, dan ook trachtte te beantwoorden.

De eerste groote en ernstige crisis die de nijverheid in Europa hevig aangreep, kwam na een periode van intensieven bloei in 1873 en breidde zich tot 1880 uit over zoowat alle moderne industrielanden. Het was aanvankelijk een beurscrisis, die zich evenwel eenige jaren later over de gansche nijverheid uitstrekte: 1875 crisis in de kolen- en ijzerindustrie; 1878 een zware crisis in de katoennijverheid, die vooral Engeland geweldig aanpakte; daarop, na eenige jaren van opbloei, wederom in 1882 het begin van een nieuwe, even hevige crisis, die van uit Frankrijk haren loop begon en tot in het begin van het jaar 1890 bleef aanhouden.

Deze crisissen wierpen de arbeiders, bij duizenden tegelijk, als werkeloozen, als de overcompleeten, op de straat en de stemming die zoodanige gebeurtenissen onder de arbeidersmassa te voorschijn roepen, vormt een bij uitstek geschikten bodem voor de bovenaangeduide soort van literatuur. Zij stelt zich een verandering van de maatschappij niet anders voor den geest dan in den vorm van een of andere, min of meer plotselinge catastrophe, die uitbreekt zonder dat men er eigenlijk op verdacht kan zijn. Daaraan ontleent dan ook het beeld der voorbereiding van de aanstaande revolutie dat Kropotkine, Grave e. a. geven, zijn ontstaan. Als alles maar op papier klaar is, zoo meenen dezen, dan weet het opgestane volk den dag na de revolutie wel alles te vinden.

Er is in deze bladzijden reeds meer op gewezen, dat men er bij de beoordeeling van het anarchisme, zooals het zich in de arbeidersbeweging voordeed, rekening mee moet houden dat het altoos meer van stemmingen dan van eenigerlei methode is uitgegaan. En het is dan ook een stemming waarop deze gansche revolutietheorie, deze leer eener plotselinge catastrophe gebaseerd was. Doch, een stemming is iets dat niet blijft, dat wisselt, en het is dan ook hieraan te wijten dat men van die verschillende oude methoden van het anarchisme thans niet meer hoort reppen. Zij verdwenen met de stemming die zij tot basis hadden.

DE "IDEE" VAN DE "REVOLUTIE."

"Daarom stelt zich de menschheid steeds die taak welke zij volbrengen kan."

Karl Marx.

Het is wel een der opmerkelijkste kanten van dit revolutionisme in de hier omschreven anarchistische denkwijze, dat het de burgerlijke beschouwing nopens het karakter en het wezen van revoluties, niet kwijt kan raken. Vandaar dat het alle revoluties en voornamelijk de burgerlijke vanaf de 16e eeuw, over één kam scheert en dat in zijn gedachtengang de phantasie van de definitieve, de sociale revolutie, die aanstaande heet, zich afspiegelt als de meest konsekwente van alle. In deze kleinburgerlijke denkwijze is de revolutie niet een feitelijke, zich om zeer concrete oogenblikkelijke behoeften van politieken aard bewegende historische noodzakelijkheid, maar alleen een uiting van de "idee" der revolutie. Dat de tot nu toe plaats gehad hebbende revoluties niet zoo definitief geweest waren, als het naar deze beschouwingswijze wel wezen moest, komt dan ook geheel hieruit voort, dat die "idee" niet genoeg tot het gehééle volk was doorgedrongen. Het betrekkelijk kleine deel dus dat volgens dezen gedachtengang van den heiligen geest der revolutie doortrokken was, kon gevoegelijk met de resultaten van de revolutie gaan strijken, terwijl de groote meerderheid van hare voordeelen niet alleen verstoken is gebleven, maar bovendien in nog erger mate dupe werd.

De anarchisten zijn de ideologen van de revolutie, zooals zij, altoos wat hunne objectieve beschouwingen aangaat, de ideologie, die nog over de onrijpe, niet-klassebewuste, maar toch reeds door de gedachte van verzet aangeroerde massa hangt, tot den inhoud van hunne maatschappijbeschouwing gemaakt hebben.

Bij Kropotkine bijv. wordt deze gansche idee eigenlijk herleid tot een kwestie van "durf" en niets anders. Meer of minder durf en stoutheid bepalen volgens hem het welslagen van een revolutie en hij voorziet in de naaste toekomst meer durf en stoutheid, naardien, volgens zijn meening, de menschen tegenwoordig ook in de techniek, de industrie etc., zooveel meer durven dan vroeger.

Men ziet: óók een soort "historisch-materialistische" beschouwing, al is het er ook eene uit het ongerijmde.

Uit de veroveringen van de techniek, van de kennis enz. der menschen, wordt de gevolgtrekking gemaakt dat de schuwheid van de menschen om bijv. in een volgende revolutie radikaler te werk te gaan, zal zijn geweken. Hij zegt dan:

"Dit alles geeft aan onze eeuw en hare revolutie onmetelijke voordeelen. Het prikkelt de stoutheid van gedachte van den revolutionair.

Maar ongelukkigerwijze heeft tot nog toe deze stoutheid ontbroken op 't gebied der sociale politiek en de sociale economie. Hier heerscht zoowel in de denkbeelden als in hunne toepassingen, de blooheid met onbeperkt gezag." [37]