Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 9

Chapter 93,427 wordsPublic domain

In Maart 1885 diende Minister Heemskerk zijn ontwerp voor de grondwetsherziening in en werden de door hem voorgestelde wijzigingen in zake het Kiesrecht aanvaard. Twee jaren later, in 1887, trad de nieuwe Grondwet in werking en van toen af was de uitsluiting der vrouwen van het kiesrecht een voldongen feit. In de nieuwe Grondwet was slechts aan mannelijke Nederlanders en mannelijke ingezetenen het actieve en passieve kiesrecht toegekend. Van mijn pogingen om onder vigueur van de oude Grondwet aan de Nederlandsche vrouwen het kiesrecht toe te kennen, hadden de dagbladen zooveel gewag gemaakt, dat ook de buitenlandsche pers mijn bemoeiingen publiceerde. Daardoor kwam ik in contact met geestverwanten uit de oude en nieuwe wereld, met vrouwen die als ik, streden voor haar goed recht en die mij langs schriftelijken weg haar sympathie betuigden. De eerste vrouwen die van zich deden hooren, waren baronesse Alexandra van Gripenberg uit Helsingfors, Finland, en Gina Krog uit Christiania, Noorwegen. Zij vroegen mij inlichtingen omtrent den stand der vrouwenbeweging hier te lande, en voorts wilden zij gaarne weten wat ik nu verder dacht te doen om het kiesrecht te verkrijgen.

De Engelsche strijdsters, van wie ik de meesten tijdens mijn verblijf te Londen had leeren kennen, spoorden mij aan, ieder afzonderlijk, den strijd toch vooral niet op te geven en niet te rusten voor mijn goed recht had gezegevierd. Wie zoo schreven, wisten niet, dat nu de nieuwe wet er dóór was, in de eerstvolgende jaren op een herziening niet de minste kans kon zijn, te minder omdat feitelijk slechts één vrouw daarvoor zou ageeren. Ook de kiesrechtstrijdsters in Noord-Amerika lieten spoedig van zich hooren. Van dien tijd af heb ik met de leidsters der vrouwenbeweging in de verschillende landen een vrij geregelde briefwisseling gevoerd. In persoonlijk contact kwam ik met de meesten harer gedurende het eerste internationale vrouwencongres, dat in 1899 te Londen werd gehouden, en waaraan zoowel mijn echtgenoot als ik een werkzaam aandeel mochten hebben. Gedurende de veertien dagen, die wij in de Britsche hoofdstad doorbrachten, logeerden wij bij het toen nog jeugdige echtpaar Herbert Samuel. Weinig hebben wij vermoed, dat Sir Herbert, onze gastheer, voorbestemd was de eerste gouverneur van Palestina te worden.

Hoe hartelijk werd ik op het congres welkom geheeten door al degenen voor wie mijn naam een bekenden klank had. Hoe verbaasd bleken de meeste vrouwen toen zij mij zagen, omdat ik veel minder oud was dan zij hadden gedacht. Susan B. Anthony, toen welhaast tachtig jaar, was de eerste die mij vroeg of ik nu werkelijk dezelfde Aletta Jacobs was van wier medische studie de bladen haar toch zeker wel twintig jaar geleden, op de hoogte hadden gebracht. En toen ik die vraag in bevestigenden zin had beantwoord, moest ik uitvoerig van mijn studie, mijn praktijk, mijn strijd voor het vrouwenkiesrecht vertellen. Over dit congres hoop ik in een later hoofdstuk nog het een en ander te kunnen melden. Thans zal ik mij bepalen tot hetgeen ik zelf in den kiesrechtstrijd heb gepresteerd.

Het was in het jaar 1893, dat een zevental vrouwen, bestuursleden van de Vrije Vrouwenbeweging, een oproep plaatsten om te komen tot het oprichten eener vereeniging, wier doel zou zijn te werken voor het vrouwenkiesrecht. Ik had in die dagen pas een moeilijke bevalling achter den rug. Het kind dat ik ter wereld bracht, mocht slechts één dag in het leven blijven. Ik wist dat mij binnenkort, als gevolg van die bevalling een operatie wachtte, maar hoe zwak, hoe terneergeslagen ik mij ook gevoelde, zond ik niet alleen terstond een adhaesiebetuiging met het denkbeeld, doch toen ik uitgenoodigd werd zitting te nemen in de commissie wier taak het zou zijn statuten en huishoudelijk reglement te ontwerpen, begreep ik, dat ik mij aan dien plicht niet mocht onttrekken. Een bestuursfunctie heb ik dien eersten tijd niet aanvaard. Pas in het jaar 1895 ben ik opgetreden als presidente van de afdeeling Amsterdam; en eerst in 1902 kon ik besluiten mij aan het hoofd der vereeniging zelve te plaatsen. Zoowel het leiden eener afdeeling als het presideeren van de vereeniging voor Vrouwenkiesrecht beschouwde ik als een gemakkelijke taak. Het viel mij niet moeilijk voor dagbladen en tijdschriften artikelen over het vrouwenkiesrecht te schrijven, en nimmer vond ik het bezwaarlijk een verzoekschrift te richten tot de Overheid of tot invloedrijke personen, maar als ik mij genoodzaakt zag in een openbare vergadering het woord te voeren, had ik al mijn wilskracht noodig om de verlegenheid die zich dan van mij meester maakte, te verbergen. Mijn eerste rede over het vrouwenkiesrecht hield ik kort nadat de vereeniging was opgericht, dus in den winter van het jaar 1894/95. De afdeeling Rotterdam had mijn echtgenoot verzocht een spreekbeurt te willen vervullen, en hij verklaarde zich daartoe terstond bereid. Eén dag vóór de vergadering zou plaats hebben, riepen dringende zaken hem naar het noorden des lands. „Ik vrees, dat ik morgen niet tijdig genoeg in Rotterdam zal kunnen zijn”, zeide hij even voor zijn vertrek.

„Zal ik dan af telegrafeeren?” vroeg ik. Mijn echtgenoot lachte. „Af telegrafeeren? Geen sprake van. Jij kunt immers in mijn plaats gaan.”

Het denkbeeld lokte mij niet aan, maar van den anderen kant begreep ik, dat ik den een of anderen dag mijn schroom zou moeten overwinnen. Waarom dan maar niet dadelijk de koe bij de horens gegrepen? Na eenig beraad berichtte ik het bestuur te Rotterdam, dat de heer C. V. Gerritsen verhinderd was de spreekbeurt te vervullen, doch dat ik in zijn plaats zou komen. Ondanks mijn verlegenheid werd de avond een succes, in zooverre dat na afloop van de vergadering een parlementslid naar mij toe kwam en tot mij zeide: „Dr. Jacobs, gij hebt mij door uwe woorden volkomen overtuigd. Van nu af wensch ik tot de voorstanders van het vrouwenkiesrecht gerekend te worden.”

Ook later mocht ik, wanneer ik het woord had gevoerd, herhaaldelijk goede resultaten bereiken. Evenwel heb ik het vervullen ven een spreekbeurt steeds beschouwd als het moeilijkste en meest onaangename deel van mijn propagandistischen arbeid. Bij het houden van lezingen heb ik dikwijls de fout begaan, dat ik de geestelijke ontwikkeling van het publiek, in ’t algemeen gesproken, overschatte. Ik denk hierbij o.a. aan de lezingen in 1900 gehouden, in verband met het door mij in de Nederlandsche taal bewerkte boek van Charlotte Perkins Gilman, „Women and Economics”. De schrijfster tracht in haar werk aan te toonen dat vele sociale misstanden voor een niet gering gedeelte het gevolg zijn van de economische afhankelijkheid der gehuwde vrouw. Bij het bespreken van haar argumenten stuitte ik op zooveel niet-begrijpen en zooveel verzet, dat ik het onderwerp dan ook maar verder heb laten rusten.

Ik denk ook aan een lezing, waarin ik trachtte duidelijk te maken de groote rol welke het militarisme bij de afhankelijke positie der vrouw speelt. Wat al protesten lokten toen mijn woorden uit; wat al hatelijke brieven moest ik, naar aanleiding van die lezing, ontvangen.

In 1903, ik zeide het reeds, kwam ik aan het hoofd van de vereeniging voor Vrouwenkiesrecht te staan en tot op den datum dat in Nederland de invoering van het vrouwenkiesrecht een voldongen feit genoemd mocht worden, bleef de leiding dier vereeniging in mijne handen.

Het is den Nederlandschen pioniersters niet beter gegaan dan hare zusters, die in andere landen den strijd voor het vrouwenkiesrecht gingen voeren. Aanvankelijk was hoon en spot ons deel. De pers en de openbare meening verdraaiden onze woorden, verdoezelden maar liefst de feiten. Daarna volgde de periode der verdachtmakingen. Toen wij, ondanks alle tegenwerking, bleven ageeren, werden wij geruimen tijd doodgezwegen. Ten slotte echter moesten ook de bladen in den gang van zaken berusten en nadat wij eindelijk ons doel hadden bereikt, kwamen couranten van verschillende richting heel naïef verklaren, dat zij van den aanvang af den eisch van het vrouwenkiesrecht als de meest rechtvaardige zaak ter wereld hadden beschouwd.

Vijf en twintig jaar lang heeft de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht moeten strijden, eer de Nederlandsche vrouw het kiesrecht mocht verwerven. En in die kwart eeuw zijn wij het geheele land doorgetrokken, van Noord naar Zuid, van Oost naar West. Zelfs in de verste uithoeken kwamen wij het goed recht onzer sekse bepleiten.

Al heel spoedig nam ik op mijn tochten een jonger lid van de Vereeniging mede. Aanvankelijk liet ik mijn reisgenoote slechts enkele minuten spreken, om haar gaandeweg een langeren termijn toe te staan. En terwijl ik in den beginne het debat voor mijn rekening nam, droeg ik ook dit gedeelte van de spreekbeurt langzamerhand aan haar over. Heel wat spreeksters heb ik op die manier gevormd en vele van haar overtreffen thans, wat eloquentie betreft, hare leermeesteres voor een waarlijk niet gering percentage. Dikwijls bleek dat slechts de eerste schroom overwonnen moest worden en dat wij onze discipelen de noodige argumenten dienden te verstrekken. Dit geschied zijnde, konden wij ze met gerust geweten op eigen wieken laten drijven. Wat waren wij gelukkig, als de vereeniging dan weer over nieuwe propagandisten kon beschikken. Hoe rijk gevoelden wij ons door de wetenschap, dat jonge, frissche krachten, de denkbeelden gingen verkondigen, waarvoor wij als eersten te velde waren getrokken. Wie belangstelt in dezen arbeid, wie omtrent het behaalde succes meer zou willen vernemen, verwijs ik naar het reeds vroeger vermelde Gedenkboek, dat juist dienaangaande vele bijzonderheden bevat.

Wat mij persoonlijk betreft, ik heb behalve aan den propagandistischen arbeid in eigen land, ook een deel van mijn kracht gegeven aan het werk van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, al heb ik in die organisatie nooit een bestuursfunctie bekleed. Het was in 1899, tijdens het congres van den Internationalen Vrouwenraad te Londen, dat op initiatief van de Duitsche vrouwen, Dr. Anita Augspurg en Lyda Gustave Heymann, eenige vooruitstrevende vrouwen uit de verschillende landen de mogelijkheid overwogen, om naast den Internationalen Vrouwenraad een tweede verbond te stichten, waarvan het voornaamste doel zou zijn: invoering van het vrouwenkiesrecht in alle landen die een constitutioneele regeeringsvorm bezaten. Mij bereikte de uitnoodiging om als vertegenwoordigster van Nederland de besprekingen bij te wonen. Het resultaat der eerste vergadering was geen ander, dan dat de aanwezigen de wenschelijkheid van het tot stand komen van een dergelijk verbond erkenden en in afwachting daarvan besloten met elkander voeling te blijven houden.

Drie jaren later werd op een bijeenkomst te Washington opnieuw de wenschelijkheid van een dergelijk verbond betoogd. In een resolutie bij die gelegenheid aangenomen, verklaarden de vertegenwoordigsters der verschillende landen den eenmaal gelegden band niet te zullen verbreken en voort te gaan op den ingeslagen weg tot het verbond zou zijn gesticht. Mrs. Carrie Chapman Catt werd het middenpunt voor de kiesrechtstrijdsters van alle landen. Tot haar kon men zich wenden om inlichtingen, haar dienden de rapporten te worden gezonden, waarin de stand van zaken in elk rijk afzonderlijk, werd vermeld. Van dat oogenblik af heb ik regelmatig, eens in de drie maanden, een kort verslag naar Amerika gezonden van hetgeen de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in het afgeloopen kwartaal had gepresteerd en van de vorderingen, die de kiesrechtbeweging ten onzent had gemaakt. Daarnaast zorgde ik er voor, dat de berichten die ik uit andere landen mocht ontvangen, in het maandblad der Vereeniging werden gepubliceerd.

In 1904 werd te Berlijn de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht inderdaad opgericht. Tot de zes landen die onmiddellijk toetraden behoorde ook Nederland.

Een jaar te voren, dus in 1903, had ik mijn echtgenoot vergezeld naar Weenen, waar hij het Congres van de Interparlementaire Unie bijwoonde. Mijn verblijf in de Oostenrijksche hoofdstad besteedde ik o.a. om met eenige leidende vrouwenkiesrechtstrijdsters uit dat land in persoonlijk contact te komen. Met de taak die mij zoo na aan het harte lag, was het toen in Oostenrijk nog treurig gesteld. Niet alleen verbood de Wet de vrouwen om lid te worden van een politieke vereeniging, maar ook het bezoeken van een politieke bijeenkomst, zoo goed als het uitschrijven van een vergadering waar een politiek onderwerp zou worden behandeld, werd haar niet toegestaan. Intusschen bleek ook hier de waarheid van het spreekwoord, dat men als de wil er is, meestal wel een weg weet te vinden. De Weensche geestverwanten, die van mijn aanwezigheid in haar stad profijt wilden trekken, verzochten mij in besloten kring, dus uitsluitend voor introducées, een en ander te vertellen van het werk van den Vrouwenraad in Nederland en in dit verband met name te wijzen op de noodzakelijkheid van vrouwenkiesrecht. In den loop van mijn lezing sprak ik o.a. over de groote rol die de vereeniging ter Verhooging van het Zedelijk bewustzijn in den Vrouwenraad vervulde en van den arbeid door die vereeniging ten onzent verricht, waar het gold de prostitutie te bestrijden. Nauwelijks had ik het woord prostitutie uitgesproken of een dame, die met haar beide volwassen dochters de lezing bijwoonde, stond zeer ostentatief op, nam haar dochters bij den arm en verliet uiterst geïndigneerd de zaal. En die vrouw had men notabene vooruitstrevend genoeg geacht om haar voor de bijeenkomst een uitnoodigingskaart te zenden! Als gevolg van mijn lezing, bereikte mij het verzoek eenige Weensche vrouwen behulpzaam te willen zijn bij het oprichten van een comité voor vrouwenkiesrecht. Dit in plaats van een vereeniging, die de wet niet gedoogde.

Van Weenen voerde onze weg naar Boedapest, waar ik Rosika Schwimmer mocht ontmoeten, die door haar journalistieken arbeid reeds geen onbekende meer voor mij was. De toen nog jonge vrouw stond in die dagen aan het hoofd van een vereeniging van werkende vrouwen. Onderwijzeressen, kantoorbedienden en winkeljuffrouwen vormden de meerderheid onder de leden. Het doel der organisatie was, om een band te vormen tusschen de vrouwen onderling, en zoowel hare stoffelijke als hare geestelijke belangen te behartigen.

De presidente verzocht mij de leden op de hoogte te willen brengen van hetgeen de werkende vrouwen in mijn land presteerden. Dat heb ik gedaan, maar daarnaast trachtte ik mijn gehoor duidelijk te maken, dat de organisatie waartoe zij behoorden, alleen dan vruchtdragenden arbeid kon verrichten, wanneer de vrouwen ook politieke rechten hadden, en zij er dus voor konden waken dat in de wetgeving hare belangen evengoed behartigd werden als die der mannen. Mijn poging om de Hongaarsche vrouwen wakker te schudden, bleef niet zonder resultaat. De vergadering in 1904 te Berlijn gehouden, waarvan ik hierboven melding maakte, werd ook door Oostenrijksche en Hongaarsche vrouwen bijgewoond. En toen de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht gesticht was, traden zoowel het Oostenrijksche Comité „für Frauenwahlrecht” als de „Feministische Verein” die in Hongarije zetelde, vrij spoedig tot de organisatie toe.

Het eerste internationale congres van den nog jongen bond werd in 1906 in Denemarken gehouden. Daar werd besloten dat een paar afgevaardigden naar Oostenrijk en Hongarije zouden gaan om den vrouwen daar te lande in haar strijd voor het vrouwenkiesrecht de paden eenigszins te effenen. Mrs. Chapman Catt, de presidente van den Wereldbond, en mijn persoon, achtte men voor die taak het meest geschikt. En zoo togen wij twee dan in September van datzelfde jaar op weg naar Oostenrijk en Hongarije.

Praag werd onze eerste pleisterplaats. Ik kende de stad, ik mocht ook eenige van de vooraanstaande vrouwen daar ter plaatse tot mijn vriendinnen rekenen. Dit in aanmerking genomen, voorzag ik dat mijn reisgenoote en ik ons in de oude stad niet lang vreemd zouden voelen. Geen oogenblik echter had ik vermoed, dat de toeloop van bezoekers en bezoeksters in één woord overstelpend zou worden. Gedurende de drie dagen die wij in Praag doorbrachten, zijn wij geen minuut alleen geweest en eerlijk gezegd heeft men ons geen moment geschonken om even op adem te komen.

Dat men ons van den trein haalde, ons naar het hotel geleidde, hadden wij verwacht. Maar daarna! De Duitsch-Oostenrijkers in wier handen wij waren gevallen, haastten zich de Tsjechen in de somberste kleuren af te schilderen en ons werd op het hart gedrukt toch uitsluitend de Duitsche taal te gebruiken. Maar nauwelijks hadden deze bezoeksters het veld geruimd, of een groepje Tsjechische vrouwen kwam haar opwachting maken, met geen ander doel dan om ons te vertellen dat wij verstandig zouden doen de andere partij volkomen te negeeren.

Het was waarlijk geen gemakkelijke taak, beide groepen er van te doordringen dat wij volkomen neutraal stonden tegenover den strijd die hun verdeelde, dat het allerminst in onze bedoeling lag partij te kiezen, doch dat wij ten volle bereid waren, zoowel de eene als de andere groep met raad en daad bij te staan. Doodmoe van al het redeneeren begaven wij ons den volgenden avond naar een drukbezochte vergadering om er de noodzakelijkheid van het invoeren van vrouwenkiesrecht te betoogen en de vrouwen op te wekken om zich ter bereiking van dit doel te organiseeren.

Het onderwerp was in die dagen actueel, omdat in het Oostenrijksche parlement het algemeen mannenkiesrecht een punt van bespreking uitmaakte. Met een paar heeren en een dame namen wij op het podium plaats. De zaal was vrij wel uitverkocht, en wij begrepen niet, waarom de voorzitter, een hoogleeraar aan de universiteit van Praag, met zijn openingswoord bleef talmen. Daar kwam een hooge politie-beambte in vol ornaat de zaal binnen. Hij kwam regelrecht op ons af en na in optima forma aan de buitenlandsche gasten te zijn voorgesteld, ging hij naast mij zitten. Onmiddellijk daarop liet de voorzitter den hamer vallen, leidde met een korte rede de spreeksters van den avond bij de vergadering in en gaf vervolgens het woord aan Mrs. Chapman Catt.

„Wat zou die politieman hier in ’s hemelsnaam komen doen?” vroeg ik mij af. De Engelsche taal was hij klaarblijkelijk niet machtig. Immers bij de geestigste gezegden van mijn reisgenoote vertrok geen spier van zijn gelaat. Hij zat onbewegelijk op zijn stoel en staarde onafgebroken de zaal in. Nauwelijks echter had ik, die mijn redevoering in de Duitsche taal afstak, het spreekgestoelte betreden, of het doel van zijn komst werd mij volkomen duidelijk.

Bij ieder gewaagd gezegde, gewaagd voor het Oostenrijksche publiek wel te verstaan, bij elke flauwe aardigheid ging hij zoo demonstratief aan het schrijven, dat ik nauwelijks mijn ernst kon bewaren en voortdurend aan Beckmesser uit de Meistersinger moest denken.

Gedurende ons verblijf in Praag vonden wij ook nog gelegenheid in besloten kring met de Tsjechische vrouwen te confereeren, zoodat wij ten slotte de stad konden verlaten in het veilig bewustzijn, geen der partijen tegen ons in het harnas te hebben gejaagd. Des middags tegen één uur zouden wij naar Brünn vertrekken, waar alles voor een spreekbeurt voor den volgenden dag in orde was gebracht. Omdat wij gaarne een paar uur in ons doen en laten vrij wilden zijn, hadden wij den avond te voren afscheid genomen van vrienden en kennissen en hun dringend verzocht zich verder niet om ons te bekommeren. Gedurende de ochtenduren bezichtigden wij de stad, die belangwekkende punten te over biedt, en toen de tijd van vertrek naderde, lieten wij ons naar het station rijden. Of de koetsier ons een poets wilde bakken en daarom den witkiel, die zich met onze bagage belastte verkeerd heeft ingelicht, of dat de witkiel onze bedoelingen verkeerd interpreteerde, hebben wij nooit kunnen uitvisschen. Vast staat echter, dat men ons in een verkeerden trein stopte, die dadelijk nadat wij plaats hadden genomen, vertrok. Toen wij, ingelicht door den conducteur, de dwalingen ons weegs begrepen, was het te laat om de situatie te redden. Noodgedwongen moesten wij meerijden tot het eerstvolgende station en omdat wij in een sneltrein zaten, duurde de tocht langer dan een uur. Nadat wij een aantal vervelende uren hadden doorgebracht in een klein stationnetje, waar letterlijk niets te krijgen was, zoodat wij onzen honger met meegenomen bonbons moesten stillen, kwam te zes uur een trein, waarmede wij tegen acht uur weder Praag bereikten. Het denkbeeld om daar opnieuw te overnachten lokte ons niet aan. „Kunnen wij hedenavond nog doorreizen naar Brünn?” informeerden wij. Het antwoord luidde ontkennend. Tot Brünn ging de boemeltrein niet, maar wel kon hij ons nog een eind verder brengen dan Praag. Wij waren dom genoeg te besluiten dan maar zoover mogelijk door te reizen. Praag gepasseerd zijnde, maakten wij het ons gemakkelijk in de coupé en weldra lagen wij dan ook in diepe rust. ’t Was ongeveer één uur in den nacht, toen wij eenige keeren onbarmhartig door elkaar geschud werden. De trein reed langzamer en langzamer, bleef tenslotte staan. Wij wachtten vijf minuten, tien minuten en besloten toen maar eens op verkenning uit te gaan. De trein bleek ledig en verlaten. Buiten heerschte diepe duisternis en nergens viel een stationsgebouw te bekennen. Eindelijk ontdekten wij, ergens op de rails, een man met een lantaarn. Wij riepen hem en na eenigen tijd stevende hij inderdaad op ons af om te vertellen, dat men den trein op een dood spoor had gereden.

„Kunnen wij in de coupé overnachten?” vroegen wij gretig.