Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 8

Chapter 83,781 wordsPublic domain

Wel hebben de ervaringen in die dagen van strijd opgedaan, mijn geloof en goed vertrouwen in de menschen bedenkelijk aan het wankelen gebracht. Bij voorbaat wist ik, dat lieden met een bekrompen inzicht, die immers al wat nieuw is uit den booze achten, zich met mijne denkbeelden niet konden vereenigen. Ook was ik er van overtuigd, in hen wier godsdienstig gevoel in botsing moest komen met mijne opvattingen, zoo goed als in degenen die de sociale toestanden in eigen land niet kennen, mijn tegenstanders te moeten zien. Dit deerde mij niet. Zelfs koesterde ik de hoop, door woord en geschrift, enkelen van hen op den duur tot andere gedachte te kunnen brengen. Dat mijn collega’s, en onder hen vooral de verloskundigen en gynaecologen die zich door mijn werk in hunne broodwinning bedreigd zagen, met geen ander doel dan mij den arbeid onmogelijk te maken, zelfs voor de gemeenste lastercampagne niet zouden terugdeinzen, had ik echter geen oogenblik verwacht. Hadden zij de doelmatigheid of betrouwbaarheid van het middel in twijfel getrokken, waren zij opgekomen tegen de sociale gevolgen van de toepassing, dan had ik mij met het mij ten dienste staande materiaal kunnen verdedigen, dan ware het een eerlijke strijd geweest, gebaseerd op meeningsverschil en ervaring. In dien geest werd later soms een enkele keer in het Geneeskundig Tijdschrift gediscussieerd. Zoo vaak dit geschiedde heb ik mij steeds in het debat gemengd, met het resultaat dat ik vrijwel altijd als overwinnares het strijdperk verliet. In den beginne echter zochten mijn bestrijders hun heil in achterklap, niet in het openbaar doch in ’t geniep, gevolg van het feit dat de bewijzen voor hun lasterpraatjes ten eenen male ontbraken. Zoo beschuldigden zij mij van het opwekken van abortus, en op dezelfde wijze werd rondgestrooid dat ik een onzedelijk leven leidde. Hoe gaarne had ik in het openbaar dien laster ontzenuwd! Helaas, men stelde mij er niet toe in de gelegenheid. Wat mij ter oore kwam, kreeg ik nooit langs directen weg te hooren. Gelukte het mij, bij hooge uitzondering, den oorsprong van een lasterpraatje te ontdekken, dan bleek een obstetricus of gynaecoloog zich daaraan te hebben schuldig gemaakt. Nooit schroomde ik den lasteraar, oog in oog, ter verantwoording te roepen. Meestal maakte de man in kwestie zich van het geval af, met de opmerking dat hij voorkoming van bevruchting op één lijn plaatste met vruchtafdrijving, een opvatting waarvan het onlogische door ieder moet worden ingezien die weet, dat het tweede als een strafbaar feit, het eerste als een geoorloofde handeling wordt beschouwd. Daarbij kwam nog, dat de individuen die mij op deze wijze tegenwerkten, van hunne onhoudbare persoonlijke opvatting in deze materie verder nooit iets lieten merken.

Naarmate mijn medische praktijk zich uitbreidde en men mij als een geduchte concurrente ging beschouwen, kwamen andere collega’s het koor der lasteraars versterken. Niet in staat mij tegen deze duisterlingen te verdedigen, bleef ik rustig mijn weg vervolgen en trachtte steeds, zoo eerlijk mogelijk, in het openbaar mijn arbeid te verrichten.

Wat al schijnheiligheid heb ik in die dagen leeren kennen! En nu denk ik o.a. aan predikanten, die openlijk tegen de voorbehoedmiddelen waarschuwden, doch hunne vrouwen naar mijn spreekuur zonden voor het inwinnen van advies. Ik herinner mij dames, die de middelen welke ik haar had aangeraden, trouw in toepassing brachten, doch zich desondanks geen oogenblik ontzagen, op theevisites en naaikransjes den staf over mij te breken. Medici kwamen mij opzoeken met het doel om te vernemen hoe de door mij aangeprezen middelen moesten worden toegepast, maar terzelfder tijd schaarden zij zich in het openbaar aan de zijde mijner tegenstanders.

Met vreugde wil ik echter constateeren, dat tegen de ergerlijke ervaringen die mij uit den aard der zaak niet bespaard konden blijven, ruimschoots opwogen de dankbaarheid van vele vrouwen, de hartelijke vriendschapsbetuigingen van waarlijk hoogstaande lieden.

In die dagen was het ook, dat tusschen mij en Carel Victor Gerritsen hechte vriendschapsbanden werden gelegd. Te voren zag ik hem betrekkelijk weinig. Was hij in Londen geweest, dan kwam hij mij de groeten brengen van gemeenschappelijke vrienden, doch overigens kruisten onze wegen elkander slechts bij hooge uitzondering. In den strijd ter voorkoming van ongewenschte geboorten, schaarde hij zich zonder voorbehoud aan mijne zijde. Op ondubbelzinnige wijze gaf hij uiting aan zijn bewondering voor den moed, dien ik aan den dag legde door alleen op te tornen tegen vooroordeel, verdachtmaking en verguizing. Waarlijk, Carel Victor Gerritsen is de eerste en langen tijd de eenige Nederlander geweest met wien ik onomwonden over deze belangrijke kwestie van gedachten kon wisselen, in de overtuiging, dat mijn woorden, mijn opvattingen bij hem weerklank vonden. Wel was ongeveer terzelfder tijd dat ik mijn strijd voerde, hier te lande een Neo-Malthusiaansche Bond opgericht, doch evenals de Engelsche zustervereeniging, berustte ook deze organisatie op economischen grondslag. Daarbij kwam dat zij mijns inziens te veel in ’t geheim werkte, reden waarom ik aan het streven mijn volle medewerking niet kon schenken. Sympathiek heb ik het werk van den Neo-Malthusiaanschen Bond in ons land nooit kunnen vinden. Aanvankelijk als lid toegetreden, liet ik mij spoedig weder van de lijst der leden schrappen, en nooit heb ik sindsdien neiging gevoeld de gelederen der Neo-Malthusianen te helpen versterken. Men concludeere hieruit niet, dat ik mijn overtuiging omtrent het gebruik van anti-conceptioneele middelen, in alle gevallen waar het gewenscht blijkt bevruchting te voorkomen, ooit heb gewijzigd. Het tegendeel is waar. De ervaringen in mijn later leven opgedaan, werden bewijzen te meer voor de juistheid van mijn opvatting, dat deze middelen, zoo goed als alle hulpbronnen waardoor kwalen van lichamelijken of maatschappelijken aard kunnen worden voorkomen, openlijk door daartoe bevoegden, in casu dus door doctoren moeten worden verstrekt, en dat zij het gebruik er van niet mogen tegen werken. Het verkeerde van den tegenwoordigen toestand wortelt in het feit, dat deze middelen nog maar al te vaak in ’t geheim en heel dikwijls ook door onbevoegden worden verstrekt.

Thans, aan het einde van mijn leven gekomen, smaak ik de voldoening, dat hooggeplaatste mannen en vrouwen, corypheeën op wetenschappelijk gebied, de noodzakelijkheid van controle op de geboorten inzien en niet alleen uit een economisch, maar evenzeer uit een sociaal medisch en eugenetisch oogpunt, beperking der geboorten aanbevelen.

In de laatste jaren, ik had mijn medische praktijk toen reeds geruimen tijd neergelegd, mocht ik tal van buitenlandsche professoren en doctoren ten mijnent zien, die inlichtingen kwamen vragen omtrent mijne ervaringen op dit gebied. In het Kerstnummer van The Pictorial Review, verschenen in het jaar 1920, heeft eene Amerikaansche journaliste over dit deel van mijn levenstaak een artikel gepubliceerd. Een stroom brieven uit Noord- en Zuid-Amerika, zoo goed als uit Canada en Australië, waren er het gevolg van. Zoo groot bleek het aantal, dat ik mij niet in staat achtte op ieder schrijven afzonderlijk te reageeren en ik de bemiddeling der redactie van het Amerikaansche tijdschrift moest inroepen.

Ook na het Congres voor Birth-Control, van 11 tot 15 Juli 1922 in Londen gehouden, kwamen verschillende buitenlanders naar Den Haag om, nu ziekte mij had belet de besprekingen in de Engelsche hoofdstad bij te wonen, op die wijze met mij in contact te komen en inlichtingen te krijgen over de zaak, die mij reeds jaren geleden nauw ter harte ging. Mannen als John Maynard Keynes, Havelock Ellis, Edward Carpenter, Harold Cox, Knut Wicksell, Edward Westermarck, H. G. Wells en andere bekende persoonlijkheden, hebben het congres bijgewoond en openlijk verklaard, de hooge waarde te erkennen van het willekeurig moederschap, waar dat gewenscht wordt. De medische sectie van dit Congres, dat door 164 doctoren uit verschillende landen werd bij gewoond, zoo goed als door Lord Dawson, lijfarts van den Koning van Engeland en Sir Arbuthnot Lane, een der eerste chirurgen uit Londen, hebben contraceptive middelen, daar waar gezinsbeperking gewenscht is, aanbevolen. Daardoor is dit groote vraagstuk actueel geworden in kringen, waar het tot volledige ontwikkeling kan worden gebracht.

Laat ik dit hoofdstuk eindigen met er op te wijzen, dat men na al die jaren nog geen beter middel heeft gevonden ter voorkoming van ongewenschte geboorten, dan het door mij steeds voorgeschreven Mensinga-pessarium.

VI

DE STRIJD VOOR HET VROUWENKIESRECHT

Hoe het begon.—Mijn actie in het openbaar.—Gronden voor de weigering van mijn verzoek.—Contact met buitenlandsche geestverwanten.—De Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgericht.—Mijn eerste spreekbeurt.—Oprichting van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht.—Mijn eerste buitenlandsche propagandatocht.

Vertelde ik in het vorige hoofdstuk van den vaak bitteren strijd dien ik heb moeten voeren om op medisch gebied mijne denkbeelden over een bepaalde kwestie ingang te doen vinden, dit hoofdstuk wil ik wijden aan hetgeen ik in het belang der vrouwenkiesrecht-beweging gemeend heb te moeten doen. Wel verwees ik reeds vroeger naar een artikel van mijn hand, opgenomen in het Gedenkboek 1894–1919 van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, waar echter de strijd voor de politieke ontvoogding der vrouw, gedurende vele jaren beslag heeft gelegd op mijn tijd en mijn werkkracht, waar die arbeid als het ware zijn stempel op mijn leven heeft gedrukt, meen ik enkele bijzonderheden daarvan in dit boek te moeten releveeren.

Als ik begin met de mededeeling, dat ik reeds op veertienjarigen leeftijd tot de overtuigde voorstandsters van het vrouwenkiesrecht kon worden gerekend, zal die verklaring menigeen een glimlach ontlokken. Toch heeft zij reden van bestaan. In den Sappemeerschen tijd las vader, als zijn bezigheden het slechts even toelieten, moeder en de oudere zusters des middags onder het thee-uurtje voor. Terwijl de vrouwen zich met naaiwerk bezig hielden, luisterden zij naar een belangwekkend dagbladartikel of namen kennis van den inhoud van een pas verschenen boek. Op een middag, ’t zal in ’t jaar 1868 geweest zijn, las vader de Hollandsche vertaling van John Stuart Mill’s brochure „Subjection of women” voor. Hoewel niet voor mijn ooren bestemd, ving ik een gedeelte van het pleidooi op. Het gehoorde had zoozeer mijn belangstelling, dat ik de brochure van het boekenrekje nam en er mee naar mijn zolderhoekje trok, het plekje waar ik altijd heen vluchtte als ik iets te bepeinzen of heimelijk te lezen had. Of John Stuart Mill’s bedoelingen mij toen reeds volkomen duidelijk waren, weet ik thans niet meer met zekerheid te zeggen, maar wel herinner ik mij dat de brochure op mij den indruk achterliet: de vrouw is de slavin van den man, hij maakt de wetten, zij heeft te gehoorzamen. Is het wonder, dat de Hollandsche titel van dit propagandageschrift: „de slavernij der vrouw”, een kind met een zoo grooten drang naar vrijheid en onafhankelijkheid als mij in die dagen bezielde, benauwde en beangstigde? De Slavernij der vrouw werd voor mij het spookbeeld, dat alles wat ik zag, hoorde of zelf ondervond, relief verleende en toespitste op een bepaald punt. Omdat ik een meisje was, mocht ik niet voor doctor studeeren. Universiteiten waren alleen voor jongens bestemd, werd mij verteld. Als ik over die woorden nadacht, werd het mij duidelijk dat de mannen, die immers de wetten maakten, daardoor ook de macht bezaten alle voorrechten voor zich te reserveeren en de ondergeschikte positie der vrouwen te bestendigen. Dat daarin verandering moest komen, vond ik noodzakelijk; al wist ik niet de manier waarop dat kon geschieden.

Reeds in die dagen begon ik alles wat ik las omtrent het kiesrecht en over wetten, de vrouw betreffend, over te schrijven of in een plakboek te verzamelen. Toen de rechtvaardige, helderziende staatsman, minister Thorbecke, mij in 1871 toestemming verleende om aan de Groninger universiteit te studeeren, trof het mij dat aan de definitieve vergunning een proeftijd van een jaar vooraf moest gaan. „Waarom”, vroeg ik mij af, „moet ik eerst het bewijs leveren, dat ik het verdien als medisch studente te worden ingeschreven, terwijl de meest onbeschaafde, zoo goed als de domste jongen dat op de eerste aanvrage gedaan kan krijgen?”

Korten tijd nadat de poorten der Groningsche universiteit voor mij ontsloten waren, deed de Groningsche hoogleeraar Mr. B. D. H. Tellegen, een brochure het licht zien onder den titel „De toekomst der Vrouw”. Duidelijk zette de schrijver, die op een betere wetgeving voor mijne seksegenooten aandrong, de wettelijke ondergeschiktheid vooral van de gehuwde vrouw, uiteen. De inhoud miste zijne werking op mij niet. Ik heb het boekje steeds trouw bewaard en het later, als ik onzen eisch in zake kiesrecht moest verdedigen, herhaaldelijk geciteerd.

Hoewel ik gedurende mijn studiejaren weinig gelegenheid had mij bezig te houden met maatschappelijke vraagstukken die het eigen terrein niet raakten, bleef ik trouw alles verzamelen wat de Nederlandsche dagbladen in zake vrouwenkiesrecht brachten. In de dagen die onmiddellijk aan mijn doctoraal examen voorafgingen, vond ik in een courant van 22 April 1877, het voorstel om de kiesrechtparagraaf in de Grondwet te wijzigen. Dit recht, zoo luidde de gedachtengang, diende wat de mannen betreft, sterk te worden uitgebreid. Daarnaast, meende men, moest met zooveel woorden worden vastgelegd, dat de kiezer van het mannelijk geslacht diende te zijn. Hoewel het naderend examen ten volle beslag had gelegd op mijn doen en denken, kon ik dat couranten-artikel niet geheel uit mijn gedachtensfeer bannen. Wat beteekende die opzettelijke uitsluiting van de vrouw in een land als het onze, waar de vrouwen immers geen kiesrecht hadden? Direct na afloop van mijn studie,—de lezer die mij tot dusver op mijn levenspad volgde, weet het,—vertrok ik naar Londen, waar ik al spoedig in aanraking kwam met de eerste Engelsche kiesrechtstrijdsters, wier streven mij de grootst mogelijke belangstelling inboezemde.

In het laatst van 1879 in ’t vaderland teruggekomen, vond ik schier dagelijks in couranten en tijdschriften de noodzakelijkheid eener grondwetsherziening bepleit, omdat men van meening was, dat het kiesrecht uitgebreid diende te worden. Zelfs in die dagen gingen reeds stemmen op, die het algemeen kiesrecht verlangden. Opgewekt politiek of sociaal leven bestond toentertijd hier te lande allerminst. Te hooi en te gras mocht eens een onderwerp op dat gebied in ’t openbaar worden besproken, van regelmatige samenkomsten was geen sprake. Zoo vaak de gelegenheid zich voordeed, bezocht ik de vergaderingen waar politieke en economische onderwerpen besproken werden, en langen tijd bleek ik de eenige vrouw onder de toehoorders te zijn. Bij het debat stelde ik somwijlen de vraag of men onder het algemeen kiesrecht, waarvoor werd geijverd, ook het kiesrecht voor de vrouw rekende. De heeren vonden het dan niet eens noodig die vraag au sérieux te nemen. Zij ontlokte meestal een algemeen gelach en als de spreker van den avond de verschillende debaters beantwoordde, werd mijn vraag met een grapje afgescheept.

Het toeval speelde mij in den loop van het jaar 1882 een brochure in handen, geschreven door den toenmaligen Minister-President, Mr. J. Heemskerk Azn., den vader van den tegenwoordigen (1923) Minister van Justitie. Zijne Excellentie betoogde, dat bij de toen bestaande grondwet de vrouwen feitelijk niet van het kiesrecht waren uitgesloten. Die mededeeling opende voor mij nieuwe perspectieven. „Als de wet ons het uitoefenen van het kiesrecht niet belette”, redeneerde ik bij mijzelf, „waarom gebruiken wij dat recht dan niet?” Waarom werd mij, die voldeed aan alle den toenmaligen kiezers gestelde eischen, geen stembiljet thuis gezonden? Op deze vragen zocht ik een antwoord te krijgen, maar als ik mij wendde tot mannen, alleszins bevoegd en gerechtigd mij hierover in te lichten, dan ontving ik zulke tegenstrijdige antwoorden dat ik er niet bevredigd door werd. Ik begreep dat ik zoo niet verder zou komen. Dus wendde ik mij, ’t was op 30 November 1882, tot het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Mr. S. van Houten, die als feminist bekend stond.

Hij raadde mij: „Vecht de zaak uit tot in de allerhoogste instantie. Breng deze, inderdaad hoogst belangrijke kwestie, voor den Hoogen Raad, welk college in deze materie nog nimmer eene beslissing heeft genomen”. Het denkbeeld lokte mij aan, en toen Mr. Van Houten mij den weg aangaf dien ik zou moeten bewandelen, besloot ik daartoe over te gaan. Toen in 1883 de nieuwe kiezerslijsten ter visie waren gelegd, ging ik mij er van vergewissen of ook mijn naam er op voorkwam. Bij voorbaat wist ik dat ik die moeite had kunnen sparen. Ik wenschte echter alle formaliteiten in acht te nemen. Mijn naam niet op de lijsten vermeld ziende, zond ik op 22 Maart 1883, een schrijven aan Burgemeester en Wethouders van Amsterdam, houdende het verzoek alsnog op de kiezerslijst te worden geplaatst, omdat ik aan alle bij de wet bepaalde voorwaarden voor de kiesbevoegdheid voldeed; ten bewijze waarvan ik de vereischte stukken er bijvoegde.

Er was dien dag juist vergadering van den Gemeenteraad. Burgemeester en Wethouders schenen mijn schrijven buitengewoon vermakelijk te vinden. Onder groote hilariteit werd de brief voorgelezen, zonder dat de Raad in zijn geheel, noch een der leden in ’t bijzonder, de ernst en de beteekenis schenen te begrijpen. Zóó dwaas vond men mijn optreden, dat zelfs het wettelijke voorschrift, volgens hetwelk een antwoord op dusdanige verzoeken per deurwaarders-exploit moet worden beteekend, buiten beschouwing bleef.

Ruim een week nadat ik mijn adres had ingediend, werd mij per brief medegedeeld, dat: „op mijn verzoek afwijzend was beschikt, want adressante moge zich dan al beroepen op de letter der Wet, volgens den geest onzer Staatsinstellingen is aan de vrouw geen kies- of stemrecht verleend. Maar ook al wraakt men een beroep op den Geest der Wet, dan nog zou het de vraag zijn, of de vrouw wel geacht moet worden in het volle genot der burgerschaps- en zelfs der burgerlijke rechten te zijn. Wat de burgerlijke rechten aangaat is o.a. de vrouw van de voogdij, behalve van die over hare kinderen uitgesloten”.

Niet één der juristen in den Raad was tegen dit, allen rechtsgrond missende, antwoord in verzet gekomen. Noch de groote, noch de kleine pers heeft het aan kritiek op mijn daad doen ontbreken. „Zij had alleen het verzoek aan den Raad gezonden om haar naam in de couranten vermeld te zien”, wist een dagbladschrijver te vertellen. Andere couranten haastten zich te verkondigen: „dat ik den geest der vrouwen in Nederland niet kende”. „De Nederlandsche vrouw”, schreven de heeren, „is met den haar toebedeelden werkkring tevreden. Zij wenscht zich niet te bemoeien met de politiek”. Het Algemeen Handelsblad meende mij zelfs te moeten toevoegen, „dat een vrouw, die op kiesrecht aanspraak maakte, eerst moest beginnen de wet te eerbiedigen.”

Dat geen van de toen in ons land bestaande vrouwenbladen bleek te beseffen wat het vrouwenkiesrecht voor ons, vrouwen, beteekende, heeft mij in die dagen wel heel erg getroffen. Alle, zonder onderscheid, hebben zij zich aan de zijde geschaard van hen die meenden mijn daad te moeten afkeuren. Ja, zij aarzelden zelfs niet te verklaren, dat door mijn verzoek aan de vrouwen allerminst een dienst was bewezen. „Dr. Jacobs moest zich nu maar tot haar medische praktijk bepalen”, werd o.a. gezegd, en men voegde er ten overvloede aan toe, „dat ik daarmede reeds ver genoeg was gegaan”.

Zóó laat ontving ik het afwijzend antwoord van Burgemeester en Wethouders der hoofdstad, dat ik nog slechts ternauwernood gelegenheid had om binnen den daartoe door de wet gestelden termijn, bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam tegen dat antwoord in beroep te komen. Den dertienden April 1883, werd door de Arr. Rechtbank in mijn zaak uitspraak gedaan. De Rechtbank bleek van oordeel, „dat het onmogelijk de bedoeling van den Nederlandschen wetgever geweest kon zijn de vrouw kiesbevoegdheid te geven”. Volgde de mededeeling, dat ik veroordeeld werd de kosten van het geding te betalen.

Nu werd ik niet alleen in de pers besproken, maar ook achtten een groot aantal mannen en vrouwen zich geroepen, ’t zij onder couvert, ’t zij op een briefkaart, mij de grofste beleedigingen te zenden en de ergerlijkste verdachtmakingen aan mijn adres te richten. Slechts één blijk van sympathie mocht ik ontvangen. Een drietal heeren deelde mij mede, dat zij mij om mijn moed en volharding bewonderden. Zij rieden mij op den ingeslagen weg voort te gaan en boden op uiterst kiesche wijze aan, de kosten der procedure voor hunne rekening te nemen. Dankbaar voor deze vriendelijkheid, kon ik de heeren echter mededeelen dat de kosten zeer gering waren en dat ik dien last gelukkig gemakkelijk alleen kon dragen. Voor het overige hinderde mij de algemeene ontstemming, die mijn eenvoudige en naar ik meende voor de hand liggende vraag in den lande had gewekt. Ik voelde mij somwijlen diep ongelukkig. Ondanks dat was ik mij er van bewust, dat ik den strijd, die nu nog door den Hoogen Raad moest worden beslist, tot het einde moest voeren.

Zoo werd ook, tegen het vonnis der Arrondissements-Rechtbank beroep aangeteekend, welk beroep den 18den Mei 1883, bij arrest van den Hoogen Raad werd verworpen, op gronden, zoo dwaas en gezocht, dat ieder onbevooroordeelde wel tot de conclusie moest komen, dat de heeren eigenlijk geen uitweg hadden kunnen vinden.

De eerste overweging, waarom de vrouw geen kiesrecht mocht uitoefenen was, „dat zij niet geacht kon worden in het volle genot van hare burgerlijke en burgerschapsrechten te zijn, want.... zij derft het recht om kiezer te zijn;

dat onder „Nederlander en ingezetene” alleen de man moest worden verstaan, want ware het anders, dan zou dat uitdrukkelijk zijn vermeld;

dat „de man en vader de belasting betaalt voor zijne vrouw en minderjarige kinderen en dat daaruit onmiskenbaar blijkt, dat de gehuwde vrouw geen kiesrecht heeft”.

Dat de weduwe en de ongehuwde vrouw wel degelijk de eigen belasting en die voor hare minderjarige kinderen had te betalen, verzwegen de hoogedelachtbare heeren.

Op deze en dergelijke gronden werd mijn beroep door den Hoogen Raad verworpen.

Korten tijd nadat dit arrest was gewezen, schreef een mij persoonlijk bekend lid van den Hoogen Raad, mij, dat ik deze uitspraak niet moest beschouwen als een, waaraan niet te tornen viel. Hij ried mij in dit verband, indien mogelijk het volgend jaar, in samenwerking met andere belastingbetalende vrouwen, liefst in verschillende gemeenten woonachtig, dezelfde procedure opnieuw te voeren. De kans op een andere uitspraak scheen hem niet denkbeeldig. Ik voelde veel voor zijn advies, maar stuitte op de moeilijkheid vrouwen te vinden, die met mij wilden ageeren, om te voorkomen dat in de nieuwe, nog in voorbereiding zijnde Grondwet, overal waar van het kiesrecht en verkiesbaarheid sprake was, vóór het zelfstandig naamwoord Nederlander, het woord „mannelijk” zou worden geplaatst. Geschiedde dit wel, dan zou ten onzent in afzienbaren tijd van vrouwenkiesrecht geen sprake kunnen zijn.

Om in die dagen kiezer te zijn, moest men een vrij hooge som in de belasting betalen en aangezien de gehuwde vrouw niet werd gerekend tot hen die ’s lands financiën versterkten, was het waarlijk niet gemakkelijk seksegenooten te vinden, gerechtigd tot het voeren van de bovenbedoelde procedure. Wie mijns inziens daarvoor in de termen viel zond ik een schriftelijke uitnoodiging om met mij het eerstvolgend jaar nog eens denzelfden weg te doorloopen. De antwoorden waren echter van dien aard dat ik mijn pogingen staakte overtuigd als ik werd dat mijn vrouwelijke landgenooten het belang van het kiesrecht nog niet begrepen.