Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 7
In de entre-actes en gedurende de pauze gebruikten de stalles-bezoekers ongegeneerd den kijker om wie op de balcons en in de loges zat, zoo goed mogelijk te kunnen inspecteeren. Of de aldus in ’t vizier genomen en zich daarover hebben beklaagd, weet ik niet. Wel echter herinner ik mij, dat het bestuur van den Stadsschouwburg op een goeden dag decreteerde: „Vrouwen zonder mannelijke geleide worden niet meer tot den schouwburg toegelaten”. In dit verband dient gereleveerd, dat de zoogenaamde fatsoenlijke dames, indien zij geen man of broeder hadden om haar te chaperonneeren, naar schouwburg of concertzaal togen onder geleide van een Amsterdamschen kruier. De man werd voor zijn gezelschap per uur betaald, en al naar zijn hoofddeksel bestond uit een pet of een hooge zijden, was het loon kleiner of grooter. Niet als doctor, maar uitsluitend als vrouw voelde ik mij gedrongen tegen dit besluit te protesteeren. Hoewel ik betrekkelijk weinig naar den schouwburg ging, wilde ik mij de enkele keeren dat ik een voorstelling bijwoonde, niet het gezelschap van een kruier laten opdringen, te minder omdat ik mij volkomen in staat achtte mij zelf te beschermen.
Onmiddellijk schreef ik een fel protest tegen het door het bestuur genomen besluit. Ik nam tevens de gelegenheid te baat om te wijzen op het dwaze verschijnsel, dat in den Amsterdamschen Stadsschouwburg de geslachten streng van elkander werden gescheiden. Als antwoord op dit protest ontving ik een brief van het bestuur, met de mededeeling dat op vrouwen als ik het besluit niet zou worden toegepast. De bedoeling was alleen bezoeksters te weren, die door haar kleeding of gedrag aanstoot konden geven.
Hoe dwaas ook deze opvatting was, bleek op een avond, toen de echtgenoote van een bekenden Amsterdammer uit den schouwburg verwijderd zou worden, omdat enkele suppoosten haar kleeding te opvallend vonden. Te elfder ure werd deze flater voorkomen. Sindsdien heeft men, voor zoover ik weet, de bezoeksters ongemoeid gelaten.
Kort na mijn vestiging kreeg vader bezoek van den jongen man, die, zonder dat ik tot dusver persoonlijk met hem in contact was gekomen, zich, zoo vaak de gelegenheid daartoe bestond, een waar vriend had betoond. Carel Victor Gerritsen kwam vragen of er bezwaar bestond, dat hij kennis met mij maakte. Terecht was vader, op wien de bezoeker een zoo gunstigen indruk maakte, dat hij hem uitnoodigde zoo vaak hij wilde bij hem te komen, van meening dat ik er prijs op zou stellen den heer Gerritsen persoonlijk dank te zeggen voor de vele vriendelijkheden, welke hij mij in den loop der jaren had bewezen. Omdat ik echter alleen gedurende het etensuur thuis vertoefde, raadde hij den onbekenden vriend aan, om bij mij belet te vragen voor een middag of avondbezoek op de Heerengracht.
Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat ik hoewel ik na elk examen een hartelijk briefje mocht ontvangen, dat met een dankbetuiging werd beantwoord; en hoewel ik den heer Gerritsen indertijd mijn erkentelijkheid had betuigd voor de waardevolle introducties die mij het verblijf in Londen zooveel gemakkelijker hadden gemaakt, ik toch nooit pogingen in het werk had gesteld om iets naders over den vriendelijken onbekende te vernemen.
Gerritsen daarentegen had zich steeds met mij beziggehouden. Hij volgde mij in alle phases van mijn studie, en toen ik te Groningen promoveerde was hij ook onder mijn gehoor geweest. Zijn beschroomdheid tegenover mij was oorzaak, dat hij mij toen niet als zooveel anderen, persoonlijk was komen geluk wenschen. Toch vond ik het prettig den jongen man, die klaarblijkelijk zooveel belang in mij stelde, van aangezicht tot aangezicht te leeren kennen. Het duurde echter nog geruimen tijd, eer de hechte vriendschap welke spoedig tusschen ons ontstond, in liefde veranderde.
Het spreekt vanzelf dat mijn kennissenkring te Amsterdam grooter werd, naar mate ik mij meer in het publieke leven bewoog. Tot de vrouwen die al dadelijk den wensch te kennen gaven met mij in contact te komen, behoorden o.a. Hélène Mercier, Catharina Alberdingk Thym, Cornelie Huygens en Elise Haighton. Zij allen waren mij bij name bekend door hetgeen zij reeds als schrijfsters gepubliceerd hadden. De innige vriendschap welke tusschen ons tot stand kwam, heeft bij allen voortgeduurd totdat de dood ons scheidde.
Het waren trouwens niet alleen vooraanstaande vrouwen, die mij hare belangstelling waardig keurden. Ook mannen als B. H. Heldt, de toenmalige leider van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond, dr. W. Doorenbos, de geestelijke vader van de literaire beweging in de tachtiger jaren, en vele anderen wier namen ik niet alle zal releveeren, gaven blijk van hun sympathie. Het is aan den omgang met al die mannen en vrouwen van beteekenis, dat ik, voor een groot gedeelte althans, mijn verdere ontwikkeling op politiek en sociaal gebied, heb te danken.
Door mijn omgang met Heldt kwam ik in aanraking met andere bestuursleden van het Werkliedenverbond, wier vrouwen ik na verloop van tijd eveneens leerde kennen. Gesprekken met haar gevoerd, deden mij inzien, dat de arbeidersklasse dringend behoefte had aan deskundige voorlichting op het gebied der hygiëne, vooral wat het verzorgen van kinderen betrof. Dank zij de medewerking van Heldt, die er o.a. voor zorgde dat ik gratis de beschikking kreeg over een paar vertrekken in het gebouw van het Werkliedenverbond, toen nog gevestigd boven een kroeg in de Spuistraat, hoek Kattegat, kon ik in den winter van het jaar 1880 een cursus openen voor vrouwen. Op twee avonden in de week kwamen wij bijeen en dan behandelde ik met mijn gehoor de eerste beginselen der hygiëne. Ook over de wijze waarop zuigelingen verzorgd moesten worden, lichtte ik de vrouwen in. Een gevolg van die lessen o.a. was, dat ik mij al heel gauw gedurende twee ochtenden in de week, in datzelfde lokaal beschikbaar stelde voor het gratis verleenen van medische hulp aan onbemiddelde vrouwen en kinderen. Gedurende een tijdperk van veertien jaren heb ik die gratis consulten geregeld voortgezet. Het bestuur van het Werklieden-Verbond deed mij herhaaldelijk blijken hoezeer het die bemoeiingen op prijs stelde. Toen het Verbond in 1889 verhuisde naar het groote, ruime gebouw op het Singel dat d’Geelvinck heette, kreeg ik terstond de beschikking over twee ruime, goed verlichte vertrekken. In de praktijk bleek het feit dat die vertrekken hoog in het gebouw gelegen waren, een onoverkomelijk bezwaar voor vele zieke vrouwen en voor moeders met zieke kinderen. Vandaar dat ik weldra het aanbod, mij door een in de Tichelstraat wonende weduwe gedaan, om twee kamers tegen geringe vergoeding voor de armenpraktijk beschikbaar te stellen, aanvaardde. Van het oogenblik dat ik naar de Jordaan verhuisde, verslapten de relaties met het Werklieden Verbond.
Veertien jaar, ik zeide het zooeven reeds, heb ik mij twee keer per week beschikbaar gesteld om behoeftige vrouwen uit alle kringen der maatschappij van advies te dienen. Over gebrek aan toeloop had ik nimmer te klagen. De reden dat ik dezen tak van arbeid ten slotte heb laten varen, vond zijn oorzaak in een langdurige ziekte, die mij weken achtereen uit mijn werk rukte. Gedurende dien tijd was de weduwe bij een harer dochters gaan inwonen, hetgeen ten gevolge had dat mij de geschikte lokalen, noodig voor het hervatten der armenpraktijk, ontbraken.
Kort nadat ik mij te Amsterdam had gevestigd, werden in de hoofdstad des lands plannen beraamd tot het stichten eener vereeniging, die ten doel zou hebben: „het opwekken van staatkundig leven en het bevorderen van maatschappelijke belangen”. De naam dier vereeniging zou zijn: De Unie. Ik was weer de eerste vrouw die zich voor het lidmaatschap kwam aanmelden. Het duurde zelfs eenigen tijd eer mijn voorbeeld navolging mocht vinden. De openbare vergaderingen der nieuwe vereeniging gaven mij gelegenheid om mij omtrent vele brandende vraagstukken op sociaal gebied te oriënteeren. Zoo weinig was men er toen aan gewend dat vrouwen openbare vergaderingen bijwoonden, dat de verslaggevers der bladen het noodig vonden in hunne verslagen steeds mijne tegenwoordigheid op de bijeenkomsten extra te vermelden. Eerst nadat ik de verslaggevers had medegedeeld dat deze vermelding mij hinderde, is dit nagelaten.
Door mijn gratis spreekuren in de Jordaan gehouden, kwam ik in nauwe aanraking met de arme en armste bevolking der hoofdstad. Als de vrouwen of kinderen te ziek waren om mij te komen consulteeren, zocht ik hen dikwijls in eigen woning op. Wat al ellende heb ik daar aanschouwd! Meer nog dan de vreeselijke armoede in zoo veel gezinnen, troffen mij echter de schandelijke woningtoestanden in vele armenwijken der stad. Hoe was het mogelijk dat menschen in dergelijke krotten konden leven? Hoe kwam het dat de overheid die wantoestanden liet voortbestaan?
Al mijn verontwaardiging en al mijn medelijden placht ik in die dagen uit te storten bij Hélène Mercier, van wie ik wist dat de nooden der armen haar na ter harte gingen. Gedurende haar jarenlange ziekte had deze sterk sociaal voelende vrouw, zich door lectuur wel op de hoogte gesteld van het leven en werken der arbeidende bevolking in het buitenland, maar van de ergelijke woningtoestanden in de eigen stad, wist zij door eigen aanschouwen zoo goed als niets. Mijn verhalen gaven haar aanleiding te verzoeken of zij mij op mijn tochten door de volksbuurten nu en dan mocht vergezellen, een verzoek dat ik gaarne ingewilligd heb, al zorgde ik er steeds voor, dat mijn lichamelijk zwakke en geestelijk heel fijn besnaarde vriendin, niet te veel ellende tegelijk te aanschouwen kreeg. De bezoeken door ons te zamen in de krotwoningen afgelegd, hebben haar geïnspireerd tot een in breeden kring besproken artikel in „het Sociaal Weekblad”. Dat de wantoestanden op woninggebied te Amsterdam gaandeweg beter zijn geworden, is mede te danken aan het felle licht door Hélène Mercier er op geworpen.
In de maand Maart van het jaar 1881 trof mij een slag, die vele maanden achtereen mijn lust om te werken, zoo goed als mijn streven naar verdere ontwikkeling, verlamde.
Op het alleronverwachtst moest ik mijn goeden, braven vader missen. Een beroerte maakte in enkele oogenblikken een einde aan zijn leven. Nooit zal ik de gevoelens vergeten die mij bezielden, toen ik aan zijn stervenssponde stond. Hoe duidelijk drong toen tot mij door, wat ik in hem had verloren.... Elken middag besprak ik met vader de ziektegevallen in mijn praktijk en daarnaast discussiëerden en debatteerden wij over alle mogelijke sociale vraagstukken. Lang niet altijd kon ik mij met zijne opvattingen vereenigen, maar ook als mijn meening lijnrecht tegenover de zijne stond, vond ik het een genot naar zijn argumentaties te luisteren. Ik wist trouwens maar al te goed, dat hij dikwijls redeneerde tegen beter weten in. De vrees dat ik mij moeilijkheden op den hals zou halen, heeft hem dan weerhouden mij in mijn overtuiging te sterken. Liefde en zorg voor het kind, dat ik in zijn oogen altijd was gebleven, dreven hem er dan toe ook de andere zijde van het vraagstuk onder mijn oogen te brengen.
Neen, lang niet altijd heb ik vader’s raad opgevolgd. De gedachte echter dat er iemand was tot wien ik mij in gevallen van twijfel kon wenden, in het heerlijk bewustzijn dat een verstandig, onbaatzuchtig advies mij nimmer zou worden onthouden, gaf mij innerlijk grooten steun.
Lang heeft het geduurd eer ik in het onherstelbaar verlies kon berusten.
V
HET WILLEKEURIG MOEDERSCHAP
Vrouwenleed.—Het middel gevonden.—Roeien tegen den stroom op. —Uren van twijfel en dagen van strijd.—Het einde kroont het werk.
Reeds gedurende mijn studententijd en vooral tijdens mijn verblijf in het gasthuis te Amsterdam, werd ik herhaaldelijk gekweld door de gedachte aan het vele en zware leed door vrouwen geleden, die maar telkens weder zwanger werden, hoewel die toestand om de een of andere reden noodlottig voor haar leven kon worden.
In de lange gesprekken die ik op de kraamkamer met haar voerde, hadden zij mij uiteengezet, waarom het voor haar onmogelijk was nieuwe zwangerschap te voorkomen, als onthouding van geslachtsgemeenschap daarmede gepaard moest gaan. Vrouwen die niet anders dan kwijnende of levenlooze kinderen ter wereld brachten, zoo goed als zij voor wie elke nieuwe bevalling een nieuwe worsteling met den dood beteekende, kwamen toch steeds weer in zwangeren toestand in de kraamkamer terecht. Gezinnen, waarin het aantal kinderen, gezien den lichamelijken toestand der moeder en de levensomstandigheden der ouders, toch reeds groot was, namen toch telkens weer in omvang toe. Uren achtereen kon ik over dit probleem peinzen, zonder dat ik uitkomst zag. Soms besprak ik het ingrijpende vraagstuk met eenige mijner medestudenten, maar die zagen het geheel anders in. „Ja,” zeiden zij doodkalm, „dat is nu eenmaal het lot der vrouw”. Of ook wel: „Laten wij blij zijn, dat er geen middelen bestaan om zwangerschap te voorkomen. Waren ze er wel, dan zou de wereld binnen afzienbaren tijd door gebrek aan menschen te gronde gaan.”
Het toeval, dat in ons leven dikwijls een groote rol speelt, deed mij in Londen bijna direct verzeild geraken in een kring van lieden, die zich ook in het openbaar bezig hielden met dezelfde kwestie, waarover ik in mijn eentje zoo dikwijls had nagedacht. Toen ik in Engeland vertoefde, stelden Annie Besant, Dr. Drysdale, de uitgever Truelove en vele anderen, zich voortdurend bloot aan gerechtelijke vervolging, omdat zij in het openbaar de beperking van het kindertal bespraken en over dit onderwerp hunne gedachten publiceerden. In datzelfde Engeland had toen reeds eenige jaren te voren een boek het licht gezien, geschreven „by a doctor of medicine”. Het werk dat den titel voert „Elements of Social Science”, met den ondertitel: „Physical, Sexual and natural Religion”, is later ook in de Duitsche, Fransche, Nederlandsche, Italiaansche en Portugeesche taal verschenen. De schrijver, een leerling van Malthus en John Stuart Mill, tracht in zijn merkwaardig boek aan te toonen, dat de bevolking, indien geen belemmerende invloeden optreden, zich in geometrische reeks kan vermeerderen, 1, 2, 4, 8, 16, 32 enz., terwijl in het gunstigste geval, in een zelfde periode de middelen van bestaan slechts kunnen toenemen in arithmetische reeks, 1, 2, 3, 4, 5, 6, enz. Hij toont zich in het vervolg van zijn wetenschappelijk werk een geestverwant van Malthus, wat betreft de gevolgen welke daaruit voor gezin en maatschappij voortspruiten, doch hij bestrijdt zijn leermeester als het gaat om de middelen ter voorkoming van overbevolking en wat daarmede samenhangt. Het principe van Malthus: „late huwelijken en geslachtelijke onthouding vóór het huwelijk”, keurt de „doctor of medicine” op sociale en medische gronden af. Zijn meening is, dat men zich van anticonceptioneele middelen heeft te bedienen.
Toen ik het boek in handen kreeg, had ik zoowel schrijver als uitgever reeds herhaaldelijk ontmoet, en met de lieden die de in het werk verkondigde leer, in woord en geschrift voorstonden, was ik in contact getreden. Groot was mijn vereering, was ook mijn bewondering voor de mannen en vrouwen, wier levensdoel het was om, desnoods ten koste van eigen geluk, de wereld en de menschen gelukkiger en beter te maken. Ik had den grootst mogelijken eerbied voor hunne hooge levensopvatting, waaraan een sterk geprononceerd sociaal bewustzijn ten grondslag lag.
Ofschoon ik mij, misschien door mijn gebrek aan voldoende kennis in dat opzicht, met de economische basis waarop hun leer gegrondvest was, niet kon vereenigen, begreep ik toch dat uit een medisch en sociaal-medisch oogpunt bezien, het middel, dat zij ter bereiking van hun doel aanprezen, voor de menschheid groote waarde moest hebben. Wie deugdelijke anti-conceptioneele middelen tot zijn beschikking had, zou onnoemelijk veel leed kunnen voorkomen. Dat hadden de gesprekken met de kraamvrouwen in het Amsterdamsche ziekenhuis mij wel geleerd, dat wist ik door den aanblik van zooveel zuigelingen, wier geboorte alles behalve met blijdschap tegemoet was gezien, wier bestaan in vele gevallen noch voor de ouders, noch voor de gemeenschap, ook maar in het minst gewenscht was. Restte dus slechts de vraag, of de toen ter tijd bestaande voorbehoedmiddelen tegen ongewenschte bevruchting inderdaad deugdelijk waren. Een antwoord in bevestigenden zin durfde ik daarop niet geven. Ik twijfelde aan de betrouwbaarheid, aan het absoluut doeltreffende dus, zoo goed als aan de geschiktheid voor het gebruik; en ik wist niet of onder de aanwending de gezondheid zou kunnen lijden. Zoo moest ik dan eigenlijk constateeren, dat de omgang met de lieden die behoorden tot de kringen, waaruit de schrijver van het boek in kwestie was voortgekomen, mannen en vrouwen die zich Neo-Malthusianen noemden, omdat zij wel de leer van Malthus aanhingen, doch bij de bestrijding van het door hem beschreven kwaad, hun eigen middelen en niet de zijne gebruikten, mij wel veel theoretische kennis omtrent het vraagstuk had geschonken, doch dat ik, wat de praktische oplossing betreft, nog vrijwel op het doode punt was blijven staan.
In het vaderland teruggekeerd, werd de kwestie waaraan ik te Londen mijn volle aandacht had geschonken, aanvankelijk door andere dingen die mij bezig hielden, op den achtergrond geschoven. De gratis consult-uren voor min- of onvermogende vrouwen, die mij uit den aard der zaak weer in nauw contact brachten met vertegenwoordigsters der zoogenaamde volksklasse, waren oorzaak dat het diepingrijpende probleem mij weer voortdurend bezighield. Hoe kon het ook anders, waar ik schier dagelijksch ziekten moest constateeren, welke een rechtstreeksch gevolg waren van ongewenschte zwangerschappen, waar voorts herhaaldelijk bleek, dat kinderen uit dergelijke zwangerschappen geboren, niet alleen voor hun ouders maar ook voor de maatschappij, in stoffelijken en zedelijken zin, een last beteekenden.
Nog steeds zoekende naar het middel waarmede dit euvel op afdoende wijze kon worden bezworen, vond ik, het was in den aanvang van het jaar 1882, in een Duitsch medisch tijdschrift een artikel, geschreven door dr. Mensinga uit Flensburg, die in gevallen als waarover ik peinsde het gebruik van een pessarium occlusivum aanbeval. Het zuiver wetenschappelijk artikel maakte zulk een indruk op mij, dat ik onmiddellijk contact zocht met den schrijver. Een langdurige collegiale briefwisseling volgde, waarin Dr. Mensinga mij volkomen op de hoogte bracht van de wijze waarop het middel moest worden aangewend. Ook stelde hij eenige exemplaren tot mijn beschikking. Hoewel Dr. Mensinga mij de verzekering had gegeven, dat het middel volkomen onschadelijk was voor de gezondheid van hen die het aanwendden en dat het beantwoordde aan het doel, wilde ik mij toch eerst daarvan zelf overtuigen, alvorens ik het durfde aanbevelen.
Herhaaldelijk waren vrouwen uit verschillende klassen der bevolking mij komen raadplegen over een middel ter voorkoming van bevruchting, die allen daarvoor redenen van socialen, moreelen of medischen aard hadden, en die ik steeds zonder afdoenden raad had moeten laten vertrekken. Enkele van deze vrouwen, die daartoe het meest in aanmerking kwamen, zond ik toen brieven, waarin ik haar mededeelde, dat ik thans een middel meende te hebben om haar te kunnen helpen, maar alvorens ik het vol vertrouwen durfde aanbevelen, moesten zij die het wilden aanwenden, in de eerste maanden af en toe bij mij komen om onderzocht te worden. Eenige vrouwen waren daartoe gaarne bereid. De resultaten waren van dien aard, dat ik na eenige maanden met gerustheid durfde verklaren, een onschadelijk, doeltreffend anti-conceptioneel middel in handen te hebben.
Hoewel ik het niet noodig vond openlijk reclame voor die hulp te maken, achtte ik mij toch verplicht, waar zulks noodig en nuttig scheen, bekend te maken, dat ik bereid was vrouwen, voor wie een zwangerschap op grond van sociale, moreele of medische overwegingen niet gewenscht was, een anti-conceptioneel middel aan de hand te doen.
Geen oogenblik heb ik mij gevleid, dat dit onderdeel van mijn medisch werk door het gros mijner collega’s met instemming zou worden begroet. Ik wist te goed hoe vastgeroest zij zaten in conventioneele begrippen en hoe weinig zij op de hoogte waren van het sociale leven. Medewerking verwachtte ik in dit opzicht van hen allerminst. Van den anderen kant echter had ik ook niet gedacht, dat mijn optreden zoo’n storm van verontwaardiging zou wekken. Heel de medische wereld stortte de fiolen van haar toorn over mijn hoofd uit, en de enkelen die het innerlijk met mij eens waren, zwegen, uit vrees dat ook hun de algemeene verontwaardiging zou treffen. Moeilijke tijden heb ik toen doorgemaakt en zwaar voelde ik het gemis van den man, bij wien ik ook in dit geval mijn hart had kunnen uitstorten. Helaas, mijn goede vader was niet meer; en de weinige vrienden op wie ik ook toen mocht blijven bouwen, konden door hun gemis aan medische en sociologische kennis, niet ten volle het groote belang begrijpen, dat de menschheid bij dit deel van mijn arbeid had. Zoo vaak ik de kwestie die mij bezig hield, met hen besprak, gaven zij mij, volkomen te goeder trouw natuurlijk, een raad die praktisch hierop neerkwam, dat ik in het openbaar zou verklaren mij te hebben vergist en van plan te zijn dergelijke hulp voortaan niet meer te verleenen. Nooit heb ik in tweestrijd gestaan of ik misschien toch verstandiger deed hunne denkbeelden tot de mijne te maken. Te zwaar drukte daarvoor het leed dat ik had gezien, te groot schenen mij de zegeningen die ik van dit deel van mijn werk voor de maatschappij en de menschheid verwachtte.
Zeker was het moeilijk en pijnlijk, als eenige vrouw-doctor in den lande, te moeten oproeien tegen den stroom van leugen en laster door mijne mannelijke collega’s alom tegen mij verspreid. De vaste overtuiging echter, dat de zaak die ik diende ten volle mijn zorgen loonde; het innig bewustzijn, niet alleen individueel leed te kunnen verzachten, maar ook een groot sociaal belang te behartigen, schonken mij de kracht op het eenmaal ingenomen standpunt te blijven volharden. Toch bleven ook de uren van twijfel mij niet bespaard. Dan dwaalde ik in het Vondelpark laan in, laan uit, zonder iets van de omgeving in mij op te nemen, mijn hersens pijnigend met de vraag of ik mij, ondanks alles, misschien toch vergiste. Kon algemeene bekendheid met een middel ter voorkoming van zwangerschap, tengevolge hebben dat geen kinderen meer ter wereld werden gebracht? Zou extra-matrimonieele geslachtsgemeenschap er uit kunnen voortkomen? En als het aantal geboorten afnam, zou dan de economische positie van het land in gedrang kunnen komen? Al die vraagstukken hielden mij bezig en eischten een antwoord van mij, die zich op economisch gebied toch maar een leek kon noemen. Dan hield ik mij zelf voor, dat in elke normaal aangelegde vrouw de drang naar het moederschap immers zoo sterk is, dat in ’t algemeen gesproken, slechts overwegingen van ernstigen aard haar er toe zullen leiden, van dat moederschap ’t zij geheel, ’t zij ten deele, afstand te doen. Ontegenzeggelijk, redeneerde ik verder, zou bekendheid omtrent preventief-middelen het aantal ongewenschte geboorten doen verminderen, maar moest dit niet worden toegejuicht, zoowel van een sociaal als van een sociologisch of individueel standpunt bezien? Als er minder ongewenschte individuen ter wereld kwamen, zou immers het ras verbeteren, de sociale welvaart en het menschelijk geluk grooter worden. Zoowel mijn studie over dit onderwerp, als eigen waarneming en nadenken, hebben die overtuiging rotsvast bij mij gevestigd. Reeds toen voelde ik heel sterk wat Nietzsche later treffend juist onder woorden zou brengen: niet de uitbreiding van het ras, maar het op hooger peil brengen van de menschheid dient het doel van ons bestaan te zijn.