Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 6

Chapter 63,787 wordsPublic domain

Voor wie omtrent de in die dagen te Londen op den voorgrond tredende persoonlijkheden niet volkomen georiënteerd zijn, diene, dat Charles Bradlaugh (1833–1891) reeds op zeventienjarigen leeftijd zijn strijd aanving tegen het Christendom, met een vlugschrift, getiteld: „A few words on the Christian Creed” (1850). Hij betoonde zich tijdens mijn verblijf te Londen in woord en geschrift, evenals dr. Drysdale, een voorstander van de malthusiaansche theorie. Door deze personen kwam ik weer in aanraking met andere mannen en vrouwen, die door hun propaganda voor het „bewust moederschap” of door hunne theorieën omtrent „willekeurige beperking van het kindertal”, het schijnheilige Engeland uit die dagen in opschudding brachten.

Nog vóór ik mij zelf voldoende rekenschap van mijn bedoelingen had kunnen geven, en vóór ik eigenlijk wist of ik het wenschte en wilde, stond ik te Londen midden in de radicale groepen op wetenschappelijk, politiek en zedelijk gebied, wier harde strijd gericht was tegen conservatisme en schijnheiligheid. Ik bezocht de vergaderingen waar Bradlaugh en zijn kleine schare volgelingen hunne opvattingen omtrent de politiek van het oogenblik ten beste gaven. ’s Zondags woonde ik de bijeenkomsten van de toen nog jonge „Fabian Society” bij en ook de arbeidersvergaderingen hadden mijn volle aandacht.

Laat ik alweer ter verduidelijking voor sommige mijner lezers in dit verband even zeggen, dat de „Fabian Society”, hoewel geheel op socialistisch standpunt staande, geen agitatie onder de arbeiders wenscht. Hare leden behoorden toen en behooren ook nu in hoofdzaak tot de intellectueele middenklasse. Zij gelooven aan de mogelijkheid van een beter inzicht bij de bezittenden. De naam der vereeniging is ontleend aan Fabius Cunctator, een Romeinsch consul, bekend om de verstandige taktiek die hij in den oorlog tegen Hannibal voerde.

Zoo waren dus mijn avonden door vergaderingen van velerlei aard in beslag genomen. Als ik die bijeenkomsten bezocht, had ik reeds vele uren van inspannenden arbeid achter mij. Mijne ochtenden bracht ik steeds door in het groote kinderhospitaal in Great Ormondstreet. Daar woonde ik eerst de druk bezochte poliekliniek bij en deed vervolgens met een der geneesheeren de ronde door de zalen. ’s Middags begaf ik mij naar een der hospitalen voor vrouwen, ’t zij om de theoretische lessen van een bekend hoogleeraar te volgen, dan wel om hetgeen ik theoretisch had geleerd, in de praktijk te zien toepassen. En nu is het wel merkwaardig, dat terwijl de Engelsche vrouwelijke studenten die tot de hospitalen toegelaten wilden worden, vele moeilijkheden te overwinnen hadden, voor mij de deuren terstond opengingen.

De zeer enkele vrouwelijke doctoren stonden in die dagen in Engeland op zeer gespannen voet met hunne mannelijke collega’s. De vakbond wenschte haar niet als leden toe te laten, uit de medische vergaderingen werden zij geweerd. Ik daarentegen mocht niet anders dan welwillendheid ondervinden. Gehuwde medici noodigden mij in hun huiselijken kring; ongehuwden waren, zoo vaak ik met hen in aanraking kwam, de voorkomendheid zelve. De oorzaak van dit verschil in opvatting heb ik eigenlijk nooit volkomen kunnen opsporen. Zeker, men wist dat ik mij in het eigen land zou gaan vestigen en men behoefde dus geen concurrente in mij te zien. Concurrentie was echter evenmin te vreezen van de Amerikaansche vrouwelijke studenten, die in Londen hare studie kwamen voltooien. Toch werden zij alles behalve vriendelijk ontvangen. Misschien had ik die bevoorrechting te danken aan mijn jeugd en aan het feit, dat ik, hoewel nog jong in jaren, met ernst en toewijding mijn taak vervulde.

Van al de hospitalen die ik in Londen leerde kennen, boezemde het pas opgerichte kleine ziekenhuis voor vrouwen in de Marylebone Road, mij het meeste belang in. Aan het hoofd daarvan stond de eerste vrouw-doctor in Engeland, Mrs. Garrett Anderson. De vrouwelijke medici die met haar samenwerkten, hun aantal was trouwens gering, hadden zonder onderscheid in het buitenland, meestal te Parijs, gestudeerd en daar ook hare diploma’s verworven. Aangezien de jongste onder haar de vier kruisjes achter den rug had, werd ik met mijn vijf en twintig jaar als een baby beschouwd. Met dat al kwam men mij hartelijk en vriendschappelijk tegemoet; en wat mij betreft, ik voelde mij in het kringetje der vrouwelijke collega’s volkomen thuis. Vooral Mrs. Garrett Anderson, die zich niet alleen voor de medische wetenschap interesseerde, maar ook voor de sociale toestanden een open oog toonde, had mijn volle sympathie. Ook tot haar zuster Mrs. Millicent Fawcett, in die jaren reeds presidente van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Engeland, voelde ik mij in hooge mate aangetrokken. Dank zij mijn relatie met deze vrouwen, kreeg ik herhaaldelijk uitnoodigingen voor „drawing-room meetings”, waar dan ten behoeve van een veertig- of vijftigtal vrouwen uit de hoogere kringen, lezingen werden gehouden over het nut en de noodzakelijkheid van het kiesrecht voor de vrouw.

Mij behoefde men van die noodzakelijkheid niet te overtuigen. Sinds jaren vond ik het vanzelf sprekend, dat de vrouw op politiek gebied dezelfde rechten diende te hebben, welke den man werden toegekend. Toch bezocht ik gaarne die bijeenkomsten, omdat ik er de argumenten leerde kennen, waardoor anderen overtuigd moesten worden. Mijn kennismaking met de eerste strijdsters voor het vrouwenkiesrecht in Engeland, een kennismaking die in vele gevallen tot een hechte, innige vriendschap leidde, dateert uit die dagen.

In het Gedenkboek 1894–1919, uitgegeven door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, heb ik aan dit deel van mijn verblijf in Engeland een artikel gewijd.

Vroeger dan aanvankelijk in mijn bedoeling had gelegen, keerde ik naar Nederland terug. Van 8 to 15 September 1879 werd namelijk te Amsterdam een internationaal congres ter bevordering der geneeskundige wetenschap gehouden, dat vele mij bekende Engelsche hoogleeraren en doctoren wenschten bij te wonen. Op hun aanraden besloot ik ook naar Amsterdam te gaan om dan, na afloop der bijeenkomsten, mijn studie in Londen te hervatten. Daarvan is toen echter niets gekomen. Tijdens den duur van het congres ontving ik zooveel aanvragen van Amsterdamsche families om voortaan bij haar de huispraktijk te willen waarnemen, zoovele moeders verzochten mij het medisch toezicht op hare kinderen uit te oefenen, dat het mij verstandiger leek niet meer naar het buitenland te gaan.

Dank zij het congres was mijn naam op aller lippen. Het kwam mij voor, dat ik met die onverwachte en ongezochte reclame mijn voordeel moest doen. En zoo besloot ik mij reeds aanstonds als praktiseerend arts in de hoofdstad te vestigen.

Hoe dikwijls werd gedurende de congresdagen mijn naam in de dagbladen vermeld! Hoe vaak releveerden de kranten dat het congresbestuur, aan welks hoofd professor Donders stond, bij alle feestelijkheden en elke gebeurtenis van eenige beteekenis toonden, mijn aanwezigheid op prijs te stellen.

Laat ik in dit verband citeeren wat het Algemeen Handelsblad van 9 September 1879 onder het opschrift: „De doctoren ten Raadhuize”, schreef over de ontvangst, welke den congressisten aan den avond van den eersten dag op het Prinsenhof door het stadsbestuur was bereid:

„Luider stemme kondigde de huissier de genoodigden aan. Voor het gemeentebestuur, met den burgemeester aan het hoofd, maakten de heeren het gewone compliment. Te negen uur was de raadzaal eivol, maar nog steeds kwamen nieuwe gasten.

„Een naam werd den volke verkondigd, die de algemeene aandacht trok. „Dr. Aletta Jacobs!”, klonk het, en op de meest bescheiden wijze kwam de eerste Nederlandsche vrouwelijke doctor binnen. De Burgemeester maakte voor haar eene uitzondering. Het bleef niet bij een buiging, maar als hoofd der gemeente begroette hij Mejuffrouw Jacobs in de raadzaal der hoofdstad met betuiging van warme sympathie.”

Nog een andere avond van datzelfde congres staat mij nu, na meer dan veertig jaren, levendig voor den geest. ’t Was een feestelijke bijeenkomst, ter eere van de buitenlandsche gasten georganiseerd. Het programma vermeldde o.a. twee tableaux vivants. Bij het eerste levende beeld, dat het heden en het verleden moest voorstellen, zagen wij Lister tegenover Ambroise Paré op het slagveld. Daverend applaus weerklonk door de zaal. Het handgeklap werd ten slotte een ovatie voor den Engelschen geleerde, die in de zaal aanwezig was. Men riep, men juichte zoo van ganscher harte, dat Lister ten slotte op het podium verscheen om voor die hulde zijn dank te betuigen.

Het tweede beeld, „de toekomst”, bleek een copie van Rembrandt’s „Anatomische Les” te zijn, met dit verschil echter, dat de mannenfiguren door vrouwen waren vervangen.

Het Algemeen Handelsblad van 16 September 1879 schreef daarover:

„Zij die doceerde, Prof. Tulp, was een bekende doctores. Natuurlijk was zij het niet zelve, maar in kleederdracht, gestalte en gelaat zoodanig geïmiteerd, dat haar naam uit aller mond klonk. En nu was het de beurt van Dr. Aletta Jacobs om de betuigingen van algemeene sympathie te ontvangen.”

Ook de buitenlandsche bladen lieten zich niet onbetuigd.

Dr. Petithan, die in een Fransch medisch blad, „Le Scalpel”, verslag uitbracht over het congres, schreef over mij:

„J’ai saisi l’occasion de la 4e conclusion pour rendre hommage à l’étude de la médecine par les femmes, si bien représentées au Congrès par Mlle. Jacobs. J’ai dit que c’était aux femmes médecins qu’il appartenait d’apprendre à leurs soeurs, toutes les lois de l’hygiène et leurs devoirs les plus essentiels trop souvent ignorés.

„Il n’est pas possible de se figurer la science sous une forme plus charmante que celle de cette jolie juive de 25 ans, suivant les discussions les plus délicates avec un aplomb et un tact parfait, restant femme gracieuse toujours, et me remettant, en signe de reconnaissance, un savant mémoire sur les localisations cérébrales”. [1]

Laat ik, oude vrouw, dit hoofdstuk besluiten met speciaal mijn lezeressen in vertrouwen te vertellen, dat doctoren uit alle windstreken van Europa mij tijdens het congres en ook daarna, hun hart en hand aanboden. Die huwelijksaanzoeken hebben, waarom zou ik het verzwijgen, mijn gevoel van eigenwaarde gestreeld. Mijn hart echter bleef volkomen onbewogen.

IV

DE EERSTE JAREN VAN MIJN PRAKTIJK

Pioniersarbeid naar allen kant.—Hoe het veertig jaar geleden in Amsterdam was.—Ik maak kennis met Carel Victor Gerritsen.—Nieuwe vriendschapsbanden worden gelegd.—Mijn werk onder de volksklasse.—Een zware slag treft mij.

Dadelijk na afloop van het congres begon ik dus te Amsterdam de medische praktijk uit te oefenen. Ik had mij gevestigd op de Heerengracht bij het Koningsplein, ten huize van een weduwe bij wie ik eenige kamers had gehuurd. Tegen zes uur ’s avonds trok ik naar de Ferdinand Bolstraat, waar vader en moeder woonden. In het ouderlijke huis gebruikte ik dagelijks den hoofdmaaltijd.

Van den eersten dag af was de toeloop van patiënten zoodanig, dat ik met een gerust hart de toekomst tegemoet kon zien. Elken middag van één tot drie uur ontving ik de patiënten bij mij thuis en verder legde ik, zoowel des ochtends als in den namiddag, doctorsvisites af.

Om de buitenlandsche medische tijdschriften geregeld te kunnen volgen, besloot ik lid te worden van het Leesmuseum op het Rokin. In Groningen bezocht ik steeds het leesmuseum als ik het een of ander moest nazien. Ook in Londen had ik een groot gedeelte van mijn vrijen tijd in het British Museum doorgebracht. Waarom zou ik mij in Amsterdam het genot ontzeggen om, zoo vaak mijn tijd mij zulks veroorloofde, naar hartelust te snuffelen in boeken en tijdschriften die ikzelf niet bezat? Ik toog dus op een goeden dag naar het Leesmuseum om te informeeren welke formaliteiten ik had te vervullen, om als lid te worden ingeschreven. Welk een consternatie wekte die eenvoudige vraag! Men bracht mij aan het verstand, dat ik met een heeren-leesmuseum te doen had. Men deelde mij mede, dat het nog nooit bij een vrouw was opgekomen het lidmaatschap te ambieeren. Men trachtte mij van mijn voornemen af te brengen, door de veronderstelling te opperen dat ik, een vrouw, groote kans liep gedeballoteerd te worden. Mocht dat tegen veler verwachting in niet geschieden, dan, zoo zeide men verder, zouden ongetwijfeld heel wat mannen bedanken, om huiselijke onaangenaamheden te voorkomen. Ik verklaarde het verband tusschen deze beide feiten niet te begrijpen, waarop men mij uitlegde, dat de echtgenooten aan het lidmaatschap van het Leesmuseum een heel andere beteekenis zouden hechten, als zij wisten dat de mannen er kans liepen een vrouw of vrouwen te ontmoeten. Ondanks al deze bezwaren besloot ik mij niet van mijn plan te laten afbrengen. Ik wendde mij dan ook terstond tot eenige der aanwezige leden, zette hun uiteen, dat ik voor mijn verdere ontwikkeling de boeken- en tijdschriften-verzameling die het leesmuseum omvatte, moeilijk kon missen en vroeg ten slotte of zij, dit wetende, bereid waren mij als lid voor te dragen. De heeren voldeden aan dit verzoek, met het gevolg, dat ik ter ballotage werd voorgehangen.

De vrouwen en jonge meisjes, die thans zonder eenige moeite tot het Leesmuseum worden toegelaten, zullen wellicht nauwelijks kunnen gelooven, dat verscheiden Amsterdamsche dames het noodig vonden mij, liefst in ongeteekende brieven, ter dege de les te lezen over het feit, dat ik de brutaliteit had gehad mij als lid te laten voorhangen van een instelling, door mannen en voor mannen opgericht. Twee dames gingen zelfs zoo ver, dat zij mij in mijn eigen woning deswege op onbehoorlijke wijze kwamen de les lezen. Ik heb ook die verontwaardiging kalmpjes langs mijn kant laten gaan en ik was niet eens bijzonder verrast door de mededeeling, dat men mij als lid wilde erkennen. Laat ik er dadelijk bijvoegen, dat niemand mij in het Leesmuseum, waar ik dikwijls mijn vrije uren doorbracht, ooit een stroohalm in den weg heeft gelegd.

Spoedig nadat ik mij gevestigd had, kreeg ik herhaaldelijk collega’s op bezoek. De heeren verklaarden mij met raad en daad te willen bijstaan en ik ben er van overtuigd, dat dit inderdaad oprecht was gemeend. Jammer genoeg kwamen hunne adviezen allerminst met mijne opvattingen overeen en zoo kon het niet anders of de belangstelling der confraters moest verflauwen, naar mate hun bleek dat ik van de mij gegeven wenken niet gediend was. Zeker ware het verstandiger geweest de heeren in den waan te laten, dat ik hunne adviezen ter harte nam, maar dat lag nu eenmaal niet in mijn aard. Hoeveel onaangenaamheden zouden mij toen en later bespaard zijn gebleven, als ik de kunst had verstaan mijn gedachten nu en dan te verbergen....

Wanneer ik nu in alle kalmte overdenk, wat mijn bezoekers mij kwamen vertellen, kan ik mij trouwens levendig voorstellen, dat hunne woorden somwijlen mijn bloed deden koken. „Gij moet U uitsluitend bepalen tot het verleenen van verloskundige hulp” zeiden de medici, die geen obstetrici waren. En men gaf mij de verzekering, dat ik dan op de medewerking van alle Amsterdamsche collega’s kon rekenen. „Blijf vooral een flink stuk beneden het gebruikelijke tarief, dan zien de medici hier ter stede dat gij U niet als hun gelijke beschouwt”, adviseerden anderen. Hoe verwonderd keken zij mij aan, toen ik hen verzekerde dat het wel degelijk in mijn bedoeling lag, mij als arts op voet van gelijkheid met de te Amsterdam gevestigde medici te plaatsen. Toen ik in mijn verontwaardiging verklaarde, dat ik, die met broers was opgevoed, die steeds met jongens op de school- en collegebanken had gezeten, nooit iets van de intellectueele superioriteit der mannen had gemerkt, veranderde hun verbazing zelfs in ergernis.

In dit verband wil ik even vertellen van een niet onvermakelijke ervaring, welke ik in de eerste jaren van mijn loopbaan, juist ten opzichte van de vergoeding van mijn medische diensten, mocht opdoen. Ik had, na langdurige behandeling, de echtgenoote van een Amsterdamsch patriciër kunnen verzekeren, dat zij van een ernstige gynaecologische kwaal, waaraan zij vele jaren had geleden, genezen was. Zooals dat in die jaren toen gebruikelijk was, diende ik bij den aanvang van het nieuwe jaar mijn rekening in. Enkele dagen later kreeg ik den echtgenoot van mijn ex-patiënte op bezoek. Nog zie ik hem de kamer binnenkomen, mijn nota tusschen duim en wijsvinger van de linkerhand geklemd. Nog hoor ik den geïrriteerden toon waarop hij mij verweet, dat ik, een vrouw, hem een rekening had durven sturen even hoog als die van welken mannelijken arts dan ook.

„Hoe komt U op het denkbeeld!” riep hij, één en al verontwaardiging. „U moest toch stellig weten, dat niemand er aan denkt om vrouwenarbeid even hoog te betalen als werk dat door mannen wordt verricht.”

Ik vond het feit dat iemand, die in den Amsterdamschen groothandel een positie van beteekenis bekleedde, mij kwam kapittelen omdat ik het durfde wagen de betaling te vragen, welke mij volgens doctorentarief toekwam, zóó vermakelijk, dat ik niet boos kon worden over den toon, die door mijn bezoeker werd aangeslagen.

„Hebt U dan”, vroeg ik doodkalm, „toen mevrouw Uw echtgenoote inderdaad ernstig ziek was, minderwaardige en daarom goedkoope medische hulp voor haar gezocht? Ik vermoed, dat het U in de eerste plaats om goede hulp te doen was. Ik dacht, dat gij U daarom tot mij, de eenige vrouwelijke doctor in Nederland, hadt gewend.”

„Komt gij”, zoo vroeg ik verder, „U werkelijk in ernst beklagen over een nota, gebaseerd op de tarieven door mijne mannelijke collega’s vastgesteld? Gij moest het veeleer waardeeren dat ik mij daaraan houd, in plaats van mij te beroepen op de bevoorrechte positie vooralsnog de eenige vrouwelijke doctor in het land te zijn en mij daarom duurder te laten betalen dan de overige Amsterdamsche medici.”

Wat mijn bezoeker op deze philippica geantwoord heeft, weet ik niet meer, alleen herinner ik mij dat zijn echtgenoote enkele dagen later de rekening kwam betalen en dat zij daarbij tegelijk haar spijt betuigde over het optreden van haren heer gemaal.

Hoeveel moeilijkheden heb ik in die eerste jaren, toen ik als zelfstandig werkende vrouw mijn beroep uitoefende, moeten overwinnen. Hoe is dat alles in den loop der tijden veranderd! Als ik de huidige toestanden vergelijk met die van veertig jaar her, kan ik mij levendig voorstellen, dat mijn verhalen den jongeren soms als sprookjes in de ooren moeten klinken. En nu denk ik in de eerste plaats aan dingen, op zich zelf niet meer dan kleinigheden, maar die toch, telkens als ik mijn doel bereikt had, een overwinning beteekenden waarvan het succes mij een niet geringe voldoening schonk.

Kunnen de honderden vrouwen die dagelijks de Kalverstraat passeeren, zich nu nog voorstellen dat veertig jaar geleden, die drukke winkelstraat van 12 tot 4 uur ’s middags voor de „fatsoenlijke” dames verboden terrein was? In die uren gingen de heeren naar en van de Beurs en ’t waren alleen prostituées die zich in de omgeving van den Dam vertoonden en in de Kalverstraat flaneerden. Geen vrouw van onverdachte reputatie had in dat tijdsbestek zich in de Kalverstraat durven begeven. Zij wist immers van te voren dat zij zich bloot stelde aan onhebbelijkheden, dat haar gedrag gecritiseerd zou worden, zoo goed aan de bittertafel der heeren als op de naaikransjes van hare seksegenooten. Moet ik nog zeggen, dat ik mij van den aanvang af aan deze usance niet heb gestoord? Dat ik mij het recht voorbehield op elk uur van den dag en zoo noodig ook op elk uur van den nacht, door de Kalverstraat te loopen? Zij die het relaas van mijn leven tot dusver hebben gevolgd, zullen dit een van zelf sprekend iets vinden. Ik deed echter meer. Zoo dikwijls ik daartoe in de gelegenheid was, wekte ik den vrouwen op mijn voorbeeld te volgen. Op die manier toch zouden zij een einde kunnen maken aan den schandelijken toestand, dat midden op den dag en in het hart van de hoofdstad, niets meer of minder dan een publieke vrouwenmarkt werd gehouden. Het was onteerend voor de vrouw, en het bracht voor den man ontegenzeggelijk gevaren met zich. Daarom meende ik, dat alleen reeds uit zedelijkheidsoverwegingen, een zoo groot mogelijk aantal van haar die tot dusver de Kalverstraat in den namiddag hadden gemeden, zich er juist gedurende beurstijd dienden te vertoonen.

Werkende vrouwen en studeerende jonge meisjes, die het nu de gewoonste zaak ter wereld vinden, dat zij zich bij dag of nacht frank en vrij langs ’s heeren straten kunnen bewegen, zullen alweer moeite hebben om ten volle te begrijpen, wat het bij avond en nacht op straat loopen, veertig jaar geleden beteekende. Noch het publiek, noch de politie was daaraan gewend; en zoo kon het gebeuren, dat zelfs de mannen die door de overheid waren aangewezen voor de veiligheid der straat te zorgen, in dezen hun plicht verzaakten.

Elken avond na den eten keerde ik tusschen zeven en acht uur, van de ouderlijke woning naar mijne kamers terug. Een heer die mij herhaalde malen door zijn voortdurend op den voet volgen had gehinderd, ging op een gegeven avond zoo ver, dat hij mij, notabene onder de oogen van een politie-agent, op onhebbelijke wijze beetpakte. Natuurlijk liep ik op den agent toe om mij over deze manier van doen te beklagen. In plaats van mij tegen den aanrander te beschermen, beet de handhaver der openbare orde mij toe: „Blijf ’s avonds thuis, dan zul je op straat geen last hebben.” Hoewel ik ten hoogste verontwaardigd was, liet ik de zaak rusten tot zich betrekkelijk kort daarna een gelegenheid bood haar met andere grieven naar voren te brengen.

Op een avond kwam ik kort na middernacht van een ziekenbezoek thuis. Ik had het rijtuig dat mij naar mijn kamers bracht, reeds weggestuurd, toen ik, bovengekomen, een briefje vond, met het verzoek om nog in elk geval, vóór ik mij te ruste begaf, te komen kijken naar een roodvonk patiëntje, op de Heerengracht bij het Thorbeckeplein.

De telefoon moest in die dagen nog worden uitgevonden. Van een rijtuig bestellen kon dus geen sprake zijn. ’t Kind was trouwens binnen vijf minuten te bereiken. Ik begaf mij daarom te voet naar de woning. ’t Was doodstil op straat. De eenige die ik op mijn weg ontmoette was een politieagent, die mij opvallend monsterde. Toen ik na mijn bezoek aan de zieke huiswaarts keerde, kwam ik dienzelfden agent weer voorbij. De man had waarlijk den brutalen moed handtastelijk te worden, zoodat ik mij tegen hem moest verdedigen, hem mijn naam noemde en hem vertelde dat ik van zijn gedrag melding zou maken. Den volgenden ochtend vroeg ik den hoofdcommissaris van politie te spreken en vertelde hem van de treurige ervaringen met zijn ondergeschikten opgedaan. Hij was mij dankbaar voor mijn mededeelingen. Zeer terecht was hij van oordeel, dat het in de allereerste plaats op den weg der politie lag de openbare wegen veilig te houden voor iedereen, dus ook voor de vrouw. Ik verliet zijn bureau met de verzekering, dat ik mij nooit meer over de Amsterdamsche politie zou hebben te beklagen. En tot op den huidigen dag is die voorspelling waar gebleken.

Bij het terugdenken aan al die dwaze usances uit een tijd die den modernen mensch oneindig ver lijkt, herinner ik mij de zonderlinge gewoonte in den Stadsschouwburg, die wilde, dat de heeren in de stalles, de dames in de loges of op de balcons plaats namen. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, bestonden dienaangaande geen gedrukte of geschreven voorschriften. ’t Was een gewoonte-gebruik, maar dat door de schouwburgbezoekers nimmer werd overtreden.