Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 5

Chapter 53,778 wordsPublic domain

Ook dat was een nieuwtje. In Amsterdam deden de dames in die jaren niet aan schaatsenrijden. Als ik des middags met eenige studenten en een paar zusters of vrouwelijke familieleden van collega’s, die evenals ik uit het noorden kwamen, in het Vondelpark ging schaatsenrijden, stond een breede schare nieuwsgierigen onze evoluties gade te slaan. De bladen maakten er zelfs melding van, met het gevolg dat ook Amsterdamsche vrouwen begonnen schaatsen te rijden.

Langzamerhand raakte ik bekend met eenige families, die op vrije Zondag-middagen hun huis voor mij openstelden en mij daardoor de gelegenheid schonken, in een prettige omgeving de ernstige zware studie af te wisselen met verpoozing, passend bij mijn leeftijd. Ik heb toen van mijn Amsterdamsche kennissen véél vriendschap ondervonden. Nog steeds herinner ik mij gaarne de uren in hunne gastvrije woningen doorgebracht.

Een der redenen waarom ik Amsterdam gekozen had als de plaats waar ik mijn studie zou voltooien, was deze, dat de staatscommissie voor het artsexamen, welke elk jaar opnieuw werd samengesteld en telkens in een andere universiteitsstad bijeen kwam, in 1877 in de hoofdstad zou zetelen en voor een groot gedeelte uit Amsterdamsche hoogleeraren zou bestaan. Ik had mij reeds opgegeven bij een der eerste groepen, die in het voorjaar van 1877 voor deze commissie het eerste deel van het artsexamen zon afleggen. Mijn bedoeling was dan in het najaar nog voor diezelfde commissie het tweede deel te doen. Niet weinig verheugde ik mij, toen ik de oproep ontving om den twaalfden April voor de staatscommissie te verschijnen teneinde met het schriftelijk gedeelte van het examen te beginnen. Angst dat ik niet slagen zou, was mij vreemd. Toch voelde ik mij de laatste dagen vóór het examen alles behalve prettig. Ik weet het aan een innerlijke vrees voor de dingen die mij weldra te wachten stonden. Tusschen het schriftelijk en mondeling gedeelte van het examen verliepen eenige dagen. Ik voelde mij steeds ellendiger, hoewel men mij verzekerd had over het schriftelijke werk tevreden te zijn. Angst kon dus niet de grondoorzaak van mijn zwaarmoedigheid wezen. Eén dag voor het mondelinge examen was mijn toestand van dien aard, dat ik naar één der examinatoren ging om uitstel te vragen.

De goede man lachte mij hartelijk uit en stelde na een oppervlakkig gemaakte diagnose vast, dat mij niets anders scheelde dan examenkoorts. „Ik zou den moed maar niet verliezen”, ried de hoogleeraar, „en morgen op den afgesproken tijd verschijnen”. Ik volgde den raad op, hoewel ik mij nauwelijks in staat voelde op de been te blijven.

De uitslag van het examen liet mij totaal onverschillig. Werktuigelijk nam ik het diploma en de gelukwenschen van hoogleeraren en studenten in ontvangst; machinaal liet ik mij naar het huis van Mevrouw Godefroy brengen, een lieve vriendin die zich voorgesteld had te mijner eer een dinertje te geven. Nauwelijks in haar huis aangekomen voelde ik mij zoo ziek, dat ik naar bed gebracht moest worden en men onmiddellijk een dokter liet komen. Die vond mijn toestand van dien aard, dat hij professor Stokvis wenschte te consulteeren. Ook de hoogleeraar trok een bedenkelijk gedicht. Hij vond het noodig dat er ’s nachts gewaakt werd en zelf zorgde hij voor een diacones uit een der particuliere ziekenhuizen. Den volgenden ochtend luidde de diagnose: waarschijnlijk typhus. Vader kreeg telegrafisch het verzoek dadelijk over te komen. Van vervoer naar een ziekenhuis kon geen sprake meer zijn. Ik moest in de woning van mevrouw Godefroy blijven. Vader kwam zoo spoedig mogelijk en bracht mijn zuster Charlotte mede. Na het huwelijk van mijn broeder Sam was zij naar de ouderlijke woning teruggekeerd om er voor apotheker te studeeren. Het eerste examen had zij reeds afgelegd.

Vier maanden heb ik in de gastvrije woning van mijn vriendin ziek gelegen. Geen moeite was haar te veel om mij een rustige, kalme omgeving te bezorgen. Vier lange maanden heeft Charlotte mij op uitnemende wijze verpleegd en gedurende heel dien langen tijd stond ik onder de medische hoede van niemand minder dan professor Stokvis.

Tot twee keer toe traden darmbloedingen en recidieven in. Herhaaldelijk werden verontrustende telegrammen naar Sappemeer gezonden, berichten die het ergste deden vreezen. Dan legde vader in doodsangst de lange, lange reis naar de hoofdstad af en in het ouderlijke huis bracht moeder wanhopige dagen en nachten door. Vrienden en kennissen stelden het meest mogelijke belang in het verloop der ziekte, en ook kwam eenige keeren per week een jongmensch naar mijn toestand informeeren. Zijn naam wilde hij niet noemen. „De juffrouw kent mij toch niet”, luidde het ontwijkende antwoord.

Pas eenige jaren later vernam ik, dat het C. V. Gerritsen uit Amersfoort was geweest, die zoo getrouw naar mij kwam informeeren.

Half April was ik ziek geworden en pas in Augustus gaf professor Stokvis mij verlof naar Sappemeer te reizen. Uiterst zwak, met een geheel kaal hoofd, kwam ik in mijn geboorteplaats aan, waar ik door het geheele dorp welkom werd geheeten. Al die goede lieden hadden gedeeld in de zorgen mijner ouders en gaven nu op de hartelijkste wijze blijk van hun vreugde over mijn herstel.

Hoewel mijn krachten en mijn haren gaandeweg terugkwamen, mocht ik aan het hervatten der studie voorloopig niet denken. Pas na de wintervacantie keerde ik naar Amsterdam terug, om mij voor te bereiden voor het tweede gedeelte van het artsexamen, dat in Utrecht zou worden afgenomen. Mijn stille hoop dat ik tot een der laatste groepen zou behooren, werd verijdeld. Den vijftienden Maart 1878 ontving ik de mededeeling, dat de staatscommissie mij vijf dagen later te Utrecht wachtte.

Voor het eerst gedurende mijn studie kwam ik op dat examen in persoonlijk contact met een paar hoogleeraren, die van de vrouw als doctor niets moesten hebben en die dat zeer onomwonden lieten blijken. Meer dan onheusch was de behandeling die mij van deze heeren ten deel viel; en alleen het feit, dat een paar andere Utrechtsche professoren, dat ook mijn goede leermeesters uit Amsterdam mij tegen deze uitlatingen en het optreden van die beide examinatoren in bescherming namen, was het te danken dat ik mij niet tijdens het examen teruggetrokken heb.

Innig gelukkig gevoelde ik mij, toen ik den derden April 1878 het arts-diploma in ontvangst mocht nemen.

Nu was het uit met examen doen. Wel moest ik nog promoveeren om den graad van medicinae doctor te behalen, maar dat was toch iets anders; en van niet slagen kon daarbij feitelijk geen sprake zijn.

Onnoodig te zeggen dat in het ouderlijke huis groote vreugde heerschte. Vader voelde zich zoo gelukkig, dat hij naar de pen greep en voor ’t eerst in zijn leven zich aan het maken van een vers „bezondigde”. Als een heilig document heb ik steeds de dichtregels bewaard, die hij mij bij mijn thuiskomst overhandigde en die als volgt luidden:

AAN MIJNE DOCHTER ALETTA HENRIËTTE JACOBS na haar afgelegd Staats-examen als Arts, 3 April 1878.

Niet tot het dag’lijksch, huislijk leven Voeldet g’U geroepen of verplicht, Uw geest was op een hooger streven, Uw oog op edeler doel gericht.

Aan aller heil U toe te wijden, Scheen U een lot benijdenswaard, Hiervoor te leven, werken, strijden, Dit scheen uw levensdoel op aard.

’k Heb aan dien zucht gehoor gegeven, U tot de studie opgeleid, Was U behulpzaam in Uw streven En in ’t verwinnen van dien strijd.

Nu gij Uw studie hebt volbracht, Den doctorstitel hebt verkregen, Hebt gij door ijver, moed en kracht Den hoogsten trap als vrouw bestegen.

Treedt op nu als redster van vrouw en van wicht Door ziekte ter neder gebogen. Aanvaardt Uw beroep als een heilige plicht, Met de ernst dezer taak voor oogen.

Toen ik naar het ouderlijke huis terugging, lag het in mijn bedoeling mij in Groningen voor te bereiden voor mijn promotie tot doctor in de medicijnen. Het schrijven van een academisch proefschrift was daaraan verbonden. Gebrek aan materiaal en aan de noodige leiding waren oorzaak, dat ik, hoewel ik het gaarne anders had gezien, in dat proefschrift geen onderwerp kon behandelen waarvan mocht worden aangenomen, dat het later een der onderdeelen van mijn arbeidsveld zou vormen. Mede omdat professor Kooyker er bijzonder veel prijs op stelde mijn promotor te zijn, besloot ik te promoveeren op een proefschrift handelend „Over localisatie van physiologische en pathologische verschijnselen in de groote hersenen”.

Door de lectuur over dit onderwerp heb ik mij thuis heengeworsteld. Trouwens ook een groot gedeelte van den schriftelijken arbeid werd te Sappemeer verricht. Alles marcheerde uitstekend, toen op een mooien, zonnigen Augustusmiddag van ’t jaar 1878, vader plotseling overvallen werd door een attaque van apoplexie, en als gevolg een halfzijdige verlamming, die later gelukkig voor het grootste gedeelte is genezen, en blindheid op één oog.

Dat het ongeval in den huize Jacobs groote consternatie veroorzaakte, behoeft geen betoog. Wij allen hadden vader als mensch nog zoo hoog noodig. Bovendien was hij de kostwinner van het groote gezin en tevens de medicus van een uitgebreide schare zieken. Dat ik zoolang dit noodig was de praktijk voor hem zou waarnemen, beschouwde ik als van zelf sprekend. Laat ik er dadelijk bijvoegen, dat de boeren en boerinnen uit den omtrek van Sappemeer die opvatting bleken te deelen. Overal werd ik met ontzag ontvangen. Mijn overwicht op de patiënten en hunne omgeving was van dien aard, dat ik bij voorkomende gevallen streng en handelend kon optreden, hetgeen nog al eens noodig bleek. Zoo herinner ik mij, dat ik op een Zondagochtend heel vroeg nog, werd geroepen bij een vrouw die haar eerste kindje verwachtte. De boerenhoeve waar zij woonde, lag op een paar uur afstands van het eigenlijke dorp. Met een open kar kwam de boer mij halen en terwijl wij langs den landweg hobbelden, vertelde hij mij dat zijn vrouw eigenlijk al sedert twee dagen barensweeën had. Buurvrouw had een handje geholpen, maar sedert den vorigen dag hing er iets uit het lichaam, en daar wist buurvrouw geen raad mee. Ze had getrokken en getrokken, zonder dat het iets verder kwam. Ik begreep dat het een zeer gecompliceerde bevalling zou worden en ik was vader dankbaar voor zijn raad om toch vooral de instrumentenkist mede te nemen.

Al pratend bereikten wij onze bestemming en vielen om zoo te zeggen, met de deur in de kamer, waar de kraamvrouw in een ouderwetsche hooge bedstede lag. ’t Was in ’t vertrek om te stikken. Geen wonder; rookende mannen en brandewijn drinkende vrouwen hadden er twee dagen en nachten achtereen vertoefd, zonder dat aan luchten was gedacht. Hier moest ik met gezag optreden. Belangstellende familieleden zoo goed als nieuwsgierige vrienden en buurtgenooten werden weggestuurd. De brandewijnpot liet ik naar den kelder verhuizen en toen gooide ik, tot groote schrik van de enkelen die achtergebleven waren om mij te helpen, de ramen wijd open. Op de ontruimde tafel liet ik een bed spreiden en daarop legden wij de uitgeputte kraamvrouw. De bedstede was te hoog voor mij om haar te kunnen helpen. Nauwelijks kreeg ik de vrouw onder de oogen of ik zag tot mijn niet geringe ontsteltenis, dat er een sterk gezwollen armpje uit haar lichaam hing. Nu kreeg ik het met buurvrouw-vroedvrouw te kwaad, toen zij zag dat ik pogingen deed het uitgezakte armpje weder in het lichaam terug te brengen. Zij, als oude vrouw en vrouw van ondervinding, meende mij, beginneling, daarin te moeten verhinderen. Ik verzocht den echtgenoot haar te willen verwijderen. In groote verontwaardiging droop ze af, na herhaaldelijk te hebben verzekerd dat het niet háár schuld zou zijn, als de zaak verkeerd ging. Eerst tegen den avond mocht ik de partus tot een einde brengen. Het kind was dood, maar ik smaakte de voldoening althans de vrouw gered te hebben.

Ook het volgende geval typeert de medische praktijk, waarin ik zoo onverwacht verzeilde.

Op een avond werd ik naar een buiten het dorp gelegen herberg geroepen, omdat er een man lag, wien een ongeluk was overkomen. Ik spoedde mij er aanstonds heen. In de gelagkamer belette de zware rook mij de daar aanwezige personen te onderscheiden. Weer was het mijn eerste werk de vensters te laten openzetten, waarna ik al degenen die niet bij het geval betrokken waren, verzocht de kamer te verlaten. Op den grond lag een bebloede man in bewusteloozen toestand. Uit de verhalen bleek, dat hij, stomdronken, op een leegen wagen naar het dorp was gereden. In de buurt van de herberg gekomen, was hij van den bok gevallen en door den wagen eenige tientallen meters meegesleurd. Het onderzoek toonde aan dat er niets was gebroken. Ik moest een paar hechtingen maken, reinigde en verbond wat verwondingen, waarna de nog altijd bewustelooze man op zijn eigen wagen, door eenige boeren naar huis werd gebracht.

Uit een medisch oogpunt bezien had het geval niets te beteekenen. Mijn zelfvertrouwen werd echter niet weinig verhoogd door de ervaring, dat zoowel de min of meer onder den invloed van sterken drank verkeerende bezoekers van den herberg, als de nieuwsgierigen buiten, zich zonder een spoor van verzet aan mijn orders hadden onderworpen.

Het spreekt van zelf, dat mij tijdens vader’s ziekte den tijd ontbrak om aan mijn dissertatie te werken. En, vroeg ik mij zelf af, wat had het eigenlijk voor doel nog te promoveeren? Voor de dorpspraktijk kon ik met den titel van arts volstaan. In dien geest schreef ik ook professor Stokvis en aan de vrienden te Amsterdam. Ik voegde er bij, dat ik mij na de typhus als uitgeziekt voelde en mij lichamelijk sterk genoeg achtte de medische praktijk op het platteland uit te oefenen. De vrienden wilden daarvan echter niets weten. Een plattelandspraktijk mocht niet het resultaat van mijn studie zijn. Ik moest den doctorstitel halen en mij dan in de hoofdstad vestigen. Professor Stokvis had hierop nog een amendement. „Promoveeren en dan een tijdlang naar het buitenland om een beetje wereld wijsheid op te doen”, luidde zijn advies.

Ik vond al die raadgevingen prachtig, ik was van de goede bedoelingen mijner vrienden overtuigd, maar ik wist ook dat het geld om die adviezen op te volgen ten eenen male ontbrak.

Onverwacht werd echter in die leemte voorzien. Op een goeden dag verzocht een patiënt van professor Stokvis, tuberculoselijder in den ergsten graad, mij hem te komen opzoeken. Bij mijn bezoek overhandigde hij mij duizend gulden, welk bedrag ik moest gebruiken voor een buitenlandsche reis, na mijn promotie te ondernemen.

Intusschen had men ook met vader gesproken, met het resultaat dat ik de praktijk in Sappemeer liet varen en weer ijverig voor mijn dissertatie ging zorgen.

Den achtsten Maart 1879 promoveerde ik in tegenwoordigheid van een talrijk publiek.

De Groninger Courant van 10 Maart 1879 schreef over de plechtigheid:

„Zaterdag j.l. had aan de rijks-universiteit alhier eene promotie plaats, die in de annalen van die stichting, als nieuw en tot dusver eenig, eene bijzondere plaats zal beslaan. Op dien dag toch werd mejuffrouw Aletta Henriëtte Jacobs, van Sappemeer, die in het vorige jaar reeds het staatsexamen als arts had afgelegd, bevorderd tot medicinae doctor, na verdediging van een akademisch proefschrift over lokalisatie van physiologische en pathologische verschijnselen in de groote hersenen. Dit proefschrift, opgeluisterd met twee platen, is opgedragen aan H. K. H. de douairière prinses Hendrik der Nederlanden. Voordat de promotor, de hooggel. heer dr. Kooijker, tot de promotie zelve overging, hield wegens absentie buiten de stad van den rector magnificus, den hoogleeraar prof. mr. van der Wijck, de prorector prof. van Bell eene toespraak, waarin Z.H.Gel. wees op het feit, dat de eerste vrouw in Nederland, die den akademischen doctorstitel zich verwierf, dit deed aan de Groningsche universiteit, en dat de geestkracht van dezen eersten doctor feminini generis, tot spoorslag moge strekken voor de aanstaande doctoren masculini generis! Onnoodig te zeggen, dat een grooter publiek van heeren en ook dames bij de plechtigheid tegenwoordig was dan de zaal kon bevatten.”

Onder degenen, die mij na afloop de hand kwamen drukken, bevond zich ook de Commissaris des Konings in de provincie Groningen, Mr. L. Graaf van Heiden Reinestein. Hij vertelde mij dat Minister Thorbecke hem bij den aanvang van mijn studie verzocht had, een oog in ’t zeil te houden en hem nu en dan te willen berichten, niet alleen omtrent mijn aanleg en vorderingen, maar ook omtrent mijn particulier leven. Na Thorbecke’s dood was de Commissaris zich van de hem opgelegde taak blijven kwijten. „Ik heb U niet uit het oog verloren”, verklaarde hij, „en het is mij een vreugde U thans te kunnen complimenteeren over de wijze waarop gij uw vaak lastige taak hebt opgevat en doorgezet.”

De liberale bladen uit die dagen hebben de bijzonderheden over mijne promotie en alles wat daarmede verband hield, in den breede medegedeeld en er uitvoerige beschouwingen aan vastgeknoopt.

Reeds eenigen tijd vóór mijn promotie had ik Londen als doel voor mijn studiereis gekozen. Ik gaf aan de Engelsche hoofdstad de voorkeur boven Weenen en Parijs, omdat ik door middel van de Britsche vrouwenbladen een en ander had vernomen van de moeilijkheden, welke professoren, doctoren en studenten de Engelsche vrouwen die zich aan de medische studie wilden wijden, in den weg hadden gelegd. In Weenen en Parijs, dat wist ik uit de kranten, studeerden in hoofdzaak Russische en Amerikaansche vrouwen.

Mijn ouders konden zich met dat Londensche plan allerminst vereenigen. Zij die nooit de zee gezien hadden, vreesden van de reis het allerergste, en bovendien boezemde het hun angst in, dat hun dochter zich zou bewegen in een wereldstad, hen zelf volkomen vreemd. Van alles en nog wat werd geprobeerd om mij van besluit te doen veranderen. Ik bleef echter op mijn stuk staan en liet mij het eenmaal ontworpen plan niet uit het hoofd praten.

Professor Stokvis was zoo vriendelijk, zich met mevrouw Rennefeld, de weduwe van den directeur van de Amsterdamsche tooneelschool, in verbinding te stellen en haar te verzoeken voor mij naar een kamer te willen uitzien. Ook gaf hij mij introducties mede voor eenige te Londen gevestigde professoren.

Intusschen hadden de bladen het bericht gepubliceerd, dat ik naar de Engelsche hoofdstad zou vertrekken. De heer C. V. Gerritsen las het en schreef mij terstond of hij mij met eenige introducties voor zijne Londensche vrienden van dienst kon zijn. Ik ontving den brief een dag vóór mijn vertrek en daar mevrouw Rennefeld intusschen bij een in haar nabijheid wonende weduwe een kamer voor mij had gehuurd, zond ik den onbekenden vriend het adres van mijn Londensch home, met het verzoek daarheen de aanbevelingsbrieven te willen sturen.

Alvorens de zeereis te aanvaarden, bleef ik eenige dagen in Amsterdam om er bezoeken af te leggen, maar ook om er een woning voor mijne ouders te huren. Vader zou namelijk huis en praktijk te Sappemeer verkoopen en zich in het voorjaar met de zijnen in de hoofdstad vestigen. Om meer dan één reden achtten wij dit wenschelijk. De apoplektische aanvallen hadden zich nu en dan, zij het ook in zeer lichten graad, herhaald, zoodat van hervatten der praktijk geen sprake meer kon zijn. Charlotte moest zich op het laatste examen voor apotheker voorbereiden, hetgeen uit den aard der zaak in Amsterdam beter dan ergens anders kon geschieden. Mijn jongere broer Eduard, later burgemeester van Lonneker en vervolgens van Almelo, was toen nog officier der infanterie te Amsterdam. Ik zou mij na mijn terugkeer uit Londen eveneens in de hoofdstad vestigen, en mijn jongste zuster Frederique, die na haar welgeslaagd middelbaar examen wiskunde en boekhouden, als leerares aan de Haagsche meisjes H.B.S. was geplaatst, zou als vader en moeder naar Amsterdam verhuisden, elke week eenige dagen kunnen overkomen. De andere kinderen, met uitzondering van Emma die altijd thuis is gebleven, hadden hunne bestemming reeds bereikt en waren voor het grootste gedeelte gehuwd.

In die dagen was het gemakkelijk een geschikte woning te vinden en zoo kon ik den veertienden Maart 1879 met een gerust hart naar Londen vertrekken.

Vrienden deden mij uitgeleide tot Rotterdam en zorgden er voor, dat ik in de opgewektste stemming de reis aanvaardde. Alles liep mee, ik kreeg te Vlissingen een prachtige hut voor mij alleen, en zonder dat ik dien nacht veel van de zeereis had gemerkt, kon ik den volgenden ochtend, voor ’t eerst van mijn leven, den voet zetten op onvaderlandschen bodem.

III

MIJN VERBLIJF TE LONDEN

De aankomst.—Nieuwe vrienden.—Studie en ontspanning.—Ik ga naar Nederland terug.—Het medisch congres te Amsterdam.—Gevestigd in de hoofdstad.

Te Sappemeer had men mij vreeselijke verhalen opgedischt van Londensche koetsiers, die jonge meisjes naar verkeerde adressen in afgelegen straten brachten. Hoewel die vertelsels weinig indruk op mij maakten, had ik voor alle zekerheid, de plattegrond der Britsche hoofdstad nauwkeurig bestudeerd. Ik wist bij aankomst in Londen vrij goed welken weg ik moest nemen om de woning te bereiken, waar mevrouw Rennefeld kamers voor mij had gehuurd. Intusschen bleek de koetsier, die ik luk raak had uitgepikt, geen booze plannen te mijnen opzichte te koesteren. Hij reed mij langs den kortsten weg naar het opgegeven adres, en nauwelijks was ik daar aangekomen, of mevrouw Rennefeld bracht mij haar welkomstgroet. Zij hielp mij bij het uitpakken, en toen met behulp van hetgeen ik uit Holland had meegebracht, mijn kamers een gezellig, huiselijk aanzien hadden gekregen, moest ik mede naar hare familie, bij wie zij inwoonde. Allerhartelijkst werd ik daar in den huiselijken kring ontvangen. Het verdere gedeelte van den dag moest ik daar doorbrengen. Al dadelijk dien eersten dag had ik het voorrecht bij mijn nieuwe kennissen den wereldberoemden schilder Alma Tadema te ontmoeten. Merkwaardig gauw voelde ik mij in de nieuwe omgeving thuis, en toen ik aan den avond van dien eersten dag mijn kamers weer betrad, had ik het gevoel alsof ik er reeds ik weet niet hoe lang woonde.

Den volgenden ochtend wachtte mij alweer een prettige verrassing. Ik zat nog aan het ontbijt, toen twee jonge dames haar opwachting kwamen maken. Zij introduceerden zich als medische studenten, kennissen van den heer Gerritsen uit Amersfoort, die hun, door middel van een uitvoerig telegram, verzocht had mij zooveel mogelijk van dienst te willen zijn. En nu kwamen zij maar dadelijk haar hulp aanbieden. Het ijs was spoedig tusschen ons gebroken. Reeds enkele uren later toog ik met mijn nieuwe vriendinnen naar de medische school voor vrouwen in Henriette Street, waar zij mij voorstelden aan vele mannelijke hoogleeraren en aan nog meer vrouwelijke studenten. Van verschillende kanten werd ik al dadelijk bij dit eerste bezoek, uitgenoodigd om de lessen aan de school te komen volgen. Van Henriette Street voerde onze weg naar Dr. Drysdale, de man die hoewel ik in Londen betrekkelijk weinig met hem in aanraking kwam, mijn later leven sterk heeft beïnvloed. Door Dr. Drysdale kreeg ik contact met Annie Besant, die toentertijd in samenwerking met Charles Bradlaugh, zoowel in woord als in geschrift, propaganda maakte voor de vrije gedachte. Ook Bradlaugh en zijn dochters mocht ik ontmoeten.