Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 4

Chapter 43,863 wordsPublic domain

Een Amersfoortsche familie te Groningen gevestigd, kon het mysterie ontsluieren. De brief was door een man geschreven. Mijn zegslieden schilderden den auteur als iemand van een jaar of twee en twintig, die zijn ouders veel verdriet deed. En toen ik wenschte te weten waarin zijn tekortkomingen dan wel bestonden, vertelden zij, dat deze zoon uit geloovigen huize, weigerde ter kerk te gaan, dat Multatuli bij hem had gelogeerd en hij zich openlijk met Douwes Dekker had vertoond! Ook was van zijn hand een brochure voor de arbeiders verschenen. Het geschrift. waarin, volgens mijn zegslieden, de ontevredenheid bij het volk werd opgewekt, had C. V. Gerritsen aan de belanghebbenden gratis verstrekt.

Hoewel vader al die dingen niet slecht kon vinden, ried hij mij aan, uit tactische overwegingen niet voor den ontvangen gelukwensch te bedanken, een opvatting waarmede ik mij allerminst vereenigen kon. Wat viel er aan te merken op een jongmensch dat consequent zijn meening handhaafde? Als hij niet geloovig was, handelde hij juist door uit de kerk te blijven. Dan mocht hij niet huichelen terwille van zijne ouders. Multatuli vereerden met hem tal van hoogstaande personen in den lande en al had ik zelf de boeken van Multatuli niet gelezen, ik kende vele, in mijn oogen volkomen tot oordeelen bevoegde jongemannen, die dweepten met wat Douwes Dekker had geschreven. En wat de arbeiders betreft, had vader zelf niet dikwijls genoeg verklaard: „hun lot zal nimmer duurzaam verbeteren, als zij niet eerst flink ontevreden met hun toestand worden?”

Dit alles overwegende, besloot ik, in strijd met vader’s raad, het briefje te beantwoorden. Hoe weinig kon ik toen vermoeden, dat mijn antwoord de kiem zou vormen van onze latere innige vriendschap.

Als ik terugdenk aan het verleden, wil het mij voorkomen, dat de periode waarin ik mij voorbereidde op het candidaatsexamen in de medicijnen, de moeilijkste en onaangenaamste van mijn leven is geweest. Ik voelde mij vaak onbevredigd en dacht dan, dat ik toch verstandiger had gedaan met moeder’s raad te volgen en mij, als andere jonge meisjes, in het huishouden te bekwamen. Toch werd de studie mij niet zwaar en huishoudelijke bezigheden waren voor mij alles behalve attracties. De oorzaak van mijn stemming had een anderen, een dieperen ondergrond.

Vlak tegenover de ouderlijke woning, aan gene zijde van het Winschoterdiep, lag een scheepstimmerwerf en op het erf daarvan stonden een paar arbeiderswoningen. In een van die huisjes woonde een jong paar met een kindje van een jaar ongeveer. Het raam van de studeerkamer keek op die arbeiderswoningen uit. Als ik bij het verwerken van de droge anatomische lessen, mijn oogen naar het venster liet dwalen, zag ik in den namiddag de moeder met haar kindje op den arm, de komst van vader wachten. Als die dan naderde, zette de jonge vrouw het kleintje op den grond, dat schommelend den arbeider tegemoet ging. Hij tilde de kraaiende, lachende baby op zijn schouder en innig gelukkig ging het ouderpaar dan huiswaarts. Zoo’n kindje te bezitten, het ergens op een eenzaam plekje groot te brengen, leek mij dan op dat oogenblik het hoogste geluk. Maar sedert ik was gaan studeeren, had ik zóó dikwijls moeten hooren, had ik zoo vaak gedrukt gezien wat mijn voorbeeld voor andere vrouwen beteekende, dat ik volkomen begreep den eenmaal ingeslagen weg tot het einde toe te moeten volgen.

Dat ik in dien tijd lichamelijk verkeerde in den overgangstoestand van kind tot vrouw, dat sexueele gevoelens bij mij begonnen te ontwaken, heb ik veel later pas begrepen. En toen ook werd ik mij bewust, dat die gevoelens wel een sterken wensch naar het moederschap hadden doen ontstaan, maar dat ik daarbij aan een man, als vader van het verlangde kindje, nooit had gedacht. Veel later pas heb ik begrepen, dat door die ontwakende gevoelens, veel meisjes in den overgangsleeftijd er toe komen haar vroeger begonnen studie te staken. Zij weten niet dat het zich onbevredigd voelen in geenerlei opzicht met de studie in verband staat. Meisjes die een andere richting volgen verkeeren in precies dezelfde omstandigheid, want bijna elke normale vrouw voelt op een bepaalden tijd den drang naar het moederschap ontwaken. Dat aan dien drang niet kan worden voldaan, veroorzaakt een onbevredigd zijn, dat in een goed geordende maatschappij niet behoeft voor te komen. Onze immoreele opvatting van het sexueele leven is helaas oorzaak dat een, in de oogen der groote massa eervol moederschap, alleen in echtvereeniging kan worden verkregen.

De studie der anatomie, vooral het eerste gedeelte dat de beenderen en spieren omvat, vond ik meer dan vervelend. Ik begreep dat ik mij er doorheen moest worstelen en deed het dan ook maar liefst zoo vlug mogelijk. De studie der circulatie-organen boeide mij iets meer en de hersenanatomie had mijn volkomen belangstelling. Ik wou er zelfs graag meer van weten dan voor het candidaatsexamen werd gevraagd. De kennis der fijnere hersenanatomie was in die jaren echter nog zoo beperkt, dat heel wat vragen die bij mij opkwamen niet beantwoord konden worden.

De verschrikkingen van de eerste snijkamerles zijn mij altijd bijgebleven. Het onbekende lijk werd in mijn verbeelding een levend lichaam. Daarin te snijden leek mij een moord. En toen mij van dat lijk een arm werd gegeven om te prepareeren, had ik al mijn wilskracht noodig om aan den arbeid te gaan, zonder van mijn gevoelens iets te laten merken. Het doode lichaam en de bloedige arm hebben mij dagen en nachten achtereen niet met rust gelaten. Geruimen tijd was het mij onmogelijk vleesch te eten, en waar ik kwam vervolgde mij de ellendige lijkenlucht. De eenige troost was, dat geen van mijn collega’s iets aan mij kon merken. De studenten, die toch minstens een flauwte hadden verwacht, moesten erkennen dat ik manmoedig de snijkamer-onthullingen had getrotseerd.

In tegenstelling met anatomie, die nooit een van mijn lievelingsvakken is geworden, oefenden de colleges in de physiologie een groote aantrekkingskracht op mij uit. Gaarne had ik, ook na mijn candidaats-examen, de studie in deze wetenschap voortgezet. Zij liet zich echter moeilijk met mijn toekomstplannen verbinden, en bovendien kon ik mij met de proeven op levende dieren zeer slecht vereenigen. Nooit kon ik er bij voorbeeld toe komen om een levenden kikvorsch den kop af te knippen. Hoe dankbaar was ik den vriendelijke assistent Plugge, als hij ongemerkt dat deel van de taak voor mij verrichtte, wanneer de praktische oefeningen dit eischten.

Den drie en twintigsten April 1874, dus nog binnen den daarvoor gestelden termijn van twee jaar, legde ik mijn candidaats-examen in de geneeskunde af, en wederom mocht ik daarbij het predicaat „non sine laude” verwerven.

Intusschen werd het meer dan tijd dat ik wat rust ging nemen. Prompt om de drie dagen kwam een koortsaanval, hetgeen uit den aard der zaak mijn gestel terdege had ondermijnd. „Verandering van lucht en algeheele vacantie”, luidde het consigne. Met de stellige belofte tot September niets meer te zullen uitvoeren, toog ik naar Lochem, waar broeder Julius zich enkele jaren te voren (eind 1871) als medicus had gevestigd. In de hoop dat ik mij vroeger dan verwacht werd weer gezond en flink zou voelen, had ik de boeken die na de groote vacantie gebruikt moesten worden, toch maar in den koffer gepakt.

De feiten stelden mij in ’t gelijk. Na drie maanden bleven de koortsaanvallen, die gaandeweg verminderd waren, geheel achterwege en dank zij de Geldersche lucht voelde ik mij aanmerkelijk gezonder en sterker dan toen ik te Lochem aankwam. De studieboeken werden af en toe te voorschijn gehaald. Julius gaf wat leiding aan mijn werk en zoo was ik, toen in September de colleges weer begonnen, reeds eenigszins voorbereid op hetgeen mij wachtte.

Bij het hervatten van mijn werk, kwam ik mij te Groningen vestigen. Een achterkamertje boven een timmermanswerkplaats in de Turftorenstraat werd mijn domicilie. En nu begon dan eigenlijk pas dat deel van de medische studie, waartoe ik mij het meest voelde aangetrokken, de lessen aan het ziekbed. Eerlijk gezegd was mijn belangstelling voor de zieke meestal even groot als die voor de ziekte. Speciaal de levensomstandigheden der vrouwelijke patiënten hadden mijn volle aandacht.

Het is mogelijk, dat de sterk feministische en democratische gevoelens, waarvan ik later blijk zou geven, toen reeds in mij sluimerden. Ik kan mij echter ook zeer goed voorstellen dat zij toentertijd zijn ontstaan, omdat ik volop gelegenheid had te constateeren hoe zwaar en moeilijk het leven van de vrouw uit de volksklasse was, en hoe bitter weinig er van overheidswege of door philanthropen werd gedaan voor gezinnen waar de vrouw en moeder door ziekte ontbrak.

Wat mij betreft. ik deed zooveel mogelijk mijn best de zorgen der gasthuispatiënten te verlichten, door mij met hare gezinnen in verbinding te stellen en deze, indien noodig, daadwerkelijk ter zijde te staan. Zoo leerde ik aan het ziekbed, behalve ziekten, heel wat maatschappelijke toestanden kennen, welke mij tot dusver volkomen vreemd waren gebleven. Ik kwam op de hoogte van wanverhoudingen tusschen de echtgenooten, voortspruitend uit onze absurde huwelijkswetten. Ik kreeg een inzicht in de sociale misstanden, welke oorzaak zijn dat tal van gezinnen, hoewel de factoren om tot grooteren bloei te geraken aanwezig zijn, zich nimmer boven een bepaald milieu kunnen verheffen. Ik leerde de gevolgen van kinderverwaarloozing kennen en begon te beseffen, waarom zooveel jongens en meisjes met aanleg voor iets beters, hun leven lang paupers moesten blijven. En daarnaast drongen zich wantoestanden aan mij op, waarvan ik toen de groote beteekenis nog niet ten volle kon omvatten, maar die mij toch zoo bezig hielden, dat ik op later leeftijd niet anders kon dan mij er geheel van op de hoogte te stellen.

Een flauw begrip van wat in onze maatschappij de prostitutie beteekent, kreeg ik door een acht en twintigjarige patiënte, die in een vergevorderd stadium van tabes dorsalis in het ziekenhuis werd opgenomen. Op het papier dat boven het bed de bijzonderheden der patiënten vermeldde, las ik als beroep het woord „meretrix”, dat ik te voren nooit gehoord had. Door de vertaling „publieke vrouw” die mij de dictionnaire leerde, niet wijzer geworden, vroeg ik mijn ouden vriend dr. Ali Cohen om nadere inlichtingen. En hij, die steeds mijn weetgeerigheid bevredigde, gaf dit keer slechts een ontwijkend antwoord, met den raad mij niet met die vrouw te bemoeien. Ik weet niet of ik aanvankelijk het advies heb opgevolgd, maar wel herinner ik mij, dat medelijden met het mooie bleeke meisje, waarvan niemand eenige notitie nam, dat nooit bezoek ontving, mij er toe dreef haar een paar bloemen te brengen. Naarmate ik mijn bezoeken aan haar bed herhaalde, werd het wantrouwen waarmede zij mij eerst had ontvangen, minder. En toen haar ten slotte wel duidelijk bleek, dat ik inderdaad belangstelling voor haar had, vertelde zij mij gaandeweg haar levenshistorie, die naar de ervaring mij later leerde, dezelfde was als die van zooveel andere prostituées. Negentien jaar oud, was het Amsterdamsche weeskind verleid door een heer. Geen uitkomst wetende, kwam zij van kwaad tot erger, haar lot voerde van bordeel tot bordeel, en ten slotte in het ziekenhuis dat zij, als de voor haar veilige en rustige haven, niet meer levend zou verlaten.

Mijn bezoeken aan dat ziekbed waren niet onopgemerkt gebleven en op een goeden dag ried de medicus-assistent mij op uiterst kiesche wijze, er een einde aan te maken, omdat mijn relaties met een dergelijke patiënte ontstemming wekten en aanleiding gaven tot achterklap. Als antwoord op zijn mededeeling vertelde ik hem het een en ander uit het leven dier vrouw en ik gaf daarbij de verzekering, dat niets mij zou weerhouden haar laatste levensdagen een beetje te verlichten. Mijn woorden maakten indruk. De assistent beloofde niet alleen mij te zullen helpen, maar hij verklaarde zich ook terstond bereid de studenten van mijn opvatting op de hoogte te brengen.

Mijn ongelukkige beschermelinge werd betrekkelijk spoedig daarna uit haar lijden verlost.

Een andere, destijds nog in ons land heerschende wantoestand. werd op ruwere wijze onder mijn aandacht gebracht.

Op zekeren dag verzocht een der hoogleeraren mij, met hem en zijn assistent naar een bijlokaal van het ziekenhuis te gaan, waar negen armoedig gekleede vrouwen onze komst bleken te verbeiden. Op ruwen toon werd haar gelast, zich een voor een te ontblooten en op een houten tafel te gaan liggen. Zonder dat ze ook maar met een vinger werden aangeraakt, bekeken de beide mannen hunne „objecten”. Een kort overleg volgde, waarna zeven vrouwen konden vertrekken en de andere twee aanzegging kregen zich naar het hospitaal te begeven. De zeven vrouwen verdwenen onder geleide van een brutaal uitzienden kerel, door wien zij werden opgewacht. De cynische behandeling welke men dit negental ten deel liet vallen—het onderzoek had in totaal nog geen twintig minuten geduurd—, de zonderlinge wijze waarop het zevental werd weggeleid, brachten mijn gemoed in opstand. Ik wenschte te weten wat dat alles beteekende. waarom die arme vrouwen aldus behandeld, waarom twee van haar achtergehouden werden en wat nu met die andere vrouwen zou gebeuren. De hoogleeraar, mijn ontsteltenis ziende, bood mij zijn verontschuldiging aan omdat hij mij bij dit onderzoek tegenwoordig had doen zijn. Omdat ik zoo dikwijls met de prostituée op de ziekenzaal had gesproken, veronderstelde hij dat ik volledig op de hoogte was van waar het hier om ging. En, zoo was zijn overweging, het kon mij misschien in mijn later leven te pas komen, dat ik iets van de reglementeering der prostitutie afwist.

Dat is inderdaad het geval geweest. Toen ik in later jaren den in ons land zoo glorierijk gevoerden strijd tegen de reglementeering der prostitutie en tegen de bordeelen leerde kennen, kon ik die van ganscher harte meevoeren. Die ééne middag in Groningen had mij immers voldoende bewezen, dat de reglementeering niet de minste waarborg biedt tegen besmetting, dat degene die zich het onderzoek moet laten welgevallen daardoor even diep vernederd wordt als hij die het leidt, en dat een beschaafd land, zoomin bordeelen als een slavenmarkt moest dulden.

Zoo zou ik mij dan, wijzer wordende op medisch en maatschappelijk gebied beide, ongestoord op het doctoraal examen hebben voorbereid, als niet in het vroege voorjaar van 1876 de malaria met hare dikwijls bijkomstige verschijnselen, teruggekeerd was. Ik voelde mij mat en loom en werd aanhoudend door een drogen hoest gekweld. Een van mijn hoogleeraren, verontrust door al die verschijnselen, liet mij bij zich komen voor een nauwkeurig onderzoek. Ik werd gepercussiëerd, geausculteerd, héél lang en héél secuur. Toen volgde de ernstige raad om mijn studie te staken. Mocht ik al voor de nog wachtende examens slagen, mijn krachten zouden niet toereikend zijn om later de medische praktijk uit te oefenen. En was het dan maar niet verstandiger om voor mijn gezondheid en mijn genoegen te gaan leven?

’t Was nog al duidelijk dat de professor een long-tuberculose had gediagnosticeerd, zooals hij trouwens ook mijn vader schreef. In die dagen hechtte men nog geen geloof aan de herstelmogelijkheid van die kwaal, ook al verkeerde zij nog in het allereerste stadium. Diep onder den indruk van professor’s woorden, ging ik naar mijn kamer, pakte er mijn bezittingen bijeen en vertrok naar Sappemeer om mijn ouders van alles op de hoogte te brengen.

Geheel ter neergeslagen kwam ik thuis. Ik had mijn krachten overschat en meer willen doen dan waartoe ik in staat bleek. Toen ik dien avond naar bed ging, was mijn besluit genomen. Wat baatte het, een leven te rekken dat doelloos zou zijn?

In ’t holst van den nacht, ’t zal omstreeks twee uur geweest zijn, sloop ik naar vader’s apotheek, waar ik de sleutel van het vergiftkastje wist te vinden. Nauwelijks had ik die echter in de hand of de deur ging open. Nog geheel gekleed stond vader voor mij. Volkomen kalm klonk zijn stem, toen hij zeide: „Dat had ik wel verwacht, maar laten wij nu eerst eens samen praten”. En toen vertelde hij van gevallen uit zijn eigen praktijk, die elke medische uitspraak hadden gelogenstraft. Hij wees op de in dien tijd bestaande moeilijkheid om beginnende tuberculose te diagnosticeeren en stelde mij ten slotte voor, mij door den Leidschen hoogleeraar Rosenstein opnieuw te laten onderzoeken. Kwam die tot dezelfde diagnose als de Groninger professor, dan kon ik nog altijd overwegen wat mij te doen stond.

Twee dagen had vader noodig om zijn werk te regelen. Toen gingen wij naar Leiden. Later heb ik begrepen dat die twee dagen noodig waren om professor Rosenstein een uitvoerigen brief te doen toekomen, waarin alles over mij werd medegedeeld. Ook deze hoogleeraar onderzocht mij uiterst zorgvuldig, waarna hij als resultaat mededeelde dat hij niets verontrustends had gevonden. Mijn hoest was een zenuwhoest. Ik moest maar flink aan het werk gaan om zoo spoedig mogelijk het doctoraal te doen. Daarna ried hij luchtverandering aan. Dan zou ik, waarschijnlijk van de malaria verlost, mij wel weer sterker en gezonder gaan voelen.

Dat was een advies naar mijn hart. Vol moed toog ik weer aan den arbeid en nog vóór de groote vacantie was aangebroken had ik, met gunstig gevolg, het doctoraal examen in de medicijnen afgelegd.

Twee dagen later ging ik naar Lochem. Dit keer bleven alle studieboeken thuis. Ik wilde nu terdege met mijn gezondheid in het reine komen.

Reeds in die dagen mocht ik ervaren hoe spoedig het eenvoudige publiek zich er mee kon vereenigen, dat een vrouwelijke deskundige hulp aan het ziekbed kwam verleenen. In spoedgevallen kon ik herhaaldelijk mijn broer vervangen en nooit gaf dat tot moeilijkheden aanleiding, onverschillig of het om een kraamvrouw, een jongen, dan wel om een meer bejaarden patiënt ging. Met het grootste vertrouwen werd ik ontvangen, en meer dan eens is het gebeurd dat men mij vroeg om de zieke nu ook maar verder te behandelen.

Toen ik eens, vele jaren later, in Lochem een propaganda lezing voor Vrouwenkiesrecht hield, kwam een jonge man mij namens zijn ouders bloemen brengen, als bewijs van erkentelijkheid voor medische hulp welke ik in den zomer van het jaar 1876 had verleend.

Doordat mijn broeder Julius, die inmiddels gehuwd was, kort na mijn verblijf ten zijnent naar Nederlandsch-Indië vertrok, heb ik na dien eersten keer verder geen gelegenheid gehad in het Geldersche stadje praktijk uit te oefenen.

Daar nu wel overtuigend was gebleken, dat luchtverandering een gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand had, werd besloten dat ik mij aan een andere hoogeschool dan die te Groningen voor het artsexamen zou bekwamen. Omdat professor Rosenstein te Leiden werkte, werd het eerst aan de sleutelstad gedacht. Nauwelijks was echter iets van het plan uitgelekt, of twee hoogleeraren daar ter plaatse gaven mij op ondubbelzinnige wijze te kennen, dat zij mij op hunne colleges best konden missen. Hoewel de mededeeling ten slotte geen gewicht in de schaal behoefde te leggen, voelde ik wel beschouwd toch meer voor Amsterdam, waar een veel grooter ziekenhuis, maar ook een sociaal leven van beteekenis mij wachtten. Het bezwaar dat in de hoofdstad de medische lessen gevolgd werden door zoogenaamde militaire studenten, jongelieden die voor officier van gezondheid werden opgeleid, en waaronder, naar men zeide, zeer ruwe, onbeschaafde elementen voorkwamen, maakte weinig indruk op mij. Laat ik er onmiddellijk aan toevoegen, dat dit bezwaar zich in de praktijk ook nimmer heeft doen gelden.

Toen ingewonnen informaties mij de zekerheid hadden geschonken, dat het gemeentebestuur van Amsterdam mij geen belemmering in den weg zou leggen als ik aan de gemeentelijke universiteit mijn studie wilde voortzetten, huurde ik bij een weduwe, die in de buurt van het ziekenhuis woonde (dat in Amsterdam gasthuis wordt genoemd) een eenvoudige kamer.

Den tweeden October 1876 werd ik door professor Jorissen, den toenmaligen praeses der universiteit, als student in de medicijnen aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam ingeschreven, en nog dienzelfden dag ging ik mij voorstellen aan de medische hoogleeraren, wier colleges ik voortaan zou bijwonen.

Mijn eerste bezoek gold professor Stokvis, en daar bleek al dadelijk, dat een kennismaking op die manier niet alleen uit een oogpunt van beleefdheid, maar ook om andere reden gewenscht was. Een en al verbazing ontving de hoogleeraar mij en één van zijn eerste vragen betrof mijn leeftijd. Hij zeide niet te gelooven, dat op twee en twintig jarige leeftijd de ervaringen van een vrouw zoodanig konden zijn, dat een zware studie als die der medicijnen haar troost moest schenken. Nu was de beurt om verbaasd te zijn aan mij; en die verbazing steeg, toen ik hoorde dat in Amsterdam verhalen over een ongelukkige liefde mijnerzijds de ronde deden, waarvoor de studie het surrogaat moest leveren.

Ook bij de andere hoogleeraren wekten mijn voorkomen en verschijning meer of minder verwondering. Een hunner vroeg deelnemend of ik inderdaad op zoo jongen leeftijd reeds weduwe was. Ik heb de professoren toen verzekerd, dat ik niet alleen geen weduwe was, maar dat ik zelfs tot op het oogenblik nog geen verliefdheid had leeren kennen.

Den volgenden ochtend werd ik bij het gasthuis door een talrijke schare studenten opgewacht. De heeren hadden zich „en haie” opgesteld, waartusschen ik door moest. Zij hadden misschien gedacht mij op die wijze te kunnen intimideeren. Dit was geenszins het geval. Ik deed alsof ik de bedoeling absoluut niet begreep, ik groette de jongelui collegiaal en liep doodkalm, tusschen de beide rijen door, naar de collegezaal.

Daarmede was het ijs gebroken. Al heel gauw kwam een student zich aan mij voorstellen en bood tegelijk zijn diensten aan; anderen volgden het voorbeeld en spoedig waren toen, zoowel hoogleeraren als studenten, aan mijn aanwezigheid gewend geraakt.

Tot het einde van mijn studietijd heb ik aan het ziekbed zoogoed als in de snijkamer, of des nachts in de kraamzaal, nooit anders dan beleefdheid en hulpvaardigheid van hen allen ondervonden.

In Amsterdam leerde ik beseffen wat het beteekent om op eigen beenen te staan. In Groningen had ik om zoo te zeggen onder den rook van het ouderlijk huis geleefd. Bovendien waren daar vrienden en kennissen tot wie ik mij ten allen tijd om raad kon wenden. In Amsterdam had ik, althans in den beginne, niemand die zich om mij bekommerde. En het gasthuisleven was er zoo mogelijk nog ruwer en onbeschaafder dan in het Groninger ziekenhuis. Verpleegsters die wèlvoorbereid de patiënten verzorgden, kende men in die dagen in ons land niet. De arme zieken waren, als de doktoren hunne bezoeken hadden afgelegd, volledig overgeleverd aan de zorg van zoogenaamde hospitaalmeiden, als het vrouwen, van hospitaalknechten, als het mannelijke patiënten betrof. Vrouwen, die op grond van hun verleden, als dienstbode niet gewild waren, ruwe, onbeschaafde, ja vaak liederlijke schepsels, werden goed genoeg geacht om als hospitaalmeid te fungeeren. Dat onder die omstandigheden de slecht gesitueerden onder de bevolking der hoofdstad weinig of niets van ziekenhuisverpleging weten wilden, behoeft geen betoog. Meer dan eens heb ik mij persoonlijk met de verzorging van een ernstige patiënt belast, en heel wat nachten bracht ik met mijn studieboeken in het gasthuis door.

Al heel spoedig had de ervaring mij geleerd, dat ik wijs deed met rustig op de ziekenzaal te blijven. De tafreelen die zich des nachts in gangen en corridors tusschen de meiden en knechts afspeelden, spotten met iedere beschrijving. Het was in één woord walgelijk.

De winter was dat jaar (1876/77) vrij streng. Dagen achtereen bleven de vijvers van het Vondelpark met een stevige ijskorst bedekt en aangezien ik, als de meeste kinderen in Groningen en Friesland, reeds op zeer jeugdigen leeftijd schaatsenrijden had geleerd, kon ik mijn hart aan die gezonde, prettige wintersport ophalen.