Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 3

Chapter 33,877 wordsPublic domain

Een paar weken verliepen eer de postbode ten tweeden male een brief uit Den Haag bracht, dit keer geadresseerd aan vader. Minister Thorbecke stelde hem in kennis van de gevoerde correspondentie en gaf verder als zijn meening te kennen, dat ik nog te jong was om de gevolgen van mijn verzoek ten volle te kunnen beseffen. Misschien zou het daarom beter zijn, op mijn verzoek om vrijstelling van het admissie-examen afwijzend te beschikken. Ik zou dan nog eenige jaren moeten doorstudeeren en kon dan altijd nog tot inkeer komen.

Duidelijk bleek uit den brief, dat de Minister, indien vader met mijn plannen instemming betuigde, voor de zaak gewonnen was. De beslissing lag dus bij den man, die, tot voor korten tijd, mijn plannen steeds had aangemoedigd. Vader aarzelde, wist niet wat te doen, liet Julius uit Groningen overkomen en ried mij aan, intusschen alles nog eens goed te overwegen.

„Ik heb niets te overwegen”, luidde mijn antwoord, „mijn plan staat reeds sinds lang vast”.

Toen kwam Julius over en werd ik voor de „drieschaar” geroepen. Eerst was het woord aan vader en mijn broer, die in schrille kleuren de aan de studie verbonden moeilijkheden schilderden. Zij weidden in den breede uit over de anatomische lessen en de vivisectie, zoo goed als over de onsmakelijke huidziekten en de onbeschaamdheid van sommige hospitaal patiënten. Ik liet alles kalm over mijn kant gaan. Ten slotte vroeg Julius, of ik er zoo zeker van was de examens te kunnen doen? Toen heb ik hem herinnerd aan zijn jammerklachten over de domheid van zooveel studenten, die hij voor de examens moest klaarmaken. Als zulke jongelui ten slotte slaagden, waarom zou ik, die vol ambitie mij aan de studie wilde wijden, dan ook niet het doel bereiken?

Toen ik met vader en Julius zoo goed als klaar was, kwam moeder met bezwaren, die minder gemakkelijk uit den weg te ruimen waren. Zij was er van overtuigd dat ik alleen wilde studeeren om mij te kunnen onttrekken aan het huishoudelijk werk. Toch achtte zij het dringend noodig, dat ik van alles wat de huisvrouw aanging volkomen op de hoogte kwam. Alleen onder voorwaarde dat ik mij tijdens de vacanties onder haar leiding wilde stellen, heeft moeder ten slotte haar toestemming voor het kiezen van mijn nieuwen werkkring gegeven, maar met deze restrictie, dat vader mij ook in de toekomst zou behandelen als hij het de zusters deed. Dit hield o.a. in, dat ik, indien ik een nieuwe japon noodig had, alleen geld kreeg om de stof te koopen. Maken moest ik mijn kleeren zelf. Natuurlijk heb ik op alles ja en amen gezegd. Wat konden mij de beperkende bepalingen schelen, nu het hoofddoel van mijn streven vrijwel was bereikt? Ik beloofde moeder, dat ik in de vacanties alles zou doen wat van mij werd verlangd. Laat ik er dadelijk bijvoegen, dat haar goede lessen mij in mijn later leven heel dikwijls van nut zijn geweest.

Het resultaat van ons gesprek was, dat vader aan Minister Thorbecke schreef zich met mijn plannen te kunnen vereenigen. En een der eerste dagen van April 1871 kwam uit Den Haag het bericht, dat mij vrijstelling werd verleend van het admissie-examen en dat ik toestemming kreeg om gedurende één jaar de lessen aan de Groningsche Universiteit te volgen. Na afloop van dat proefjaar, schreef de Minister, zou een aanvrage voor de definitieve toestemming om te mogen studeeren, moeten worden ingediend. Van mijn gedrag zou het dus afhangen of de Nederlandsche universiteiten toen reeds voor goed voor de vrouwen zouden worden opengesteld.

In overleg met professor Rosenstein, die dat jaar rector magnificus was, werd besloten dat ik al dadelijk na de Paaschvacantie als student in de medicijnen de colleges zou volgen. De korte periode die moest verloopen vóór de groote vacantie aanbrak, zou ik als proeftijd kunnen gebruiken. Viel de werkelijkheid tegen, dan was er niet veel verspeeld; ging het goed, dan zouden de studenten, dan zou ik zelf, bij den aanvang van het nieuwe studiejaar mijn aanwezigheid in de collegezaal beschouwen als een alledaagsch gebeuren.

Slechts veertien dagen had ik om mij op komende dingen te prepareeren, en in die twee weken moest ook nog een nieuwe jurk vervaardigd worden. Als een kind met korte rokken, kon ik onmogelijk op de collegebanken plaats nemen. Voor het geld dat vader mij ter hand stelde, kocht ik een lap zwart laken en daaruit werd een rechte, stijve jurk geknipt, zoo simpel mogelijk, zonder eenige garneering, hoewel de mode in die dagen crinolines en strooken voorschreef.

Mijn kastje in de kinderkamer werd leeggeruimd voor studieboeken, mijn speelgoed ging over in ’t bezit der jongeren. Alleen mijn mooie pop, waarvoor ik alle kleeren zelf vervaardigd had, behield ik.

Ontelbare malen heeft men mij in mijn later leven de vraag gesteld of ik, toen ik mijn studie begon, ten volle besefte dat ik aan de vrouwen in Nederland door mijn komen aan de universiteit, nieuwe wegen opende. Wist gij, heeft men gevraagd, dat juist toen in verschillende landen fel werd gestreden over de vraag of de vrouw al dan niet tot het Hooger onderwijs moest worden toegelaten?

Niettegenstaande het feit, dat in meer dan één geschrift aan mij gewijd, het tegendeel wordt beweerd, wil ik hier verklaren, dat ik, toen ik naar Groningen ging, de verre strekking van mijn daad allerminst heb voorvoeld of begrepen. Hoe kon dat ook? Opgevoed in een dorp, wist ik van wat er in de wereld omging, heel weinig. Zeker, er heerschte bij ons thuis een vooruitstrevende geest, maar ondanks dat voorzag Het Nieuws van den Dag, dat notabene met drie andere families samen werd gelezen, volkomen in onze behoefte aan nieuws. De jongere kinderen kregen trouwens nooit een dagblad in handen. Voeg daarbij het feit, dat de Nederlandsche vrouwenbeweging nog in de allereerste windselen lag en gij zult begrijpen dat het zeventienjarige dorpskind geen flauwe notie heeft gehad van de bedoelingen, haar later in de schoenen geschoven. Mijn eenig doel was, na afloop van mijn studie, hetzij met Julius, hetzij met vader, samen de medische praktijk uit te oefenen.

Toen ik student werd, was ik, in den volsten zin van ’t woord, een eenvoudig dorpskind, lichamelijk zwak en sexueel nog in ’t geheel niet ontwikkeld. Een sterke wilskracht en de zucht om te studeeren waren de eenige dingen, waardoor ik mij van andere kinderen heb onderscheiden, als dat groote woord in dit verband moet worden gebruikt.

Een strijdster voor de rechten der vrouw ben ik pas later geworden, toen de studentenjaren reeds tot het verleden behoorden.

Aan het slot van mijn eerste hoofdstuk gekomen, wensch ik nog even een feit te memoreeren, dat in zijn gevolgen voor Sappemeer van beteekenis is geweest.

Toen ik naar Groningen ging, was Frederique, mijn jongste zuster, veertien jaar. Zij had de lagere school doorloopen en hoewel zij niet wist welk vak te kiezen, stond het bij haar vast dat zij studeeren wilde. Het gemis aan een gelegenheid om zich in ons dorp op wetenschappelijk gebied verder te ontwikkelen, deed zich ook toen weer ter dege gevoelen. Frederique kon, mijn voorbeeld volgend, als toehoorderes verschillende lessen aan de H.B.S. bijwonen. Dat werd echter een kostbare geschiedenis. En waar het schoolgeld aanmerkelijk lager werd gesteld wanneer meer dan één kind uit hetzelfde gezin de H.B.S. bezocht en mijn beide jongste broeders leerlingen van de H.B.S. waren, vond vader het zonde, geld weg te moeten gooien, alléén omdat een jongen wèl, maar Frederique niet als gewone leerling kon worden opgenomen.

Minister Thorbecke werd van een en ander in kennis gesteld, met het gevolg dat overeenkomstig vader’s verzoek, in het jaar 1871 de Rijks Hoogere Burgerschool te Sappemeer opengesteld werd voor meisjes, onder precies dezelfde voorwaarden welke voor de mannelijke leerlingen golden. Dat is zoo gebleven tot 1901, toen volgens besluit van Minister Abraham Kuyper, de bepaling welke alleen voor Sappemeer gold, werd ingetrokken. Meisjes die daar ter plaatse de Rijks H.B.S. wenschten te bezoeken, hadden zich van dat jaar af te schikken naar de beperkende bepalingen, overal elders aan de vrouwelijke leerlingen opgelegd. Het is Minister Rink geweest die, in 1905, het privilege, de Sappemeersche H.B.S. door Thorbecke geschonken, in eere heeft hersteld.

II

MIJN STUDIETIJD

Ik kom aan de Hoogeschool.—Mijn ervaringen in en om de Universiteit.—De voorloopige toestemming verandert in een definitieve.—Candidaat in de wis- en natuurkundige wetenschappen.—Met lof geslaagd voor het tweede examen.— De praktijk van het leven.—De groote ontgoocheling.—Nieuwe hoop.—Voor ’t eerst praktisch werkzaam.—Ik ga naar Amsterdam. —Het doel bereikt.—Uit mijn plattelandspraktijk.—Mijn promotie.—Ik ga naar Londen.

Tot de merkwaardigste dagen van mijn leven mag ik ongetwijfeld ook den twintigsten April van het jaar 1871 rekenen. Op dien datum toch toog ik, vergezeld van broeder Julius, die mij aan mijn toekomstige professoren en collega’s zou voorstellen, als studente naar de Groningsche Hoogeschool.

Voorloopig behoefde ik alleen de colleges van de wis- en natuurkundige faculteit te volgen, alsmede de lessen in de logica.

Hoe het mij den eersten tijd aan de hoogeschool verging, heeft de toenmalige hoogleeraar in de dierkunde en vergelijkende anatomie aan de Universiteit te Groningen, in „Ons Streven” van 7 Mei 1871 medegedeeld.

Zie hier wat professor Salverda schreef: „Of Mej. Jacobs veel bezwaren te overwinnen heeft? Hadt gij mij die vraag gedaan nog vóór onze nieuwe studente—de eerste maal ingeleid door haren broeder Dr. Julius Jacobs alhier—naast de overigen hare plaats had ingenomen, dan zou ik U niet hebben verheeld, dat er naar mijne opvatting moed toe behoorde, den eersten stap te doen, gelijk zij dien heeft gedaan. Maar de uitslag heeft mijn beste verwachtingen overtroffen. Ik heb de overtuiging opgedaan, dat na niet langen tijd het aanvankelijk vreemde van den toestand zal zijn overwonnen. De houding van Mej. Jacobs,—dit moet worden erkend—werkt daartoe in allen deele mede.

„Gelijk van zelf spreekt, zijn er onder de propaedeutische leervakken, waarbij tegenover een gemengd auditorium, als door de tegenwoordigheid der studiosa is ontstaan, zekere égards noodig. Dit geldt met name van de dierkunde. Doch, behalve dat ook hier „c’est le ton qui fait la musique”, laat zich de meer opzettelijke behandeling van enkele punten gereedelijk verplaatsen naar de lessen over vergelijkende anatomie, van welke Mej. Jacobs is uitgenoodigd, enkele, die haar zullen worden aangewezen, niet bij te wonen, terwijl haar—voor zoover noodig—afzonderlijke behandeling der daar besproken onderwerpen is toegezegd.

„Het spreekt van zelf dat overal waar dit mogelijk is, Mej. Jacobs hare taak gemakkelijk zal worden gemaakt. Zoo brengt zij het vrij kwartiertje tusschen de colleges in de ontruimde collegezaal of in eenig aangrenzend vertrek door en begeeft zich eerst bij den aanvang eener nieuwe les naar het daarvoor bestemde lokaal, om er eene vaste plaats, voor haar opengelaten, te vinden.

„Ziedaar, wat ik voor ’t oogenblik te vertellen heb. Blijft de zaak den goeden gang gaan van tot dusver, dan meen ik, mag men vertrouwen en hopen tevens, dat het voorbeeld door Mej. Jacobs gegeven, hier en elders navolging vinden mag”.

Van de bijzondere gunst om sommige lessen afzonderlijk te mogen ontvangen, heb ik niet veel gebruik gemaakt. Na de tweede afzonderlijke les in vergelijkende anatomie van Professor Salverda, ben ik met dien lieven, geduldigen leermeester gaan praten.

Ik was namelijk tot de conclusie gekomen, dat ik verstandiger deed mij van meet af aan te beschouwen als de gelijke van de jonge mannen, wier rechten en plichten als student ik wenschte te deelen. Voor hen en ook voor mij was het beter, van den aanvang af te wennen aan het feit, dat de colleges waarin zij wetenschappelijke onderwerpen op wetenschappelijke wijze hoorden behandelen, voortaan ook door een vrouw werden bijgewoond.

Ik wenschte geen bevoorrechting. Vandaar ook dat ik mij al heel spoedig in het vrije kwartiertje niet meer terugtrok in de ontruimde collegezaal, maar met de jongelui ging praten over dingen, die zoowel hunne als mijn belangstelling hadden.

Het is mij een vreugde in dit verband te kunnen releveeren, dat niet alleen de hoogleeraren, maar ook de overgroote meerderheid der studenten mij steeds voorkomend en bemoedigend hebben bejegend, getuige o.a. een artikel in het „Studenten Weekblad” van 5 Juni 1871, geschreven door den Groninger student O., als antwoord op een artikel van een Leidsch collega, zich noemende Theodoor. Die meneer Theodoor had het noodig geoordeeld een aantal verdachtmakingen aan mijn adres te publiceeren, om vervolgens de Groninger studenten aan te raden, mij het leven in hun midden zóó ondragelijk te maken, dat ik de universiteit zou verlaten en niet door andere vrouwen, die wellicht in mijn voetstappen wenschten te treden, zou nagevolgd worden. O. wierp zich als mijn ridder op en hij schreef o.a.:

„Mejuffrouw Jacobs heeft in ons vertrouwen gesteld, wij danken haar daarvoor. Zij heeft getoond, dat zij niet vreesde Theodoor’s onder ons te vinden. Dat vertrouwen is niet beschaamd geworden en de Groninger studenten mogen daar trotsch op zijn. Daarom hebben Uwe woorden hen gegriefd, daarom heb ik voor haar de handschoen opgenomen.”

Ik denk niet, dat de Leidsche hoogleeraar Kamerlingh Onnes, de man die door zijn onderzoekingen op natuurkundig gebied zich een wereldreputatie mocht verwerven, mij het euvel duidt, wanneer ik hem, na zooveel jaren, hier openlijk dank zeg voor de wijze waarop hij, zelf nog jong student, toen mijn belangen behartigd, mijn recht verdedigd heeft.

Al stonden de menschen met wie ik direct had te maken, dus geenszins vijandig tegenover mij, in den lande wekte mijn verblijf aan de hoogeschool heel wat beroering. Zelfs de liberale bladen uit die dagen gaven herhaaldelijk blijk, dat zij zich met mijn plannen niet konden vereenigen. Had een studeerende vrouw in het buitenland iets gedaan, geschreven of gezegd, dat volgens de toen gangbare mannen-opinie veroordeeld kon worden of wel bespottelijk gemaakt, dan haastten de vooruitstrevende Nederlandsche bladen zich, daarvan den volke zoo uitvoerig mogelijk kond te doen. Dat ik in de conservatieve en clericale pers „niet gespaard werd”, behoeft geen betoog. Die bladen waren er stellig van overtuigd, of deden het althans zoo voorkomen, dat juffrouw Jacobs alleen studeerde om op een gemakkelijke manier met mannen in aanraking te komen! En aangezien met geen mogelijkheid beweerd kon worden, dat ik van mijn toilet veel werk maakte, zagen zij in mijn eenvoudige kleeding een gevaar. Ik kleedde mij zoo en niet anders omdat ik opvallen wilde....

Het verdrietige van de zaak was, dat zelfs enkele van mijn naaste familieleden zich door de houding van de pers lieten beïnvloeden. Broeder Sam, de apotheker, die toen ik te Arnhem vertoefde ook nooit iets van mijn studie had willen weten, nam het vader zeer kwalijk, dat hij aan mijn grillen geen paal en perk had weten te stellen. Het gevolg was immers, dat de geheele familie nu werd betrokken in den smaad die mijn deel werd. „Het gaat toch waarlijk niet aan”, betoogde hij, „dat in een gezin van elf kinderen één het recht krijgt al de anderen in hun loopbaan te benadeelen. Zet Uw dochter aan de waschtobbe in plaats van haar met een arm vol boeken naar de universiteit te laten gaan.”

En mijn broer Johan, toentertijd onderofficier aan de opleidingsschool te Kampen, schreef, dat hij sinds mijn onzinnige daad geen leven meer had. Zijn kameraden gaven mij allerlei min oirbare bijnamen, en hij, als broeder, werd met mij over één kam geschoren. Dat had hem er toe gebracht, mij, ten aanhoore van zijn geheele klasse, voor dood te verklaren.

Anderhalf jaar lang heeft hij het waarlijk volgehouden. Nooit werd in zijn brieven mijn naam genoemd en als hij met verlof thuis was, deed hij of ik niet bestond. Hoe dikwijls heb ik in die dagen ook van mannen moeten hooren: „Gelukkig, dat mijn dochters, of mijn zusters, niet zoo zijn aangelegd”.

Met dat al had ik een alles behalve gemakkelijk leven. Elken ochtend om half zes stond ik op, want wilde ik op tijd present zijn, dan moest ik den trein halen die te half zeven Sappemeer passeerde. Bij slecht weder, maar vooral des winters als het gesneeuwd had, was de weg naar het station bijna onbegaanbaar en altijd was die weg stoffig en winderig.

Als ik vlug liep kon ik in een kwartier het station bereiken. Soms gebeurde het, dat ik nog op den weg den trein zag aankomen, maar dan zorgde de stationschef er altijd voor dat ik geen vergeefschen tocht behoefde te maken. En dank zij de welwillendheid van chef en conducteurs beiden, werd meestal, ondanks mijn abonnementskaart derde klasse, een eerste klas coupé voor mij ontsloten. In Groningen aangekomen was ’t nog te vroeg om naar college te gaan. Bij slecht weer was ik genoodzaakt een uur en vaak nog langer, in de ongezellige wachtkamer te blijven zitten. Als het weer het eenigszins gedoogde trok ik naar den Hortus Botanicus, waar de oude hortulanus mij menige goede les gaf.

Des middags om vier uur waren de colleges meestal afgeloopen. Dan keerde ik zoo spoedig mogelijk naar Sappemeer terug. En nauwelijks had ik dan het voor mij warm gehouden eten genuttigd, of een privaatles in wiskunde, in natuurkunde, of eenig ander vak wachtte mij. Als ik dan daarna mijn dictaten had bijgewerkt, mocht ik de dagtaak als geëindigd beschouwen.

Zoo nu en dan moest ik mijn werk gedurende enkele dagen onderbreken. Zware hoofdpijn dwong mij dan tot rusten en met ontroerende teederheid werd ik dan in zoo’n geval door moeder verzorgd. Den ganschen dag zag ik haar aan mijn bed, voortdurend in de weer om mijn brandend hoofd met natte compressen te verkoelen, en ook des nachts bleef zij in mijn onmiddellijke nabijheid. In die tijden was ik voor haar meer dan ooit het slachtoffer van een dwaling, waaraan ik mij zelf, waaraan ook vader zich had schuldig gemaakt. En telkens als ik dan weer op het punt stond tot het gewone doen terug te keeren, trachtte zij mij over te halen om de studie te laten varen.

In het voorjaar van 1872 deed het gerucht de ronde, dat minister Thorbecke door een ernstige ziekte was aangetast. Men vreesde voor zijn leven. ’s Ministers heengaan kon voor mij de noodlottigste gevolgen hebben, want nog altijd ontbrak mij de definitieve toestemming om mijn studie te voltooien. Wat te doen als Thorbecke’s opvolger mij niet gezind bleek?

In overleg met mijn professoren deed ik haastig eenige tentamens in de vakken, van welke ik reeds voldoende kennis bezat, en zond de schriftelijke bewijzen van den goeden uitslag onmiddellijk naar den Minister, met het verzoek om mij de definitieve toestemming tot verdere studie niet langer te onthouden.

Twee dagen na Thorbecke’s dood, 5 Juni 1872, ontving ik de in rouwrand vervatte toestemming. Zij was gedateerd 30 Mei 1872, en in een begeleidend schrijven werd mij medegedeeld, dat het verleenen van dit verlof behoord had tot ’s Ministers laatste ambtsbezigheden.

Mij heeft het bezit van dit waardevolle document rust en kalmte bezorgd. Bedaard kon ik mij voorbereiden op het eerste academische examen, dat ik den zevenden October 1872 „non sine laude” heb afgelegd, en dat mij het recht gaf mij voortaan candidaat in de wis- en natuurkundige wetenschappen te noemen.

Mejuffrouw H. J. Schaap, schoonzuster van den beroemden schilder Josef Israëls, schreef in „Ons Streven” van 10 October 1872:

„Heden middag te twee uur was de kleine gehoorzaal in het Academie-gebouw alhier het tooneel van eene tot heden aan die eenvoudige plaats vreemde gebeurtenis. In die zaal toch zou een examen worden afgenomen aan eene jonge dame, wier naam anderhalf jaar geleden stof gaf tot veel geschrijf; wij bedoelen Mej. Aletta Jacobs van Sappemeer.

„In het jaar 1871 ingeschreven als student in de medicijnen aan onze hoogeschool, volgde zij met ijver en nauwgezetheid de colleges. Begaafd met een flink verstand en een krachtigen wil, mocht het haar gelukken in een betrekkelijk kort tijdsverloop hinderpalen te overwinnen en moeilijkheden uit den weg te ruimen, die toonden met hoeveel energie zij het plan wil verwezenlijken, dat zij zich had gemaakt om baanbreekster te zijn op den weg, tot heden in ons land voor een vrouw geheel vreemd gebleven. Dezen morgen mocht zij de voldoening smaken zich voor de inspanning en tijd aan het doel ten offer gebracht, ruimschoots beloond te zien, door met lof een examen af te leggen als candidaat in de philosophie, voorbereidende tot de studie der medicijnen.

„Niet te verwonderen was het, dat het getal belangstellende studenten bij dit examen tegenwoordig, groot was; slechts twee dames, onder welke ondergeteekende, waren tevens onder de toehoorders op te merken.

„Door de ruime vestibule, gevuld met studenten, traden wij een kleine wachtkamer binnen, waar de examinanda met haar vader wachtte op het oogenblik, waarop de bel het teeken zou geven, dat het examen zou beginnen. Zij was zeer kalm en praatte en lachte als gewoonlijk. Daar klonk een oogenblik later de bel. Mej. Jacobs begaf zich nu met haar vader naar de kleine gehoorzaal, waarin het examen zou worden afgenomen; wij allen volgden. Zeer bedaard nam zij plaats aan de groene tafel, aan welke tegenover haar ook de professoren der philosophische faculteit gezeten waren. Ook het publiek zette zich en het examen nam een aanvang.

„Dit in allen deele te beschrijven ligt niet op mijn weg. De examinatoren waren vier. In botanie, hoogere wiskunde, natuurkunde en scheikunde. Geen oogenblik verloor Mej. Jacobs hare gewone vrijmoedigheid, waarmede zij steeds een ieder te woord staat, hare antwoorden waren kort en flink.

„Nadat met examineeren omstreeks 5 kwartier waren heengegaan, werd mej. Jacobs verzocht zich een oogenblik te verwijderen, in welken tijd de faculteit besloot haar den zoo zeer verdienden graad te verleenen. Na eenige oogenblikken gewacht te hebben, werd de a.s doctor tot hare groote voldoening bekend gemaakt, dat de faculteit besloten had, haar den graad toe te kennen van Candidaat in de Wis- en Natuurkunde, voorbereidend tot de studie der medicijnen, met bijvoeging der woorden „non sine laude.”

„Een luid hoera klonk door het academiegebouw uit den mond van het talrijke studentenpubliek, dat daardoor bewees, hoezeer het deelneemt in het succes, dat aan deze eerste vrouwelijke student ten deel valt.

„Laat ons hopen, dat haar voorbeeld navolging vindt, dat zij niet de eenige blijft in ons land.”

Na dit eerste examen werd ik overstelpt met gelukwenschen uit het geheele land. Menschen, van wie ik te voren nooit had gehoord, van wie ik ook later in mijn leven nooit meer iets zon vernemen, noodigden mij uit in hun familiekring of op hun buitenplaats te komen uitrusten van de vermoeiende studie. Ik heb voor al die belangstelling in vriendelijke briefjes dank gezegd en tevens verteld, dat ik niet aan vacantie nemen dacht. Mijn naaste doel was nu het candidaatsexamen in de medicijnen. Hoe eerder ik dat kon afleggen, hoe aangenamer het mij zou zijn.

Van de overtalrijke gelukwenschen die mij bereikten, had één brief bijzondere aandacht getrokken, zoowel van vader als van mij.

Dit epistel, dat het poststempel Amersfoort droeg, was onderteekend C. V. Gerritsen. Noch uit het handschrift, noch uit den inhoud, viel op te maken of de hartelijke woorden tot mij gericht, geschreven waren door een man of door een vrouw. Er straalde groote vreugde uit over het feit, dat nu ook een Hollandsch meisje bewezen had met goed gevolg de lessen aan de hoogeschool te kunnen volgen en, mede in het belang der Nederlandsche vrouwen, werd mij ook voor mijn verdere studie succes gewenscht.