Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 2
In den regel was het moeder die bij lichte vergrijpen rechtdoende optrad. Vader bleef de hoogere en hoogste instantie, wanneer wij erge ondeugden bedreven hadden. Het feit dat vader nooit blijk gaf onze verhalen in twijfel te trekken, was oorzaak, dat wij hem niets konden verbergen. Als ons dan het verkeerde van onze handelwijze onder het oog was gebracht en vader ten langen leste vroeg: „Wat vindt je nu zelf, moet ik je straffen of kan ik je vergeven?”, dan gebeurde het dikwijls, dat de zondaar, in allen ootmoed, een lichte straf meende verdiend te hebben.
Een belangrijke factor bij onze opvoeding was de spaarpot. Op onzen vijfden verjaardag werd ons die ter hand gesteld. De inhoud bedroeg dan een kwartje, en het was onze zaak er voor te zorgen dat het bedrag aangroeide. Stonden wij aan het hoofd van dat stamkapitaal, dan moesten wij niet alleen de verjaardagsgeschenken die wij elkander vereerden, zelf bekostigen, maar ook luxe uitgaven, als zijden centuurlinten, armbanden of halssnoeren met een gouden slotje voor de meisjes, zijden dasjes of zilveren horloges voor de jongens, dienden uit eigen middelen te worden betaald. Onze inkomsten bestonden uit een vast weekgeld van twee cent voor de kleintjes, de grooten kregen iets meer, dat moeder ons ter hand stelde. Van vader kregen wij een zelfde som. Die moesten wij echter, een week lang, in de portemonnaie meedragen. Wie aan het einde van dien termijn nog in het volle of gedeeltelijke bezit was van het kapitaal, diens zakgeld werd verdubbeld, onder voorwaarde dat de drie of vier centen naar den spaarpot verhuisden. Met een nieuwe som werd dan de proef herhaald. Behalve dit geld, leverde onze arbeid thuis een bron van inkomsten op. Alles wat wij ten behoeve van het gezin deden, werd betaald. Wie tien toeren breidde, had recht op een cent. Het zoomen van een theedoek werd met hetzelfde bedrag betaald. Met kousen mazen verdienden wij zelfs één cent per uur. De jongens kregen soortgelijke belooningen voor schoenenpoetsen, houthakken of het in orde houden van den turfkelder.
Een karwei van beteekenis was het in orde brengen van den tuin. Daar waren de vrije middagen, daar was ook dikwijls de geheele Zondagochtend mee gemoeid. Wieden, harken, opbinden, alles werd door ons gedaan tegen een belooning van vijf en twintig cent per ploeg. En die ploeg bestond uit de geheele kinderschaar, voor zoover die nog onder het ouderlijk dak vertoefde. Bij meerderheid van stemmen koos de ploeg uit de oudere broers en zusters een opzichter of opzichteres, die tot taak had eerst het werk en daarna de belooning, volgens recht en billijkheid te verdeelen.
Als wij in die dagen ooit van partieele of algemeene stakingen hadden gehoord, als wij geweten hadden dat een arbeider bepaalde eischen kon stellen, dat hij niet met iedere behandeling tevreden behoefde te zijn, dan, geloof ik, zou het tuinwerk nogal eens aanleiding tot rumoerige tooneelen hebben gegeven. Niet altijd kon ieder van ons zich met de opgelegde taak vereenigen en herhaaldelijk werd tevergeefs getracht vooraf de belooning te bepalen. Zooals de zaken toen ter tijd stonden, wisten wij niet beter of de opzichter deelde onvoorwaardelijk de lakens uit, met het gevolg dat wij ons bij zijn of haar bevelen neerlegden.
Alleen bij het uitbetalen van het loon liep het wel eens spaak. Niet steeds lieten wij ons de willekeurige verdeeling van den opzichter welgevallen, vooral niet, als bleek dat hij een naar verhouding veel te groot deel voor zich zelf nam, of wanneer wij merkten dat de grooten overeengekomen waren de kleintjes met een kluitje in het riet te sturen. Dan wendden wij ons tot den oppersten rechter; en vader heeft er altijd voor gezorgd, dat wij niet te kort kwamen, ’t zij door de grooteren een deel van hun loon af te nemen, ’t zij door ons een extra cent uit te keeren.
De dorpsschool, die wij allen, van de oudste tot de jongste doorloopen hebben, werd door jongens en meisjes beide bezocht. De kinderen van de notabelen kwamen er zoo goed als de arbeidersjeugd. Mijn buurvrouw op de schoolbank was een weeskind dat in het armenhuis, te midden van zieken, idioten en ouden van dagen, haar leven sleet. Wij beiden waren doorloopend de beste leerlingen. Onder andere omstandigheden had het intelligente kind waarschijnlijk op wetenschappelijk gebied wel iets kunnen bereiken. Op haar twaalfde jaar achtte men echter haar schoolopvoeding voltooid, zij werd toen in een dienstje geplaatst en later is zij met een eenvoudig werkman getrouwd.
De ervaringen op de dorpsschool opgedaan, zijn voor mij van dien aard geweest, dat ik mij in later jaren nooit met de zoogenaamde standenscholen heb kunnen vereenigen. Niemand heeft mij ooit kunnen overtuigen waarom het noodig is, de kinderen reeds op jeugdigen leeftijd te splitsen in bepaalde categorieën. Op de gemengde scholen komen de zoontjes en dochtertjes van welgestelde ouders onwillekeurig op de hoogte van de ontberingen welke een arbeidersgezin zich dikwijls moet getroosten. En de kinderen uit de volksklasse leeren in het ongedwongen samen zijn met beter gesitueerde makkertjes, veel dat hen in hun later leven van nut kan zijn. Ik heb dan ook altijd in mijn verder leven, zoo vaak zich daartoe in beperkten kring de gelegenheid aanbood, een lans gebroken voor het opheffen van de standenscholen.
Toen ik dertien jaar was had ik de lagere school doorloopen, waar ik meestal de beste leerling van mijn klasse was, en dit hoewel malaria-aanvallen of neusbloedingen mij dikwijls een paar dagen en soms wel een paar weken, tot thuisblijven noopten.
Behalve de lagere school had ik op mijn dertiende jaar reeds geruimen tijd een handwerkschool bezocht, waar ik elken avond van vijf tot zeven, mij moest bekwamen in breien, haken, borduren, naaien en soortgelijke vakken. Van al die bezigheden beviel het breien mij daarom het best, omdat ik dat al lezende kon doen.
Als in mijn jeugd een dorpsmeisje de lagere school had verlaten, kwam voor haar verdere beschaving alleen nog maar de jongedamesschool in aanmerking. De in die dagen pas opgerichte Rijks Hoogere Burgerschool was alleen voor jongens bestemd. De dochters van de notabelen en van de heereboeren uit den omtrek, werden op de jongedamesschool verder onderwezen. Daar leerden ze fraaie handwerken en een beetje Fransch, maar het hoofdnummer van het leerprogram daar, was het onderricht in „goede manieren”.
Veertien dagen heb ik die deftige school bezocht. Men trachtte mij aan het verstand te brengen hoe ik op bezoek een kamer moest binnenkomen. Ik leerde dat er verschil bestond in de manier waarop men een heer en waarop men een dame de hand gaf. Ik moest mij oefenen in het maken van een behoorlijke buiging en tot mijn schande dient gezegd, dat men over mijn talent in dat opzicht alles behalve tevreden was. Wij leerden goed Hollandsche woorden en uitdrukkingen in onze gesprekken door Fransche uitdrukkingen vervangen. „Want”, zeide de juffrouw, „het behoort tot den goeden toon nu en dan een Fransch woord te bezigen.”
Ik vond dit alles héél dwaas. „Was het geen zonde,” vroeg ik mij af, „met dergelijke beuzelarijen den tijd zoek te brengen?” Ik kon de noodzakelijkheid van al die lessen niet inzien. En evenmin begreep ik, waarom, zooals mij werd geleerd, een jong meisje de oogen bedeesd moest neerslaan als haar op straat een heer passeerde, en waarom zij in gezelschap van heeren alleen dan het woord mocht nemen als haar iets werd gevraagd.
De jongedamesschool werd mijn nachtmerrie. Ik vond dat ik er als het ware met den dag dommer werd; en reeds na twee weken gaf ik er den brui aan. Wàt ze thuis ook zeiden, niemand kon mij bewegen de lessen aan die school verder te blijven volgen.
’t Werd voor mijn ouders een lastig probleem. Wat moesten ze met mij beginnen? Na lang beraad werd besloten, dat ik overdag bij moeder in de huishouding in de leer zou komen, en dat ik gedurende de avonduren lessen zou ontvangen in de Fransche en Duitsche taal. Tijdens die avondlessen liet mijn ijver niets te wenschen. Ik was de Duitsche taal al spoedig in zooverre machtig, dat ik haar vlot kon lezen. Van dat oogenblik droeg ik steeds een Duitsch boek bij mij. Vader bezat daarvan een uitgebreide collectie. Zoodra waande ik mij onbespied, of ik verdiepte mij in het werk van een der Duitsche klassieken. Al lezende nam ik stof af, met het gevolg dat ik heel dikwijls iets brak of heele strepen oversloeg. Moeder vond dat verschrikkelijk en zij was niet karig met vermaningen en berispingen. In die dagen is de vereering welke ik steeds voor haar had gekoesterd, sterk verminderd. Moeder begreep mij niet; zij kwam niet op de gedachte dat mijn onverschilligheid, mijn absoluut gebrek aan ambitie voor het huishoudelijk werk, een oorzaak moest hebben. En wat mij betreft, ik voelde mij diep, diep ongelukkig bij het vooruitzicht dat mijn leven zou verloopen als dat van zoovele ongehuwde vrouwen bij ons op het dorp. ’s Morgens huishoudelijk werk verrichten, ’s middags met een handwerkje achter de horretjes zitten gluren, tusschen drie en vier uur een wandelingetje doen; en dat jaren achtereen, elken dag weer opnieuw. ’t Was om gek te worden, en ik had mij dan ook stellig voorgenomen die toekomst te ontloopen. Maar hoe? In een donker hoekje van den zolder gezeten, kon ik uren achtereen peinzen op middelen die mijn leven een andere wending zouden geven. Ik dacht aan de koopvaardij-kapiteins die bij ons op het dorp woonden en waarvan eenige mijn bijzondere vrienden waren.
Als zoo’n gezagvoerder mij eens stilletjes meenam naar Amerika, dan zou ik daar, als jongen verkleed, wellicht een koetsiersbaantje kunnen vinden. Voor paarden was ik niet bang en mennen kon ik reeds sinds jaren. Als ik dan véél geld had verdiend, in Amerika verdiende immers iedereen veel geld, kon ik ginds gaan studeeren. ’t Plan leek mij nogal eenvoudig. Het eenige bezwaar vond ik, dat ik zoo klein was, maar, zoo redeneerde ik met kinderlijk optimisme, in de maanden die nog moesten verloopen kon ik misschien nog flink groeien.
Het avontuurlijke denkbeeld hield mij hoe langer hoe meer bezig. Ik ging er geheel in op, verwaarloosde mijn vriendinnetjes en werd maar ’t liefst aan mijn lot overgelaten. Natuurlijk merkten mijn huisgenooten de verandering die met mij had plaats gehad. Het drukke, levendige kind was stil en eenzelvig geworden. Vader schudde bedenkelijk het hoofd en vermaande moeder om toch vooral niet te streng met mij te zijn.
„Als wij haar eens iets buitenshuis lieten leeren?” stelde moeder, ten einde raad, voor. Het denkbeeld werd in overweging genomen. Moeder vond dat ik wel eenige aanleg voor costuumnaaien had. Als ik mij in dat vak bekwaamde, zou ik er op den duur wellicht mijn brood mee kunnen verdienen. Vader liet zich overhalen en ik zelf was dadelijk voor het plan te vinden. Alles leek mij beter dan dat eeuwige vegen, stof afnemen en borden wasschen. En ’t was immers toch maar een kwestie van weken. Als ik naar Amerika ging, had ik nergens meer mee te maken.
Zoo werd ik bij de modiste van het dorp in de leer gedaan. De toenmalige mode, ’t was die van het jaar 1868, schreef voor, dat de rokken van onder tot boven met kleine, schuingeknipte strooken benaaid moesten worden. Mijn werk werd het, ontelbare smalle strookjes met de hand te zoomen. Onder dien geestdoodenden arbeid had ik, nog meer dan te voren, gelegenheid mij aan allerlei treurige gedachten over te geven. Meer en meer begon ik te begrijpen, dat het Amerikaansche plan op onoverkomelijke bezwaren zou stuiten, maar een anderen uitweg zag ik niet. Elken dag werd ik lusteloozer, niets had meer mijn belangstelling. De malaria-aanvallen, waaronder ik vroeger dikwijls had geleden, kwamen terug. Ondragelijke hoofdpijnen kwelden mij soms. Ik droeg ze in stilte. Ziek worden, doodgaan misschien, beteekende immers een verlossing uit de ellende.
Vader, die zijn kinderen nooit uit het oog verloor, zal zich in die dagen, waarschijnlijk meer dan ik vermoedde, met mij en mijn toekomst hebben bezig gehouden. Op een keer dat de toenmalige inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht in Groningen, dr. L. Ali Cohen, een vriend van den huize, mijn ouders kwam bezoeken, werd ik op een gegeven oogenblik binnengeroepen. „Laat je schriftelijk taalwerk eens zien”, zei vader. Ik haalde mijn cahiers, de gast bladerde er in en betuigde zijn hooge tevredenheid. Die onverwachte loftuiting deed den beker overloopen. Buiten mij zelf van zenuwachtige woede, greep ik de schriften, scheurde ze in kleine stukjes en riep huilende uit: „Wat geeft het of ik mijn best doe? Ik mag immers toch niets worden omdat ik een meisje ben!”
Moeder nam mij bij den arm en terwijl zij mij de kamer uitleidde, hoorde ik haar tot vader zeggen: „Nu woon je eens zoo’n ongemotiveerde driftbui bij. Er is met dat kind niets te beginnen”.
Een poosje later liet vader mij opnieuw binnen komen. Rustig en vriendelijk vertelde hij mij, dat ik niet meer naar de naaischool behoefde te gaan. „Wij zullen je Grieksch en Latijn laten leeren”, zei hij, „en dan zal ik nog eens met dr. Ali Cohen overleggen wat je worden kunt.”
Om mij geheel tot kalmte te brengen, nam vader mij mee op een wandeling. Onderweg klaagde ik over zware hoofdpijn en thuis gekomen, voelde ik mij zoo ziek, dat ik dadelijk naar bed moest. Mijn zenuwen bleken geheel in de war en bovendien leed ik aan bloedarmoede. Een paar maanden rust en sterke voeding, was het parool. Gedurende mijn ziekte kwam mijn oudste broer, die intusschen reeds eenige jaren als medicus te Groningen gevestigd was, waar hij tevens optrad als klinisch assistent van professor Rosenstein, herhaaldelijk over. Hij deed alsof het voor hem een voldongen feit was dat ik in de medicijnen zou studeeren. Uren lang bouwden wij luchtkasteelen en stelden ons voor, hoe het zou zijn als wij tezamen in Groningen praktijk uitoefenden. Het leven kreeg weer waarde voor mij. Ik deed mijn best sterk en gezond te worden en na eenige maanden was ik inderdaad krachtig genoeg om met de Latijnsche en Grieksche lessen te beginnen. Vader was mijn leermeester en Julius zou nu en dan thuiskomen om mijn vorderingen te controleeren. Vol ijver begon ik de studie. Mijn vrijen tijd bracht ik buiten door. Ik liep op stelten, hoepelde, deed gymnastiek, ik roeide, alles om toch maar flink en gezond te worden. „Want”, zei vader altijd, „vergeet niet, dat je toekomstige werkkring ook lichamelijk véél van je zal vergen”.
In het najaar van 1869 kwam dr. Ali Cohen ons vertellen, dat voor het eerst een meisje deelgenomen had aan het examen van leerling-apotheker. Het denkbeeld was bij hem opgekomen, mij hetzelfde examen te laten afleggen. Slaagde ik, dan had ik daarmede althans eenigszins mijn geschiktheid voor de studie bewezen; en wat de opgedane kennis betrof, die zou mij later in elk geval van pas komen.
Vader en ook ik konden ons met dit denkbeeld vereenigen. Ik was vast besloten dan maar direct het volgend jaar reeds examen te doen. Mijn kennis van het Latijn was daarvoor ruimschoots voldoende. Er stonden echter ook andere vakken op het program, vakken waarin ik mij thuis niet kon bekwamen. Gelukkig had mijn tweede broer Sam zich een jaar te voren als apotheker te Arnhem gevestigd. Charlotte, die later voorbestemd bleek, de eerste vrouwelijke apotheker in Nederland te worden, bestuurde zijn huishouden. Wat was natuurlijker dan dat ik mij bij dat tweetal voegde om in de Geldersche hoofdstad de wijsheid op te doen, noodig voor het praktische gedeelte van het examen? Broeder Sam vond het goed dat ik bij hem mijn intrek kwam nemen, maar onder voorwaarde dat hij zich met mijn studie niet behoefde te bemoeien. Als de meeste mannen uit dien tijd, vond hij het meer dan dwaas dat ik aan het beroep van apothekersleerling de voorkeur gaf boven dat van naaister. De bediende die van den morgen tot den avond in de drukke zaak werkzaam was, dacht er anders over. Van hem heb ik menige goede lessen voor mijn examen ontvangen.
Toen ik eenige maanden in Arnhem vertoefd had, werd aan mijn studie plotseling een einde gemaakt. De beide kinderen van mijn getrouwde zuster hadden mazelen en kinkhoest. Hun moeder verwachtte haar derde baby en kon onder die omstandigheden onmogelijk langer de zorgen voor het huishouden en de patiënten geheel voor hare rekening nemen. En aangezien in dergelijke gevallen de zuster, wier eenige roeping het was thuis te helpen, steeds zonder meer werd uitgeschakeld, was ik, hoewel nauwelijks zestien jaar oud, de aangewezen steun. Ik trok naar Drenthe en heb gedurende de maanden die ik bij mijn zuster doorbracht, meer en zwaarder werk verricht dan mijn krachten toelieten. Van het voorstel daarom het examen een jaar uit te stellen, wilde ik echter niets weten. Ik gaf mij, naar later bleek, met nog eenige andere vrouwen voor het examen op, en kreeg na verloop van tijd bericht, dat ik den 26sten Juli 1870 te Amsterdam present moest zijn.
De reis van Sappemeer naar de hoofdstad was in die dagen op zich zelf reeds een gebeurtenis voor een nauwelijks de kinderschoenen ontwassen meisje. De gevaren der groote stad, de bezwaren aan den tocht verbonden, werden mij van allen kant in de schrilste kleuren geschilderd. ’t Maakte weinig indruk op mij. In een klein hotel op het Damrak, ons door vrienden aanbevolen, had vader een kamer voor mij besteld. Doodkalm ondernam ik de reis naar de groote, voor mij geheel onbekende stad.
Van het clubje vrouwen dat zich voor het examen had aangemeld, bleek ik niet alleen de jongste, maar ook verreweg de kleinste te zijn. Om aan de toonbank de recepten te kunnen klaarmaken, moest men mij zelfs een voetebankje brengen om op te staan. Mijn mede-examinandi behandelden mij heel erg uit de hoogte. Zoo’n dorpskind met korte rokken, dat daar heelemaal op haar eentje, zonder vader of broer, kwam aanzetten, vonden zij klaarblijkelijk geen haar passend gezelschap, en zoo kon het gebeuren, dat in de vrije oogenblikken niemand zich met mij bemoeide. De examinatoren daarentegen waren bijzonder vriendelijk. Nu nog, na meer dan vijftig jaren, denk ik met een gevoel van erkentelijkheid aan de heeren, die mij met de meest mogelijke welwillendheid tegemoet kwamen.
Het examen werd een succes. Ik slaagde niet alleen, maar de examinatoren gaven mij den raad toch door te studeeren voor apotheker, daarbij als hun meening te kennen gevend, dat vrouwen, indien zij zich daarvoor kwamen aanmelden, ook tot de volgende examens wel zouden worden toegelaten.
Met mijn diploma in den zak, keerde ik zoo spoedig mogelijk naar Sappemeer terug, waar mijn toekomstplannen in den breede werden besproken. Allen die het wel met mij meenden, en daartoe behoorden ook dr. Ali Cohen en professor Rosenstein, waren van oordeel dat ik mij aan het advies der examinatoren moest houden. Ik daarentegen wenschte mijn oorspronkelijk plan te handhaven. „Waarom zou een vrouw wel apotheker en geen dokter kunnen worden?” vroeg ik mij af. Tot dusver was het nooit door iemand geprobeerd. Het zou dus best mogelijk zijn, dat de moeilijkheden veel gemakkelijker te overwinnen waren dan men wel dacht.
Julius gaf mij ten slotte gelijk. De andere heeren, vader incluis, vreesden ook dat ik lichamelijk niet sterk genoeg zou zijn voor de zware studie. En dan waren er zooveel jaren mee gemoeid.... Mijn heele jeugd zou met werken en examens doen verloren gaan. Ik trachtte al die bezwaren en nog vele andere te ontzenuwen. ’t Gelukte mij vrijwel, zoodat ten slotte alleen nog de vraag moest worden opgelost, hoe ik mij voor het zoogenaamde admissie-examen zou kunnen bekwamen. Twee jaar lang privaatlessen nemen in alle daarvoor vereischte vakken, werd een kostbare geschiedenis. Niemand kon zeggen of het mij ooit zou gelukken, tot het examen, dat mij de poorten der universiteit moest openen, te worden toegelaten. Was dat niet het geval, dan zouden honderden guldens vrijwel nutteloos zijn uitgegeven. Toch wilde ik onmiddellijk beginnen.
Vele van die vakken zou ik op de Rijks Hoogere Burgerschool kunnen volgen, maar die school was uitsluitend voor jongens bestemd. De directeur van die school, de heer Renssen, vond dat echter geen bezwaar. Zijn school mocht alleen mannelijke leerlingen opnemen, maar nergens was bepaald, dat meisjes niet als toehoorders mochten worden aangenomen. Met Thorbecke als Minister durfde hij het gerust wagen.
Zoo werd ik het eerste meisje dat op de banken van een jongens H.B.S. plaats nam. ’t Was niets ongewoons. De meeste jongens kende ik van de lagere school en ook met de leeraren kon ik het best vinden.
Toen ik in de Kerstvacantie te Groningen logeerde, vertelde professor Rosenstein, dat de zoon van een anderen Groningschen hoogleeraar, die evenals ik dien zomer het examen van leerling-apotheker had afgelegd, op grond van dat diploma, zou trachten vrijstelling te krijgen van het admissie-examen, waaraan hij zich moest onderwerpen om als student in de wis- en natuurkunde aan de Universiteit te worden ingeschreven. Die mededeeling opende nieuwe perspectieven. Hoe eerder ik mijn universitaire studie kon beginnen, hoe beter het zou zijn. Immers de toestemming om de hoogeschool te bezoeken, was van den vooruitstrevenden minister Thorbecke eerder dan van iemand anders te verwachten. Het was dus zaak te profiteeren van het feit, dat hij het roer van staat mede in handen had.
Nauwkeurig lazen wij de wet op het Hooger Onderwijs door en kwamen tot de conclusie, dat geen enkel artikel met zooveel woorden aan vrouwen het bezoeken eener Rijks Universiteit verbood. Daaruit volgde dat het inwilligen van mijn verzoek om tot de Universiteit te worden toegelaten, niet aan eenige wetswijziging was gebonden. Wij besloten nauwkeurig toe te zien hoe het met den zoon van den Groningschen hoogleeraar zou gaan.
Toen eenige dagen later bleek, dat minister Thorbecke, die aan het admissie-examen weinig waarde scheen te hechten, zijn verzoek om vrijstelling had ingewilligd, vroeg ik onmiddellijk dezelfde vrijstelling. Vol hoop keerde ik naar Sappemeer terug, en toen bleek het dat vader, nu mijn idealen spoedig werkelijkheid konden worden, de bezwaren aan die werkelijkheid verbonden, zwaarder telde dan te voren. Hij vreesde dat ik lichamelijk niet tegen de studie zou zijn opgewassen; dat ik, indien werkelijk het doel werd bereikt, te zwak zou blijken voor den inspannenden werkkring die mij wachtte. De financieele lasten zouden zwaar drukken, en gesteld dat ik na eenige jaren berouw kreeg over mijn beroepskeuze, wat dan? Deze en soortgelijke vragen maakten dagen achtereen een punt van bespreking uit, en intusschen wachtte ik met spanning op het antwoord van den minister.
Toen, veel later dan ik in mijn opgewondenheid had verwacht, een brief uit Den Haag aan mijn adres werd bezorgd, bevatte het epistel geen antwoord op mijn verzoek, maar wel werden mij een aantal vragen gesteld. Allereerst wenschte minister Thorbecke te weten hoe oud ik was en verder informeerde hij, waarom ik wilde studeeren, om welke reden ik niet voor het apothekers-examen ging werken, en wat mij had bewogen vrijstelling van het admissie-examen te vragen.
Ik wachtte met mijn antwoord tot den 9den Februari, omdat ik toen kon schrijven dat ik zeventien jaren was. Zoo eerlijk mogelijk beantwoordde ik het schrijven van den minister en pas nadat de brief verzonden was, bracht ik er mijn vader van op de hoogte.
Hoewel hij mij berispte over mijn eigenmachtig optreden en zich een beetje verontwaardigd toonde over het feit, dat ik van het ministerieele schrijven geen woord had gerept, kreeg ik den indruk dat hij mijn zelfstandig optreden ondanks alles waardeerde.