Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 1
HERINNERINGEN
VAN Dr. ALETTA H. JACOBS
MET EEN VOORWOORD VAN PROF. MR. DR. J. OPPENHEIM LID VAN DEN RAAD VAN STATE
GEÏLLUSTREERD
AMSTERDAM VAN HOLKEMA & WARENDORF 1924
VOORWOORD
De schrijfster dezer „Herinneringen”, mijne hooggeschatte nicht, verzocht mij haar boek een woord tot geleide op zijn weg naar het publiek mede te geven. Ik voldoe aan dit verzoek met graagte, omdat deze „Herinneringen”, elke op zich zelven en alle tesamen ons het beeld voor oogen stellen van eene vrouw wier leven en streven van hare vroege jeugd af tot haren hoogen ouderdom toe slechts door ééne gedachte is voortbewogen geworden: zich te stellen in den dienst der belangen van de vrouw en te arbeiden aan hare politieke en sociale gelijkstelling met den man. Het voorbeeld van den vader en den broeder prikkelde haar het geneeskundig beroep te kiezen en, trots alle bezwaren en moeilijkheden een halve eeuw geleden daaraan verbonden, weet zij toelating te verkrijgen tot de universiteit. Hier zet zij, niet ontmoedigd door tegenwerking en bespotting, kalm en met groote regelmaat hare studie voort, die zij bekroond ziet met hare bevordering tot arts en de verkrijging van den doctoralen graad. Zoo terdege voor de intrede in het werkelijk leven bekwaamd, heeft zij van nu af geene andere eerzucht dan deze: hare kennis en gaven te wijden aan de verzachting van het lijden der vrouw en tegelijkertijd aan de opheffing der vrouw uit den staat van inferioriteit waarin zij verkeert. Hare drukke geneeskundige praktijk wendt zij aan om den last van het moederschap te beperken en laster en verdachtmaking vreest zij niet als het geldt ongewenschte geboorten te voorkomen. En zij beperkt zich niet tot het stellen van hare medische wetenschap in den dienst van de vrouw, maar wordt ook op sociaal en politiek gebied de voorvechtster van de rechten der vrouw en van haar medezeggenschap aan het staatsbestuur. In den langen, bangen strijd voor het algemeen kiesrecht der vrouw hier te lande, heeft dr. Jacobs het leeuwenaandeel gehad en haar wilskracht is het vooral geweest die de vrouw het stembiljet in handen heeft gegeven. Ook de vredesidée heeft in haar een kampioen van den eersten rang gevonden en met vooraanstaande vrouwen in het buitenland heeft zij telkens opnieuw op de bres gestaan voor de bestrijding van den oorlog. De „herinneringen” vormen eene eenvoudige, pittige schets van het rijk en vruchtbare leven dezer kloeke vrouw. Zonder eenigen opsmuk of pretentie voorgedragen, dwingen zij bewondering en eerbied af voor de krachtige, vriendelijke schrijfster en zijn zij voor de jongeren een lichtend voorbeeld van wat kennis, wilskracht, toewijding en uithoudingsvermogen in staat zijn te wrochten in het publiek belang.
J. Oppenheim
Den Haag, Februari 1924.
TER INLEIDING
Heeft dit boek een inleiding noodig? Strikt genomen niet, want het moet voor zichzelf spreken, maar ik wil toch gaarne van zulk een avant-propos gebruik maken voor enkele opmerkingen van algemeenen aard.
Men mag gerust gelooven, dat ik tegen de publicatie heb opgezien als tegen een berg, en dat ik lang heb geaarzeld alvorens er toe over te gaan. Het is iets anders om aanteekeningen te houden en herinneringen op papier te zetten, dan dat alles prijs te geven aan de openbaarheid. Ten slotte ben ik gezwicht voor vele vriendelijke aansporingen uit ons land en daarbuiten. Laat mij nu dit echter bekennen: toen ik dan eenmaal bezig was met het doorlezen van oude brieven en papieren, met het maken van aanteekeningen om alles te schiften en te ordenen, heb ik toch meer en meer het bemoedigend besef gekregen, dat ik met het schrijven van dit boek eenig nut kon stichten. De vrouwen en meisjes van tegenwoordig mochten het zich nog wel eens duidelijk voor oogen stellen, hoe moeilijk, hoe saai en weinig verheffend het leven is geweest van hare grootmoeders en moeders, en vooral van hare ongehuwde tantes. Daardoor zouden zij te beter waardeeren, hoeveel meer zij in den hoogeren zin van het leven kunnen genieten, nu de wegen zijn gebaand voor een vrij en onafhankelijk bestaan, ook voor de vrouw. In de volgende hoofdstukken heb ik niet telkens de parallel getrokken tusschen voorheen en thans, maar naar ik meen treedt de tegenstelling toch telkens op den voorgrond.
Nog een andere overweging heeft mij tot de uitgaaf doen besluiten. Dergelijke levensschetsen van vrouwen zijn zeldzaam in ons land. Het nageslacht zou daarom licht tot de gevolgtrekking kunnen komen, dat in de nu afgeloopen halve eeuw, welke gekenmerkt is door een zoo sterken ommekeer, de vrouwen aan al die hervormingen geen werkzaam aandeel hebben genomen.
Een volledig relaas van alles wat ik heb beleefd en ondervonden, heb ik niet willen geven. In dat geval zou het boek veel te omvangrijk zijn geworden. Toch kan er uit blijken hoeveel teleurstelling, tegenwerking en zelfs verdachtmaking mijn deel zijn geweest, maar tegelijk hoe ik steeds in de moeilijkste tijden steun en vriendschap en liefde heb mogen ondervinden van hoogstaande mannen en vrouwen. Daardoor is althans het bekende gezegde: „pioniers moeten te gronde gaan”, aan mij gelukkig niet bewaarheid.
Aan den avond van mijn leven gekomen, mag ik met dankbaarheid terugzien op een loopbaan als slechts weinigen ten deel valt. Alle vormen van droefheid maar ook van vreugde heb ik leeren kennen. Bijna de geheele wereld heb ik doorreisd en daarbij de heerlijke ervaring opgedaan, dat overal lieve en oprechte vrienden wonen, die ik met hartelijkheid gedenk. Het is mij een bemoedigende en een troostrijke gedachte, dat, nu ik geen werkzaam aandeel meer kan nemen in het hervormingswerk, een uitgebreide internationale briefwisseling mij op de hoogte houdt van hetgeen er op verschillend gebied in de wereld geschiedt.
Grooter echter is mijn dankbaarheid, omdat ik de verwezenlijking heb mogen beleven van drie belangrijke factoren voor een gelukkiger en op hooger peil gebracht leven van de vrouw. De politieke en de economische onafhankelijkheid der vrouw en het moederschap naar begeeren, zijn met mijn medewerking in ons land tot stand gekomen. Daarom zal ik, wanneer het uur van heengaan voor mij gekomen is, gerust mogen zeggen, dat ik er het mijne toe heb bijgedragen om de wereld voor de vrouwen een beetje beter achter te laten dan ik haar gevonden heb.
Aletta H. Jacobs
I
KINDERJAREN
Ouders en Kinderen.—Mijn prille jeugd.—Hoe wij werden opgevoed.— Mijn schooljaren.—Ik kom bij moeder thuis.—Avontuurlijke plannen.—Ik word voor naaister opgeleid.—Nieuwe banen.—Mijn eerste examen.
Als in een gezin met zeven kinderen de achtste spruit het levenslicht aanschouwt, wordt die gebeurtenis meestal niet met buitengewoon veel vreugde begroet. Te minder is dat het geval wanneer de Benjamin reeds het vierde levensjaar is ingetreden en de ouders dientengevolge meenden te kunnen aannemen, dat de jongere generatie haar maximum had bereikt.
Mij mocht, op 9 Februari 1854, het in zoo’n geval dikwijls twijfelachtige voorrecht ten deel vallen, als achtste kind mijn intrede te doen in de dokterswoning te Sappemeer, waar evenwel mijn komst met blijdschap werd begroet.
’t Was in het jaar 1840, dat mijn ouders, Abraham Jacobs en Anna de Jongh, beiden toentertijd ongeveer drie en twintig jaar oud, zich als jonggehuwden gingen vestigen te Kiel-Windeweer, een dorpje in de provincie Groningen, waar mijn vader het beroep van medicus zou uitoefenen.
Daar de praktijk voor het totaal onbemiddelde echtpaar de eenige bron van inkomsten was, deed moeder, althans gedurende de eerste jaren van haar huwelijk, het huishouden zonder eenige hulp. En dat beteekende in die jaren meer, veel meer dan nu. Moeder bakte zelf het brood, bereidde de boter en kaas, deed de wasch, zorgde voor den inmaak, pekelde vleesch en maakte worst, en spinde, naaide en stopte al wat voor de jonge huishouding noodig was.
Vader was dikwijls den geheelen dag van huis, want verreweg de meeste patiënten moesten bezocht worden op afgelegen hofsteden, die vaak uren loopens vroegen. Als hij dan ’s avonds moe terugkeerde, hielp moeder hem meestal nog bij het bereiden der medicijnen, welke in dien tijd, althans op het platte land, door den geneesheer werden geleverd.
En ieder jaar deed in den huize Jacobs een nieuwe wereldburger zijn intrede.
Na het derde kind begrepen vader en moeder, dat de uitbreiding van het dorp geen gelijken tred zou houden met de uitbreiding van hun gezin. De praktijk bleek op den duur niet behoorlijk in het levensonderhoud van ouders en kinderen te kunnen voorzien, reden waarom Sappemeer tot woonplaats werd gekozen.
In die groote, welvarende gemeente, heeft vader tot het jaar 1878, toen een hartkwaal hem dwong den arbeid neer te leggen, zijn praktijk uitgeoefend. Door de oude kasboeken die wij in zijn nalatenschap vonden, weet ik, dat wij in Sappemeer van ongeveer tweeduizend gulden ’s jaars moesten leven. Een enkel maal werden die inkomsten met een duizendtal guldens overschreden, maar daartegenover stonden weer jaren waarin vader het niet veel verder dan veertienhonderd gulden kon brengen. Ik geef toe, dat het geld in het midden der vorige eeuw een veel hoogere waarde bezat dan thans; ik erken ook, dat het leven op een Groningsch dorp goedkooper was dan in een groote stad, maar ondanks dat kan ik verklaren, dat het thuis uiterst zuinig moest worden aangelegd. Ons gezin toch werd grooter en grooter. Tien broers en zusters heb ik bezeten en bijna alle kinderen mochten een wetenschappelijke opleiding ontvangen, en uit den aard der zaak, kon deze slechts voor een klein gedeelte in het dorp onzer inwoning worden genoten. Dat vader en moeder bij dergelijke opvoedingsidealen vaak met groote financieele zorgen te kampen hadden, behoeft geen betoog. Herhaaldelijk werd hun aangeraden liever voor den ouden dag te zorgen, dan al wat zij bezaten ten koste te leggen aan de opvoeding der kinderen, maar dan luidde steeds hun antwoord, dat het op die wijze bestede geld, ten slotte de meeste rente zou opbrengen. „Kennis vergaren om die daarna ten algemeenen nutte aan te wenden, moet het hoogste streven zijn”. Dit was een regel, die vader ons dikwijls als schrijfoefening opgaf.
Van mijn zes broers heeft de oudste vader’s voetsporen gedrukt, de tweede studeerde voor apotheker, de derde, die jong stierf, had doctor in de wijsbegeerte zullen worden. De andere drie kozen, tegen den zin mijner ouders, de militaire loopbaan. Een hunner had zelfs toen hij besloot officier te worden, reeds eenige jaren een opleiding voor architect achter den rug.
Van de vijf meisjes trouwde de oudste, na een korten studietijd voor onderwijzeres, op negentienjarigen leeftijd, met een medicus. De tweede, Charlotte, bleek voorbestemd om de eerste vrouwelijke apotheker in Nederland te worden. Ik studeerde in de medicijnen; en Frederique, mijn jongste zuster, is de eerste vrouw geweest die hier te lande middelbaar examen in wiskunde en boekhouden deed. Toen de diploma’s in haar bezit waren, werd zij heel spoedig aan de Haagsche meisjes H.B.S. tot leerares benoemd. Slechts één van het elftal, een meisje, bleek voor welke opleiding dan ook, ongeschikt. Alle pogingen om haar althans eenigszins te wapenen voor den strijd om het bestaan, mislukten, meer door onmacht dan door onwil.
Met de in mijn jeugd algemeen heerschende traditie, die wilde dat de kinderen genoemd werden naar het een of ander familielid, hadden mijn ouders, al dadelijk bij de geboorte van hun eersteling, gebroken. Moeder vond dat het recht om een naam te kiezen, háár toekwam. En omdat zij, als iedere moeder, groote verwachtingen koesterde ten opzichte van hare spruiten en vurig hoopte, dat zij een positie van beteekenis in de maatschappij zouden bekleeden, achtte zij het van groot belang hen niet voor hun geheele leven, met een leelijken, onwelluidenden naam op te schepen. „Ik kon jullie immers evengoed een mooien naam geven”, placht zij later te zeggen. En dan vertelde zij, dat ze mooie, in romans voorkomende namen altijd opschreef om daaruit later, als weer een jeugdige Jacobs in de registers van den burgerlijken stand geboekt moest worden, een keuze te kunnen doen. Slechts één uitzondering werd op dien regel gemaakt. Toen in 1850 een zoon het levenslicht aanschouwde, noemde vader hem Johan Rudolf, naar den door hem hoogelijk vereerden Staatsman Thorbecke.
Aangaande mijn geboorte deden in den familiekring verschillende verhalen de ronde. Zoo werd verteld, dat de vijf oudste kinderen enkele uren te voren naar een kinderbal togen, gedost in jurken, in broeken en buisjes, die moeder dien dag gewasschen en gestreken had. Zorgvuldig kleedde zij zelf haar vijftal voor het feest. En toen de kinderen ’s avonds tegen tien uur, opgetogen van de pret huiswaarts keerden, lag in de wieg het nieuwe zusje, zoo klein, zoo teer, dat de meisjes mij eerst voor een pop hielden, zooals vader hun reeds lang had beloofd, een pop die slapen en schreeuwen kon.
Zóó dikwijls heb ik dit alles hooren vertellen, dat ik mij jaren lang verbeeldde het bewust te hebben doorleefd. En dan deed het mij verdriet te moeten ervaren, dat de oudere broers en zusters mij uitlachten om mijn levendige phantasie. De verhalen over mijn geboorte eindigden altijd met de verzekering, dat vader de komst van zijn achtste kind met even groote blijdschap begroet heeft als die van den eersteling.
Dat achtste kind is altijd zijn lieveling gebleven. Ik kon in vader’s oogen geen kwaad doen. Van die wetenschap hebben de oudere broers en zusters dikwijls voordeel getrokken. Had één van de kinderen een speciaal verzoek, dan moest ik meestal het vader gaan vragen. Toch ben ik niet de jongste gebleven. Met een tusschenpoos van 13 à 14 maanden telkens, werd ons gezin nog drie keer met een spruit vermeerderd. „De vier kleintjes” zooals men ons noemde, vormden in den huiselijken kring als het ware een afzonderlijk clubje. Ik herinner mij niet dat ik gedurende mijn kinderjaren ooit op voet van gelijkheid met één van de zeven grooten ben omgegaan. Veel méér dan van hen, voelde ik mij het zusje van de kleintjes.
Dit neemt niet weg, dat ik mijn oudsten broer Julius, met wien ik dertien jaar in leeftijd verschilde, altijd hoogelijk heb vereerd. Verder dan zijn studententijd, dien hij in Groningen doorbracht, reiken mijne herinneringen niet. Ik kende hem alleen als den vroolijken, gezelligen gast, die gedurende de vacantiemaanden thuis kwam logeeren en die een enkele keer ook wel eens, onverwacht, in het gezelschap van eenige vrienden voor ons stond. Dat Julius niet uit een ruime beurs kon studeeren, spreekt, na hetgeen ik omtrent onze financieele omstandigheden mededeelde, vanzelf. Datgene wat hij tekort kwam, werd door lesgeven aangevuld. Niet alleen zijn medestudenten, ook de professoren mochten den zachtaardigen, goedhartigen jongen graag. En thuis verheugden wij ons lang te voren reeds op zijn komst. Als Julius thuis was, kwam er geen eind aan zijn gezellige verhalen. Dan zat hij vol geestige zetten en vroolijke liedjes, dan praatte hij honderd uit over de wereld waarin hij zich bewoog.
Mijn goede, brave, ernstige vader, mijn vroolijke broer met zijn altijd even opgeruimd humeur, waren mijn ideaal en voorbeeld voor de toekomst. Uren achtereen kon ik doodstil zitten luisteren naar hunne gesprekken, die meestal liepen over interessante ziektegevallen in het Groninger hospitaal of over belangwekkende dingen uit vader’s praktijk. Natuurlijk begreep ik niet de helft van ’t geen door het tweetal werd behandeld. Toch boeide mij het onderhoud zoo, dat ik er mijn makkertjes, mijn speelgoed zelfs voor in den steek liet.
Van mijn zesde jaar af heb ik steeds met de meest mogelijke beslistheid verklaard, dat ik, net als Pa en Julius, dokter wou worden. Geen oogenblik is toen of later de gedachte bij mij opgekomen, dat dit voor een meisje moeilijk zou gaan. Hoe kon dat ook? Thuis werd immers tusschen jongens en meisjes geenerlei verschil gemaakt. Alle kinderen bezochten dezelfde school, volgden dezelfde lessen, ontvingen hetzelfde zakgeld en hadden nagenoeg dezelfde plichten te vervullen. Nagenoeg, want terwijl de meisjes moesten breien, naaien of mazen, rustte op de jongens de plicht de schoenen te poetsen, hout te hakken en ander, soortgelijk werk te verrichten. Bevoorrecht werd niemand. Het vraagstuk van de beroepskeuze gold voor de meisjes evenzeer als voor de jongens. De ouderen lachten weliswaar als ik mijn toekomstidealen ontvouwde, maar vader liet mij kalm begaan en moedigde mijn denken in die richting zelfs aan.
Had ik om de een of andere reden vrij van school, dan mocht ik hem vergezellen naar de afgelegen hofsteden, waar zijn patiënten wachtten. Hoe dikwijls heb ik in mijn later leven de vruchten mogen plukken van het zaad, dat vader op die wandelingen door zijn diep-ernstige gesprekken in het kinderhart wist te leggen. Loopend langs den landweg, de vriendelijke oogen op mij gericht, zoo roep ik mij vader’s beeld het liefst voor den geest.
Al vond ik het heerlijk met vader te mogen praten over dingen die eigenlijk ver buiten mijn kinderlijk bereik lagen, toch gebeurde het dikwijls dat ik midden in zoo’n ernstig gesprek wegdraafde, omdat een bloem, een veld met knollen, een mooie bonte vlinder mijn aandacht trok. Dan was ik, zonder dat vader zoo gauw begreep waar het kind gebleven was, met één sprong over een sloot. Het waagstuk lokte een berisping uit maar later, in den huiselijken kring of op het boerenerf, was vader de eerste die lachend van het heldenfeit gewaagde.
Niet alleen slootje springen stond op mijn repertoire. In boomklimmen zoomin als in zwemmen, roeien of schaatsenrijden, behoefde ik voor welken jongen dan ook, onder te doen. Tegenwoordig geldt dit voor heel wat modern opgevoede meisjes. In mijn tijd echter was het iets bijzonders. En als de dorpsgenooten zeiden, dat ik „net een jongen” leek, was die qualificatie niet als loftuiting bedoeld. Maar al was ik dan in sommige opzichten net een jongen, in andere dingen verloochende ik den vrouwelijken aard niet. Van poppen hield ik dol veel. Met poppen spelen deed ik eigenlijk nooit, maar uren achtereen kon ik er kleertjes voor maken. Ik naaide niet alleen de poppenjurken en het ondergoed, maar fabriceerde ook hoeden en zelfs schoentjes. Die liefhebberij is mij altijd bijgebleven. Toen ik na mijn promotie eenigen tijd in Londen ging doorbrengen, heb ik daar terstond een pop en wat lappen gekocht. In mijn vrije uren maakte ik de kleeren en op een goeden dag werden de nichtjes in Holland verrast met een poppekind, gekleed zooals de dames die tante Let in Engeland ontmoette. En ook later, als ik na een ziekte weer op mijn verhaal moest komen en dus geen inspannend werk mocht verrichten, vond ik in het maken van poppekleertjes een prettige afleiding. Handwerken maken kon ik als de beste. De kanten muts die onze Sappemeersche dienstbode over haar blinkend oorijzer droeg, en die van doorgestopte tule gemaakt was, maakte ik meestal voor haar. Fijne strooken borduren, frivolité kraagjes maken, zooals in dien tijd gedragen werden, deed ik met genoegen.
In mijn ouderlijk huis heerschte een voorbeeldige orde; en wanneer ik het opvoedingssysteem van mijn ouders vergelijk met de methodes welke tegenwoordig worden toegepast, wil het mij voorkomen dat hunne opvatting in vele opzichten goed was.
Hoe druk en vermoeiend vaders praktijk ook mocht zijn, tijd om zich met zijn kinderen bezig te houden, om hunne lichamelijke ontwikkeling zoo goed als hunne karaktervorming nauwkeurig gade te slaan, wist hij altijd te vinden. Elken dag moesten wij, onder zijn leiding, in den langen gang van het ouderlijk huis loopoefeningen houden; hoofd rechtop, ellebogen naar achteren, borst vooruit. En in de kinderkamer, het grootste vertrek in heel het huis, kwamen dagelijks de gymnastiektoestellen in actie. In de kinderkamer viel niets te bederven. De houten stoelen, de stevige tafel konden heel wat verdragen, en zoo mochten wij er ten allen tijd ravotten naar hartelust. In die kamer had elk kind zijn eigen kastje, dat afgesloten kon worden en waarin ieder zijn eigen bezittingen bewaarde. Eens per week hield moeder inspectie of alles netjes werd onderhouden, en dan mocht er aan reinheid en ordelijkheid niets ontbreken.
Als op de winteravonden de schemering begon te vallen, verzamelde vader de kleintjes om het open haardvuur. Het jongste zoontje op zijn knie, de andere drie aan zijn voeten gezeten, vertelde hij ons uit het leven van beroemde mannen en vrouwen, of liet het een of ander geschiedkundig tijdperk de revue passeeren. En dan moesten wij den volgenden avond om beurten datgene, wat vader den vorigen dag had verhaald, met onze eigen woorden weergeven. Was vader verhinderd zich met ons bezig te houden, dan nam moeder die taak over. Zij vertelde ons dan een sprookje, of zong met ons al de liedjes die wij op school hadden geleerd. En terwijl de kleintjes op die wijze werden bezig gehouden tot zij naar bed moesten, maakten de ouderen in een voor dat doel gereserveerde kamer hun schoolwerk.
Hoewel vader niet tot een politieke partij behoorde (noch de sociaal-democraten, noch de vrijzinnig democraten waren in die jaren te lande georganiseerd), was hij in geheel zijn wezen democraat. Zijn bewondering voor minister Thorbecke heb ik reeds terloops aangeroerd. Hoe groot zijn vereering voor dezen knappen staatsman ook mocht zijn, toch bleef hij het betreuren, dat deze zijn vernuft en zijn beginselen niet ten volle kon ontplooien, omdat hij met den heerschenden geest en met de toonaangevende partijen voortdurend rekening had te houden.
De vooruitstrevende aard mijner ouders had ook op het bestraffingssysteem, dat zij er voor hun elftal op na hielden, zijn stempel gedrukt. Als vaste regel gold, dat de kinderen, twee aan twee, met een tusschenpoos telkens van een half uur, naar bed werden gestuurd. Wie straf verdiend had, werd een half uur eerder naar de slaapkamer gezonden dan volgens ancienniteit noodig was, onder het motief: „je hebt je als een klein kind gedragen en dient dus ook als zoodanig behandeld te worden”. Aan een dergelijke strafoefening werd strikt de hand gehouden. Zij drukte des te zwaarder, omdat het slachtoffer van eigen wandaden ook de ouderlijke nachtzoen werd onthouden. En dàt vooral, berokkende heel wat leed. Wat mij betreft, ik kon zonder nachtkus eenvoudig niet slapen. Gelukkig kwam moeder elken avond om tien uur de ronde doen, en dat was dan voor den berouwhebbenden zondaar of zondares een schoone gelegenheid om alles goed te maken. Nog een ander staaltje van de bestraffingsmethode. Achter in onzen tuin stond een groote vlierboom. Ons was verboden van de vruchtjes van dien boom te eten, en ofschoon vader ons herhaaldelijk de reden van dat verbod had medegedeeld, konden wij toch soms de verleiding om er van te eten niet weerstaan. Op een ochtend, toen de vier kleintjes zich onbespied waanden, werd het verbod weer overtreden. Toen wij dien middag aan tafel kwamen, vonden wij op onze plaats een dichtgedekt bord. Pas toen van al de anderen het bord gevuld was, mochten wij het deksel oplichten. En toen vonden wij een bord tot aan den rand vol vlierbessen.
„Smullen jullie nu maar,” zei vader, „ik wil je nu eens naar hartelust laten genieten, vandaag zul je eens niets dan vlierbessen hebben.”
Uit vier paar oogen stroomden de waterlanders en geen van ons kon één bes door de keel krijgen. Het slot van de historie was, dat wij de borden mochten leeggooien en toch nog wat te eten kregen, maar sinds dien dag had de vlierboom alle aantrekkingskracht verloren.