Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 10
„Geen sprake van,” luidde het antwoord. De coupé’s moesten ontruimd worden en wat er den volgenden ochtend met dien trein zou gebeuren, was hem niet bekend. De man had de vriendelijkheid zich met de beide zwaarste stukken van onze bagage te belasten. De rest kwam voor rekening van ons zelf en, voorafgegaan door hem met de lantaarn sukkelden wij over de rails naar het stationsgebouw, dat op respectabelen afstand lag. Alle deuren bleken gesloten, er was geen sterveling op het perron of in het gebouw. Gelukkig wist onze gids een veilig plekje voor de groote stukken bagage en toen die geborgen waren, trok hij met ons het stadje in. Het duurde niet lang of wij bereikten een herberg. De spoorman deed de deur open en meteen stonden wij in een groote gelagkamer, waar een zware rook hing en ik weet niet hoeveel mannen met een bierpul voor zich zaten. Het geheel maakte een buitengewoon luguberen indruk. Ook de beide vrouwen achter het buffet, tot wie onze gids zich wendde, zagen er niet bepaald gunstig uit. Op zijn vraag of men ons onderdak kon verschaffen, volgde een bevestigend antwoord. Terwijl wij ons zelf nog afvroegen of wij wel verstandig deden in deze eigenaardige omgeving te blijven, zeide een der vrouwen ons dat wij haar moesten volgen. Door een achterdeur bracht zij ons in een schuur, en beduidde ons een ladder op te klauteren. Dat gedaan hebbende, stonden wij op een zolder die met zes ledikanten gemeubileerd was. Wij ontdekten verder nog een houten tafel, waarop eenige kommen met water en een grooten, reeds gebruikten handdoek. Daar stonden wij in de primitiefste logeerkamer die wij ooit in ons leven hadden gezien. Van een deur sluiten bleek geen sprake. Het beddegoed zag er uit alsof het reeds weken, om niet te zeggen maanden, dienst had gedaan. Moesten wij ons met dit verblijf verheugen of liepen wij kans nog zonderlinger dingen te beleven? Wat mij betreft, ik besloot onmiddellijk den nacht wakende door te brengen. Mrs. Chapman Catt echter was zoo vermoeid, dat zij den lust niet kon weerstaan om, van het hoofd tot de voeten in een mantel gewikkeld, zich op een der ledikanten neer te vleien. Bij het krieken van den dag was zij echter alweer paraat. Wij knapten ons zoo goed dat ging een beetje op, en zeulden langs den ladder naar beneden. De gelagkamer was op dat vroege uur geheel verlaten. Toen wij een beetje gestommeld hadden, verscheen een der vrouwen en profond négligé. Op onze mededeeling, dat wij wilden vertrekken, vertelde zij dat wij zoo vroeg in den ochtend nergens terecht konden. Zelfs het station was nog gesloten. Zij ried ons kalm te blijven zitten. Zij zou voor koffie zorgen en aanstonds, als de bakkerswinkel open ging, ook wel wat versch brood voor ons halen. Zoo gezegd, zoo gedaan. De gelagkamer leek ons, toen wij de buitendeur hadden opengezet en frissche lucht kon binnen stroomen, niet meer zoo onbehaaglijk en nadat wij de koffie en het versche brood genuttigd hadden, was het volop dag geworden en togen wij naar het station. De eerste trein naar Brünn bleek om negen uur te vertrekken. Wij zouden tegen twaalf uur de plaats van bestemming bereiken. Allereerst telegrafeerden wij aan het Comité dat de bijeenkomst had georganiseerd. Wij wisten dat de vergadering tegen zes uur was uitgeschreven. Dus restten ons na aankomst nog ettelijke uren, die wij zouden kunnen gebruiken om te rusten. Plechtig beloofden wij elkander dien dag niemand meer te woord te zullen staan, vóór wij ons naar de vergadering begaven. Eilacie, de gast wikt, maar de gastvrouw beschikt. Bij aankomst werden wij opgewacht door een dames-comité! Voor het station stonden open rijtuigen gereed en daarin moesten wij een uur lang door de stad rijden, teneinde voor de avondbijeenkomst belangstelling te wekken. Behalve de dames ontmoetten wij ook een heer, een Duitsch-Oostenrijker van nationaliteit, die in Brünn als Nederlandsch consul fungeerde. Hij had zich tot taak gesteld Mrs. Catt en mij onder zijn speciale hoede te nemen. En dat was nóódig, zeide men ons. De bladen hadden namelijk een uitvoerig verslag gepubliceerd van mijn te Praag gehouden redevoering. En daarin kwamen, volgens de toen in Oostenrijk geldende opvatting, passages voor, die de grens van het geoorloofde bedenkelijk naderden. Van Mrs. Catt’s speech was weinig notitie genomen, vermoedelijk was de Engelsche taal niet het fort der Praagsche verslaggevers; vandaar dat zij het veiliger vonden zich met eenige algemeenheden van haar betoog af te maken. De vriendelijke consul raadde mij dien avond een beetje voorzichtiger te zijn, want, zoo klonk zijn vermaning: „Gij hebt inderdaad een enkele keer héél erge dingen gezegd”.
„Wat dan?” vroeg ik, niet weinig benieuwd naar het antwoord.
En toen werd mij verteld, dat ik mij smalend over den Oostenrijkschen Minister-president had uitgelaten. Ik had namelijk uit een Oostenrijksche courant aangehaald, dat de Minister-President, toen in het Oostenrijksche parlement over de mogelijkheid van vrouwenkiesrecht werd gesproken, dit een nog nergens ingevoerde nieuwigheid had genoemd.
„Nu mag men toch verwachten” zoo was mijn betoog op de vergadering, „dat een minister-president op de hoogte is van de dingen waarover hij spreekt. Met den Oostenrijkschen premier schijnt dit echter niet het geval te zijn. Het is hem klaarblijkelijk ontgaan, dat reeds eenige Staten van Noord-Amerika, dat ook Australië en Finland het vrouwenkiesrecht hebben ingevoerd.”
Met den besten wil ter wereld kon ik in deze uitlating niets ontdekken wat voor den Oostenrijkschen Staat gevaarlijk kon zijn. De consul scheen er echter anders over te denken, want met klem verzocht hij mij, die woorden toch vooral niet te herhalen.
Na afloop van den rijtoer wachtten ons nieuwe beproevingen. Het bleek, dat de consul en zijn gezin er prijs op stelden ons aan hun middagdisch te zien. Hoe vriendelijk ook bedoeld, vonden Mrs. Catt en ik het noodig ons ten sterkste te verzetten tegen het plan om de inderdaad gastvrije woning van den consul te beschouwen als einddoel van den tocht. Wij snakten naar een bad en wij hadden slechts den wensch, daarna onze ledematen te kunnen uitstrekken op bed of divan. Al ons redeneeren bleek vruchteloos. Het eenmaal vastgestelde programma moest worden afgewerkt. Als uiterste concessie werd ons toegestaan in het hotel af te stappen om ons te verfrisschen. De consul zou ons dan met een auto na een half uur komen halen om ons naar zijn woning te geleiden. Daar hebben wij inderdaad het middagmaal gebruikt. Ieder lid van het gezin trachtte ons aangenaam te zijn. Ik ben er echter van overtuigd, dat die hartelijke welmeenende lieden aan ons allesbehalve onderhoudende gasten hebben gehad. Zoowel mijn reisgenoote als ik konden van vermoeidheid nauwelijks eten en voor conversatie gevoelden wij niet den minsten lust.
Terwijl ik dit schrijf, zie ik de situatie weer duidelijk voor mij. Een van de dochters die mede aanzat, was een jong vrouwtje, moeder van een of twee kinderen. Zij had het in die dagen nog buitengewoon in de mode zijnde boek van Ellen Key „De eeuw van het kind” gelezen, en wilde nu liefst over elk hoofdstuk afzonderlijk onze meening weten. Ook de andere dischgenooten waren volkomen op de hoogte van alles wat de schrijfster in haar werk had betoogd. En ook zij stelden er prijs op ons oordeel over het boek te hooren. Ik was allerminst in een stemming om te debatteeren, dus beaamde ik zonder meer iedere stelling die werd verkondigd en reeds bij voorbaat was ik het met alles eens. Nog jaren later voelde ik mij geïrriteerd telkens wanneer „De eeuw van het kind” van Ellen Key werd genoemd. Dan doemde onmiddellijk de herinnering aan dien rampzaligen middag in Brünn voor mij op.
De aanvang der vergadering was op zes uur bepaald. Om ongeveer negen uur was de vergadering afgeloopen. Onze hoop nu eindelijk ons zelf te mogen zijn, werd echter nog niet verwezenlijkt. Verrukt over de wijze waarop zij dit alles hadden georganiseerd, deelden de comitéleden ons mede, dat ons in een aangrenzende zaal een eenvoudig souper zou worden aangeboden. Daarbij waren wij in een gezelschap Tsjechen en zoowel de dames als de heeren die mede aanzaten, bleken zich tot eenig doel te hebben gesteld, ons volkomen in te lichten over de onrechtvaardige wijze waarop zij door de Oostenrijkers werden behandeld. Dien avond in het hotel teruggekeerd namen wij ons voor, den volgenden ochtend met den eersten trein naar Weenen te vertrekken en daar den ganschen verderen dag „incognito” te vertoeven. Alleen op die manier zouden wij weer een beetje op ons verhaal kunnen komen. Wij hebben in dien geest gehandeld, maar we kregen later volop gelegenheid om te begrijpen dat die voorzorgsmaatregel gerust achterwege had kunnen blijven.
Dankbaar hebben wij geconstateerd, dat onze Weensche gastvrouwen op oordeelkundige wijze een programma in elkaar wisten te zetten, waarvan de indeeling zoodanig was, dat van oververmoeidheid geen sprake behoefde te zijn en dat ons zelf voldoenden tijd liet om van de interessante stad, waar wij vertoefden, de belangwekkendste bijzonderheden te leeren kennen. Wij bezochten Weenen in de dagen dat in het Oostenrijksche Parlement uitbreiding van het kiezerscorps aan de orde was. Zelfs de meest vooruitstrevende parlementsleden hadden den eisch van vrouwenkiesrecht laten varen en drongen alleen nog maar op het algemeen mannenkiesrecht aan. Die houding gaf mij aanleiding om op een vergadering welke o.a. door eenige parlementsleden werd bijgewoond, de vrouwen te adviseeren niet verder mee te werken aan het bereiken van het gestelde doel. Ik trachtte uiteen te zetten dat het aannemen van het aanhangige wetsontwerp allerminst in haar belang zou zijn. Immers, wanneer het algemeen mannenkiesrecht een voldongen feit was, zou haar strijd des te moeilijker worden. Nu konden zij nog rekenen op den steun van de mannen, die evenals zij van het burgerrecht verstoken waren, dan zouden zij alleen staan in haar eisch en het heirleger van hen die van haar goed recht overtuigd moesten worden, zou grooter geworden zijn dan ooit te voren. Wel hadden de Oostenrijksche mannen beloofd, onmiddellijk na de invoering van het algemeen mannenkiesrecht voor vrouwenkiesrecht te gaan werken, maar de ervaring in andere landen opgedaan had mij geleerd aan die toezeggingen niet de minste waarde te hechten.
Wat al protesten lokte deze verklaring uit! Hoeveel debaters zich kwamen aanmelden, weet ik niet meer. Wel echter herinner ik mij, dat ook Victor Adler, een zeer vooruitstrevend lid van het Parlement en vriend der vrouwen, een scherp woord van tegenweer meende te moeten laten hooren. Aan het souper waarmede de vergadering werd besloten, kwam hij tegenover mij zitten, teneinde het debat te kunnen voortzetten. Niet alleen de Oostenrijksche mannen, ook een deel van de vrouwen bleek zich met mijn opvatting niet te kunnen vereenigen. Herhaaldelijk werd mij van dien kant verzekerd, dat de mannen in haar land een gunstige uitzondering op den regel zouden maken door hunne belofte na te komen.
Toch hebben de feiten mij volkomen in het gelijk gesteld. Toen ik in 1913, op herhaald aandringen van het Oostenrijksche Vrouwenkiesrechtcomité, opnieuw een spreekbeurt in Weenen vervulde, heb ik niet nagelaten te herinneren aan de voorspelling welke ik in 1906 had gedaan. Zeven jaren bezat Oostenrijk toen het algemeen mannenkiesrecht, maar aan vrouwen was het nog steeds verboden zich voor een politiek doel te vereenigen of politieke vergaderingen bij te wonen.
Een deel der vergadering beantwoordde mijn woorden met daverend applaus, een ander deel echter, en daartoe behoorden in hoofdzaak de aanwezige mannen, toonden zich uiterst verontwaardigd. Beide stroomingen kwamen den volgenden dag terdege tot uiting in de pers. Er waren couranten die zich volkomen aan mijn zijde schaarden en de mannen in krasse woorden hun trouweloosheid verweten. Er waren ook dagbladen die zich alles behalve gesticht toonden over wat zij de opruiende redevoering van een buitenlandsche spreekster noemden.
Nog even terugkomende op den propagandatocht in 1906, wil ik vermelden, dat onze weg ons van Weenen naar Boedapest voerde. In de Hongaarsche hoofdstad had men op een heele serie spreekbeurten gerekend. Aanvankelijk leek ons dit een onoverkomelijke taak, maar mede dank zij de krachtdadige hulp der Boedapester kiesrechtstrijdsters en de uitnemende wijze waarop zij het programma hadden ingedeeld, kon het geregeld worden afgewerkt. Zoo hebben wij dan op een Zondagmiddag, in de groote zaal van de Städtische Halle, het woord gevoerd voor een groot aantal mannen en vrouwen uit de volksklasse, zoo hebben wij gesproken op vergaderingen, waarvoor een gering entrée werd geheven, zoo goed als op bijeenkomsten slechts toegankelijk voor wie zes kronen (in die dagen nog een tamelijk bedrag) wilden offeren. Wij hebben gehoor gegeven aan de uitnoodiging van het bestuur der vrijmetselaars-organisatie om aan de leden onze opvattingen over het vrouwenkiesrecht kenbaar te maken. Bovendien kwamen wij ons goed recht bepleiten op afternoon-tea’s, waar wij vrouwen ontmoetten, die er niet van hielden naar vergaderingen te gaan. Bij dit alles hadden wij schier dagelijks reporters te woord te staan die ons kwamen interviewen, niet alleen over het vrouwenkiesrecht maar ook over vele andere actueele onderwerpen. Moet ik nog speciaal releveeren, dat wij dan meestal de gelegenheid waarnamen om de zaak die ons bezig hield, eveneens weer aan de orde te stellen? Heel wat artikelen hebben de Boedapester dagbladen en tijdschriften in die dagen aan Mrs. Catt en mij gewijd, heel wat meer of minder geslaagde portretten en caricaturen werden van ons vertoond. De jonge vrouwen wier gasten wij waren en die zich in den strijd voor het vrouwenkiesrecht zoo volkomen aan onze zijde schaarden, hadden de vriendelijkheid al wat in die dagen werd gepubliceerd te verzamelen, en ons dien bundel in een prachtige leeren band aan te bieden als herinnering aan de dagen in haar stad doorgebracht.
Teruggekeerd van deze eerste buitenlandsche propagandareis, kon ik onmiddellijk mijn krachten geven aan de voorbereidende werkzaamheden voor het eerste Internationale Vrouwencongres, dat in Juni 1908 in ons land is gehouden.
VII
MIJNE BEMOEIINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VROUWELIJK WINKELPERSONEEL
Gevolgen van het lange staan.—Mijn pogingen om verbeteringen aan te brengen.—Voor de Staatscommissie.—Geen medewerking van mijne collega’s.—Oproep aan de vrouwen van Nederland.— De publieke opinie.—Mijn wenschen worden verwezenlijkt.
Toen ik mij, als eerste vrouw-doctor in den lande, te Amsterdam kwam vestigen, mocht ik mij vrij spoedig in een drukke praktijk verheugen. Op mijn spreekuur kwamen tal van seksegenooten hulp en raad vragen. Onder haar bevonden zich van den aanvang af vele winkeljuffrouwen, wier klachten wat de hoofdzaak betreft steeds op hetzelfde neerkwamen. En bijna altijd bleek na onderzoek, dat zij leden aan gynaecologische afwijkingen, waarvan ik de oorzaak slechts kon toeschrijven aan het feit, dat deze jonge vrouwen uren en uren achtereen en elken dag weder opnieuw moesten stáán. In die jaren toch werden, althans in de groote steden, de winkels meestal niet vóór elf uur ’s avonds gesloten. Aangezien de werkdag van het personeel des ochtends om acht uur begon, beteekende dit voor de winkeljuffrouwen dat zij, behoudens de zeer korte rustpoozen voor de maaltijden bestemd, gedurende dien ganschen langen arbeidsdag achter de toonbank moesten staan, waar geen zitgelegenheid van welken aard ook was aangebracht.
Toen ik telkens nieuwe gevallen van dien aard onder de oogen kreeg, waarbij vele van die jonge menschen voor hun geheele verdere leven opgescheept werden met een kwaal die toch zoo gemakkelijk voorkomen had kunnen worden, meende ik geen moeite te veel te mogen achten om verbetering in dien toestand te verkrijgen. Ik was nog naïef genoeg om aan te nemen, dat alleen onkunde omtrent de gevolgen van het langdurig staan de winkeliers en magazijnhouders het personeel deed verbieden om gedurende de werkuren, zoo vaak de omstandigheden zulks veroorloofden, gebruik te maken van een zitgelegenheid. Ik meende dat het op mijn weg lag deze werkgevers de oogen te openen en ik twijfelde geen oogenblik aan het succes. Hoezeer had ik mij daarin vergist!
Toen ik eenige middagen achtereen chefs van groote zaken ging opzoeken om de belangen der winkeljuffrouwen te bepleiten, toen ik de heeren trachtte uit te leggen waarom het lichaam niet tegen het urenlange staan bestand is, vond ik slechts bij hooge uitzondering gereede ooren. Verreweg de meeste zakenmenschen opperden allerlei bezwaren tegen de wijze waarop ik dit euvel wilde bestrijden. Zooveel dom vooroordeel, zooveel tegenstand, voortspruitend uit eigenbelang van het allerminste allooi, kreeg ik te hooren, dat ik begreep op die manier mijn doel niet te zullen bereiken. Dan maar een anderen weg ingeslagen en de aandacht der overheid op dit euvel gevestigd.
Nauwkeurig beschreef ik eenige der door mij geobserveerde ziektegevallen in een artikel, bestemd voor het „Sociaal Weekblad”. Uit den aard der zaak noemde ik noch de namen der patiënten, noch die der firma’s bij wie de meisjes om wie het ging, in betrekking waren. Wel echter belichtte ik uitvoerig en op een ook voor leeken bevattelijke wijze, de ziekte-oorzaak die ik hoopte te kunnen wegnemen.
Tot mijn groote teleurstelling ontving ik na eenigen tijd het artikel terug. In een begeleidend schrijven deelde de redactie mij mede, dat zij mijn manuscript aan twee medici ter inzage had gegeven. De heeren doctoren waren van meening, dat de door mij beschreven gevallen onmogelijk het gevolg konden zijn van te lang staan, en dat de redactie mijn artikel niet moest plaatsen alvorens naam en adres van de meisjes door mij waren opgegeven, evenals de namen van de firma’s bij wie zij in betrekking waren. In dat geval zou een nader onderzoek kunnen worden ingesteld. Voldeed ik niet aan dezen eisch, dan kon aan mijn artikel geen plaats worden verleend.
Onnoodig te zeggen, dat het mij onmogelijk was dezen eisch in te willigen. Ik mocht de namen dezer patiënten niet aan anderen bekend maken en evenmin de namen publiceeren van de firma’s bij wie zij in functie waren.
Zoo moest ik dan dezen misstand laten voortduren en in gelatenheid het oogenblik verbeiden, waarop de mogelijkheid zich zou voordoen er opnieuw tegen te kunnen ageeren. Want van de slachtoffers zelf was in dezen niets te verwachten. Wat hadden zij, rechteloos als zij waren, kunnen doen? Vakvereenigingen die de belangen der leden behartigen, hadden de werkende vrouwen toen nog bijna niet. Hoe ter wereld hadden zulke meisjes, die tot ’s avonds elf uur gebonden waren, gelegenheid om in vergaderingen of andere bijeenkomsten haar stem te doen hooren?
In het jaar 1886 scheen mij een kans te zullen worden geboden. In die dagen toch werd de term „sociale rechtvaardigheid” een modewoord. Op het oogenblik zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen of het nieuwe woord de nieuwe denkbeelden deed ontstaan, dan wel of de nieuwe geest die begon te ontwaken, in het nieuwe woord tot uiting kwam. De terminologie bestond echter en toen de regeering een commissie benoemde wier taak het zou zijn, onder leiding van de heeren Verniers van der Loeff en Goeman Borgesius, een onderzoek in te stellen naar den toestand in fabrieken en werkplaatsen, meende ik, dat het ook op den weg dier commissie zou kunnen liggen zich het lot van de staande winkeljuffrouwen aan te trekken. Dus wendde ik mij tot die commissie met het verzoek, op grond van de door mij opgedane ervaringen, haar te mogen voorlichten omtrent de nadeelige gevolgen die vele vrouwen door haar arbeid in winkel en magazijn ondervonden.
De commissie bleek van mijn advies niet gediend. „Winkels en magazijnen”, zoo luidde het antwoord op mijn verzoek, werden geacht niet te vallen onder de rubriek „werkplaatsen”. Eenigen tijd later echter ontving ik een brief met de mededeeling, dat de commissie van enquête alsnog bereid was mij te hooren. Gaarne gaf ik aan dien oproep gevolg.
In het onderhoud dat ik op 7 Januari 1887 met de commissieleden mocht hebben, bleek mij echter al heel spoedig, dat het de heeren niet te doen was om inlichtingen aangaande de arbeidsvoorwaarden in winkels en magazijnen, doch dat zij hoopten van mij gegevens te krijgen, die het toen reeds zichtbare streven, om vrouwen zooveel mogelijk uit fabrieken en werkplaatsen te weren, meer kracht kon bijzetten. Dat ik voor dit doel mijne medewerking niet wenschte te verleenen, behoeft geen betoog.
Tijdens het onderhoud vroeg de voorzitter der commissie mij, of ik reeds met den Inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht contact had gezocht, wat betreft het invoeren van zitgelegenheden voor vrouwelijk winkelpersoneel. Die vraag, waarop ik een ontkennend antwoord moest geven, gaf mij een nieuw middel aan de hand. Alvorens echter stappen in die richting te doen, meende ik het resultaat der enquête te moeten afwachten, al veronderstelde ik geen oogenblik, dat een wettelijk voorschrift, in den geest als ik had bedoeld, er het gevolg van zou zijn.
Intusschen kreeg ik op mijn spreekuur gelegenheid te over om nieuwe ziektegevallen waar te nemen, analoog aan die welke ik te voren had geconstateerd. Daarnaast ontving ik voortdurend brieven van ouders, wier dochters werkzaam waren in winkels of magazijnen, die mij smeekten mijn actie toch niet te staken, omdat lotsverbetering voor die meisjes dringend noodig was. Ook een aantal winkeljuffrouwen richtten gezamenlijk een brief tot mij, waarin zij hare positie vrijwel onhoudbaar noemden.
Toen besloot ik niet langer te dralen om den Inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht in Amsterdam van een en ander op de hoogte te brengen. In antwoord op mijn schrijven deelde hij mij mede, „dat de winkeliers niet gedwongen konden worden maatregelen te nemen om de bedienden te doen zitten; en dat inkrimping van den arbeidstijd het eenige middel zou zijn om den meisjes wat meer rust te verschaffen”.
Aan het slot van zijn brief verwees de schrijver mij naar den Inspecteur van den Arbeid. Nog dienzelfden avond wendde ik mij schriftelijk tot dezen ambtenaar, en ziet, ik mocht de voldoening smaken, dat hij niet alleen ten volle het belang van de zaak begreep, maar ook volkomen bereid bleek mij te helpen. Intusschen meende de Inspecteur, dat bij den hem inzonderheid juist bij winkelhouders gebleken onwil om met gewoonten te breken, mijn persoonlijke bemoeiingen in deze niet veel zouden baten, zoolang zij niet door een desbetreffende wettelijke bepaling werden gesteund. Reden waarom hij meende, dat eene beweging, op touw gezet door de belanghebbenden en bevorderd door mij en mijne collega’s, in meer dan één opzicht het meeste effect zou hebben. Terstond liet ik eenige afschriften maken van den brief, mij door een aantal winkeljuffrouwen gezonden. Medici die daarvoor m.i. het allereerst in aanmerking kwamen, kregen een exemplaar en tevens het verzoek met mij een actie te willen beginnen om verbetering in den bestaanden toestand te brengen. Ten overvloede citeerde ik in mijn schrijven de woorden van den Inspecteur van den Arbeid, dat een beweging als die welke ik thans op touw ging zetten, in meer dan één opzicht het meeste effect zou hebben.
Hoe bedroevend was ook dit keer weer het resultaat van mijn poging om met de collega’s voor een sociaal belang samen te werken. Twee medici berichtten, dat zij op mijn verzoek niet konden ingaan, de anderen antwoordden in het geheel niet.
Toen heb ik in Januari van het jaar 1894 den volgenden oproep aan de vrouwen van Nederland in alle couranten gepubliceerd en een copie er van gezonden aan de besturen van bestaande vrouwenvereenigingen:
De gezondheid van een groot aantal jonge meisjes wordt, naar vele winkeliers beweren, aan door U gestelde onredelijke eischen opgeofferd.