Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 11

Chapter 113,620 wordsPublic domain

Volgens dat beweren namelijk, zoudt Gij verlangen, dat bij Uw binnentreden in een winkel het bedienend personeel U staande ontvangt.

Om nu zeker te zijn dat aan dit verlangen wordt voldaan, plaatst de winkelier eenvoudig geen stoelen of bankjes achter de toonbank. Zoodoende is het personeel wel verplicht om gedurende den tijd dat de winkel geopend blijft, voortdurend „op de been” te zijn. Dank zij dezen maatregel moet een groot aantal winkelmeisjes behoudens den zeer beperkten tijd die voor het gebruik der maaltijden wordt toegestaan, dagelijks 12 to 14 uren achtereen staande doorbrengen.

Hoe nadeelig dit is voor het vrouwelijk lichaam blijkt hieruit, dat sommige inspecteurs van het geneeskundig staatstoezicht bij den minister er op hebben aangedrongen, dat aan onderwijzeressen—die gewoonlijk slechts 5 uren per dag les geven op de school en dan nog met een rusttijd daartusschen van twee uren—de gelegenheid wordt gegeven om gedurende de lesuren te kunnen zitten.

En zoo Gij wilt weten welke de ernstige gevolgen zijn van het onmatig lang achtereen blijven staan van vrouwen, raadpleeg dan eens uw geneesheer. Sedert mijn vestiging hier ter stede heb ik herhaaldelijk patiënten gehad, die, tengevolge van het langdurig staan, hun gezondheid en levenslust voor altijd zagen verwoest.

Hoezeer dit gevaar door de winkelmeisjes zelve wordt gevoeld, moge blijken uit het schrijven dat mij voor eenigen tijd werd toegezonden.

Dit schrijven luidde:

Hooggeachte Mevrouw!

Door dezen komen tot U de vrouwen en meisjes wier roeping het is, om van des morgens acht uur tot des avonds negen à elf uur de menschen te bedienen, die in de verschillende winkels iets wenschen te koopen. Wij zijn verplicht om altijd te staan, met uitzondering van die enkele half-uren, gedurende welke wij iets moeten gebruiken. Voor andere menschen is het een genot zich een oogenblik te kunnen bewegen, wanneer die menschen een langen tijd hebben stil gezeten, maar voor ons, hoe moede en afgemat wij ook zijn, is het een genot om na het lange staan nog eens even heen en weer te kunnen loopen. Vooral dàn, wanneer wij in de periode zijn, welke wij niet nader behoeven aan te duiden, is het voor ons, althans voor de meesten, eene ware kwelling en er zijn weinigen onder ons, die niet lijden aan de U maar al te goed bekende kwalen. Natuurlijk zullen vele winkeljuffrouwen op Uwe eventueel daartoe gestelde vraag niet altijd openhartig durven antwoorden, want—hun bestaan is er mede gemoeid.

De patroons maken in hunne onkunde met het vrouwelijk lichaam, geen onderscheid tusschen de mannelijke en vrouwelijke bedienden. Zij verbieden eenvoudig het zitten en handhaven dat verbod, door het niet verstrekken van stoelen. Dat wij staan wanneer er menschen in den winkel komen, ja zelfs, wanneer wij ze nog slechts zien naderen, niets is natuurlijker. De zaak van den patroon gaat boven alles; maar dat het ons niet gegund wordt te zitten wanneer er totaal niets te doen is, dat is niet alleen tyrannie, maar, wij behoeven het U allerminst te zeggen, dat is doodend voor ons. De kwalen waaraan wij daardoor gaan lijden, doen ons huiveren voor de toekomst en toch leggen de patroons ons die taak op. Dat is in één woord verschrikkelijk, Mevrouw. U als geneeskundige en wat wellicht meer zegt, als vrouw, U kunt ons helpen, U kunt ons onze gezondheid doen behouden, hetgeen nog meer zegt dan ze ons te kunnen hergeven. U kunt ons helpen, och, wij bidden U, wilt het ook. Op Uw initiatief zouden de patroons met klemmende redenen kunnen worden aangespoord het „zitten” te vergunnen en stoelen te verstrekken en zij, die onvatbaar bleken voor overreding van eene zijde als de Uwe tot hen gekomen, zouden moeten ondervinden dat hun belang daarbij schade leed. Geloof ons Mevrouw, de dames hebben zich slechts bij advertentie te vereenigen om niets te koopen dáár, waar aan de winkeljuffrouwen geene stoelen verstrekt zijn, en binnen zeer korten tijd zouden vele onzer grieven zijn verdwenen. Van een enquête bij de winkeljuffrouwen is weinig te hopen, want ééne pennestreek en de patroon maakt hen broodeloos. Zij gaan liever ten gronde, en vooral de weinig ontwikkelden onder ons, door gebrek aan levenskracht dan door gebrek aan werk en dus aan brood. U kunt ons helpen Mevrouw, U kunt de dames, die onze patroons bevoordeelen, de overtuiging geven, dat handelen plicht is. Luiheid doet ons niet klagen, evenmin zucht tot gemak, maar enkel en alléén het gevoel hetwelk ons inwendig zegt, dat wij elken dag meer moede, elken dag meer afgemat worden, door kwalen welke onkundigen niet aan ons kunnen zien of waarnemen en welke wij aan onze patroons niet kunnen kenbaar maken. In enkele winkels, waar vrouwen de zaak geheel bestieren en als patroon optreden, is het gaan zitten vergund. Die kunnen oordeelen. Mevrouw nog eens, wilt ons helpen!... Enz.

Vrouwen van Nederland! Herhaalde pogingen om de rechtmatige grieven dezer economisch zwakken uit den weg te ruimen, hebben gefaald. Thans roep ik Uwe tusschenkomst in. Laat ten duidelijkste blijken, dat de wreede eisch U door winkeliers toegedicht, niet bestaat.

Toont dit, door telkens wanneer Gij een winkel binnentreedt waar geen gelegenheid tot zitten achter de toonbank bestaat, aan den patroon te kennen te geven, dat uwe verdere bezoeken van het bestaan dier gelegenheid worden afhankelijk gesteld.

Zoodoende kunt gij in korten tijd de voldoening smaken, een ernstig kwaad te hebben uitgeroeid en voor talrijke vrouwen den toch reeds harden strijd voor het bestaan eenigermate te hebben verlicht.

Dr. Aletta H. Jacobs.

Amsterdam, 18 Januari 1894.

Met dezen oproep bereikte ik inderdaad dat de zaak onder de aandacht kwam van het groote publiek. In enkele steden werden vrouwencomité’s opgericht, die den winkeliers deden weten, dat zij mijn poging om het personeel zitgelegenheid te verschaffen, wenschten te steunen.

In Rotterdam richtten een tweehonderdtal vrouwen het volgende schrijven tot de aldaar gevestigde winkeleigenaars:

Ongetwijfeld heeft de oproeping van Dr. A. Jacobs, in verschillende dagbladen opgenomen, ook uwe opmerkzaamheid tot zich getrokken. Die oproeping vestigde weer eens met nadruk onze aandacht op eene reeds zoo vaak besproken zaak: namelijk het nadeelige voor vrouwen en meisjes om langen tijd achter elkaar te staan.

Sommigen onzer neigden er toe, den raad van Dr. Jacobs te volgen en openbaar te maken, dat wij voortaan alléén in die winkels zouden koopen waar aan vrouwelijke bedienden gelegenheid tot zitten werd gegeven,—maar bij nader inzien gelooven wij dat een zoodanige dwangmaatregel noch noodig, noch wenschelijk is.

Niet noodig, omdat reeds vele winkeleigenaars stoelen aan hunne vrouwelijke bedienden geven, en niet wenschelijk omdat wij de vrijheid, die wij zelven zouden vragen, ook zooveel mogelijk aan anderen willen laten.

Wij vleien ons daarenboven, dat alle chefs wel bereid zullen gevonden worden, om den winkeljuffrouwen gelegenheid tot zitten te geven, als zij maar zeker weten, dat dit hunne cliënteele aangenaam is.

Het doel van dit schrijven is dus ook alleen, openlijk en met nadruk uit te spreken, dat de ondergeteekenden wenschen dat aan de winkeljuffrouwen van Rotterdam gelegenheid tot zitten worde gegeven. Wij achten de noodzakelijkheid van dezen maatregel voldoende toegelicht door de woorden van Dr. Jacobs en andere deskundigen en voeren dus geen verdere gronden voor de wenschelijkheid aan, maar vertrouwen in deze op uwe welwillende medewerking.

Het vakblad „De Manufacturier” wijdde in eenige op elkander volgende nummers welwillende beschouwingen aan mijn manifest. Zonder de daarin genoemde feiten te ontkennen en zonder in het minst mijn goede bedoelingen voorbij te zien, meende de redactie van den anderen kant toch ook te moeten wijzen op de bezwaren voor den winkelier aan het inwilligen van mijn verzoek verbonden. Het groote publiek, zoo betoogde het blad, is te veeleischend. De cliënteele stelt er prijs op, dat het personeel haar staande ontvangt. Bovendien meende de redactie, dat de ruimte achter de toonbanken te gering was om er zitplaatsen te kunnen aanbrengen.

In „Het geïllustreerd Politienieuws” van 25 Januari 1894, werd mijn oproep in zijn geheel opgenomen. De redactie betuigde in een uitvoerige noot haar ingenomenheid met mijn denkbeeld, al vreesde zij dat van de dames weinig medewerking zoude komen, reden waarom zij alleen dàn succes van mijn actie meende te mogen verwachten, wanneer evenals bij de arbeidswet, de Staat deze ernstige zaak ter harte wilde nemen, door het vaststellen van bepalingen, beschermend voor de jonge meisjes van Nederland, die als winkeljuffrouw in haar onderhoud moesten voorzien. Om echter te toonen hoe volkomen zij met mijn streven in het belang van duizenden meisjes sympathiseerde, publiceerde de redactie in hetzelfde nummer een plaat, waarop een aantal winkeljuffrouwen de Koningin-Regentes een adres komen aanbieden, met het verzoek om de beweging door mevrouw Dr. Aletta Jacobs zoo eervol begonnen, van staatswege te willen steunen.

Helaas was het weer de groote pers, die het belang van de zaak niet bleek te begrijpen. De Amsterdamsche Courant verklaarde in haar nummer van 29 Jan. 1894, naar aanleiding van mijn oproep een onderzoek te hebben ingesteld of en in hoever het mogelijk was aan mijn wensch te voldoen.

Het blad wendde zich niet tot de winkeljuffrouwen, doch tot de leiders der groote zaken. Het resultaat van die enquête ligt vóór mij. Wanneer ik nu na zooveel jaren herlees wat de heeren op de hun gestelde vraag antwoordden, zie ik, dat de beweging gekwalificeerd werd als „een overdreven, ziekelijke geschiedenis, waaraan geen enkel verstandig mensch zijn tijd zou verbeuzelen”. „Bij mij”, verklaarde een chef, „werken de meisjes van 9 tot 12 uur; dan hebben zij een half uur rust; van 12½ tot 4½ uur werken, dan weer een half uur rust, daarna werken van 5 tot 6 uur, weer een half uur rust en dan om 9 uur sluiten. Dat is toch waarlijk niet te zwaar werk.”

Een andere bedrijfsleider schreef: „Wat betreft het bespottelijke oude-wijven praatje als zou het staan bij de meisjes allerlei kwalen veroorzaken, daaraan geloof ik volstrekt niet. Alle meisjes zijn volkomen gezond en zien er flink uit. Mocht er dan ook tengevolge van het door U bedoelde schrijven een dame bij ons in den winkel komen, die zeide niet meer bij ons te zullen koopen, wanneer de meisjes geen gelegenheid kregen om te zitten, wij zouden eenvoudig zeggen: „Gaat U dan maar naar een ander; wij laten ons door niemand voorwaarden stellen, wij doen wat wij meenen dat goed is èn voor onze klanten, èn voor ons personeel èn voor ons zelf.”

Ik zie, dat weer een ander magazijnhouder trachtte te suggereeren, dat winkeljuffrouwen den door mij geciteerden brief niet hadden geschreven. „Het zou wel reclame-makerij harerzijds zijn.”

Dat de werkgevers zóó zouden redeneeren verbaasde mij niet, na alles wat ik zelf van hen en van niet-patiënten had gehoord.

Verbazing en ergernis wekte de uitspraak van twee niet met name genoemde doctoren, door het blad als specialisten op het gebied van vrouwenziekten geïntroduceerd. De een getuigde boudweg: „de ziekten, waarop mevrouw Jacobs zinspeelt, bestaan alleen bij gehuwde vrouwen, die twee of drie kinderen hebben gehad.” En verder wilde hij nog wel verklaren het in principe wenschelijk te vinden, dat de meisjes—en ook ieder ander—kunnen zitten. „Het staan geeft echter volstrekt geen aanleiding tot zoo’n kolossale bron van ellende als dr. Jacobs doet voorkomen. Dan moesten ook maar de ziekenverpleegsters worden afgeschaft. Die staan veel meer en hebben een veel vermoeiender werk.” De ander schreef dat men, „om er grondig over te kunnen oordeelen, eerst een studie zou moeten maken van de verschijnselen, die zich voordoen bij meisjes, die den geheelen dag staan en in hoever diezelfde verschijnselen bij andere meisjes niet voorkomen.”

Hoe dwaas deze en soortgelijke uitlatingen op zich zelf beschouwd ook mochten zijn, mij gaven ze aanleiding op de zaak terug te komen, en telkens weer te verklaren, hoe noodzakelijk het was om de winkeljuffrouwen gelegenheid te geven, nu en dan te kunnen uitrusten.

Intusschen werd door de winkeliers zelf meer en meer aan mijn wensch voldaan en daarnaast gingen verschillende vereenigingen aandringen op het wettelijk instellen van een vervroegd sluitingsuur voor winkels en magazijnen, alsmede op de verplichting om aan de bedienden in de verkoopgelegenheden zitplaatsen te verschaffen. Dit duurde totdat in 1902 door den toenmaligen Minister van Binnenlandsche zaken bekend gemaakt werd, dat een wetsontwerp in zake het verplichtend stellen van zitgelegenheden voor winkelpersoneel in voorbereiding was.

Te Amsterdam bestond toen reeds eenigen tijd een comité ter verkrijging van een wettelijk vastgesteld sluitingsuur voor winkels en magazijnen. Uit een mededeeling den twintigsten December 1902 door dat comité in „de Telegraaf” gepubliceerd, citeer ik het volgende:

Ons Comité heeft zich tot h.h. medici te Amsterdam gewend om met van ter zake kundigen verkregen bewijsmateriaal te kunnen optreden om de stelling te bewijzen, dat het lang staan voor vrouwelijke winkelbedienden hoogst nadeelig is voor de gezondheid. Het Comité meldt echter over de te dien einde rondgezonden vragenlijsten:

„Ondanks herhaalde aanschrijvingen is het ons niet mogen gelukken, een beduidend aantal antwoorden machtig te worden. De houding dier h.h. medici echter is in dezen (op zijn zachtst uitgedrukt) onbegrijpelijk. Want toen in Berlijn eene dergelijke enquête werd ingesteld, hebben de plaatselijke artsen wel geantwoord. Het resultaat hiervan heeft het „Handlungs-Gehilfenblatt” des „Centralverbandes der Handlungs-Gehülfinnen Deutschlands” gepubliceerd.

Voorloopig moet het comité zich dus behelpen met wat men te weten is gekomen uit een rapport van de ziekenkas der Berlijnsche kooplieden, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat de groote meerderheid der artsen de voor de gezondheid schadelijke werking van het aanhoudend staan erkennen, en dat het derhalve in het belang der volksgezondheid noodzakelijk is, den verkoopsters het gebruik maken van zitgelegenheden toe te staan, gedurende den tijd, dat zij niet door het bedienen van het publiek worden in beslag genomen.”

Blijkt uit het bovenstaande niet duidelijk, hoe weinig de toen in de hoofdstad praktiseerende medici doordrongen waren van hun socialen plicht? Hoe weinig beseften zij, dat het toch in de eerste plaats op hun weg lag ziekten te voorkomen, indien de gelegenheid zich daartoe bood.

Toen in 1902 de zaak waarvoor ik sinds jaren had geijverd, zich in de belangstelling der regeering mocht verheugen, heb ik nog eenige Kamerleden op de hoogte gebracht van de groote belangen, voor duizenden jonge vrouwen verbonden aan het tot stand komen van een wet als door mij bedoeld en gewenscht.

Daarna was mijn taak in deze afgeloopen. Inderdaad heb ik de voldoening gesmaakt, dat ongeveer twintig jaar nadat ik voor de eerste maal gewezen had op de noodzakelijkheid om het bedienend personeel in winkels en magazijnen achter de toonbank gelegenheid te geven om te gaan zitten, het aanbrengen van zitplaatsen bij de Wet werd voorgeschreven.

VIII

MIJNE BEMOEIINGEN OP PACIFISTISCH EN ANTI-MILITARISTISCH TERREIN

Antimilitaristische neigingen.—Mijn aanraking met Bertha von Suttner.—Ontmoeting van William Stead en Björnsterne Björnson.—Tijdens den Zuid-Afrikaanschen oorlog.—De groote ontgoocheling.—Het internationale Vrouwencongres in 1915 in Den Haag gehouden.—Bezoeken bij de regeeringen van verschillende landen.—Reizen in oorlogstijd.—Naar Amerika.—Congres te Zürich (Mei 1919).—Een studiereis door Duitschland.—Werk ten bate van de krijgsgevangenen in Siberië.—Nieuwe indrukken in Duitschland in 1920.—Voorstel tot actie voor een herziening der Vredestractaten.—Het internationale Vrouwencongres in 1922 in Den Haag.

Hoewel ik noch op pacifistisch, noch op anti-militaristisch gebied pionierswerk heb verricht, kan ik in alle oprechtheid getuigen, dat ik steeds van ganscher harte den oorlog heb verfoeid en dat ik nimmer van het militarisme ook maar iets goeds verwachtte. Waarschijnlijk heb ik die gevoelens van mijn goeden vader meegekregen. Als kind reeds kon ik volkomen begrijpen, dat hij de verbintenis, welke hij na het voltooien van zijn medische studies met het Rijk had aangegaan om als militair geneesheer op te treden, zoodra de gelegenheid zich daarvoor bood, verbrak. Het eenig motief trouwens, dat hem er toe had geleid zich tijdelijk in dienst van het militarisme te stellen, was de hoop om spoediger dan anders het geval zou zijn geweest, te kunnen trouwen. Intusschen bleek al aanstonds dat zijn levensbeschouwing met die der militaire autoriteiten niet de minste overeenkomst bezat en hij zijn verbintenis zoo spoedig mogelijk moest verbreken.

Nu is het wel merkwaardig, dat niettegenstaande hij zijne kinderen anti-militaristische ideeën trachtte bij te brengen, drie van zijn zes zonen de militaire loopbaan hebben gekozen, hoewel hij voor alle zes de mogelijkheid van een wetenschappelijke opleiding had geopend.

’t Begon met Johan die, door en door militaristisch van aanleg, de studie in de philosophie liet varen om zich voor den krijgsdienst te bekwamen. Hij was het die, volkomen te goeder trouw, de jongere broers en ook de zusters trachtte te doen gelooven, dat bij de gewapende macht voor een groot deel het heil van het vaderland berustte. Zijn woorden maakten indruk op twee jongere broers. Staande onder Johan’s invloed en op een dwaalspoor gebracht door de schoolboeken, waarin immers alleen militairen als helden werden vereerd, veronderstelden zij dat geen loopbaan eervoller en voor de gemeenschap heilzamer kon zijn dan de militaire.

In den aanvang van dit boek vertelde ik reeds, dat één broer, die aanvankelijk architect zou worden, later te Kampen voor den militairen dienst werd opgeleid, en dat mijn jongste broer na verloop van tijd dat voorbeeld volgde.

Hoe dikwijls heb ik met die broeders gediscussieerd over hunne levensopvatting. Vaak voelde ik mij gedrongen mijn verontwaardiging uit te spreken over de in mijn oogen menschonteerende militaire discipline, die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan den meerdere eischt, ook dan wanneer de lagere in rang, geestelijk verre de meerdere van den superieur genoemd moest worden.

Dat blindelings gehoorzamen, die onpersoonlijke devotie, was absoluut in strijd met mijn begrip van eigenwaarde. Mijn toen nog onbewust democratisch voelen kwam er tegen in opstand, mijn sterk geprononceerde drang naar vrijheid kon er zich niet mede vereenigen. Telkens wanneer ik er getuige van was, dat zelfs in de ouderlijke woning de sergeant gehoorzaamheid eischte van den korporaal, bracht het mijn bloed aan het koken.

Dat er verband bestond tusschen militarisme en oorlog werd mij langzamerhand duidelijk tijdens den Fransch-Duitschen oorlog (1870–71), toen ik, als zooveel andere kinderen, avond aan avond oud linnen uiteenrafelde dat als pluksel naar de lazaretten van beide landen werd gestuurd voor de gewonde soldaten. Hoe primitief waren toen nog de geneeskundige hulpmiddelen, vergeleken met die in den jongsten oorlog. Toch hebben de mannen der wetenschap bitter weinig kunnen doen om de mokerslagen van het bruut geweld te verzachten.

Sterk voelde ik in die dagen het onmenschelijke dat aan den oorlog ten grondslag ligt. Toen later Nederland Atjeh bestookte, heb ik mijn sympathie voor de Atjehers nooit onder stoelen of banken gestoken en ik heb steeds geweigerd dien oorlog als een door de omstandigheden gerechtvaardigd gebeuren te beschouwen.

In dit verband wensch ik gaarne weemoedige hulde te brengen aan wijlen mijn oudsten broeder Dr. Julius, die reeds in 1895 te Makasser is overleden. Als officier van gezondheid heeft hij het oorlogsbedrijf in Atjeh van nabij meegemaakt, maar hij was, desondanks of waarschijnlijk juist daardoor, vredelievend gezind. Reeds in den tijd toen er geen woorden genoeg waren om den Atjeher, dien „vuilen sloeber”, neer te halen en te verguizen, was hij met bewondering voor den heldhaftigen vijand bezield. Van die oprechte waardeering voor den inlander, zelfs in oorlogstijd, heeft hij trouwens,—laat het mij even mogen herinneren,—duidelijke blijken gegeven door een geschrift als „Eenigen tijd onder de Baliërs” (1883), maar inzonderheid nog door een groot, medisch-ethnographisch werk, dat door het Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap is uitgegeven, over: „Het Familie- en Kampong-leven in Groot-Atjeh” (Leiden E. J. Brill, 1894). Ik heb hem niet weergezien, maar ik ben steeds in geregelde briefwisseling met hem gebleven en zoo kende ik zijn gedachten. Welnu, hij was diep overtuigd dat de onnoodige oorlog met Atjeh ons land onwaardig was en dat hij alleen om zekere belangen was doorgedreven.

Pionierswerk, ik zeide het reeds, heb ik als pacifiste niet verricht. De hier te lande bestaande vredesvereenigingen eischten van hare leden niet veel meer dan een kleine jaarlijksche contributie. Veel propaganda werd er niet gemaakt.

In 1898 werd voor het eerst hier te lande een Internationaal Vredes-Congres gehouden, waarvan ik lid werd. Op dit Congres ontmoette ik voor het eerst persoonlijk,—briefwisseling had er tusschen ons reeds bestaan,—de Oostenrijksche vredes-apostel, Bertha von Suttner. Bij die eerste ontmoeting met de schrijfster van het toen alom gelezen boek „die Waffen nieder”, verklaarde zij mij onomwonden dat ik haars inziens op den verkeerden weg was. Aan het vredeswerk moest ik mijn volle kracht geven, de vrouwen-kiesrecht-propaganda kon ik gevoeglijk aan anderen overlaten. Dien arbeid achtte zij mijner onwaardig.

Ik voerde daartegen aan, dat Bertha von Suttner’s idealen eerst werkelijkheid konden worden, als de vrouw hare politieke rechten ten volle had veroverd. Eerst als niet alleen de stem van den man in de parlementen werd gehoord zou de vredesgedachte bij de regeeringen ingang kunnen vinden. Naar mijne meening moesten de vrouwen den kiesrechtstrijd tot het behalen der overwinning ten einde voeren, alvorens zij met vrucht aan de vredespropaganda konden medewerken.

Wie het werk van Bertha von Suttner heeft gevolgd en daarnaast ook mijn staat van dienst kent, zal begrijpen, dat wij elkander niet hebben overtuigd. Zij bleef het prediken van den wereldvrede als haar taak beschouwen, ik volgde den eenmaal ingeslagen weg, die naar het vrouwenkiesrecht leidde.

In den zomer van het jaar 1899 vergezelde ik mijn echtgenoot naar Christiania, waar hij het congres van de Interparlementaire Unie bijwoonde. Wij logeerden in hetzelfde hotel waar het echtpaar von Suttner zijn intrek had genomen en al dadelijk aan het ontbijt hervatten Frau von Suttner en ik de in Den Haag begonnen discussie over de vraag, welke kwestie als de meest urgente beschouwd moest worden: die van het vrouwenkiesrecht of die van den vrede.

Als wij eens een compromis sloten, stelde ik voor. „Gij kunt bij het propageeren der vredesideeën gemakkelijk een lans breken voor het vrouwenkiesrecht, terwijl ik bij het verdedigen van het goed recht der vrouw op politieke gelijkstelling met den man, kan wijzen op het nauwe verband tusschen dit vraagstuk en dat van den wereldvrede.”