Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 12

Chapter 123,686 wordsPublic domain

Mijn eminente tegenstandster bleek voor een dergelijk accoord niet te vinden. Dat was, volgens haar redeneering, een vertroebelen van twee idealen. „Of gij strijdt voor het vrouwenkiesrecht, of gij strijdt voor den wereldvrede,” luidde haar opvatting. „Elk dezer ingrijpende vraagstukken eischt den ganschen mensch, en beide zijn ze te belangrijk dan dat wij ze en passant kunnen behandelen.”

Zoo bleef de kloof die ons scheidde onoverbrugd. En toen ik tijdens het Congres de gelegenheid te baat nam om in den kring der vredesapostelen, waarvan velen invloedrijke regeeringspersonen waren uit verschillende landen, voor vrouwenkiesrecht te pleiten, haalde ik mij daardoor zelfs den toorn van Frau von Suttner op den hals.

’t Gebeurde tijdens het groote afscheidsdiner dat het Noorsche bestuur van de Interparlementaire Unie de buitenlandsche gasten aanbood. Mij viel de eer te beurt door den Minister van Binnenlandsche Zaken, den heer Quam, aan tafel te worden geleid, een voorrecht dat ik voor een niet gering gedeelte dankte aan mijne bekendheid met Mevrouw Quam, die toen reeds aan het hoofd der vrouwenkiesrechtbeweging in Noorwegen stond. Waarschijnlijk was mijn positie aan den feestdisch oorzaak, dat men mij verzocht den dronk te beantwoorden door den president van het Odelsthing, den heer Horst, gewijd aan de vrouwen, die door hare aanwezigheid niet alleen blijk hadden gegeven met het doel der conferentie in te stemmen, maar ook luister hadden bijgezet aan de feestelijkheden, voortvloeiend uit het Congres. Mijn poging om Bertha von Suttner de mij opgelegde taak over te dragen, mislukte. Op het briefje, waarin ik haar verzocht namens de aanwezige vrouwen te bedanken, volgde een weigerend antwoord. Er restte mij dus niet anders dan de taak te aanvaarden. Ik begon met den heer Horst dank te zeggen voor zijn hoffelijke woorden en met de Noorsche commissie voor ontvangst de erkentelijkheid te betuigen van de vrouwen, die in de bovenloges van de congreszaal de besprekingen konden volgen en daarbij, dank zij de vriendelijke attentie der heeren, konden snoepen van allerheerlijkste bonbons. Daarna wees ik er op, dat geen der congressisten bij het beramen van middelen om den wereldvrede te handhaven, gedacht had aan het uitnemende middel, dat invoering van het vrouwenkiesrecht heette. „Hoe gaarne” zeide ik, „zouden wij vrouwen zelfs afstand hebben gedaan van de ons ter beschikking gestelde lekkernijen, indien het ons vergund was geweest om als gelijkgerechtigden op politiek gebied aan uwe beraadslagingen deel te mogen nemen.” En ik eindigde met de hoop uit te spreken, dat, wat de politieke ontvoogding der vrouw betreft, Noorwegen aan de andere Europeesche rijken een voorbeeld zou geven. Daarmede ware dan tevens een element in de politiek gebracht, waarvan men veilig mocht aannemen, dat het eventueele geschillen tusschen de landen niet door het zwaard, doch door een scheidsgerecht zou laten beslechten.

Mijn speechje oogstte véél bijval. Bertha von Suttner echter toonde mij onomwonden hare ontevredenheid, omdat ik op een feestmaal van leden eener vredesconferentie propaganda had gemaakt voor vrouwenkiesrecht. In haar oogen was ik buiten mijn boekje gegaan. Degenen, wien het voorrecht ten deel mocht zijn gevallen met Bertha von Suttner in direct contact te zijn gekomen, behoef ik niet te zeggen, dat haar ontstemming van voorbijgaanden aard was. De feiten hebben het haar trouwens geleerd en zij schroomde niet mij dit later ronduit te verklaren, dat alleen dan wanneer vrouwen directen invloed zouden hebben op de regeering van het land, oorlogen konden worden voorkomen.

Toen zij, een jaar vóór haar dood, in 1913 in Nederland een vredesconferentie bijwoonde, mocht ik de voldoening smaken, dat Mevrouw von Suttner, haar toen reeds wankele gezondheidstoestand ten spijt, desgevraagd zich bereid verklaarde te Amsterdam op een openbare vergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht als spreekster op te treden. Wie zich toen onder haar gehoor bevonden, zullen zich ongetwijfeld haar schitterend pleidooi voor de politieke ontvoogding der vrouw herinneren. Die zullen ook weten, dat zij toen volmaakt geloofde in de kracht waarmede de oorlog zou kunnen worden bestreden, zoodra de vrouwen op politiek gebied niet meer als onmondigen zouden worden beschouwd.

Onder degenen die mij te Kristiania over mijn speechje kwamen complimenteeren, bevond zich ook de toen reeds wereldberoemde journalist William Stead. Millioenen lezers in binnen- en buitenland volgden in die dagen, volgden ook in latere jaren, steeds met de grootst mogelijke belangstelling zijn vurige, welsprekende pleidooien voor een duurzamen vrede, zoo goed als zijn artikelen ten behoeve van betere strafwetten, of zijn essays over het feminisme.

Mij is Stead een goed vriend geworden met wien ik van onze eerste ontmoeting af in briefwisseling heb gestaan. De meesten mijner lezers zullen zich herinneren, dat deze krachtige vredesapostel behoorde tot de vele passagiers, die op weg van de oude naar de nieuwe wereld, in 1912 op den geweldigen stoomer „Titanic”, tengevolge van het in botsing komen met een drijvenden ijsberg, schipbreuk leden en op den bodem van de zee hun laatste rustplaats vonden.

Schrijvend over de mannen en vrouwen die aanzaten bij het feestmaal te Kristiania, verrijst voor mijn geestesoog de figuur van niemand minder dan Björnsterne Björnson, den grooten Noor, die aan tafel de eigenlijke feestrede uitsprak, gebaseerd op de leuze: „Wilt gij den oorlog tegengaan, begin dan met de leugen in de politiek en in de diplomatie te bestrijden.”

Mijn echtgenoot en mij viel het voorrecht ten deel, dien avond met den heer en mevrouw Björnson in persoonlijk contact te komen. In den loop van het gesprek vertelden wij, dat het in onze bedoeling lag na afloop van het congres nog eenigen tijd in Noorwegen te blijven. Wij wilden het wondermooie land, dat wij reeds van een vroeger bezoek kenden, opnieuw bereizen. Nauwelijks had het echtpaar Björnson dat gehoord of de vriendelijke uitnoodiging volgde om op hun buitenplaats, boerenhofstede is eigenlijk een betere kwalificatie, in Olestad, te komen logeeren. Daar onze weg ons eenigen tijd later inderdaad naar het Gausdal voerde, waarin Olestad ligt, schreven wij den heer en mevrouw Björnson, dat wij van die gelegenheid gebruik wilden maken hen te bezoeken.

Stel U onze verrassing voor toen wij bij onze aankomst niet alleen de Nederlandsche vlag van het huis zagen wapperen, maar ook in de eigen taal, bij de poort vóór het huis, door twee kleinkinderen van onzen gastheer welkom werden geheeten.

Hoe hartelijk was de ontvangst en hoe heb ik genoten in de woning van de familie Björnson. Daar, in dat ruime buitenhuis, leerden wij den man die in Kristiania voortdurend het middelpunt van aller belangstelling was geweest terdege kennen en waardeeren, niet het minst door de lange gesprekken welke wij voerden over onderwerpen, die den grooten Noor en ons even na aan het hart lagen. En juist in die dagen was er zooveel waardoor deze man die de waarheid boven alles lief had, diep werd getroffen. Engeland’s optreden in Transvaal maakte de verontwaardiging gaande van al wie streefden naar waarheid en vrede. In Rennes voerde men het door Emile Zola aanhangig gemaakte proces tegen den Jood Dreyfus, op losse gronden beschuldigd van hoogverraad. Eenige keeren per dag werd Björnson door het Reuter-bureau te Kristiania per telefoon van den stand van zaken op de hoogte gehouden.

„Hoe staat het in Rennes?” vroeg ik op een keer, nadat hij de hoorn van de telefoon had opgehangen. En vol verontwaardiging luidde toen het antwoord: „Geen van de generaals of ex-ministers heeft nog den zedelijken moed gehad te verklaren, dat hij werd misleid of zich vergiste. Door in de leugen te volharden trachten zij hun figuur te redden.”

De leugen was het, die volgens Björnson aan het Dreyfus-proces ten grondslag lag; ook door de leugen zou de ongelijke strijd tusschen het machtige Britsche rijk en den kleinen Boerenstaat ontbranden.

Met innig genoegen denk ik nog steeds terug aan mijn verblijf in Björnson’s omgeving, en gaarne neem ik nu en dan de boeken ter hand die hij mij bij het afscheid schonk en waarin hij eenige hartelijke woorden neerschreef.

Nog slechts korten tijd waren wij in het vaderland terug, toen de oorlog tusschen Engeland en Zuid-Afrika uitbrak. Van mijn sympathie voor het handjevol dappere Boeren heb ik steeds in het openbaar getuigd. Zoo vaak de gelegenheid zich voordeed, heb ik in woord en geschrift hunne belangen bepleit. Toen in dien tijd de Vereeniging „Vrede door Recht”, die om de vredesboodschap van den toenmaligen Tsaar van Rusland te herdenken, in alle groote steden van ons land openbare vergaderingen belegde, mij uitnoodigde om in de hoofdstad zulk een bijeenkomst voor te bereiden en te leiden, heb ik terstond de gelegenheid aangegrepen om sterk tegen Engeland’s optreden te protesteeren. Als zichtbaar resultaat hiervan beschouw ik de weigering van de Engelsche regeering om mij een pas te geven, toen ik op eigen kosten en eigen risico naar Zuid-Afrika wilde gaan om aan de vrouwen en kinderen in de concentratie-kampen medische hulp te verleenen. Ernstig heb ik mij toen afgevraagd of het niet verstandiger zou zijn geweest mijn gevoelens minder duidelijk kenbaar te maken. Dan had ik de vrouwen en kinderen in Transvaal wellicht daadwerkelijke hulp kunnen verleenen, maar .... honderd tegen één zou men mij toch een paspoort hebben geweigerd. Engeland had er alle belang bij, zoo weinig mogelijk buitenstaanders tot de concentratiekampen toe te laten, waar toestanden heerschten die het Britsche rijk eeuwig tot schande zullen zijn.

Aan pacifistischen arbeid heb ik, in de jaren volgende op dien oorlog, weinig gedaan. Wel vergezelde ik mijn echtgenoot, zoo vaak hij deelnam aan de congressen van de Interparlementaire Unie, maar dan was mijn doel toch steeds het aanknoopen van relaties met parlementsleden in de verschillende landen, ten einde bij hen het vrouwenkiesrecht te kunnen propageeren. De excursies en de feestelijke bijeenkomsten, aan die congressen verbonden, boden daarvoor een geschikte gelegenheid.

Ook een andere reden maakte dat ik voor pacifistische propaganda in dien tijd niet zoo heel veel voelde. Mijns inziens viel er beter en vooral urgenter werk te verrichten. De groote mogendheden, dacht ik, zouden immers geen oorlog durven ontketenen, daar op de medewerking van het volk als massa niet meer gerekend kon worden. Zóó idealiseerde ik de volkspsyche, dat ik zelfs in den militairen-staat bij uitnemendheid, in Duitschland, het volk te ontwikkeld waande om deel te nemen aan een Europeeschen oorlog. Dat op den Balkan, dat in het Oosten nu en dan nog oorlogen werden gevoerd, beschouwde ik als een natuurlijk gevolg van de geringe ontwikkeling in die landen. Door vredespropaganda zou men den toestand daar niet kunnen veranderen. Daarvoor moest de bevolking eerst een hoogere trap van beschaving hebben bereikt.

Van het verkeerde mijner opvatting in dezen heeft de droeve werkelijkheid mij overtuigd. Geen oogenblik nog geloofde ik in de mogelijkheid van een wereldoorlog, toen een vriendin uit Rusland mij in het begin van April 1914 schreef, dat men daar te lande bezig was het volk te mobiliseeren en dat in de politieke kringen, waar zij hare relaties had, de naaste toekomst met angst en vrees tegemoet werd gezien. Zóó weinig nam ik haar sombere voorspellingen au sérieux, dat ik haar in antwoord op haar schrijven, uitnoodigde met mij naar Scheveningen te gaan. „Door den frisschen zeewind,” schreef ik haar, „zullen de muizenissen wel uit uw hoofd waaien”.

Ook toen mij omstreeks dienzelfden tijd uit Weenen de raad werd gegeven de Oostenrijksche papieren, die ik eventueel mocht bezitten, van de hand te doen, omdat een oorlog dreigde, heb ik dat advies eenvoudig voor kennisgeving aangenomen.

Het eerste angstgevoel bekroop mij, toen ik kort daarna als gedelegeerde het internationaal congres van den internationalen Vrouwenraad te Rome bijwoonde. Met andere afgevaardigden kreeg ik de waarschuwing om ons op straat bij voorkeur niet van de Duitsche of de eigen taal, die voor buitenlanders zooveel overeenkomst heeft met het Duitsch, te bedienen, omdat wij ons daardoor wellicht aan minder aangename bejegingen zouden blootstellen.

Een verblijf daarna van eenige weken te Capri en Anacapri in gezelschap van nu wijlen Miss Anna Howard Shaw uit Amerika, de eminente predikante, van wier welsprekendheid de Hollandsche vrouwen meer dan eens mochten genieten, en hare huis- en reisgenoote, Miss Lucy E. Anthony, deed mij intusschen elke gedachte aan een op handen zijnden oorlog vergeten.

Verkwikt door de Italiaansche reis keerde ik huiswaarts, om spoedig daarna weer naar Londen te vertrekken, waar begin Juli het internationaal bestuur van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht met de presidenten van de vereenigingen uit de aangesloten landen, zou vergaderen. Geen woord werd op die bijeenkomst over een naderenden oorlog gerept, zelfs op de thee op het terras van het parlementsgebouw, ons door Engelsche parlementsleden aangeboden, deed niets aan de mogelijkheid daarvan denken.

Bij mijn thuiskomst uit Londen vond ik een telegram, meldende dat Olive Schreiner, uit Zuid-Afrika, de schrijfster van „A story of an African farm”, „Dreams” en andere wereldberoemd geworden boeken, op de terugreis van Duitschland, waar zij eenigen tijd had vertoefd, bij mij voor dien avond en eenige volgende dagen gastvrijheid vroeg. Wat Olive Schreiner voor haar land is geweest, zullen de ouderen onder mijn lezers zich ongetwijfeld herinneren. Haar wereldbekenden naam dankt zij niet alleen aan hare vele belangrijke geschriften, maar ook door haar moedig gedrag in den Zuid-Afrikaansch-Engelschen oorlog, waarmede zij zich de sympathie van ontelbaar velen verwierf, doch tevens den haat der toenmalige Engelsche regeering. Het gevolg was, dat zij door de Engelsche autoriteiten jaren lang naar een ongezond en onherbergzaam oord werd verbannen, waar zij het leven van eene gevangene moest leven, en dat daardoor hare gezondheid werd geknakt.

In plaats van ’s avonds tusschen tien en elf uur, het tijdstip waarop de trein werd verwacht, kwam mijn gast des nachts te één uur in Amsterdam aan, zoo hypernerveus, dat ik mij ernstig ongerust maakte over haar geestestoestand. In Creisau (Silezië) waar zij bij Graaf en Gravin Von Moltke had gelogeerd, was de aanstaande oorlog het gesprek van den dag geweest. Bij haar gastheer, neef en erfgenaam van Duitschland’s grooten veld-maarschalk, werd over niets anders gesproken dan over de vreeselijke gebeurtenis die onvermijdelijk scheen. Op reis naar Nederland had de trein aan elk station een lang oponthoud gehad, omdat de mobilisatie allerwege in vollen gang was. Daardoor had mijn vriendin in gedachten de verschrikkingen van den oorlog, waarvan zij in haar vaderland van zoo dichtbij getuige was geweest, als het ware opnieuw doorleefd.

De kalmte die in mijn woning heerschte, de afleiding die Amsterdam haar bood, brachten mijn gast langzamerhand weer tot haar zelf, maar toen de avondbladen van den 31sten Juli 1914 het alarmeerend bericht brachten, dat ook het Nederlandsche leger mobiel werd gemaakt, besloot zij onmiddellijk naar Engeland te vertrekken, bevreesd als zij was, haar vaderland anders niet meer te zullen bereiken.

Den volgenden ochtend vroeg reeds bracht ik haar naar den Vlissingschen trein. Aan het anders op dien tijd nog stille station heerschte leven en bedrijvigheid. Mannen die reeds lang den militairen dienstplicht hadden volbracht, echtgenooten en huisvaders, moesten gevolg geven aan de roepstem der regeering, moesten huis en hof verlaten om naar de grenzen te trekken. Diep onder den indruk van den ernst der situatie namen zij afscheid van hunne gezinnen, die maar al te vaak onverzorgd achter bleven.

Toen de trein uit het gezicht was verdwenen, wendde ik mij tot de weenende vrouwen met de bedoeling haar moed in te spreken. Nauwelijks bemerkten zij dat ik belangstelde in haar lot, of ik werd van alle kanten met vragen bestormd. In vele gevallen had de man en vader, die toch niet geheel zonder zakgeld kon heengaan, het den avond te voren ontvangen weekloon meegenomen, vertrouwend op de overheid, waarvan immers was gezegd dat zij voor de achterblijvende gezinnen zou zorgen. En nu vroegen de vrouwen mij, geheel te goeder trouw, waar zij het toegezegde geld konden halen. Anderen weer wenschten te weten of bakker en slager, of melkboer en kruidenier haar in afwachting van de eerste uitkeering, op crediet zouden leveren. De vragen die men mij stelde, de opmerkingen die werden gemaakt, brachten mij tot het besef dat niet alleen troost in zieleleed moest worden geschonken, maar dat het wel degelijk noodig was, middelen te vinden, waardoor terstond in de allernoodzakelijkste levensbehoeften dezer lieden kon worden voorzien.

Diep onder den indruk van hetgeen ik dien ochtend had aanschouwd en vernomen, riep ik, thuisgekomen, mijn medebestuursleden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht terstond voor een dringende bespreking bijeen. Ik vertelde wat ik enkele uren te voren had medegemaakt en allen waren het met mij eens, dat getracht moest worden directe hulp te verleenen. De steun van overheidswege, dat wisten wij maar al te goed, zou, zelfs indien terstond de voorbereidende maatregelen werden getroffen, nog wel geruimen tijd op zich laten wachten.

Ons eerste werk was een brief op te stellen aan de besturen van alle afdeelingen der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Den leden wijzend op onzen plicht om zooveel mogelijk de door den oorlogstoestand in Europa ook ten onzent ontstane ellende te helpen lenigen, verzochten wij haar de propaganda voor vrouwenkiesrecht voorloopig te staken en zich geheel te wijden aan het werk tot steunverleening. Wij gaven in die circulaire de bestuursleden ten deze verschillende wenken. Hoewel het Zondag was, slaagden wij er in dit schrijven nog dienzelfden dag te laten multipliceeren, waarna het terstond werd verzonden.

Den volgenden ochtend ging een strooibiljet naar de drukkerij, dat later op den dag door padvinders en padvindsters in de volksbuurten werd verspreid. Het was een manifest, gericht aan alle vrouwen die in moeilijkheden verkeerden, doordat de kostverdiener onder de wapenen was geroepen. Wij deelden haar mede dat zij zich tot ons konden wenden om raad en steun, dat wij zelfs bereid waren haar zoo noodig financieel te helpen.

In de dien dag verschijnende couranten wezen wij op de noodzakelijkheid, om vrouwen en kinderen die het noodig hadden, zoolang de overheid nog geen vergoeding uitkeerde, bij te staan en we vroegen voor dit doel financieele hulp.

Bakkers, kruideniers, melkleveranciers, leiders van gaarkeukens en wie daarvoor verder in aanmerking kwamen, bereikte het verzoek om medewerking te willen verleenen, in zooverre dat zij op door ons geteekende bons artikelen zouden verstrekken, voor welks betaling wij ons verantwoordelijk stelden.

Tot diep in den avond waren wij met dit werk bezig. Toen wij den volgenden ochtend den arbeid wilden hervatten, verzocht een andere groep vrouwen die soortgelijk werk wilden verrichten ons, met haar over een eventueele samenwerking te confereeren, welke dan ook tot stand is gekomen.

Eenige maanden heb ik mijne krachten aan dat groote vrouwencomité gegeven, maar hoewel het niet te loochenen valt dat daardoor veel leed is verzacht, kon ik mij met dit soort philanthropisch werk op den duur niet vereenigen. „Hielpen wij, door de gevolgen van den oorlog zooveel mogelijk te verzachten, eigenlijk niet mede aan het bestendigen van den gruwelijken, den menschonteerenden toestand?”, vroeg ik mij vaak in wanhoop af. Dan dacht ik aan de eeuwenoude kathedralen, aan de kunstschatten en waardevolle bibliotheken, in dollen overwinningsroes vernield. Dan dacht ik meer nog aan de dooden en verminkten, aan de duizenden gezinnen, wreed uiteengerukt, aan de kinderen die hun vader, aan de vrouwen die den echtgenoot verloren door den ijdelen waan van wie de volkeren regeerden. Steeds duidelijker besefte ik, dat, daar de mannen door zich in den aanvang van den oorlog tot den militairen dienst te leenen, het vreeselijk gebeuren mogelijk hadden gemaakt, de vrouwen wellicht in staat zouden blijken de menschenslachting te doen eindigen, indien zij eendrachtig weigerden om den door den krijg ontstanen nood te lenigen en het raderwerk der maatschappij gaande te houden. Als de vrouwen niet de hand aan den ploeg sloegen, als zij overeenkwamen géén arbeid, vroeger door mannen verricht, op zich te nemen, zouden de regeeringen dan niet gedwongen worden het heilloos bedrijf te staken?

De vrouwen van alle landen wilde ik bijeenroepen voor een gezamenlijk protest tegen den gruwelijken oorlog. Aan haar was het misschien gegeven de middelen te vinden, die aan den krijg een einde konden maken. Als ik, die leefde in een land dat slechts indirect onder de gevolgen van den wereldstrijd leed, zoozeer de angsten voelde van de vrouwen in de oorlogvoerende rijken, hoe moesten die dan wel gebukt gaan onder haar schier ondragelijk lot.

Terwijl ik peinsde over dit probleem en op middelen om mijn plannen te verwezenlijken, ontving ik einde October 1914 een brief uit Berlijn, met de mededeeling, dat de Duitsche vrouwen de uitnoodiging om in Juni 1915 in de hoofdstad van haar land bijeen te komen op een congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, tengevolge van de thans heerschende omstandigheden, hadden ingetrokken.

Aangezien mij in mijn hoedanigheid van presidente der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht het bovenstaande werd gemeld, vond ik het noodig terstond het comité voor buitenlandsche aangelegenheden, uit leden onzer vereeniging gevormd, bijeen te roepen. Aan de hand van het uit Berlijn ontvangen schrijven, wees ik op de noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk de vrouwen uit de verschillende landen op neutraal terrein samen te brengen. Na eenige discussie kon het comité zich met die zienswijze vereenigen. Als resultaat der bespreking, werd begin November tot het bestuur van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht en den presidenten der aangesloten vereenigingen een oproep gericht, waarvan de slotalinea luidde:

„In deze verschrikkelijke tijden, waarin tusschen de verschillende volken zooveel haat gezaaid wordt, moeten de vrouwen toonen dat zij ten minste hare solidariteit behouden hebben, en dat zij in staat zijn wederkeerige vriendschap gaande te houden.

Nu het onmogelijk schijnt het voorgenomen Congres in Berlijn te houden, stellen wij voor, een bijeenkomst van den Wereldbond in een neutraal land te houden, waarin alleen de zaken van den Bond besproken worden, doch waaraan openbare avondvergaderingen worden verbonden, waarin het vrouweninzicht over den huidigen toestand in Europa uiteengezet kan worden. Daar Holland een der landen is dat door de verschillende naties het gemakkelijkst bereikt kan worden, noodigen wij den Wereldbond uit, dat Congres in ons land te houden. Wij zijn bereid alle voorbereiding op ons te nemen.”

In een particulier schrijven, dat tegelijk met den officieelen brief werd verzonden, ondersteunde Miss Crystal Macmillan te Londen, een der secretaressen van den Wereldbond, ons verzoek. Zij stelde tevens voor, alle internationale vrouwenorganisaties van onze plannen op de hoogte te brengen en uit te noodigen tot het bijwonen van het congres, waar h.i. de vredesvoorwaarden, door verschillende vredesvereenigingen voorgesteld, ook een punt van bespreking dienden uit te maken.

Al de hiergenoemde brieven en berichten werden in het December-nummer 1914 van „Jus Suffragii” (het maandblad van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht) gepubliceerd.