Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 13
De antwoorden, die ik de eerstvolgende maanden op mijn uitnoodiging mocht ontvangen, waren weinig bemoedigend. De meeste bestuursleden van den Wereldbond noemden een congres als door mij werd voorgesteld, een politieke fout. Anderen spraken van een onzinnig plan. „Wachten tot na den oorlog” was wel het meest bezadigde advies dat men meende te moeten geven. Met uitzondering van Miss Macmillan, viel van dien kant op geen hulp te rekenen. En ook de besturen der aangesloten vereenigingen gaven weinig hoop, al schreef meer dan één lid: „Persoonlijk voel ik veel voor Uw denkbeeld, mijn organisatie wil er echter niets van weten.”
Met dat al bracht de in „Jus Suffragii” gepubliceerde uitnoodiging mij zooveel adhaesiebetuigingen, óók van vrouwen uit de oorlogvoerende landen, dat ik begreep mijn doel veel eerder en beter te zullen bereiken, wanneer het congres niet door een bepaalde organisatie, maar door een aantal vrouwen, los van vereenigingen, werd voorbereid.
Een dergelijke bijeenkomst zou dan volkomen dienstbaar gemaakt kunnen worden aan een anti-oorlog propaganda, terwijl indien de Wereldbond er zich voor spande, zakelijke vrouwenkiesrechtbelangen de hoofdschotel der bespreking moesten vormen, zoodat het protest tegen den oorlog slechts als bijkomstige omstandigheid zou worden beschouwd. Toen ik dit denkbeeld ontvouwde, verklaarde het bestuur der Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht mij in dezen niet te kunnen steunen, al voelden enkele bestuursleden individueel véél voor mijn streven.
Ik stond intusschen niet alleen. Zoowel Dr. Mia Boissevain als Mw. Rosa Manus, twee vrouwen die zich te Amsterdam bij het organiseeren der belangwekkende tentoonstelling „De Vrouw 1813–1913” bijzonder verdienstelijk hadden gemaakt, kwamen haar hulp aanbieden. Wij drieën besloten eenige vrouwen uit de dichtstbij gelegen neutrale en oorlogvoerende landen, van wier sympathie wij ten volle verzekerd waren, uit te noodigen tot een op 12 en 13 Februari 1915 te Amsterdam te houden vóórbespreking. Drie Belgische, vier Duitsche en vijf Engelsche vrouwen gaven aan onzen oproep gehoor. Bovendien waren uit de Skandinavische landen vele sympathiebetuigingen ingekomen. Met de gekomen buitenlandsche vrouwen en eenige landgenooten bereidden wij de plannen voor. Spoedig bleek ons uit de vele sympathiebetuigingen, welke van binnen- en buitenlandsche organisaties tot ons kwamen, en toen tal van vrouwen uit de ons omringende rijken zich tot medewerking bereid verklaarden, dat een congres als wij hadden beoogd, veel kans van slagen had. Vandaar dat wij besloten de internationale bijeenkomst zoo spoedig mogelijk in Den Haag te doen houden. Dr. Anita Augspurg en Lyda Gustava Heymann, twee voorname figuren uit de Duitsche vrouwenbeweging, verklaarden zich met Crystal Macmillan en Kate Courtney uit Engeland bereid om zoo spoedig hare particuliere omstandigheden het veroorloofden, naar Nederland te komen, ten einde zich met een deel van het voorbereidende werk te belasten. Van de eigen landgenooten waren het vooral Jeanne van Lanschot Hubrecht, Cor Ramondt-Hirschmann en Hanna van Biema-Hijmans, die ons in al het werk trouw ter zijde stonden. Niet het minst aan deze energieke en talentvolle medewerksters is het te danken, dat wij ondanks alle moeilijkheden, voor een groot deel veroorzaakt door het vertraagd postverkeer en doordat de censuur in de buitenlandsche staten telkens brieven verminkte, zoek maakte of achterhield, in twee maanden tijds een internationaal Congres konden voorbereiden, hetwelk door talrijke vrouwen uit niet minder dan twaalf verschillende landen werd bijgewoond.
Veel sympathiebetuigingen vielen ons in die dagen ten deel, maar daarnaast, hoe kon het anders in zoo’n felbewogen tijd, stonden wij voortdurend onder verdenking, door een der oorlogvoerende landen, in casu Duitschland, te worden betaald. Toch hadden de Engelsche en Nederlandsche vrouwen zich evengoed als hare Duitsche zusteren aansprakelijk gesteld voor de congreskosten, voor zoover die niet uit vrijwillige bijdragen bestreden konden worden. Ondanks dat werd meer dan eens de legende verkondigd dat wij in dienst van de Duitsche regeering stonden. Toen het bleek dat wij deze en soortgelijke verdachtmakingen langs onzen kant lieten gaan, trachtte men ons streven in een belachelijk licht te plaatsen. Ook dat verminderde onzen ijver en onze hoop op succes niet. Van den vroegen ochtend tot den laten avond gaven onze secretaressen zich aan haar waarlijk niet gemakkelijke taak. Stapels brieven en telegrammen werden elken dag ontvangen en verzonden en voortdurend gingen nieuwe uitnoodigingen om deel te nemen aan de besprekingen, de wereld in.
Toen gepubliceerd kon worden, dat een vrouw met wereldreputatie, dat niemand minder dan Jane Addams, de stichtster van „Hull House” in Chicago, het congres zou leiden en dat deze bekende pacifiste op haar reis naar Den Haag door een groote groep Amerikaansche vrouwen vergezeld zou worden, begrepen onze tegenstanders dat ons streven toch nog zoo dwaas niet was.
Hoezeer in sommige landen de invloed die van ons congres zou kunnen uitgaan, werd gevreesd, bleek wel heel duidelijk toen de Engelsche regeering, acht dagen voor de eerste samenkomst in Den Haag zou plaats hebben, elke scheepsverbinding met Nederland verbrak, waardoor niet minder dan 180 Engelsche vrouwen haar besluit om aan de besprekingen deel te nemen, moesten laten varen. Ook de Fransche vrouwen die over Engeland ons land moesten bereiken, zagen zich daardoor in hare plannen gedwarsboomd. Toen het bleek, dat ook de „Noordam” van de Holland-Amerika Lijn, aan boord waarvan de uit veertig vrouwen bestaande Amerikaansche delegatie zich bevond, door de Engelsche maatregelen werd opgehouden, begonnen wij voor het welslagen van het congres te vreezen. Gelukkig konden echter deze afgevaardigden de Nederlandsche residentie nog juist vóór de opening van het congres bereiken. Trouwens, ondanks allen tegenstand van Engeland, was ook dat land op het congres vertegenwoordigd, niet alleen door Crystal Macmillan en Kate Courtney die immers aan den voorbereidenden arbeid hadden deelgenomen, maar ook door Mrs. Pethick Lawrence, die uit Amerika tot ons was gekomen. Volkomen beseften allen die aan het congres deelnamen, dat het een heilige plicht was alle krachten in te spannen om de menschenslachting te doen eindigen, en mee te werken om het algemeene vernielingswerk tot staan te brengen. Hoewel nog steeds de oorlogsfakkel werd gezwaaid en alom in de wereld de hartstocht laaide, werd op het congres geen wanklank vernomen. In volkomen harmonie werkten de vrouwen uit de oorlogvoerende landen samen, elkander de zusterhand reikend.
Een speciale commissie voor dat doel ingesteld, had tot taak gekregen om de resoluties samen te stellen, welke het congres zouden worden voorgesteld. Aan die werkzaamheden heb ik gaarne deelgenomen. De resolutie, bevattende den eisch een einde te maken aan den oorlog en vredesonderhandelingen te openen, gebaseerd op alleszins rechtvaardige beginselen tegenover alle volkeren, was mij uit het hart gegrepen. En ook het denkbeeld om afgevaardigden uit neutrale landen te vereenigen tot een comité van bemiddeling, ’t welk onverwijld aan de oorlogvoerende landen zijn tusschenkomst zou aanbieden, had mijn volkomen sympathie. Van de resoluties door ons congres aangenomen, resoluties gebaseerd op het principe van een rechtvaardigen vrede, hebben wij later in de bekende veertien punten door president Wilson gepubliceerd, véél teruggevonden.
Aan het einde van het congres werd besloten, dat een vrouwen-deputatie de resoluties aan de regeeringen der oorlogvoerende en neutrale landen zou aanbieden. Een groot gedeelte van dien arbeid zou komen voor rekening van Miss Jane Addams en mijn persoon. Ons werd opgedragen om eerst den Nederlandschen Minister-President en het hoofd van het departement van Buitenlandsche Zaken te bezoeken, en om daarna de regeeringen van Engeland, Duitschland, Oostenrijk en Hongarije, Zwitserland, Italië, Frankrijk en België persoonlijk de bedoelingen van het vrouwencongres kenbaar te maken. Daar ik mij tengevolge van een ietwat verwaarloosde influenza-aanval minder sterk gevoelde, aanvaardde ik dankbaar het aanbod van Mevrouw F. W. van Wulfften Palthe-Broese van Groenou, mijn vriendelijke gastvrouw gedurende den Congres-tijd, om ons op onze reizen te vergezellen, teneinde zooveel mogelijk voor mijn comfort te zorgen. En Dr. Alice Hamilton, professor in de sociale hygiëne aan de Harvard Universiteit (Noord-Amerika), werd bereid gevonden als gezellin van Miss Jane Addams, den tocht met ons te ondernemen.
Den vijfden Mei 1915 werden wij door den toenmaligen Minister-President, Mr. Cort van der Linden, en den Minister van Buitenlandsche Zaken, Jhr. Loudon, in audiëntie ontvangen. Miss Addams zette den regeeringsvertegenwoordigers het doel van onze komst uiteen. Zij legde vooral nadruk op het feit, dat wij het als den plicht der neutrale landen beschouwden, om aan de strijdende mogendheden hunne interventie aan te bieden. Wel héél duidelijk bleek in den loop van het onderhoud, dat Mr. Cort van der Linden tot de meest oprechte pacifisten mocht worden gerekend. Hoe eerder de oorlog tot een eind gebracht kon worden, hoe aangenamer het den eerbiedwaardigen grijsaard zou zijn. Aan die audiëntie terugdenkende, hoor ik Neerland’s toenmaligen Minister-President op eenigszins korzeligen toon vragen: „Maar zijn in de oorlogvoerende landen de vrouwen niet even krijgszuchtig als de mannen,” waarop Miss Macmillan onmiddellijk antwoordde: „De vrouwen in de oorlogvoerende landen hebben geen stem in de regeering. Van de stem der vrouwen kan men in dezen dus moeilijk spreken. Wat door de pers wordt verspreid, is slechts de stem van eenige schreeuwsters”.
Den dertienden Mei 1915 werden wij door den Engelschen Minister van Buitenlandsche Zaken, Sir Edward Grey, ontvangen. Belangstellend informeerde deze staatsman naar het aantal Duitsche vrouwen, die aan het Congres hadden deelgenomen. En ook interesseerde het hem of de Duitsche regeering deze afgevaardigden geen moeilijkheden in den weg had gelegd. Ik zette den Minister uiteen dat het in Duitschland de plaatselijke autoriteiten waren, die over het al of niet verstrekken van paspoorten beslisten, met het gevolg dat sommige vrouwen wèl en anderen niet de reis naar Nederland hadden kunnen ondernemen. Ik voegde er bij dat ik bewondering had voor den moed van haar die uit Duitschland tot ons waren gekomen, omdat haar ongetwijfeld bij hare terugkomst een hard lot wachtte.
Sir Edward Grey, nu Viscount Grey, gaf ons zijne meening te kennen, dat president Wilson, het hoofd der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bij de vredesonderhandelingen een taak van beteekenis zou kunnen vervullen.
Nadat Miss Addams den volgenden dag den Minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Asquith, van onze zending op de hoogte had gebracht, terwijl ik in een vrouwenvergadering over het Congres en de daar genomen besluiten het woord had gevoerd, vertrokken wij den vijftienden Mei weder naar Nederland. Op de boot kregen wij weer eens gelegenheid ons te overtuigen van de ellendige toestanden welke uit den oorlog voortvloeiden. Tegelijk met ons reisden eenige jonge vrouwen, sommigen met babies in den arm en kinderen van drie, vier, vijf jaar bij zich, enkelen in hoogst zwangeren toestand. Hoewel deze vrouwen geen andere taal machtig waren dan de Engelsche en zij gedurende haar geheele leven het Britsche Rijk nooit hadden verlaten, werden zij door haar huwelijk met Duitschers beschouwd als onderdanen van een vijandig land en dientengevolge uit haar geboorteland verbannen. Hunne echtgenooten waren, voor zoover zij zich niet bij het Duitsche leger hadden gevoegd, op last van de Engelsche regeering naar een der interneeringskampen gezonden. Eerlijkheidshalve dient in dit verband er op te worden gewezen, dat ook in andere oorlogvoerende landen soortgelijke maatregelen ten opzichte der vrouwen waren genomen. Indien ooit dan is bij deze gelegenheid wel overtuigend gebleken, hoe onhoudbaar een wettelijke bepaling is, volgens welke de vrouw hare nationaliteit verliest als zij met een buitenlander trouwt of haar echtgenoot tijdens het huwelijk van nationaliteit verandert. Verschillende regeeringen hebben het onrechtvaardige dezer bepaling intusschen ingezien en in verband daarmede trachten zij de wetten des lands te wijzigen.
Den negentienden Mei gingen wij weder op reis, eerst naar Berlijn. Na aankomst begaf ik mij terstond naar onzen gezant, teneinde hem mijne aanbevelingsbrieven te overhandigen. Mijn reisgenoote ging intusschen naar het Amerikaansche gezantschap. Dank zij de bemoeiingen onzer officieele vertegenwoordigers, werden wij den daarop volgenden dag ontvangen door den Minister van Buitenlandsche Zaken, den heer Von Jagow. Evenals Sir Edward Grey verklaarde ook deze bewindsman, dat niets hem liever zou zijn dan een spoedige vrede en dat de neutrale staten met President Wilson aan het hoofd, daartoe het initiatief dienden te nemen. Uiterst neerslachtig zeide de minister o.a., dat het thans levend geslacht zijns inziens wel nooit weer aan een oorlog zou denken, maar dat de militante aard van den man op den duur langs dien weg toch weder bevrediging zou gaan zoeken.
„Tegen dien tijd”, merkte ik op, „zullen de vrouwen waarschijnlijk wel overal de macht verkregen hebben om samen met de mannen de regeering te leiden.”
Onomwonden gaf de heer Von Jagow toe, dat hierin inderdaad hoop voor de toekomst lag. „Als de betere gevoelens der vrouw tot uiting kunnen komen in de regeeringskringen, dan zal voor de wereld een betere toekomst aanbreken”, meende hij.
Den volgenden dag, Zaterdag 22 Mei, verleende de Minister van Binnenlandsche Zaken, Von Bethmann Hollweg, mijn reisgenoote audiëntie. Ik kon haar niet vergezellen, omdat onze Gezant daartoe de noodige stappen nog niet had gedaan. Een „ehrenvollen Frieden für alle Staaten” achtte Von Bethmann Hollweg het ééne noodige en ook zijn hoop was daarbij gevestigd op de interventie der neutrale staten.
Den avond te voren, toen Miss Addams een vergadering van den Duitschen Vrouwenraad bijwoonde, had ik een bezoek gebracht aan den braven, eerlijken sociaal-democraat, Eduard Bernstein. In zijn grooten familiekring werd ik hartelijk welkom geheeten. In hem mocht ik een Duitscher ontmoeten die onbevooroordeeld den toestand bekeek, en zich daarbij plaatste op een internationaal standpunt.
Den drie en twintigsten Mei vertrokken wij naar Weenen. Dien zelfden dag was bekend geworden, dat Italië aan de Centrale Mogendheden den oorlog had verklaard. Onnoodig te zeggen dat geheel Weenen in een staat van opwinding verkeerde.
Ofschoon het Pinkstermaandag was, meldden wij ons toch den volgenden dag bij onze Gezanten, die beloofden alles in het werk te zullen stellen om zoo spoedig mogelijk voor ons een audiëntie te verkrijgen bij de Ministers van Binnenlandsche en Buitenlandsche Zaken, Graaf von Stuergkh en Baron Burian. Nog diezelfde week verleenden beide Ministers ons gehoor. De heeren bleken zeer onder den indruk van de pas ontvangen oorlogsverklaring. In tegenstelling met staatslieden als Von Jagow en Sir Edward Grey, waren zij van meening dat niet van President Wilson, wien de toestanden in de oude wereld vreemd waren, een eventueele interventie moest uitgaan, doch dat dit op den weg lag van de neutrale Europeesche Staten. Vooral Graaf von Stuergkh verklaarde onomwonden, niet te kunnen begrijpen hoe de wereld maar werkeloos kon blijven toezien, terwijl Europa bezig was zichzelf te vernietigen. Hij dankte ons voor onze komst en zeide o.a.: „Voor het eerst sinds acht maanden, heb ik in mijn kabinet weer eens verstandige taal gehoord”.
Dienzelfden avond vertrokken wij over Salzburg en Innsbrück naar Bern, echter niet dan nadat wij in de Frauenclub een vijftigtal Oostenrijksche vrouwen, die ons de meest mogelijke belangstelling schonken, van ons pacifistisch streven op de hoogte hadden gebracht.
In de Zwitsersche hoofdstad zorgde Dr. Gertrud Woker, een in wetenschappelijke kringen alom bekende vrouw, er voor, dat wij zoowel door den Minister van Buitenlandsche Zaken, den heer Hoffmann, als door den President der Republiek, den heer Motta, werden ontvangen. Vooral met het hoofd van den Zwitserschen Bondstaat, die een uiterst intelligent en beminnelijk man bleek te zijn, hadden wij een langdurig en voor ons zeer belangwekkend onderhoud. „Hoe is het mogelijk”, zeide hij o.a. in den loop van het gesprek, „dat vrouwen in alle oorlogvoerende landen niet reeds sinds lang in opstand zijn gekomen tegen het feit, dat hunne mannelijke landgenooten bij duizenden verminkt en gedood worden!”
Toen wij afscheid namen, drukte de heer Motta ons op het hart in Rome vooral met den Paus te gaan spreken. „Benedictus XV is een vriend van mij”, zeide hij, „ik ken hem en ik weet dat hij U zeer gaarne zal ontvangen”.
Daar het in Zwitserland verboden was in het openbaar den vrede te propageeren, vroegen wij verlof om in een voor ieder toegankelijke vrouwenvergadering het woord te mogen voeren over „die Frauen und der Krieg”. Dit werd niet alleen toegestaan, maar wij kregen zelfs de Stadthalle tot onze beschikking en mochten de voldoening smaken dat wij daar door een zeer talrijke schare werden aangehoord.
Na Bern werd Rome het doel van onzen tocht. Op den ochtend van den dertienden Juni begaven wij ons naar de eeuwige stad. Nauwelijks had de trein het Zwitsersche grensstation verlaten, of in den trein werden alle ramen potdicht afgesloten, zoodat wij van de streek waardoor wij reisden niets konden zien. Als wij aan een station stopten, merkten wij dat er de grootst mogelijke drukte heerschte. Zingend en juichend trokken de jonge mannen ten oorlog. Italië stond nog aan het begin van den oorlog, zoodat de bevolking de daaruit voortvloeiende ellende nog niet aan den lijve had gevoeld. De achterblijvenden daarentegen waren minder vroolijk gestemd. Op ons, die in Duitschland en Oostenrijk de gevolgen van den moorddadigen krijg in al hun wreedheid hadden aanschouwd, maakte de opgewonden stemming waarmede de jonge lieden hun dood of erger tegemoet gingen, een hoogst pijnlijken indruk.
Een overvolle trein bracht ons den volgenden dag naar het doel van onze reis. Ruim een etmaal waren wij onderweg geweest. Niettemin zochten wij nog dienzelfden morgen onze Gezanten op, aan wier bemiddeling het te danken was, dat de Ministers van Binnen- en Buitenlandsche Zaken, de heeren Salandra en Sonnino, ons weldra een onderhoud toestonden. Dat bevredigde echter niet, omdat beide bewindvoerders den roes waarin de oorlog de staatslieden aanvankelijk doet verkeeren, nog niet te boven waren. Dat stadium schijnen de meeste staatslieden pas te bereiken als zij met al de funeste gevolgen van het oorlogvoeren hebben kennis gemaakt. In welk een opwinding verkeerde Rome’s bevolking! Hoe laaide de oorlogspsychose bij de honderden en duizenden die zich in de straten der hoofdstad verdrongen. Caricaturen van Minister Giolitti, de man die den zedelijken moed had gehad om zich tegen den oorlog te verklaren, werden overal te koop geboden, zelfs zagen wij in een der straten, dat een juichende schare een houten pop, dien toen zoo geminachten bewindsman voorstellend, aan de galg hing.
Hoe gemakkelijk het is de groote massa van een bepaalde opinie te doordringen, en ook hoe onverantwoordelijk het is om een uitsluitend uit mannen bestaand parlement te laten beslissen over het al of niet voeren van een oorlog, heeft het verblijf te Rome ons geleerd.
„Slechts twee dagen waren noodig”, vertelde men ons, „om de publieke opinie voor den oorlog te winnen”. Wat onware berichten, gelanceerd in de dagbladen van alle richtingen, omtrent de landen waartegen men zich wenschte te keeren, berichten van daar getolereerde euveldaden, eenige artikelen, waarin de vrees werd geuit dat ook Italië van hetgeen elders gebeurde de dupe zou worden, indien de regeering niet tijdig ingreep,—en klaar was de opvatting dat werkeloos toezien het vaderland in ellende zou storten. Zoo sterk werkte de suggestie, dat ook de overgroote meerderheid van het parlement zich er niet aan kon onttrekken.
Ook bij de Italiaansche vrouwen vonden wij voor onze vredespropaganda geen willig oor.
Meer succes hadden wij in dat opzicht bij het hoofd der Katholieke kerk. Niet alleen Jane Addams en ik, maar ook onze beide gezellinnen werden in een particuliere audiëntie door den Paus op het Vaticaan ontvangen. In het onderhoud, dat meer dan een half uur duurde, deed Benedictus XV zich kennen als een man van hooge beschaving en groote wetenschappelijke ontwikkeling. Intusschen bleek al spoedig, dat deze hoogwaardigheidsbekleder, wiens leven geheel aan de wetenschap was gewijd, zich omtrent de samenleving in al hare geledingen, niet altijd een juist oordeel had gevormd. In volle oprechtheid verzekerde de Paus ons, dat elke poging om den vrede te bevorderen, op zijn steun kon rekenen, dat hij bereid was ieder denkbeeld dienaangaande in ernstige overweging te nemen. Wat de maatschappelijke positie der vrouw betreft, bleek de kerkvorst van oordeel, dat zij, in het algemeen gesproken, meer invloed moest kunnen uitoefenen op de opvoeding der kinderen, dat zij meer dan tot dusver de richting van het onderwijs op de scholen moest aangeven.
Toen Mevrouw Van Wulfften Palthe in dit verband vroeg of Z.H. het ook wenschelijk achtte, dat de vrouw op ’s lands regeering haar directen invloed kon doen gelden, verklaarde de Paus daarop niet ineens een antwoord te kunnen geven.
Twee nachten en één dag reizens brachten ons van Rome naar Parijs, waar wij ons weer terstond tot de Amerikaansche en Nederlandsche Gezanten wendden, ten einde met de hoogste autoriteiten in contact te komen. Dat de Minister-President zoo goed als de Minister van Buitenlandsche Zaken ons een onderhoud toestonden, was echter te danken aan het parlementslid Longuet, kleinzoon van den wereldberoemd geworden vader van het socialisme, Karl Marx. De heer Longuet wist zoowel bij Viviani als bij Delcassé het pad voor ons te effenen. In dezen laatste ontmoetten wij den bewindsman, die maanden van oorlog ten spijt, volmondig verklaarde dat Frankrijk geen vredesvoorstel, hoe gunstig dit ook voor het land mocht wezen, zou aanvaarden. „Wij hebben ons voorgenomen Duitschland voor goed onschadelijk te maken en zullen dat plan, het kostte wat het wil, ten uitvoer brengen”, luidde zijn antwoord, en al ons redeneeren stuitte af op dien onwrikbaren muur van haat en wraak.
Viviani, wien ons tweede bezoek gold, redeneerde kalmer en bezadigder. Intusschen bleek dat ook hij, hoewel pacifist en feminist van aanleg, den tijd nog niet gekomen achtte, waarin Frankrijk er aan kon denken het ook door hem gekoesterde vredesideaal een meer vasten vorm te geven.
Was het wonder dat het bezoek aan de mannen die het Fransche volk in hoogste instantie vertegenwoordigden, ons diep teleurstelde? Toch zou het verblijf te Parijs ons nog grooter desillusie brengen. Verblind als zij door de omstandigheden waren, hadden de presidente en de vice-presidente van den Franschen Vrouwenraad het noodig gevonden, een met haar namen onderteekend artikel in de Parijsche pers te publiceeren, dat geen ander doel had dan Miss Jane Addams en mij op de schandelijkste wijze verdacht te maken, en dat op grond van valsche berichten in de Fransche bladen over het te ’s Gravenhage gehouden congres, een congres ’t welk noch door Madame Siegfried, noch door Madame Avril de Sainte-Croix, de beide onderteekenaarsters van het bewuste artikel, was bijgewoond. Tevergeefs trachtte de heer Otlet, een Belg die wèl bij de besprekingen in ’s Gravenhage tegenwoordig was geweest, de verkeerde voorstelling van de beide dames in de Parijsche pers te weerleggen. De kolommen der Fransche bladen bleven hardnekkig voor hem gesloten.