Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 14
Nadat wij ons bij het bestuur van den Franschen Vrouwenraad beklaagd hadden over de ons aangedane behandeling, verklaarde Madame de Witt Schlumberger, presidente van de Fransche Vrouwenkiesrechtvereeniging, zich bereid ons met de schrijfsters van het gewraakte artikel in contact te brengen. Zoowel de dames Siegfried en Avril de Sainte-Croix als Jane Addams en ik, werden op een thee te haren huize genoodigd. Madame Avril de Sainte-Croix liet zich verontschuldigen, Madame Siegfried verscheen, omringd door een aantal vrouwen, even chauvinistisch als zij.
Men stelde ons in de gelegenheid een en ander van het congres te vertellen, maar haar overtuigen dat zij ongelijk hadden, dat konden wij de Fransche vrouwen allerminst. Zij waren, zoo luidde de kern van haar betoog, in de allereerste plaats Françaises, die haar vaderland in de ure des gevaars moeten steunen. De regeering dwarsboomen in hare plannen stond gelijk met landverraad. Dat wij die opvatting niet deelden, dat wij weigerden de Fransche vrouwen deswege in onze pers te prijzen, was voor haar een groote teleurstelling. Om die reden wilden zij van hetgeen zij in de Fransche pers hadden gepubliceerd, geen woord terug nemen. Intusschen bleken niet alle Fransche vrouwen die opvatting te deelen. Nadat wij den eenen dag vertoefd hadden ten huize van Madame de Witt Schlumberger, waren wij den volgenden middag de gasten van Madame Duchênne. Bij haar ontmoetten wij vrouwen die, oprechte pacifisten als zij waren, den moed hadden waar zulks noodig was, het optreden van de Fransche regeering te laken.
Van Parijs voerde onze weg naar Hâvre, waar in die dagen de Belgische regeering haar zetel had. Hoewel onze papieren volkomen in orde waren, vertrouwden de autoriteiten daar ons niet. Bij aankomst verdiepte eerst de Fransche en daarna de Engelsche politie zich in onze papieren en alles wat wij bij ons hadden. Natuurlijk konden de heeren niets verdachts vinden, maar toch vond men het verstandig ons voor den commissaris van politie te leiden. Die onderwierp ons aan een uitgebreid verhoor. Wij hadden niet het minste bezwaar hem het doel van onze komst uiteen te zetten en volgaarne gaven wij hem het adres waar wij dachten te logeeren. In het door ons genoemde hotel hadden wij, te Parijs vertoevend, telegraphisch kamers besteld en langs denzelfden weg had men ons geantwoord dat de appartementen gereserveerd zouden worden. Ondanks dat bleek men, toen wij ons kwamen aanmelden, niet bereid ons een kamer aan te wijzen. Na veel moeite stond men ons toe in een klein afgelegen vertrek een maaltijd te gebruiken. Nauwelijks echter hadden wij die genuttigd of ons werd beduid, dat wij verstandig zouden doen heen te gaan. Er was niet veel doorzicht noodig om te begrijpen, dat de politieautoriteiten den hotelhouder te onzen opzichte de noodige wenken hadden gegeven. Maar waarom? Was men wellicht bevreesd dat wij pacifisten, de in het hôtel gehuisveste Engelsche militairen zouden bewerken? Die vrees was overbodig. Wij hadden de mentaliteit der groote massa in de oorlogvoerende landen te goed leeren kennen om niet te weten, dat een dergelijke, op dat moment volkomen doellooze propaganda, ons in de grootste moeilijkheden zou brengen.
„Om vijf uur vertrekt een trein naar Parijs”, had de hoofdcommissaris ons ongevraagd ingelicht. Daar wij er weinig voor voelden om langer dan noodig was in het ongastvrije Hâvre te vertoeven, trachtten wij dadelijk na den eten de Belgische Ministers d’Avignon en Broqueville te spreken te krijgen. De laatste was naar het front vertrokken, de eerste verklaarde zich bereid ons nog dienzelfden middag te ontvangen. Tijdens het onderhoud gaf de heer d’Avignon ons de verzekering dat een spoedige vrede België hoogst welkom zou zijn. „Pogingen om daartoe te geraken”, zeide de regeeringsvertegenwoordiger, „kunnen echter niet van ons uitgaan. Daarvoor zijn wij te nauw geliëerd met Frankrijk en Engeland.”
Doodmoe kwamen wij dien avond laat in Parijs aan. Nadat wij daar nog een dag zoek hadden gebracht met het laten controleeren en registreeren van onze passen, vertrokken wij den achttienden Juni naar Londen, in de stille hoop, reeds den daarop volgenden dag naar Nederland te kunnen terugkeeren. Wij hadden daarbij geen rekening gehouden met de toen in Engeland heerschende bepaling, volgens welke een uit Frankrijk komend vreemdeling minstens een week in Engeland moest doorbrengen alvorens toestemming tot het vertrek naar een ander niet-geallieerd land kon worden gegeven.
Dank zij de bemiddeling van eenige invloedrijke kennissen, werden ons van dien termijn twee dagen kwijt gescholden. De vijf dagen gedwongen rust gebruikten wij om met onze geestverwanten, mannen en vrouwen aldaar, te overleggen wat alsnog gedaan kon worden ter bevordering van Vrede.
Ik moet nog even terugkeeren tot het in Den Haag gehouden congres om te vertellen van het daar genomen besluit, om uit de leden van het congres een vereeniging te stichten, die tot doel zou hebben het vredesideaal zooveel mogelijk nabij te komen. „International League for permanent peace” werd de naam van de nieuwe vereeniging, een naam, later op het in 1919 in Zürich gehouden Congres veranderd in: „Women’s International League for peace and freedom.”
Tot Rosa Manus en mij werd het verzoek gericht om tijdens den duur van den oorlog als het ware de trait d’union te vormen tusschen de leden in de verschillende landen. Wij waren als vice-presidente en eerste secretaresse tot leden van het bestuur gekozen en hadden in de eerste plaats tot taak, te zorgen voor het in orde brengen en verzenden van het Congres-verslag, dat in druk zou verschijnen.
Gedurende de eerste maanden nam Miss Macmillan een deel van den omvangrijken arbeid, die op ons rustte, voor hare rekening. Daarna heeft Miss Emily Hobhouse, uit Engeland, in ons land bekend door haar menschlievend werk in Zuid-Afrika tijdens den Zuid-Afrikaansch-Engelschen oorlog, ons eenige maanden trouw ter zijde gestaan. Daarna moesten Mw. Manus en ik het werk alleen klaar spelen. Dit vergde niet weinig van onzen tijd en onze werkkracht. Uit alle deelen van de wereld ontvingen wij brieven, die niet alleen beantwoord moesten worden, maar waarvan de inhoud weder aan vrouwen in andere landen moest worden medegedeeld. Ook kregen wij de berichten over het werk der pacifisten in de verschillende landen, waarvan wij uittreksels maakten, geregeld in een maandblad publiceerden en aan al onze leden stuurden. Door dit en allerlei andere werkzaamheden zorgden wij dat gedurende den langen duur van den oorlog, tusschen de pacifistische vrouwen uit de heele wereld contact bleef bestaan, zoodat zij, zoodra het tijdstip daartoe zou zijn gekomen, gemakkelijk tot samenwerking konden bijeenkomen.
Den 12en Augustus 1915 kwam Miss Macmillan uit Londen tot ons met de belangrijke mededeeling, dat Lord Crewe den tijd rijp achtte voor het vormen van een bond van neutrale landen, waarvan vredes-bemiddeling het doel sou zijn. Miss Macmillan had deze verklaring van den Engelschen Staatsman schriftelijk laten bevestigen.
Nog dienzelfden middag togen wij naar onzen Minister-President om hem hiermede op de hoogte te brengen. Minister Cort van der Linden toonde de grootste belangstelling voor hetgeen wij kwamen melden. Hij meende echter geen stappen in de richting van het door Lord Crewe geopperde denkbeeld te kunnen doen, alvorens te weten hoe de regeering van Amerika over bemiddeling tusschen de oorlogvoerende landen dacht. „Het zou van het grootste belang zijn, zoo spoedig mogelijk te vernemen hoe President Wilson over Lord Crewe’s plan denkt”, zeide hij in den loop van ons gesprek.
Ik bood dadelijk aan den volgenden dag met de „Nieuw-Amsterdam” naar Amerika te vertrekken, teneinde den President der Vereenigde Staten van een en ander op de hoogte te brengen en zijn opinie hierover te vernemen. Telegraphisch werd een hut op de boot besteld. Dienzelfden avond nog ontving ik mijn pas en de noodige aanbevelingsbrieven. In allerijl kocht ik eenige reisbenoodigdheden, en de tijd die mij toen nog restte werd besteed om in samenwerking met Miss Macmillan een vragenlijstje te formuleeren, dat ik President Wilson wilde voorleggen en dat als volgt luidde:
1º. Wenscht Amerika, nu de tijd voor bemiddeling tusschen de oorlogvoerende landen gekomen is, alleen handelend op te treden, zonder medewerking van de voornaamste neutrale landen van Europa en houdt President Wilson dit voor de beste methode? 2º. Wenscht President Wilson in dezen samenwerking met de voornaamste neutrale landen? 3º. Indien ja, wil President Wilson dan de leiding nemen en de andere landen tot samenwerking uitnoodigen? 4º. Indien President Wilson van meening is, dat de bemiddeling van de Europeesche neutralen moet uitgaan, zal Amerika dan door het zenden van een of meer afgevaardigden aan het bemiddelingswerk deelnemen? 5º. Is President Wilson van meening, dat een dergelijke actie beter van een enkele neutrale natie in Europa kan uitgaan? En zoo ja, is hij bereid zijn medewerking te verleenen indien één enkel land hem daartoe uitnoodigt? 6º. Indien President Wilson de in 5º geformuleerde opvatting deelt, welke Europeesche natie is dan volgens hem aangewezen om het initiatief tot het verleenen van bemiddeling te nemen? 7º. Zou Amerika aan het zenden van afgevaardigden bijzondere voorwaarden verbinden? En zoo ja, welke zijn dan die voorwaarden?
In den vroegen ochtend van den 25en Augustus 1915 werd ik door de particuliere secretaresse van Mrs. Chapman Catt te New York welkom geheeten. Miss Heyde bracht mij terstond naar de woning van Mrs. Catt, waar ik gedurende den tijd dat ik te New York vertoefde, een gastvrij en rustig thuis mocht vinden.
Tot mijn groote teleurstelling moest ik, in Amerika aangekomen, vernemen, dat President Wilson in zake vredesbemiddeling niemand meer wenschte te ontvangen. Tot overmaat van ramp bleek de Nederlandsche Gezant, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had, naar San Francisco te zijn vertrokken en zelfs zijn plaatsvervanger was niet in New York aanwezig. Opbeurend waren al deze berichten niet, maar terwijl ik peinsde over middelen om mijn doel ondanks al deze hinderpalen te bereiken, kreeg ik al dadelijk dien eersten dag bezoek van Miss Balch, een bekende pacifiste uit Boston, die niet alleen aan het Haagsche Congres haar krachten had gegeven, maar daarna ook met andere afgevaardigden de regeeringspersonen in de Scandinavische Rijken en Rusland van onze resoluties en plannen op de hoogte had gebracht. Miss Balch was naar New-York gekomen met geen ander doel dan om mij zooveel mogelijk te steunen. Zij had zich van alle te Boston op haar rustende plichten vrij gemaakt en stelde zich volkomen te mijner beschikking. Die onverwachte hulp werd met beide handen aanvaard.
Ons eerste werk was een brief te richten tot President Wilson, waarin wij hem vroegen ons op een door hem te bepalen tijd een onderhoud te willen toestaan. Het doel van onze eventueele komst werd daarbij in het kort uiteen gezet.
Eenige dagen verliepen vóór het antwoord op ons schrijven kwam. De Heer Wilson bleek voor een ontmoeting op White House niet te vinden, omdat het onvermijdelijk zou zijn dat de pers daarvan notitie nam, terwijl publiciteit in dezen volkomen uit den booze zou zijn. Vandaar zijn voorstel ons tot den Staatssecretaris Lansing of tot Colonel House te wenden. Zij zouden dan van ons onderhoud den President op de hoogte kunnen brengen.
Telegraphisch verzochten wij den heer Lansing om een onderhoud. Het antwoord luidde dat de Staatssecretaris ons den volgenden ochtend wachtte, waarop Miss Balch en ik, na geluncht te hebben met den heer Norman Angell, schrijver van „The great illusion”, die tijdelijk te New York vertoefde, in den trein stapten om ons naar Washington te begeven.
Het onderhoud met den heer Lansing bevredigde ons allerminst. Hij praatte zooveel dat ik ternauwernood gelegenheid vond onze vragen te uiten. Wij vonden een onderhoud met Colonel House alsnog hoog noodig. Wij zonden hem nog dienzelfden dag een telegram naar Manchester, Massachusetts, waar hij, de vriend van den President, op zijn landgoed vertoefde.
„Wacht U morgen middag”, luidde het bescheid, dat ons noodzaakte dien avond om half zes Washington te verlaten. Om elf uur den volgenden ochtend waren wij te Boston en na ons wat verfrischt te hebben, vervolgden wij de reis. Het onderhoud met Colonel House leidde tot betere resultaten. Hij liet mij uitvoerig aan het woord en nadat ik hem volledig had ingelicht, gaf hij als zijn meening te kennen, dat ik President Wilson zelf moest spreken. Hij zou trachten den President er toe over te halen mij een onderhoud toe te staan.
In afwachting van het oogenblik dat mij de uitnoodiging om op het Witte Huis te verschijnen, zou bereiken, verbleef ik op Bar Harbor, in Maine, het prachtig gelegen eiland waar vele rijke Amerikanen hunne zomerverblijven hebben. Ik was er met Miss Balch de gast van Miss Jane Addams. Na eenigen tijd deelde President Wilson mij mede, dat hij mij Woensdag 15 September wilde ontvangen. Ik moest echter alleen komen en iemand uit een der oorlogvoerende landen kon hij onmogelijk ontvangen.
Maar ook dit bezoek bracht mij een teleurstelling. Wat ik ook vroeg, steeds antwoordde de President dat Amerika zelf in moeilijkheden verkeerde en dat hij daarom geen definitief antwoord op hetgeen ik vroeg mocht geven. De omstandigheden konden zich elken dag wijzigen, dus moest hij vrij blijven om te doen wat op een oogenblik het beste zou blijken. Zelfs een zeer oppervlakkige en onofficieele verklaring zou hem aan banden kunnen leggen, en dat wilde hij vermijden. „Ik moet kunnen ageeren op het oogenblik dat ik het meest geschikt acht, en op de wijze die mij dan de meest doelmatige lijkt”,—zeide hij. Intusschen was hij van meening, dat de neutrale landen in Europa zelfstandig een actie konden beginnen. Wat hem betrof, geen oogenblik zou hij een dergelijk optreden beschouwen als een onvriendelijke daad tegen Amerika.
Bij dit bezoek heb ik den indruk gekregen, dat Woodrow Wilson hooge idealen koesterde maar dat hij de kracht zou missen om die te verwezenlijken, als zich eens groote hinderpalen voordeden. Hij scheen ook niet voldoende te beseffen dat zijn groote macht om iets ten goede te bereiken ten opzichte van het beëindigen van den oorlog, belemmerd werd door het feit, dat hij, die nooit in Europa was geweest, zich omtrent de daar heerschende toestanden een dikwijls verkeerd denkbeeld had gevormd.
Zoolang ik den President nog niet had gesproken, meende ik mij niet in het openbare leven in Amerika te moeten mengen. Vandaar mijn weigering om spreekbeurten te vervullen of interviews toe te staan. Na mijn ontmoeting met den heer Wilson zag ik er echter geen bezwaar in te Chicago eenige spreekbeurten te vervullen. Gedurende de vijf dagen dat ik er de gastvrijheid van Mrs. Wilmarth genoot, heb ik elken dag een of meer lezingen gehouden, niet alleen over oorlog en vrede, maar ook over vrouwenkiesrecht.
Na mijn audiëntie bij den President, richtte hij een vriendelijk briefje aan Miss Addams. Zij heeft het mij in originali afgestaan, met de bedachtzame en hartelijke bedoeling dat het mij wellicht van dienst kon zijn indien men, na mijn terugkeer in Nederland, het onderhoud in twijfel mocht trekken. Steeds is dat epistel in mijn bezit gebleven. Niet uit dezelfde overweging, maar als een sprekend bewijs voor de uitgelezen heuschheid van den President, laat ik het hier volgen:
THE WHITE HOUSE WASHINGTON
September 23, 1915
My dear Miss Addams,
I warmly appreciate your kind letter about Dr. Aletta Jacobs. You may be sure that it gave me great pleasure to meet so interesting a woman.
Cordially and sincerely yours (w.g.) Woodrow Wilson.
Miss Jane Addams Hulls Cove, Maine.
De „Nieuw Amsterdam” van de Holland-Amerika Lijn waarop ik mij den 13den Augustus naar New York had ingescheept, zou mij den 5den October naar het vaderland terugvoeren. Behalve dat wij bij het begin van de reis nauwkeurige instructies kregen hoe te handelen als het schip onverhoeds op een mijn mocht loopen, gebeurde er niets bijzonders tot wij in de haven van Falmouth voor anker lagen. Daar werden wij om een, door de Engelsche autoriteiten nooit volkomen opgehelderde reden, een week lang vast gehouden. Herhaaldelijk werd in dien tijd de boot doorzocht, van de machinekamer tot het want. De kolenvoorraden haalde men onderst boven, de kajuiten werden in elk hoekje en gaatje gerevideerd en onze papieren werden herhaaldelijk van A tot Z bestudeerd.
Nadat wij zeven dagen achtereen een behoorlijk eind uit den wal voor anker hadden gelegen, zonder dat het een der opvarenden vergund werd de boot te verlaten, weerklonk ten langen leste het vertreksignaal. Toen bereikten wij zonder verdere incidenten de haven van Rotterdam. Zóó vroeg waren wij binnen, dat ik nog dienzelfden dag aan onze Ministers van Binnen- en Buitenlandsche Zaken verslag van mijn reis naar Amerika en mijn bezoek aan President Wilson kon uitbrengen.
Nadien heb ik tijdens de oorlogsjaren mijn krachten in samenwerking met Rosa Manus gegeven aan den arbeid, voortspruitende uit het in stand houden van de Liga voor duurzamen vrede.
Nauwelijks echter was de wapenstilstand gesloten of van allen kant drong men aan op een bijeenkomst van vrouwen. Hoewel ik persoonlijk meende, dat het niet wel mogelijk zou zijn, zoo spoedig als men wenschte een goed bezochte conferentie te doen houden, hielp ik van ganscher harte mede aan het voorbereiden eener bijeenkomst, welke op 5 Mei 1919 te Zürich werd uitgeschreven. Een week voor dien datum begaf ik mij in gezelschap van de dames C. Ramondt-Hirschmann en F. W. van Wulfften Palthe-Broese van Groenou naar Zwitserland.
’t Was nog in de dagen dat vooral in Duitschland geen geregelde treinenloop bestond. Werkstakingen en opstootjes waren aan de orde van den dag. Vandaar dat wij gaarne van de gelegenheid gebruik maakten, om in den specialen trein, die in verband met een te Bazel georganiseerde jaarmarkt, van Arnhem naar Zwitserland zou loopen, plaatsen te reserveeren. Des ochtends om zes uur vertrokken wij uit Arnhem. In ’t midden van den vollen trein was voor de drie dames die in gezelschap van ik weet niet hoeveel heeren, den tocht zouden ondernemen, een coupé gereserveerd. Wij rekenden al uit dat wij den volgenden ochtend Zwitserland zouden hebben bereikt, toen de reizigers elkander vertelden, dat in Duitschland weer eens spoorwegstakingen waren uitgebroken, met het gevolg dat vooral in de omgeving van het station Frankfort alles in disorde was.
Toen wij het grensstation Elten bereikt hadden, werd aan de passagiers medegedeeld, dat de berichten omtrent de werkstaking en de baldadigheden langs de spoorwegen van dien aard waren, dat de Hollandsche trein in geen geval verder zou gaan. Men liet de reizigers de keus, terug te keeren naar de plaats van vertrek of op eigen risico verder te reizen. Wij drieën, onbewust van wat ons te wachten stond, waren de eersten die verklaarden de reis te willen voortzetten. Eenige heeren sloten zich bij ons aan, de groote meerderheid echter keerde naar Arnhem terug.
Het gezelschap waarmede wij aanvankelijk den tocht voortzetten, werd aan elk station kleiner, zoodat wij ten slotte met slechts drie heeren te Frankfort aan kwamen. Wel was de reis bezwaarlijk. Telkens moesten wij op de koude, tochtige perrons wachten en wachten, tot ten langen leste een treintje kwam opdagen dat ons weer een eindje verder bracht. En nooit kon men ons te voren zeggen hoe ver wij zouden komen. Dat hing geheel af van de willekeur van het personeel. Eindelijk, na vijf dagen sporens, hadden wij Zürich bereikt. Toen wij ’s middags om vijf uur het station binnen stoomden, werden wij door onze Amerikaansche vriendin, Miss Balch, en eenige vrouwen uit Zürich, hartelijk welkom geheeten. Zij vertelden ons dat in verband met de ontstane moeilijkheden waardoor het postverkeer totaal ontwricht was, het congres een week was uitgesteld. Zoowel aan de voorbereidende werkzaamheden als aan die welke uit het Congres zelve voortvloeiden, heb ik mijn volle kracht gegeven. Toen echter na afloop der bijeenkomst, volgens een vroeger genomen besluit, het bureau van Amsterdam naar Genève, den zetel van den Volkenbond, werd verplaatst, beschouwden Rosa Manus en ik, die beide verklaard hadden geen bestuursfunctie meer te kunnen aanvaarden, onze taak in het bestuur als geëindigd.
Intusschen had ik mijn domicilie van Amsterdam naar Den Haag verplaatst. Nauwelijks uit Zürich in de Nederlandsche residentie teruggekeerd, bereikte mij de semi-officieele uitnoodiging om met een of twee door mij zelf aan te wijzen reisgenooten een tocht door Duitschland te maken, ten einde mij te overtuigen van de funeste gevolgen, welke de nog steeds niet opgeheven blokkade voor de volksgezondheid had. De omstandigheid dat men mij allerlei faciliteiten, waaronder vergoeding van reis- en verblijfkosten aanbood, was oorzaak, dat ik de invitatie nog even in beraad hield. Wilde ik mij inderdaad een juist beeld van de heerschende toestanden kunnen vormen, dan moest ik onafhankelijk mijn onderzoek kunnen instellen.
Terwijl ik nog overlegde hoe ik, zelfstandig optredend, goed gedocumenteerde gegevens zou kunnen bijeenbrengen aan de hand waarvan dan eventueel later een hulpactie op touw gezet kon worden, vroeg Miss Jane Addams mij of ik er iets voor voelde om mij te voegen bij een commissie, bestaande uit haar zelf, Dr. Alice Hamilton en Miss Carolina Wood uit Amerika, die in Duitschland gegevens omtrent den heerschenden voedselnood wilden verzamelen. Tegelijk met dit Amerikaansche gezelschap zou een commissie van vier leden, gekozen uit de Engelsche „Society of Friends”, voor hetzelfde doel een reis door Duitschland maken. Gaarne nam ik dat aanbod aan.
Den zevenden Juli kwamen wij te Berlijn aan en ontmoetten er Dr. Elisabeth Rotten, de Duitsche vertegenwoordigster van de „Society of Friends”, die ons als gids en raadgeefster zou dienen. Drie weken duurde onze tocht. Het mateloos wee van zoovele duizenden, de zee van ellende waarin gansch een volk was gedompeld, troffen mij zoo, dat ik niet den moed had om, zooals aanvankelijk in de bedoeling had gelegen, na Duitschland, ook Oostenrijk-Hongarije te bezoeken. Ik voelde dat mijn krachten te kort zouden schieten en vond het daarom beter naar het eigen land terug te keeren en, zoo mogelijk door publicatie van hetgeen ik had aanschouwd, het publiek te bewegen op uitgebreide schaal aan de hongerende en uitgemergelde menschen hulp te bieden.
Hoewel ik mijn rapport zoo sober mogelijk had opgesteld, moest ik het, alvorens het gepubliceerd te krijgen, hier en daar verzachten. Dat de ellende in Duitschland zulke afmetingen had aangenomen, kon en wilde men ten onzent toen nog niet begrijpen.
Van alles wat ik had gezien, trof mij het meest den totaal ondermijnden gezondheidstoestand van het komende geslacht. Wat moest er van die lichamelijk volkomen uitgeputte kinderen terecht komen? Hoe zou na verloop van jaren het nageslacht wezen van een natie, voor veertig procent bestaande uit individuen, die op de een of andere wijze tot de lijders aan tuberculose moesten worden gerekend?